Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:8518

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-12-2014
Datum publicatie
16-12-2014
Zaaknummer
KG ZA 14-1331
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering wedertewerkstelling op grond van maatschapsovereenkomst afgewezen. Vergoeding gedurende drie maanden opzegtermijn (niet op schrift gestelde) met maatschapsovereenkomst samenhangende managementovereenkomst toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/987

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/574339 / KG ZA 14-1331 CB/MB

Vonnis in kort geding van 5 december 2014

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 10 november 2014,

advocaat mr. R.A. Kaatee te Amsterdam,

tegen

1 [naam gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [naam gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. G. Dietz te Zeist.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 18 november 2014 heeft eiser, hierna [eiser], gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Gedaagden, hierna gezamenlijk [gedaagden] en afzonderlijk [gedaagde 2] en [gedaagde 1], hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Na de behandeling ter terechtzitting is de zaak pro forma aangehouden tot 21 november 2014, om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te beproeven. Bij fax van 21 november 2014 heeft de raadsman van [gedaagden] verzocht om vonnis te wijzen. Vonnis is bepaald op heden.
Ter zitting waren aanwezig:

aan de zijde van [eiser]: [eiser], zijn echtgenote, [naam 1], [naam 2], voormalig werkneemster van [gedaagden], en mr. Kaatee;

aan de zijde van [gedaagden]: [gedaagde 2], [gedaagde 1], [naam 3] (de echtgenoot van [gedaagde 2] en voormalig manager bedrijfsvoering van de na te noemen onderneming [naam onderneming], hierna: [naam 3]) en mr. Dietz.

2 De feiten

2.1.

Op 14 augustus 2011 hebben [eiser] en [gedaagde 2] een intentieovereenkomst gesloten, waarin onder meer is vastgelegd dat [eiser] met goedkeuring van het Management Team per 1 februari 2011 is begonnen in de functie van Manager Bedrijfsvoering van de openbare vennootschap [naam onderneming] en dat [gedaagde 2] op termijn bereid is haar aandeel daarin (60%) over te dragen aan [eiser]. [naam onderneming] is de handelsnaam van een psychotherapiepraktijk die [gedaagde 2] 27 jaar geleden heeft opgericht. [gedaagde 1] is sinds 1996 werkzaam in de praktijk.

In 2001 zijn [gedaagde 2] en [gedaagde 1] in contact gekomen met [naam 4] (paardentrainer en oprichter van een praktijk voor hippische therapie, hierna:[naam 4]) en hebben zij gesproken over een onderlinge samenwerking, die vervolgens deels via [naam onderneming] is geëffectueerd.

2.2.

Onder de gedingstukken (productie 2 van [eiser]) bevindt zich een ‘overeenkomst van openbare maatschap’ (hierna: de maatschapsovereenkomst), volgens de laatste bladzijde daarvan op 2 januari 2013 ondertekend door [eiser], [gedaagde 2] en [gedaagde 1]. Volgens artikel 3 is het doel van de maatschap (genaamd [naam onderneming]) het voor gezamenlijke rekening en risico in maatschapsverband uitoefenen van een praktijk voor psychologie en therapie, vanuit verschillende vestigingen in Nederland en Spanje. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] zijn beiden psychotherapeut. In de maatschapsovereenkomst is het beroep van [eiser] aangeduid als “algemeen directeur”. In artikel 2 van de maatschapsovereenkomst is bepaald dat [eiser], [gedaagde 2] en [gedaagde 1] vanaf 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013 elk voor 1/3 deel gerechtigd zijn tot de maatschap, totdat op 1 januari 2016 [eiser] en [gedaagde 1] elk tot 49,5% gerechtigd zullen zijn en [gedaagde 2] tot 1%.

In artikel 4 staat dat elk van partijen zijn/haar arbeidskracht en kennis inbrengt.

Artikel 8 van de maatschapsovereenkomst luidt als volgt:

1. De maatschap wordt aangegaan voor onbepaalde tijd en een partij kan opzeggen met inachtneming van een opzeggingstermijn van zes maanden.

2. Opzegging kan uitsluitend geschieden door middel van een aangetekend schrijven, waarbij de redelijkheid en billijkheid in acht moet worden genomen.”

2.3.

Tot de gedingstukken behoort een tweede maatschapsovereenkomst (productie 3 van [eiser]), tussen [gedaagde 2], [eiser] en[naam 4] met betrekking tot de maatschap [naam maatschap], die zich bezighoudt met (onder meer) hippische focale psychodynamische psychotherapie (ambulant en klinisch). Ook in deze overeenkomst is bepaald dat de maten in de periode van 1 januari 2012 tot en met

31 december 2013 ieder voor 1/3 deel gerechtigd zijn tot de maatschap, waarbij het aandeel van [eiser] en[naam 4] geleidelijk wordt opgebouwd tot 45% en dat van [gedaagde 2] afneemt tot 10% per 1 januari 2016.

