Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:8558

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-12-2014
Datum publicatie
18-01-2016
Zaaknummer
C-13-560436 - HA ZA 14-238
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid notaris.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2016, afl. 2, p. 97
ERF-Updates.nl 2016-0046

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/560436 / HA ZA 14-238

Vonnis van 31 december 2014

in de zaak van

1. [naam bewindvoerder], handelend in de hoedanigheid van bewindvoerder over het onder bewind gestelde vermogen van eisers sub 2 en 3,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [bewindvoerder] ,

2. [naam eiser 1],

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [eiser 1] ,

3. [naam eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [eiser 2] ,

eisers,

advocaat mr. J.A. Endtz te Amsterdam,

tegen

1. de maatschap

[naam gedaagde 1],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de Maatschap,

2. [naam gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [gedaagde 2] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam gedaagde 3],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: [naam gedaagde 3] ,

4. [naam gedaagde 4],

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [gedaagde 4] ,

gedaagden,

advocaat mr. P.H. Kramer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna gezamenlijk [eisers] en [gedaagden] genoemd worden. Eisers sub 2 en 3 zullen gezamenlijk als [eisers 2 en 3] worden aangeduid.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 26 februari 2014, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 7 mei 2014, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 28 juli 2014 met de daarin vermelde stukken;

  • -

    de brieven van de advocaat van [gedaagden] van 30 juli 2014 en 11 augustus 2014 en de brief van de advocaat van [eisers 2 en 3] van 7 augustus 2014 in reactie op het proces-verbaal;

  • -

    de akte van [gedaagden] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Wijlen [naam 1] (hierna: [naam 1] ) heeft bij akte van 6 april 2006 een bedrag van € 650.000,- aan zijn kinderen, [eisers 2 en 3] , geschonken. Op 25 juli 2006 heeft [naam 1] een tweede schenking aan [eisers 2 en 3] gedaan, bestaande uit onder andere een effectendepot en banksaldi. De akten van beide schenkingen zijn door notaris [gedaagde 2] (hierna: [gedaagde 2] ) opgesteld. Het bij deze akten geschonken vermogen is onder bewind gesteld. Tot bewindvoerder werd benoemd [naam 2] (hierna: [naam 2] ). [naam 2] bekleedde daarnaast belangrijke posities binnen de door [naam 1] opgerichte (buitenlandse) vennootschappen, waaronder [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] )

2.2.

Op 31 juli 2007 heeft [naam 1] zijn testament door [gedaagde 2] op laten stellen. In zijn testament heeft [naam 1] [eisers 2 en 3] tot zijn enige erfgenamen benoemd. Daarnaast heeft hij een bedrag van € 1.500.000,- gelegateerd aan [naam 3] (hierna: [naam 3] ), de moeder van [eisers 2 en 3] , ten behoeve van een levenslange periodieke uitkering (hierna: het legaat). [naam 1] heeft [naam 2] hierbij tot testamentair bewindvoerder en tot executeur benoemd.

2.3.

Op 12 augustus 2007 is [naam 1] overleden. Bij (een door [gedaagde 2] verleden) notariële akte van 3 september 2007 hebben [eisers 2 en 3] en [naam 3] de nalatenschap onderscheidenlijk het legaat aanvaard. De erfdelen van [eisers 2 en 3] zijn conform het testament van 31 juli 2007 onder bewind gesteld. [naam 2] heeft zijn benoeming tot executeur en testamentair bewindvoerder aanvaard. [gedaagde 2] was als notaris betrokken bij de afwikkeling van de nalatenschap.

2.4.

[naam 2] heeft in de notariële akte van 3 september 2007 verklaard een bedrag van € 1.500.000,00 uit het vermogen van [eisers 2 en 3] af te hebben gezonderd ter securering van het legaat aan [naam 3] . Dit te secureren vermogen betrof vermogen dat door [naam 1] bij akte van 25 juli 2006 (zie 2.1) aan [eisers 2 en 3] geschonken was en waarover [naam 2] als bewindvoerder het beheer had. [naam 2] heeft in strijd met die verklaring het bedrag echter aangewend om onder andere een lening van USD 1.200.000,00 te verstrekken aan [bedrijf 2] , een van de buitenlandse vennootschappen van [naam 1] .

2.5.

