Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:8606

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-12-2014
Datum publicatie
18-12-2014
Zaaknummer
CV EXPL 14-5869
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Groep schoonmakers is gedurende een flink aantal jaren via schoonmaakbedrijf werkzaam bij een hotel. Op grond van de CAO hebben werknemers die op 30 juni 2010 werkzaam waren in een hotel recht op weekend- en feestdagentoeslagen. Dit recht vervalt bij vrijwillige uitdiensttreding.

Het schoonmaakbedrijf gaat failliet, maar er is een doorstart. Het nieuwe bedrijf biedt de werknemers aan om bij haar te komen werken, maar laat daarbij expliciet weten dat de weekendtoeslag dan komt te vervallen. Feitelijk werken de schoonmakers gewoon door bij het hotel.

De vraag is of de werknemers als gevolg van het faillissement “vrijwillig” uit dienst zijn getreden. De kantonrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. Bij de uitleg van de CAO is niet alleen de tekst maatgevend. Deze moet gelezen worden in het licht van de gehele tekst van de CAO en een eventuele schriftelijke toelichting daarop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-1075
AR 2014/1001

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht - team kanton

zaaknummer: 2838647 \ CV EXPL 14-5869

vonnis van: 8 december 2014

fno.: 245/25

Vonnis van de kantonrechter

Inzake:

1. [naam eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [naam eiser 2],

wonende te [woonplaats],

3. [naam eiser 3],

wonende te [woonplaats],

4. [naam eiser 4],

wonende te [woonplaats],

5. [naam eiser 5],

wonende te [woonplaats],

6. [naam eiser 6],

wonende te [woonplaats],

7. [naam eiser 7]

wonende te [woonplaats]

8. [naam eiser 8],

wonende te [woonplaats],

9. [naam eiser 9],

wonende te [woonplaats],

10. [naam eiser 10],

wonende te [woonplaats],

eisers,

nader ook gezamenlijk te noemen [eisers],

gemachtigde: mr. A.A.M. Broos.

Tegen:

De besloten vennootschap CSU Personeel B.V.,

gevestigd te Uden,

gedaagde,

nader te noemen CSU PZ,

gemachtigde: mr. R.M. Kerkhof.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

  • -

    dagvaarding van 20 februari 2014 met producties;

  • -

    antwoord met producties;

  • -

    instructievonnis;

  • -

    repliek tevens houdende akte vermeerdering van eis, met producties;

  • -

    dupliek tevens houdende antwoordakte vermeerdering van eis, met producties;

  • -

    akte uitlating producties van [eisers];

  • -

    dagbepaling vonnis.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast:

1.1.

CSU PZ is onderdeel van de CSU-groep. De CSU-groep levert facilitaire diensten, waaronder schoonmaakdiensten. De schoonmaakwerkzaamheden worden uitgevoerd door CSU Cleaning Services B.V. (hierna CSU CS), maar de medewerkers zijn in dienst van CSU PZ.

1.2.

[eisers] zijn tussen 1989 en begin 2010 in dienst getreden van (de rechts-voorgangster van) het schoonmaakbedrijf Albatros B.V. (hierna Albatros). [eisers] verrichtten vanaf de aanvang van de arbeidsovereenkomsten werkzaamheden bij [naam hotel] (verder [hotel]). Eisers sub 1 tot en 7 en eisers sub 9 en 10 in de functie van schoon-maker, terwijl eiser sub 8 de functie van houseman heeft.

1.3.

De CAO in het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf (hierna de CAO) is op de arbeidsovereenkomsten van toepassing. Artikel 2 lid 2 D-deel van de CAO bepaalt:

Werknemers die op 30 juni 2010 werkzaam zijn in een hotel houden recht op de toeslagpercentages van artikel 18 van de CAO. Dit recht vervalt bij vrijwillige uitdiensttreding.

1.4.

Op 30 juni 2010 werkten [eisers] in een hotel.

1.5.

In artikel 18 van de CAO staan de toeslagpercentages op het basisuurloon voor avond- en nachtdiensten en de daar vermelde (algemeen erkende) feestdagen. Voor het werken op vrijdagavond, zaterdag en zondag geldt een toeslag van 50 % en op feestdagen van 150% (de zogenoemde feestdagen- en weekend-toeslag).

1.6.

Albatros is op 3 december 2012 gefailleerd.

1.7.