2.4.

In een verslag van een MT meeting van de “[naam onderneming]” van

10 oktober 2012, is onder meer het volgende vermeld:

8. Overige zaken

(…)

M.b.t. de vergoeding voor het Management (MT) worden de volgende uitgangspunten besproken:

• tarief op basis van € 70,- per uur

• vaste declaratie per periode

• uit te betalen per kwartaal

• uitbetaling onder voorwaarde van een positief resultaat van [naam onderneming]

2.5.

Bij de aanvang van zijn werkzaamheden ontving [eiser] een vergoeding van

€ 1.500,- per maand. In de loop der tijd ontving [eiser] hogere vergoedingen, vanaf mei 2013 was dat € 6.000,- per maand.

2.6.

Bij e-mail van 6 augustus 2013 heeft [eiser] “Administratie/ [naam 5]” verzocht om “vanuit [naam onderneming]” een betaling te doen van € 10.378,- op rekening van [naam rekening], onder vermelding van [(...)].

2.7.

Op 26 september 2013 heeft [gedaagde 1] een e-mail van die dag, afkomstig van het CONO (Opleidingsfonds) doorgestuurd naar [eiser], waarin staat dat vóór

1 oktober een zogenoemde ‘beschikbaarheidsbijdrage’ dient te worden aangevraagd, aangezien na die datum op een dergelijke bijdrage geen aanspraak meer kan worden gemaakt. Op 27 september 2013 hebben [eiser] en [gedaagde 2] mails uitgewisseld, waaruit naar voren komt dat [gedaagde 1] dit het voorgaande jaar had geregeld, maar nu in het buitenland zit, zodat [eiser] dat op stel en sprong moet regelen, waarover beiden hun verontwaardiging uitspreken. [eiser] heeft per mail van 27 september 2014 aan [gedaagde 2] meegedeeld:

Ik ga er maandag mee aan de gang en zal wel lukken. Maar ik ga geen week meer met hem door…

2.8.

Onder de gedingstukken (productie 23 [eiser]), bevindt zich een bezwaarschrift, gedateerd 25 oktober 2013, tegen een beslissing van 18 september 2013 waarbij de subsidie voor de ‘[naam maatschap 2]’ ambtshalve op nihil is gesteld, wegens het niet tijdig toezenden van de noodzakelijke stukken en waarbij het verleende voorschot van € 44.658,60 wordt teruggevorderd. In het bezwaarschrift is het volgende vermeld:
Als gevolg van het plotseling uitvallen van de verantwoordelijke persoon

[gedaagde 1] en nota bene Maatschaphouder vanwege ernstige privé-omstandigheden is nagelaten om een uitstelverzoek in te dienen tot het overleggen van de noodzakelijke verantwoording tot vaststellen van de subsidie.”

2.9.

In een e-mail van 17 februari 2014 heeft[naam 4] aan [eiser] geschreven:

“(…) heb een overzicht gemaakt en uitleg voor de vergadering met [gedaagde 2] ([gedaagde 2], vzr.) en [gedaagde 1] ([gedaagde 1], vzr.)”

In het meegezonden overzicht staat onder meer:

Aandelen

45 [eiser] ([eiser], vzr.) 45 [gedaagde 2] 10 [naam 4]

(…)

Vaststellen inkomen [eiser] (70000) nog precies te bepalen ook loondienst of zzp

2.10.

Onder de gedingstukken bevindt zich een kopie van een aan[naam 4] gerichte e-mail van 13 maart 2014 van [eiser] waarin onder meer staat:
In de boekhouding kom je de 10.300 betaling tegen die vanuit [naam onderneming] ([naam onderneming], vzr.) gedaan is. Is met [gedaagde 2] besproken en heb ik door [naam 5] laten doen met de juiste omschrijving zodat deze in mijn rekening courant geboekt kan worden...”

2.11.

Volgens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 10 november 2014 is op 30 juni 2014 ingeschreven [naam onderneming] in oprichting, met als bevoegde functionarissen [eiser],[naam 4] en [gedaagde 2]. [eiser] heeft namens deze B.V. in oprichting een huurovereenkomst afgesloten voor een nieuw bedrijfspand.

2.12.