[gedaagde 2] heeft op grond van door [naam 2] verstrekte gegevens de aangifte erfbelasting opgemaakt, welke op 24 juni 2008 door [naam 2] is ondertekend. Volgens deze aangifte bedroegen de schulden van zijn nalatenschap € 25.963,00.

2.6.

Medio 2009 heeft [naam 2] [eisers 2 en 3] meegedeeld dat hij een groot deel van het af te zonderen deel van het vermogen ten behoeve van het legaat van [naam 3] heeft moeten aanwenden ter aflossing van schulden van de nalatenschap van [naam 1] . [naam 2] heeft [eisers 2 en 3] geadviseerd om een bedrag van € 1.298.200,00 van de verkoopopbrengst van hun niet onder bewind gestelde woning te [plaats] af te zonderen, opnieuw ten behoeve van het legaat van [naam 3] . [naam 2] heeft [gedaagde 2] verzocht dit in een notariële akte vast te leggen.

2.7.

[eisers 2 en 3] hebben de woning te [plaats] bij op respectievelijk 17 en 19 maart 2009 ondertekende koopovereenkomst verkocht. De verkoop van de woning van [eisers 2 en 3] te [plaats] heeft een bedrag opgeleverd van € 1.535.841,48. De woning is bij akte van 28 april 2009 geleverd. Deze verkoopopbrengst is op 29 april 2009 door de Maatschap op een van de gezamenlijke bankrekeningen van [eisers 2 en 3] overgemaakt.

2.8.

Bij brief van 23 april 2009 heeft [gedaagde 2] [eisers 2 en 3] een concept van de akte toegezonden. De inhoud van de brief luidde als volgt:

“(…) Bijgesloten zend ik u een concept-akte van correctie securering gelden in verband met afgifte legaat ter beoordeling toe.

Indien u nog vragen heeft over de inhoud verzoek ik u [naam 2] te bellen.

Bij akkoordbevinding verzoek ik u bijgesloten volmacht te ondertekenen en aan mij te retourneren (…).”

2.9.

Bij akte van 11 mei 2009 is de notariële akte ‘correctie securering gelden in verband met afgifte legaat’ ondertekend (hierna: de akte van 11 mei 2009). Deze akte is door [gedaagde 2] , buiten aanwezigheid van [eisers 2 en 3] , krachtens volmacht verleden. In de akte van 11 mei 2009 stond het volgende opgenomen:

“(…) [naam 2] verklaarde dat in afwijking van het in voormelde akte bepaalde alleen de effecten waard tweehonderd éénduizend achthonderd euro (€ 201.800,00) zijn gesecureerd en dat de banksaldi zijn aangewend voor betaling van tot de nalatenschap behorende schulden.

Partijen zijn overeengekomen dat het resterende bedrag van één miljoen tweehonderd achtennegentigduizend tweehonderd euro (€ 1.298.200,00) alsnog zal worden gesecureerd uit de verkoopopbrengst van de woning [adres] te [plaats] op naam staande van de beide kinderen van de erflater. (…)”

2.10.

Bij beschikking van 13 juli 2012 heeft de kantonrechter te Hilversum het verzoek tot ontslag van [naam 2] als bewindvoerder toegewezen. [bewindvoerder] is daarbij tot opvolgend bewindvoerder benoemd.

2.11.

Bij brief van 27 maart 2013 heeft de advocaat van [eisers 2 en 3] [gedaagde 2] gevraagd om een verklaring. [gedaagde 2] heeft hierop bij brief van 2 april 2013 gereageerd.

2.12.

[bewindvoerder] heeft [gedaagde 2] bij brief van 16 mei 2013 namens [eisers 2 en 3] aansprakelijk gesteld. Bij brief van 27 augustus 2013 hebben de advocaat van [gedaagde 2] en haar verzekeraar inhoudelijk verweer gevoerd.

2.13.

Bij beschikking van 1 mei 2014 heeft de Ondernemingskamer zich uitgelaten over het verzoek van [eisers 2 en 3] tot het vaststellen van wanbeleid bij de vennootschappen [bedrijf 1] en [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ).

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. een verklaring voor recht dat [gedaagde 2] in strijd heeft gehandeld met de voor haar als notaris geldende zorgvuldigheidsnorm en dat de Maatschap aansprakelijk is voor de door [eisers 2 en 3] geleden schade;

  2. veroordeling van de Maatschap om de door [eisers 2 en 3] geleden schade, nader op te maken bij staat, aan hen te vergoeden;

  3. [gedaagde 2] , [naam gedaagde 3] en [gedaagde 4] , ieder voor gelijke delen, te veroordelen om, bij gebreke van tijdige of volledige betaling door de Maatschap van de schadevergoeding, dit bedrag of het restant hiervan, aan hen te vergoeden.