Op 6 december 2012 heeft de curator de arbeidsovereenkomsten met de medewerkers van Albatros opgezegd.

1.8.

Op 13 december 2012 heeft CSU CS met de curator in het faillissement van Albatros een overeenkomst gesloten, waarbij CSU CS de door haar geselec-teerde activa uit het faillissement van Albatros heeft gekocht. Het exploitatie-risico is per 3 december 2012 door CSU CS overgenomen.

1.9.

Op 14 december 2012 heeft CSU PZ een presentatie gehouden voor over te nemen medewerkers van Albatros. Daarbij heeft CSU PZ expliciet gesteld dat bij indiensttreding van de werknemers bij CSU PZ de weekendtoeslag zou komen te vervallen.

1.10.

Vanaf 3 december 2012 zijn [eisers] met terugwerkende kracht in dienst van CSU PZ, met uitzondering van eiseres sub 9 (Dosreis) die per 1 oktober 2013 ontslag heeft genomen. [eisers] hebben hun werkzaamheden bij het [hotel] ongewijzigd voortgezet.

1.11.

Bij brief van 21 juni 2013 heeft de vakbond namens een groep werknemers (waaronder [eisers]) CSU PZ bericht dat de medewerkers recht hebben op de feest- en weekendtoeslagen conform het D-deel van de CAO. Bij brief van 3 juli 2013 heeft CSU PZ gereageerd en geweigerd de toeslagen toe te kennen.

1.12.

Partijen hebben vervolgens verder over het geschil gecorrespondeerd.

Vordering

2. [eisers] vorderen:
A. een verklaring voor recht dat zij ten aanzien van CSU PZ recht houden op betaling van de toeslagpercentages zoals opgenomen in artikel 18 CAO;
alsmede veroordeling van CSU:
B. om aan [eisers] inzichtelijke en correcte berekeningen te verstrekken van:
1) de achterstallige weekend- en feestdagentoeslagen, alsook van
2) de hierover verschuldigde vakantiebijslag;
3) de hierover verschuldigde eindejaarsuitkering en
4) de hierover verschuldigde eenmalige uitkering 2012;
5) het achterstallige loon over door [eisers] genoten vakantie-uren;
6) de verschuldigde wettelijke rente, een en ander uiterlijk binnen 1 maand na betekening van dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag per eiser, voor elke dag dat CSU PZ dit na voornoemde termijn nalaat, waarbij het bedrag aan maximaal te verbeuren dwangsommen wordt vastgesteld op € 50.000,00 per eiser;
C. tot betaling aan [eisers] – gelijktijdig, dan wel kort na het verstrekken van de berekeningen aan [eisers] en met gelijktijdige verstrekking van een bruto/netto specificatie van:
1) de achterstallige weekend- en feestdagentoeslagen;
2) de achterstallige vakantiebijslag over de periode van 3 december 2012 tot 1 mei 2014;
3) de achterstallige eindejaarsuitkering over de periode van 3 december 2012 tot en met 31 december 2013;
4) de achterstallige eenmalige uitkering 2012;
5) het achterstallige loon over de genoten vakantie-uren;
6) de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, gesteld op 50% van het onder C a t/m e gevorderde;
7) de wettelijke rente van het onder C a t/m e gevorderde van de vervaldata tot aan de datum der voldoening;
D. om aan het Bedrijfstakpensioenfonds schoonmaak- en glazenwassersbedrijf het juiste pensioengevende loon van [eisers] door te geven, alsook om over dit loon ten behoeve van [eisers] de verschuldigde pensioenpremies af te dragen, dit uiterlijk binnen 2 maanden na betekening van dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag per eiser, met een maximum van € 50.000,00 per eiser;
E. tot tijdige en correcte betaling aan [eisers] van de toekomstige aan hen verschuldigde toeslagen ex artikel 18 CAO;
F. tot betaling aan [eisers] van de proceskosten.

3. [eisers] stellen daartoe – kort gezegd – dat zij op basis van het bepaalde in artikel 2 lid 2 van het D-deel van de CAO recht hebben op de in artikel 18 van de CAO genoemde toeslagen bij werken in de avond, het weekend en op de daar genoemde feestdagen. Zij waren immers op 30 juni 2010 werkzaam in een hotel. Ten onrechte weigert CSU PZ de toeslagen te betalen.