Bij e-mail van 22 juni 2014 heeft[naam 4] aan [eiser], [gedaagde 2] en [gedaagde 1] een overzicht toegezonden van de financiële situatie van [naam onderneming], waarop ook de vergoedingen zijn vermeld. In het overzicht is een post van € 72.000,- opgenomen, waarbij staat: “[eiser] ([eiser], vzr.) 6000 per maand ook op fact

daaronder is vermeld: “Uitgaven via credit kaarten niet goedt te plaatsen

2.13.

Vanaf eind juni 2014 is de verhouding tussen [eiser] enerzijds en [gedaagde 2], [gedaagde 1] en[naam 4] anderzijds verstoord geraakt. Op 25 juni 2014 heeft[naam 4] aan [gedaagde 2] en [gedaagde 1] voorgesteld om [eiser] geen financiële zaken meer voor [naam onderneming] te laten verrichten.

2.14.

Op 26 juni 2014 heeft een overleg plaatsgevonden tussen partijen, waarvoor aanvankelijk een andere agenda was vastgesteld, over het functioneren van [eiser].

2.15.

In een e-mail van 27 juni 2014 heeft [eiser] aan [gedaagde 2] en[naam 4] het volgende meegedeeld:
Naar aanleiding van de handelswijze van de afgelopen week waarin [naam 4] ([naam 4], vzr.) mij heeft bericht dat ik niet meer bevoegd ben tot het aangaan van enige verplichting (…) en [gedaagde 2] in het recente overleg met hoofdbehandelaars (…) heeft aangegeven dat er een conflict heerst tussen [naam 4] en mijzelf op basis van financiële zaken die niet op orde zouden zijn, bericht ik jullie als volgt:

Het eenzijdig terugdraaien van mijn bevoegdheden (…) getuigt van (…) onrechtmatig handelen (…). Jullie handelswijze heeft het mij onmogelijk gemaakt om nog te functioneren in mijn positie die ik heb binnen de [naam onderneming]. In het belang van de onderneming zal ik beschikbaar blijven voor de onderneming, maar alle lopende zaken vanaf a.s. maandag overdragen aan functionarissen binnen de onderneming die jullie aangeven. (…) Inzake mijn belangen in de maatschap zal ik mij laten bijstaan door adviseurs (…). Als gezegd houd ik mij volledig beschikbaar voor kennisoverdracht.

2.16.

In een e-mail van diezelfde dag, 27 juni 2014, later op de avond, heeft [naam 3] aan [eiser] (met kopie aan onder anderen [gedaagde 2]) onder meer het volgende geschreven:
Je hebt je werk gedaan en daarvoor een onderling afgesproken (??) honorering ontvangen en daarover heb ik je nooit horen klagen. Het was en is nog steeds een deeltijdfunctie en dan is Euro 6 K per maand toch wel een heel behoorlijke betaling. Maar daar gaat het niet om. Voor wat je goed hebt gedaan geef ik je alle Waardering en Respect, maar mijn vraag over onduidelijkheid rond declaraties is ook een vraag van accountants en m.i. een terechte vraag, waarop je een antwoord MOET geven.

(…) dit gaat om zeer hoge maandelijkse sommen en daarover moet je gewoon bewijsmateriaal overleggen.”

2.17.

Op 29 juni 2014 heeft [eiser] aan [naam 3] onder meer gemaild:

“(…) verdoe je tijd niet met “bonnetjes”, dat is PVDA mentaliteit. Wees gerust: alle uitgaven kunnen verantwoord worden en betreffen geenszins privé uitgaven.”

2.18.

In een e-mail van [naam 3] aan [eiser] van 29 juni 2014 staat:

Ik bepaal me op declaraties van Creditcard en andere toegevoegde declaraties, waar je maar geen antwoord op geeft. Geef je toch in overweging dat dat een heel ernstige zaak is. Dat weet je toch als zakenman. [eiser] zelfs het privé opnemen en later terug betalen, is NOT LEGAL.”

2.19.

In een e-mail van 30 juni 2014 heeft [eiser] aan [gedaagde 2] en[naam 4] onder meer bericht:

“(…) zal ik mijn functie als algemeen directeur per direct oppakken en niet zoals eerder aangegeven beschikbaar stellen.”

2.20.

Volgens een brief van 2 juli 2014 van de Rabobank heeft deze de volmachtovereenkomst met [naam onderneming] beëindigd, wegens opzegging van de gevolmachtigde, wat betekent dat [eiser] niet langer toegang heeft tot de twee rekeningen van [naam onderneming] bij de Rabobank.

2.21.