  4. een veroordeling van de Maatschap in de proceskosten.

3.2.

[eisers] stellen zich op het standpunt dat de Maatschap toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen hen gesloten overeenkomst van opdracht en voeren daartoe het volgende aan. [gedaagde 2] heeft haar informatieplicht geschonden doordat zij geen enkele toelichting heeft gegeven op de akte van 11 mei 2009 en [eisers 2 en 3] niet op de consequenties van die akte heeft gewezen. Daarnaast heeft [gedaagde 2] haar bijzonder notariële waarschuwingsplicht geschonden. [gedaagde 2] had [eisers 2 en 3] er op moeten wijzen dat de schulden van de nalatenschap geen € 1.298.200,00 maar slechts € 25.963,00 bedroegen. Omdat [gedaagde 2] als boedelnotaris bij de afwikkeling van de nalatenschap betrokken was, wist, althans behoorde zij te weten wat de schulden van de nalatenschap bedroegen. Omdat de schulden blijkens de aangifte successierecht slechts € 25.963,00 bedroegen, is het onbegrijpelijk dat [gedaagde 2] de akte heeft verleden waarin staat dat [naam 2] een bedrag van € 1.298.200,00 voor schulden van de nalatenschap heeft moeten aanwenden, aldus steeds [eisers 2 en 3] .

3.3.

[gedaagden] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eisers 2 en 3] spreken in eerste instantie de Maatschap aan en, voor het geval de Maatschap niet zou voldoen, [gedaagde 2] , [naam gedaagde 1] en [gedaagde 4] ieder voor een gelijk deel. Tegen die wijze van aanspreken is door [gedaagden] geen verweer gevoerd. De rechtbank gaat er daarom van uit, hoewel partijen daarover niets hebben gesteld, dat de Maatschap een maatschap is waarin [gedaagde 2] , [naam gedaagde 1] en [gedaagde 4] gezamenlijk de notarispraktijk uitoefenen.

4.2.

Aangezien namens [eisers] tijdens de comparitie is verklaard dat [bewindvoerder] niet als procespartij wordt gehandhaafd, zullen de vorderingen in het navolgende alleen ten aanzien van [eisers 2 en 3] worden beoordeeld.

4.3.

In de onderhavige zaak is in geschil of de Maatschap jegens [eisers] toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht tot het opstellen van de akte van 11 mei 2009 doordat [gedaagde 2] in strijd heeft gehandeld met hetgeen van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot in vergelijkbare omstandigheden mag worden verwacht.

4.4.

Als uitgangspunt geldt dat op [gedaagde 2] in haar hoedanigheid van notaris een zwaarwegende zorgplicht rust ter zake van hetgeen nodig is voor het intreden van de rechtsgevolgen die zijn beoogd met de in de akte van 11 mei 2009 opgenomen rechtshandelingen. De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een notaris bij het verlijden van een akte niet kan volstaan met een zakelijke toelichting op de inhoud van de akte, maar gehouden is tot het geven van verdergaande informatie, en met name tot het wijzen op specifieke aan de voorgenomen rechtshandelingen verbonden risico’s. De functie van de notaris in het rechtsverkeer brengt mee dat zij beroepshalve gehouden is naar vermogen te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van juridische onkunde en feitelijk overwicht (vgl. Hoge Raad 20 januari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0586/NJ 1989, 766). Deze zorgplicht van de notaris vindt haar grens daar waar de notaris goede grond heeft te vertrouwen dat de belanghebbende zichzelf reeds op de hoogte heeft gesteld of dat deze tevoren reeds voldoende inzicht had in hetgeen was vereist voor het intreden van de rechtsgevolgen die zijn beoogd met de in de akte opgenomen rechtshandelingen (vgl. Hoge Raad 27 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0557/NJ 1993, 188). Of een notaris in een bepaald geval op grond van de op hem rustende zorgplicht dient te waarschuwen voor aan de rechtshandelingen verbonden risico’s is onder meer afhankelijk van de (hem redelijkerwijs kenbare) omvang van het risico, de hoedanigheid van de betrokken partijen en hun onderlinge verhouding.