4. [eisers] bestrijden daarbij het standpunt van CSU PZ dat omdat de oude werkgever van [eisers] failliet is gegaan, er geen sprake zou zijn van een contractwissel volgens de CAO of van overgang van onderneming ex artikel 7 en [eisers] “vrijwillig” in dienst zijn getreden bij CSU PZ, het recht is vervallen. Dit vereiste valt niet te lezen in de CAO, wet of andere regelgeving.

5. [eisers] stellen dat indien mocht komen vast te staan dat CSU PZ de hierboven bedoelde toeslagen verschuldigd is, zij sinds 3 december 2012 ook andere bedragen verkeerd heeft berekend. Het gaat hierbij om vakantiebijslag, eindejaarsuitkering, de eenmalige uitkering van 2012 en achterstallig loon over genoten vakantie-uren. De toeslagen werken bovendien ook door in het pensioen, zodat ook daar een nieuwe opgave van moet komen.

6. [eisers] wijzen erop dat uit de faillissementsverslagen blijkt dat de schoonmaakactiviteiten van Albatros tot 16 december 2012 zijn voortgezet “ter behoud van de lopende opdrachten/klanten” en daarmee “ter behoud van waarde van de activa”.

Verweer

7. CSU PZ betwist dat [eisers] aanspraak kunnen maken op de weekend- en feestdagen-toeslagen van artikel 2 lid 2 van het D-deel van de CAO. Het gaat hier volgens CSU PZ om een overgangsregeling die verkregen rechten beoogt te beschermen ten aanzien van de eigen werkgever of diens eventuele rechtsopvolgers. Nu in casu geen sprake is van overgang van onderneming of contractwisseling, kan CSU PZ niet worden beschouwd als de rechtsopvolger van Albatros. CSU PZ heeft na het faillissement van Albatros [eisers] geheel onverplicht een arbeidsovereenkomst aangeboden. Dit was nog vóórdat de curator de arbeidsovereenkomsten had opgezegd. [eisers] zijn geheel vrijwillig op dit aanbod ingegaan, waarbij van tevoren duidelijk was dat de weekend- en feestdagentoeslagen niet langer zouden worden vergoed.

8. CSU PZ handhaaft uitdrukkelijk haar verweer omtrent de uitleg van de CAO, namelijk dat er sprake moet zijn van een redelijke uitleg en niet slechts van een grammaticale. Dit heeft tot gevolg dat indiensttreding na een doorstart bij faillissement, zoals in dit geval, niet gelijk is aan de situatie na een overname als bedoeld in artikel 7:662 e.v. BW.

9. CSU PZ stelt dat zij pas in mei 2013 voor het eerst bericht van de werknemers van [hotel] ontving dat zij aanspraak maakten op de feestdagentoeslag zoals zij die voorheen van Albatros ontvingen. CSU PZ wijst erop dat er nog is getracht om een minnelijke regeling te treffen, waarbij zij een eenmalige vergoeding heeft aangeboden ter compensatie, maar dit is door de werknemers niet geaccepteerd.

10. CSU PZ erkent dat, indien [eisers] in het gelijk worden gesteld terzake de gevorderde verklaring voor recht, dit gevolgen heeft voor de berekening van de overige looncom-ponenten, zoals vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en de pensioengrondslag.

11. CSU PZ voert uitdrukkelijk verweer tegen de gevorderde wettelijke rente en wettelijke verhoging. Hierbij dient mee te worden gewogen dat de eerste sommatie van de kant van [eisers] pas dateert van 21 juni 2013 en dat er vervolgens weer veel tijd is verstreken voordat duidelijk werd dat eisers de zaak zouden doorzetten.

12. [eisers] hebben nooit eerder verzocht om een overzicht van de door hen gewerkte uren waarover eventueel toeslag zou moeten worden betaald. CSU PZ stelt dat zij inmiddels aan de gemachtigde van [eisers] de onderliggende urenadministratie heeft verzonden. Tevens is zij bereid aanvullende berekeningen en specificaties te verstrekken indien de gevorderde verklaring voor recht wordt gegeven. De vorderingen tot het verstrekken van de berekeningen op straffe van een dwangsom moeten daarom te worden afgewezen.

Beoordeling

13. Het geschil tussen partijen wordt gevormd door de vraag of - als gevolg van het faillissement van Albatros en de indiensttreding van [eisers] bij CSU PZ - de werking aan het bepaalde in artikel 2 lid 2 D-deel van de CAO is komen te vervallen en daarmee ook het recht van [eisers] op de toeslagen, als genoemd in artikel 18 van de CAO.