Onder de gedingstukken bevinden zich de ‘bevindingen a.d.h.v. administratie 2013 en 2014’ opgesteld door de accountant van [naam onderneming],

[naam 6], met betrekking tot een aantal uitgaven van [eiser]. Hierop is vermeld dat een aantal facturen dubbel aan hem is uitbetaald, dat met de creditkaart van de maatschap privé uitgaven zijn gedaan en dat in zes kilometerdeclaraties meer kilometers zijn gedeclareerd dan de kilometertellingen rechtvaardigden. Daarnaast is een aantal betalingen vermeld ‘welke toelichting behoeven’ waaronder een bedrag van € 3.000,- ten behoeve van “[naam 7]” en een bedrag van € 10.300,- betaald aan advocaat Bots, voor welke betaling geen factuur zou bestaan.

2.22.

Op 8 juli 2014 heeft wederom een overleg plaatsgevonden tussen [eiser], [gedaagde 2], [gedaagde 1] en[naam 4].

2.23.

Bij (aangetekende) brief van 11 juli 2014 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op briefpapier van [naam onderneming] aan [eiser] (de mededeling van 8 juli 2014) bevestigd, dat zij om hen moverende redenen, geen gebruik meer willen maken van diens diensten. In de brief staat voorts:

Voor zover noodzakelijk wordt een eventuele afspraak of overeenkomst daaromtrent middels dit schrijven per de eerdergenoemde datum beëindigd c.q. opgezegd.”

2.24.

Op 16 juli 2014 heeft [eiser] aan [naam 3] onder meer het volgende bericht:

Ik richt me tot jou omdat jij je (…) hebt opgeworpen als aanspreekpunt van de Maatschap. Je gaf aan dat [gedaagde 2] niet meer aan tafel wil. (…)

Het is nu een week na de bespreking bij [naam 6] waar jij jouw grondige onderzoek presenteerde naar de “financiële zaken”. Wij hebben een kopie van het dossier meegekregen.

(…) doe ik je reeds nu mijn eisen toekomen: (…)

• Uitbetaling van de achterstallige vergoeding maand juni a € 6.000 binnen 5 dagen

(…)

• Opzegtermijn managementovereenkomst op basis van 3 maanden, te weten

€ 18.000, te betalen voor 01 augustus a.s. (…)

• Afrekening resultaat maatschap over de afgelopen jaren en overname aandelenbelang 45% in [naam onderneming] en Maatschap [naam maatschap].
Gebaseerd op:

- Positie c.q. winstaandeel 2012 1/3

- Positie c.q. winstaandeel 2013 1/3

- Positie c.q. winstaandeel 2014 45%

(…)

Het lijkt goed om voor de gehele afwikkeling een uiterste datum van 01 september 2014 af te spreken. (…)
Mijn sommatie aan jou is dat ik vrijdag 18 juli 12.00 uur aanhoud om van jou te horen of we op basis van bovenstaande aan tafel kunnen om af te wikkelen.”

2.25.

Volgens een e-mail van 23 juli 2014 (met kopie aan [eiser]) heeft

[naam 3] aan mr. C. Bots, advocaat, ten behoeve van de boekhouding van [naam onderneming], opheldering gevraagd over de betaling van € 10.300,-, door [eiser] aan zijn kantoor, zonder dat daarvan een nota is aangetroffen. Mr. Bots heeft de e-mail op

24 juli 2014 doorgestuurd naar [eiser] (met vermelding: “Urgentie: Hoog”) met de vraag: “Wil jij [naam 3] ([naam 3] vzr.) informeren?!

2.26.

Bij e-mail van 29 juli 2014 heeft zekere [naam 8], werkzaam geweest als secretaresse voor [naam onderneming] een lijstje verzonden aan [gedaagde 2] ‘van zaken waar ik tegenaan liep mbt mijn werk en relatie met [eiser]’. Daarin staat onder meer:
- Bijna nooit bereikbaar

- Kwam bijna nooit opdagen als hij beloofd had op de praktijk te komen

- Saldo ING rekening altijd te laag zodat ik de salarissen van de medewerkers vaak niet op tijd kon betalen, elke maand moest ik weer “zeuren” om genoeg saldo.

(…)

- Heel veel facturen werden veel te laat betaald, soms meer dan een half jaar

(…)

- Diverse verzekeringen bij VVAA blijken opgezegd (…)

2.27.

Bij brief van 4 augustus 2014 heeft de raadsman van [eiser] aan [gedaagde 2] geschreven dat [eiser] ten onrechte op non actief is gesteld, en haar gesommeerd hem direct in staat te stellen zijn werkzaamheden weer te verrichten en achterstallige aan hem toekomende bedragen uit te betalen. Volgens deze brief zijn tijdens de bijeenkomst van 8 juli 2014 tal van verwijten gemaakt waarvoor geen grondslag bestaat en waartegen [eiser] zich niet heeft kunnen verweren.

2.28.