4.5.

Bij de toetsing van het handelen van [gedaagde 2] aan de hiervoor weergegeven maatstaf acht de rechtbank het volgende van belang. Vaststaat dat [naam 2] – in de door [gedaagde 2] verleden notariële akte van 3 september 2007 – heeft verklaard dat hij een bedrag van € 1.500.000,00 uit het vermogen van [eisers 2 en 3] af heeft gezonderd ter securering van het legaat aan [naam 3] (zie 2.4). Verder staat vast dat [gedaagde 2] betrokken was bij de aangifte erfbelasting van [naam 1] van 24 juni 2008 en dat hieruit bleek dat de schulden van zijn nalatenschap € 25.963,00 bedroegen (zie 2.5). Ook staat vast dat in de door [gedaagde 2] opgestelde akte van 11 mei 2009 is opgenomen dat [naam 2] heeft verklaard dat hij – in afwijking van de akte van 3 september 2007 – slechts een bedrag van € 201.800,00 heeft gesecureerd ten behoeve van het legaat en dat hij het restant van € 1.298.200,00 heeft aangewend voor betaling van tot de nalatenschap behorende schulden (zie 2.9).

4.6.

Gelet op deze gang van zaken had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van [gedaagde 2] gelegen – alvorens over te gaan tot het verlijden van de akte van 11 mei 2009 – bij [naam 2] te informeren naar de reden dat hij het voor het legaat reeds afgezonderde deel van het vermogen van [eisers 2 en 3] had aangewend voor het voldoen van de schulden van de nalatenschap. Dat lag zeker in de rede omdat [gedaagde 2] ook betrokken was bij de aangifte erfbelasting en zij zich er op eenvoudige wijze van had kunnen vergewissen dat de door [naam 2] in de akte van 11 mei 2009 afgelegde verklaring – inhoudende dat hij een bedrag van € 1.298.200,00 had aangewend voor de schulden van de nalatenschap – op een onjuistheid berustte. Uit de aangifte erfbelasting bleek immers dat de schulden van de nalatenschap slechts € 25.963,00 bedroegen (zie 2.5).

4.7.

De rechtbank acht hierbij van belang dat [gedaagde 2] als notaris al langere tijd bij [eisers 2 en 3] betrokken was en ervan op de hoogte was dat [eisers 2 en 3] jong waren en geen ervaring hadden met het beheren van vermogen, hetgeen ook bleek uit het feit dat [naam 1] het aan hen geschonken vermogen en de nalatenschap grotendeels onder bewind had gesteld. Daarnaast was het [gedaagde 2] bekend dat [naam 2] niet alleen het bewind voerde over het onder bewind gestelde vermogen van [eisers 2 en 3] , maar ook belangrijke posities bekleedde in de door [naam 1] opgerichte vennootschappen. [gedaagde 2] had daarom extra alert moeten zijn op het risico dat [naam 2] met zijn verschillende functies en (tegenstrijdige) belangen niet in het belang van [eisers 2 en 3] zou handelen.

4.8.

In het licht van deze omstandigheden had [gedaagde 2] zich er extra goed van moeten vergewissen of [eisers 2 en 3] zich bewust waren van de risico’s van de akte van 11 mei 2009, namelijk dat zij – zonder goede grond – voor een tweede maal een bedrag van ruim € 1,5 miljoen ten behoeve van het legaat van [naam 3] onder het beheer van [naam 2] zouden stellen. Zelfs indien de tekst van de akte van 11 mei 2009 voor juridisch ongeschoolden eenvoudig te begrijpen was – zoals [gedaagden] heeft aangevoerd –, betekent dit nog niet dat [eisers 2 en 3] daarvan ook de consequenties konden overzien. [gedaagde 2] heeft onvoldoende omstandigheden aangevoerd die maken dat zij er op mocht vertrouwen dat [eisers 2 en 3] zelf reeds voldoende op de hoogte waren van de risico’s dan wel van het feit dat de schulden van de nalatenschap slechts € 25.963,00 bedroegen.