13. Vaststaat dat [eisers] op de in de bewuste bepaling opgenomen datum van 30 juni 2010 werkzaam waren in een hotel. Conform de bepaling behielden zij dus hun aanspraak op de toeslagpercentages van artikel 18 van de CAO. Alleen als zij vrijwillig uit dienst zouden treden, vervalt volgens de tekst van artikel 2 lid 2 D-deel van de CAO, het recht op de toeslagpercentages van artikel 18 van de CAO.

15. Geoordeeld wordt allereerst dat [eisers] niet vrijwillig bij Albatros uit dienst zijn getreden. Hun arbeidsovereenkomsten waren reeds door de curator op 6 december 2012 opgezegd. [eisers] hebben het aanbod van CSU PZ geaccepteerd, in het zicht van de opgezegde arbeidsovereenkomsten en derhalve om werkloosheid te vermijden. Dat is geen vrijwillige uitdiensttreding. Dit verweer van CSU PZ zal dan ook worden gepasseerd.

16. De stelling van CSU PZ dat artikel 2 lid 2 D-deel van de CAO een overgangsregeling betreft, welke ingeval van faillissement zijn werking verliest, vindt geen steun in de tekst van de bepaling. De kantonrechter is met CSU PZ van mening dat niet alleen de tekst van de CAO maatgevend is, maar dat bij de uitleg van een bepaling uit een CAO de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van de CAO en een eventuele schriftelijke toelichting daarop, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn. Dat brengt echter in casu niet mee dat de door CSU PZ aangedragen achtergrond noopt tot de uitleg dat de bepaling vervalt, indien een werkgever failliet gaat en de activiteiten door een opvolgende werkgever worden voortgezet. Voor die strekking is geen aanknopingspunt in de CAO te vinden. Nog los van het feit dat deze achtergrond door CSU PZ niet feitelijk is onderbouwd.

17. CSU PZ heeft opgeworpen dat [eisers] er niet op mochten vertrouwen dat CSU PZ de toeslagen zou handhaven, nu CSU PZ op de toelichting aan [eisers] op 14 december 2012 reeds heeft meegedeeld dat de toeslagen zouden vervallen. Ook dat verweer kan niet slagen. Immers, uit hoofde van de CAO hebben [eisers] recht op de toeslagpercentages van artikel 18 en daar hebben zij geen afstand van gedaan. Het feit dat een werkgever vooraf expliciet verklaart niet bereid te zijn de CAO (op een bepaald punt) te volgen, betekent niet dat werknemers hun rechten uit die CAO prijs geven als zij vervolgens bij die werkgever in dienst treden.

17. Resumerend komt de kantonrechter tot het oordeel dat [eisers] recht hebben (behouden) op de toeslagpercentages van artikel 18 van de CAO. Anders dan door CSU PZ betoogd, acht de kantonrechter dit resultaat onlogisch noch onredelijk. De door [eisers] onder A. van de akte vermeerdering van eis gevraagde verklaring voor recht kan dan ook worden gegeven.

17. CSU PZ heeft expliciet toegezegd dat in het geval [eisers] inhoudelijk in hun standpunt worden gevolgd, vrijwillig tot aanvullende berekeningen te zullen overgaan. De kantonrechter heeft geen reden om aan deze toezegging te twijfelen. [eisers] hebben daartoe ook niets aangevoerd. Bovendien heeft CSU PZ gelijk in haar stelling dat het verbinden van een dwangsom aan een veroordeling tot betaling van een geldsom niet mogelijk is; het bepaalde in artikel 611a lid 1 Rv verbiedt dat.

20. De vorderingen onder B tot en met E van [eisers] zullen derhalve worden afgewezen.

20. CSU PZ wordt als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten belast.

BESLISSING

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat [eisers] ten aanzien van CSU PZ recht houden op betaling van de toeslagpercentages zoals opgenomen in artikel 18 CAO;

veroordeelt CSU PZ in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eisers] begroot op:
exploot € 93,80
salaris € 900,00 (3 punten)
griffierecht € 77,00
-----------------
totaal € 1.070,80
voor zover van toepassing, inclusief btw;

veroordeelt CSU PZ tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en gedaagde niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan de betalingsveroordeling van het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 december 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.