Op 20 september 2014 heeft [gedaagde 1] mede namens [naam onderneming] bij de politie (wijkteam [plaats]) aangifte van diefstal gedaan tegen [eiser], aangezien [eiser] een bedrag van € 10.378,- van de rekening van [naam onderneming] heeft laten overmaken naar de derdengeld rekening van Advocatenkantoor Bots, terwijl die betaling niets met de bedrijfsvoering van [naam onderneming] te maken had, maar een betaling betrof aan ene [naam 9], die een vordering had op [eiser] en daarvoor beslag had gelegd op een aan hem toebehorende onroerende zaak.

2.29.

In november 2014 heeft[naam 4] (onder meer) (schriftelijk) het volgende verklaard:

In september 2013 heeft [gedaagde 2] mij gevraagd om mee te kijken in de financiële administratie van [naam onderneming]. Op dat moment was [eiser] daarvoor verantwoordelijk. Ik ben begonnen om in kaart te brengen welke schulden er waren. (…) Ik heb toen een aflosschema gemaakt om de diverse schulden in te lossen. Ondanks dat ik met [eiser] heb afgesproken dat hij dat schema zou volgen, heeft hij daar niets mee gedaan. (…) Nadien bleek dat [eiser] van de financiële administratie van [naam onderneming] een puinhoop had gemaakt. (…) In juni bleek verder dat talloze uitgaven van [eiser] met de creditcard op naam van [naam onderneming] niet door hem waren verantwoord. Hij bleek met die creditcard zowel zakelijke als privé uitgaven te doen zonder op een behoorlijke wijze bonnen van die uitgaven aan de boekhouding te verstrekken. (…) Omdat ik in juni weer terug ging naar Spanje heb ik [naam 3] (…) ook geïnformeerd en met hem afgesproken dat hij de financiële handel en wandel van [eiser] nader met hem zou opnemen.”

2.30.

Op 16 november 2014 heeft [naam 5] onder meer het volgende verklaard:

Ondergetekende is de administratieve medewerker van [naam onderneming]. Ik voer binnen [naam onderneming] de betalingsopdrachten uit. Dit betalingsopdrachten ontvang ik van [gedaagde 2], [gedaagde 1] of [naam 4] en tot eind juni van dit jaar ook van [eiser]. (…) Ik heb nooit zelf op eigen houtje bedragen overgemaakt. Daarvoor ben ik niet bevoegd.

(…)

[eiser] verzocht mij maandelijks bedragen naar zijn privérekening over te maken, meestal onder vermelding van declaratie advieskosten, maar het ging ook wel om vergoeding van onkosten. (…) Of hij daarover overleg heeft gehad met [gedaagde 2], [gedaagde 1] of [naam 4] weet ik niet. Dat was voor mij ook niet belangrijk, omdat wel duidelijk was dat [eiser] betalingen mocht laten doen. (…)

Voor wat betreft de betaling van crediteuren heb ik vaak discussies met [eiser] gehad. Hij betaalde crediteuren namelijk structureel te laat of niet. Ik heb nooit begrepen waarom hij dat deed, maar heb dat niet aangekaart bij [gedaagde 2] of [gedaagde 1], omdat wel duidelijk was dat [eiser] dat niet op prijs zou stellen.

Ik heb tenslotte gehoord dat [eiser] in de rechtzaak zegt dat ik heb gewerkt onder leiding van [naam 4]. Dat is pas zo sinds eind juni van dit jaar. Daarvoor werkte ik altijd onder leiding van [eiser] en was hij ook degene die vrijwel alle betalingsopdrachten aan mij gaf.

2.31.

Onder de gedingstukken (productie 22 van [gedaagden]) bevindt zich een schrijven van vier medewerkers van [naam onderneming] van 16 november 2014 waarin onder meer staat:
Wij hebben gehoord dat [eiser] een procedure is gestart omdat hij weer terug wil komen in de praktijk. Wij willen bij deze laten weten dat wij het daar niet mee eens zijn en dat totaal niet zien zitten. Een terugkeer van [eiser] zou heel slecht zijn voor de praktijk. Hij kwam namelijk structureel zijn afspraken en beloftes niet na. Het gaat dan niet alleen om afspraken met ons, maar ook om afspraken met externen. Talloze praktische en administratieve klussen heeft hij laten liggen (…). Ook kwam hij allerlei betalingstoezeggingen richting externen niet na, die dan bij ons aanklopten.”