4.9. Het standpunt van [gedaagden] dat de akte van 11 mei 2009 weinig afweek van de eerdere akte van 3 september 2007 en dat [gedaagde 2] laatstgenoemde akte wel uitvoerig heeft toegelicht, kan haar niet baten. Met de akte van 11 mei 2009 werd immers een geheel nieuw rechtsgevolg beoogd, namelijk dat er voor een tweede maal een bedrag van ruim € 1,5 miljoen van het (niet onder bewind gestelde) vermogen van [eisers 2 en 3] zou worden afgezonderd ten behoeve van het legaat van [naam 3] . In het feit dat [naam 2] nogmaals hetzelfde bedrag uit het vermogen van [eisers 2 en 3] wilde afzonderen, lag het risico verscholen dat [naam 2] het te secureren bedrag wederom niet zou aanwenden ten behoeve van het legaat van de moeder van [eisers 2 en 3] .

Ook het feit dat [gedaagde 2] de akte van 11 mei 2009 eerst in concept aan [eisers 2 en 3] heeft verzonden, kan haar niet disculperen. Dit ontslaat haar immers niet van haar eigen zorgplicht. Bovendien heeft zij [eisers 2 en 3] in de begeleidende brief bij de concept akte (zie 2.8 hiervoor) bij vragen over de akte verwezen naar [naam 2] .

4.10.

De stelling van [gedaagde 2] dat zij had mogen begrijpen dat met de schulden uit de nalatenschap tevens de schulden van de (buitenlandse) vennootschappen van [naam 1] werden bedoeld, kan de rechtbank niet volgen. Uitgangspunt is immers dat het privé vermogen van [naam 1] en het vermogen van de door hem opgerichte vennootschappen gescheiden vermogens betreffen. Dat [naam 1] in het verleden soms zijn privé vermogen aanwendde ten behoeve van zijn vennootschappen, maakt dit niet anders. [gedaagde 2] heeft onvoldoende omstandigheden aangevoerd die maken dat het vermogen van de vennootschappen diende te worden vereenzelvigd met het privé vermogen van [naam 1] .


4.11. De stelling van [gedaagden] dat er geen causaal verband bestaat tussen haar handelen en eventuele schade omdat [eisers 2 en 3] en [naam 2] vóór het verlijden van de akte reeds overeenstemming hadden bereikt over de verkoop van de woning en de securering van een deel van de verkoopopbrengst, wordt niet gevolgd. Indien [gedaagde 2] [eisers 2 en 3] vóór het verlijden van de akte had gewezen op de risico’s van de akte en de onjuistheid van de daarin opgenomen verklaring van [naam 2] , hadden [eisers 2 en 3] de overeenkomst met [naam 2] immers nog tijdig kunnen aantasten, dan wel de negatieve gevolgen hiervan kunnen beperken. Zoals [eisers 2 en 3] onbetwist hebben aangevoerd, had [naam 2] tijdens het verlijden van de akte reeds de beschikking over de verkoopopbrengst van de woning, maar had hij nog geen uitvoering gegeven aan de hem later verweten gedragingen.

4.12.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 2] in strijd heeft gehandeld met de voor haar als notaris geldende zorgvuldigheidsnorm. De gevorderde verklaring voor recht is op dit punt dan ook toewijsbaar.

4.13.

Ten aanzien van de schade, geldt het volgende. [eisers 2 en 3] hebben gesteld dat zij door het handelen van [gedaagde 2] schade hebben geleden doordat [naam 2] de verkoopopbrengst van de woning te [plaats] grotendeels aan de vennootschappen van [naam 1] heeft uitgeleend en vervolgens aan zichzelf en aan door hem ingeschakelde adviseurs heeft uitbetaald. Zij voeren het volgende aan. De verkoopopbrengst van de woning te [plaats] van € 1.535.841,48 is door de Maatschap op 29 april 2009 op een van de gezamenlijke bankrekeningen van [eisers 2 en 3] overgemaakt (zie 2.7). [naam 2] heeft € 1.298.200,00 van dit bedrag doorgestort naar andere rekeningen van [eisers 2 en 3] . Vervolgens heeft [naam 2] dit bedrag op 15 mei 2009 doorgestort naar een andere rekening van [eisers 2 en 3] en is hij dit bedrag op 19 en 20 mei 2009 gaan verdelen over meerdere rekeningen. Deze bedragen heeft hij aangewend voor de aankoop van effecten (effectendepot [(...)] ), waarvan de waarde op 31 december 2009 € 1.275.346,35 bedroeg. In de loop van 2010 en 2011 zijn alle effecten verkocht. Van de opbrengst heeft [naam 2] bedragen overgeboekt naar de rekeningen van de vennootschappen [bedrijf 1] en [bedrijf 3] . Op deze wijze heeft [naam 2] een bedrag van € 1.359.246,53 geleend aan de vennootschappen, aldus steeds [eisers 2 en 3] . [gedaagden] heeft betwist dat [eisers 2 en 3] als gevolg van het handelen van [gedaagde 2] schade hebben geleden en betwist de hiervoor geschetste gang van zaken.