Voorts is een uittrekstel uit notulen van 6 november 2014 van het “Hoofdbehandelaarsoverleg” in het geding gebracht waarin staat dat bij de behandelaars zal worden geïnventariseerd wie er achter terugkeer van [eiser] in de praktijk zouden staan. Daaronder is vermeld dat van de in het kader van deze inventarisatie ondervraagde 15 personen zich 14 hebben uitgesproken tegen de terugkeer van [eiser], en 1 zich van stemming heeft onthouden.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot nakoming van de maatschapsovereenkomst ter zake van [naam onderneming], althans van de naar aanleiding daarvan gemaakte afspraken over zijn maandelijkse vergoeding, door aan [eiser] € 24.000,- te betalen als voorschot op de niet uitgekeerde arbeidsbeloning over de maanden juli tot en met oktober 2014 en door vanaf november 2014 maandelijks een bedrag van € 6.000,- aan [eiser] te betalen, en om hem, op straffe van dwangsommen, per direct in de gelegenheid te stellen om zonder enige beperking zijn werkzaamheden als algemeen directeur uit te voeren, onder meer door zijn volmachten bij de bank te herstellen; deze laatste zaken totdat de maatschapsovereenkomst met [eiser] rechtsgeldig zal zijn geëindigd.

Daarnaast vordert [eiser] hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 2] om, op straffe van dwangsommen, alle eerdere negatieve mededelingen over het functioneren van [eiser], zijn vertrek en zijn persoon schriftelijk te rectificeren door middel van de in het petitum van de dagvaarding opgenomen tekst. Tot slot vordert [eiser] hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten, de wettelijke rente daarover en in de nakosten.

3.2.

[gedaagden] voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Een vordering tot nakoming kan in kort geding alleen worden toegewezen, indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter het standpunt van eiser zal volgen, bijvoorbeeld als gedaagde een kennelijk ongegrond verweer voert, en indien van eiser niet kan worden gevergd dat hij de uitslag van de bodemprocedure afwacht.

4.2.

Anders dan [gedaagden] hebben betoogd heeft [eiser] bij zijn vorderingen een spoedeisend belang. Niet (althans onvoldoende) betwist is immers dat hij voor de voorziening in zijn levensonderhoud afhankelijk was van zijn inkomsten uit zijn werkzaamheden voor [naam onderneming] en tot heden nog niet beschikt over een andere inkomstenbron. De vordering tot wedertewerkstelling is naar haar aard spoedeisendheid, zodat aan het laatste deel van het onder 4.1 genoemde criterium is voldaan. Hierna zal worden besproken of dat ook geldt voor het vereiste dat voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vorderingen van [eiser] zal toewijzen.

4.3.

De vorderingen van [eiser] bestaan uit drie onderdelen, te weten een geldvordering, een vordering om in staat te worden gesteld zijn werkzaamheden weer uit te voeren en een vordering tot rectificatie. Dit alles op basis van de stelling dat de maatschapsovereenkomst tussen partijen, waarmee de managementovereenkomst op basis waarvan [eiser] zijn werkzaamheden heeft verricht klaarblijkelijk één geheel vormt, dient voort te duren.

4.4.

[gedaagden] hebben de stellingen van [eiser] betwist en, kort gezegd, aangevoerd dat de tussen partijen bestaande overeenkomst(en) inmiddels op goede gronden is (zijn) beëindigd, aanvankelijk door [eiser] en inmiddels (ook) door [gedaagden], en dat [eiser] geen bedragen meer van [gedaagden] tegoed heeft, maar integendeel, [gedaagden] vorderingen hebben op [eiser].

4.5.

Uit de over en weer ingenomen stellingen van partijen blijkt allereerst een verschil van mening over wat precies tussen hen is afgesproken.

4.6.

Niet in geschil is dat [eiser] vanaf februari 2011 bij [naam onderneming] werkzaam is geweest als manager bedrijfsvoering, naderhand algemeen directeur genoemd, en verantwoordelijk was voor het financiële reilen en zeilen van de maatschap. Voorshands is voorts voldoende aannemelijk dat [eiser] vervolgens, per 1 januari 2012, is toegetreden tot de maatschap ([naam onderneming]) op basis van de onder 2.2 vermelde maatschapsovereenkomst. Weliswaar hebben [gedaagden] aangevoerd zich niet te kunnen herinneren dat zij de maatschapsovereenkomst hebben ondertekend, maar [gedaagden] hebben niet betwist dat [gedaagde 2] de afspraken met [eiser] heeft gemaakt als genoemd in de onder 2.1 aangehaalde intentieovereenkomst en voorts hebben [gedaagde 2] en [gedaagde 1] erkend hun handtekening op de laatste bladzijde van de (kopie van de) maatschapsovereenkomst te herkennen. Voor zover de veronderstelling van [gedaagden] juist zou zijn dat zij dit document (althans de laatste bladzijde daarvan) op verzoek van [eiser] zouden hebben ondertekend zonder acht te slaan op de inhoud ervan, komt dat voor hun eigen rekening en risico. Met hun achtergrond en opleiding worden zij als maten immers geacht met kennis van zaken te handelen en niet ongezien stukken te ondertekenen. Daarnaast duidt de verdere feitelijke gang van zaken (die naar voren komt uit de bij de feiten aangehaalde e-mails en dergelijke) erop dat partijen zich vervolgens ook als gelijkwaardige partners (maten) jegens elkaar hebben gedragen. Vooralsnog zal er dan ook vanuit worden gegaan dat de inhoud van de maatschapsovereenkomst tussen partijen van toepassing is, waarin de daaraan voorafgaande reeds bestaande managementovereenkomst met [eiser] is geïncorporeerd.

4.7.

Voorts wordt voorshands voldoende aannemelijk geacht dat partijen, al is dat niet in de maatschapsovereenkomst of in een aanvullende (management)

overeenkomst schriftelijk vastgelegd, hadden afgesproken dat aan [eiser] voor zijn werkzaamheden een (management)vergoeding toekwam ter hoogte van (laatstelijk) € 6.000,- per maand. [eiser] heeft in dit verband terecht gewezen op de e-mail van 17 februari 2014 waarin (ten behoeve van een vergadering waarbij [gedaagde 2] en [gedaagde 1] aanwezig waren) in het door[naam 4] opgestelde overzicht een aan [eiser] toekomend jaarinkomen van (globaal) € 70.000,- wordt vermeld (2.9) alsook op de e-mail van 22 juni 2014 van[naam 4] aan [eiser], [gedaagde 2] en [gedaagde 1] (2.12) waarin een post van € 72.000,- opgenomen, waarbij staat: “[eiser] ([eiser], vzr.) 6000 per maand ook op fact”. Ook in de mail van 27 juni 2014 (2.16) wordt melding gemaakt van een beloning van “Euro 6 K per maand” waarover men [eiser] ‘nooit heeft horen klagen’, met andere woorden die partijen bekend was. Dat het in die mail ook gaat over ‘afgesproken’ (??) honorering’ doet daar onvoldoende aan af.

Als de aan [eiser] betaalde vergoeding niet in lijn zou zijn met hetgeen tussen partijen was overeengekomen, had het in de rede gelegen als [gedaagden] daar eerder een punt van hadden gemaakt, wat niet is gebeurd. Voorts is aannemelijk dat de vergoeding een beloning voor verrichte werkzaamheden was, zoals [eiser] heeft gesteld, en niet een voorschot op het aandeel van [eiser] in de winst van de maatschap, zoals [gedaagden] hebben aangevoerd. Als dat laatste het geval zou zijn zou [eiser] immers als enige van de maten geen honorarium ontvangen voor de inbreng van zijn arbeid, aangezien [gedaagde 2] en [gedaagde 1] naast hun aanspraken op de (eventuele) winst uit de maatschap inkomsten ontvingen op grond van hun werkzaamheden als therapeut. Dat partijen het niet eens zijn over het aantal uren dat [eiser] per week aan de werkzaamheden kwijt was (volgens [eiser] 50 uur per week, volgens [gedaagden] aanzienlijk minder, aangezien het een deeltijdfunctie zou hebben betroffen) maakt dat niet anders. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat in het verslag van een MT meeting van de “[naam onderneming]” van 10 oktober 2012 (2.4) is vermeld dat als uitgangspunt geldt dat een management vergoeding alleen wordt uitbetaald bij een positief resultaat van [naam onderneming]. De overige daarin vermelde zaken (tarief € 70,- per uur, betaling per kwartaal) zijn ten aanzien van [eiser] niet toegepast, zodat vooralsnog moet worden aangenomen dat dit een voorstel was dat uiteindelijk niet is gevolgd, althans niet gold voor de (reguliere) werkzaamheden van [eiser].

4.8.

Anders dan [eiser] heeft bepleit, moet er voorts van worden uitgegaan dat [gedaagden] de samenwerking met [eiser], waaronder begrepen de maatschapsovereenkomst, inmiddels hebben opgezegd, in ieder geval met hun brief van 11 juli 2014. Zij vermelden daarin immers dat zij geen gebruik meer willen maken van zijn diensten en voor zover noodzakelijk ‘een eventuele afspraak of overeenkomst’ hebben opgezegd. Nu de inbreng van [eiser] in de maatschap met name zijn arbeid was, kan dit slechts worden opgevat als een opzegging van de maatschapsovereenkomst, als bedoeld in artikel 8 (2.2), alsook van de daarmee gepaard gaande (niet schriftelijk vastgelegde) managementovereenkomst.