4.14.

De rechtbank oordeelt als volgt. Aangezien [eisers 2 en 3] hebben verzocht de zaak ten aanzien van de schade naar de schadestaatprocedure te verwijzen, hoeven zij in deze procedure enkel voldoende aannemelijk te maken dat zij door het handelen van [gedaagde 2] enige schade hebben geleden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn zij daar thans nog niet in geslaagd. Zoals [gedaagden] terecht heeft aangevoerd, blijkt uit de door [eisers 2 en 3] overgelegde producties onvoldoende dat de verkoopopbrengst van de woning in [plaats] overgeboekt is en verdeeld over meerdere rekeningen en dat met die bedragen vervolgens effecten zijn aangekocht, die zijn terecht gekomen in het effectendepot [(...)] . Ook blijkt uit de overgelegde producties niet dat de opbrengst van de verkoop van de effecten uit het depot zijn overgeboekt naar de rekeningen van de vennootschappen [bedrijf 1] en [bedrijf 3] . Uit de door [eisers 2 en 3] overgelegde producties en de beschikking van de Ondernemingskamer (zie 2.13) blijkt slechts dat er geld uit het vermogen van [eisers 2 en 3] is overgemaakt naar de twee voornoemde vennootschappen, maar niet dat dit specifieke deel van het vermogen van [eisers 2 en 3] afkomstig is van verkoopopbrengst van de woning te [plaats] .

4.15.

Het standpunt van [gedaagden] dat [eisers 2 en 3] eventuele schade eerst op [naam 2] dienen te verhalen, wordt gepasseerd. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [eisers 2 en 3] voldoende aannemelijk gemaakt dat [naam 2] geen verhaal biedt voor de gevorderde schade. Anders dan [gedaagden] heeft aangevoerd, valt niet in te zien hoe [eisers 2 en 3] hun schade konden beperken door eerst [naam 2] aan te spreken.

4.16.

Gelet op het voorgaande zullen [eisers 2 en 3] in de gelegenheid worden gesteld bewijs te leveren van hun stelling dat voldoende aannemelijk is dat zij schade hebben geleden door het handelen van [gedaagde 2] , als nader te bepalen. Indien [eisers 2 en 3] slagen in de bewijslevering, zal de gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van de Maatschap worden toegewezen. In dat geval zal ook [gedaagden] veroordeeld worden om de door [eisers 2 en 3] geleden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat. Indien [eisers 2 en 3] niet slagen in de bewijslevering, zullen de voornoemde vorderingen worden afgewezen.

4.17.

De rechtbank oordeelt voorshands – voor het geval [eisers 2 en 3] slagen in de bewijslevering – dat het beroep van [gedaagden] op de eigen schuld van [eisers 2 en 3] met betrekking tot het intreden van de schade, wordt verworpen. Voor zover er sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eisers 2 en 3] , oordeelt de rechtbank dat deze in verhouding tot de schuld van [gedaagde 2] in het niet valt.

4.18.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

laat [eisers 2 en 3] toe tot bewijs van hun stelling dat voldoende aannemelijk is dat zij schade hebben geleden door het handelen van [gedaagde 2] ,

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 28 januari 2015 voor uitlating door [eisers 2 en 3] of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3.

bepaalt dat [eisers 2 en 3] , indien zij geen bewijs door getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct (op de rolzitting van 28 januari 2015) in het geding moeten brengen,

5.4.

bepaalt dat [eisers 2 en 3] , indien zij (ook) getuigen willen laten horen, opgave moeten doen (op de rolzitting van 28 januari 2015) van de verhinderdagen van alle betrokkenen in de maanden februari tot en met juni 2015, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. G.H. Marcus in het gerechtsgebouw te Amsterdam aan de Parnassusweg 220,

5.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Marcus, rechter, bijgestaan door mr. C.E. Ganzeboom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2014.1

1 type: CEGcoll: CM*