De stelling van [eiser] dat uit deze brief niet valt te begrijpen dat [gedaagden] de maatschapsovereenkomst hebben opgezegd, wordt dan ook niet onderschreven.

Uit de brief van [eiser] van 16 juli 2014 (2.24) komt daarnaast naar voren dat [eiser] zelf (aanvankelijk) in de beëindiging van de overeenkomst heeft berust, wat in lijn ligt met zijn mail van 27 juni 2014 waarom hij aangeeft dat verder functioneren in zijn functie niet langer een reële mogelijkheid is(2.15). Dat er is opgezegd wordt daarom als voldoende vaststaand aangenomen. De omstandigheid dat partijen op

30 juni 2014 nog zijn overgegaan tot het registreren van een B.V. in oprichting maakt, anders dan [eiser] heeft gesteld, niet dat zij, ongeacht de gebeurtenissen, gehouden zijn tot een langdurige samenwerking.

4.9.

De volgende vraag die voorligt is of de opzegging terecht was, dat wil zeggen of er gegronde redenen voor de opzegging bestonden (althans de opzegging heeft plaatsgevinden overeenkomstig eisen van redelijkheid en billijkheid) hetgeen [eiser] betwist en waaraan hij de consequentie verbindt dat zijn vordering tot wedertewerkstelling, alsook zijn vordering tot doorbetaling van zijn vergoeding, dient te worden toegewezen.

4.10.

[gedaagden] hebben aangevoerd dat de voornaamste reden voor de opzegging is dat [eiser] de financiën niet op orde had en dat hij de rekening en ook de creditcard van de onderneming heeft gebruikt voor privé uitgaven, zonder overleg met [gedaagden] en zonder daarvoor verantwoording te willen afleggen. Daarnaast zou [eiser] eigenmachtig zijn vergoeding hebben opgekrikt van € 1.500,- naar € 6.000,- per maand, zou hij verantwoordelijk zijn voor het mislopen van subsidie door [naam onderneming], zou hij crediteuren niet of te laat betalen en naar eigen believen loonsverhogingen aan personeelsleden uitkeren, terwijl aan anderen het normale salaris niet eens tijdig werd uitgekeerd.

4.11.

Voorop staat dat voor het kunnen functioneren van een algemeen directeur belast met de verantwoordelijkheid voor de financiën van de onderneming binnen een maatschap, van essentieel belang is dat sprake is van een vertrouwensbasis tussen de directeur en de (andere) maten. [eiser] heeft dat op zichzelf ook niet bestreden.

4.12.

[eiser] heeft erkend dat hij in ieder geval tot tweemaal toe aanzienlijke bedragen van de rekening van [naam onderneming] heeft aangewend voor privédoeleinden, te weten een bedrag van € 3.000,- dat hij heeft uitgeleend aan [naam 7] en een bedrag van ruim € 10.000,- dat hij heeft gebruikt voor het betalen van (privé gemaakte) advocatenkosten. Voorshands heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt dat hij dat met instemming en medeweten van [gedaagden] heeft gedaan. De mail van 13 maart 2014 waarnaar hij wat betreft de advocatenkosten verwijst (aangehaald bij 2.10) overtuigt in dit verband niet. [gedaagden] betwisten ten eerste dat deze mail daadwerkelijk is verzonden, maar als dat al zo is, blijkt daaruit niet dat [gedaagde 2] van deze boeking wist en daarvoor haar toestemming had gegeven, wat zij eveneens uitdrukkelijk betwist. In de mail, die niet aan [gedaagden] is gericht, staat immers alleen dat ‘dit met [gedaagde 2] besproken’ zou zijn. Daargelaten dat ook dat wordt betwist, zegt dat onvoldoende om daaruit af te leiden dat [gedaagde 2] en/of [gedaagde 1] zouden hebben ingestemd met het aanwenden van ondernemingsgelden voor privé doeleinden. Uit de nadien opgestelde stukken en gevoerde correspondentie (2.21 en 2.25) en de aangifte van diefstal (2.28) volgt eerder het tegendeel.

Van instemming met het verstrekken van de lening aan [naam 7] is evenmin iets gebleken. Dat dit bedrag inmiddels is terugbetaald, doet daar niet aan af.

[gedaagden] hebben terecht aangevoerd dat een dergelijke handelwijze voor een financieel directeur niet betaamt en de benodigde vertrouwensbasis op het spel kan zetten.

4.13.

Daar komt bij dat [eiser] niet, althans onvoldoende, heeft betwist dat hij met de credit card van de onderneming privé-uitgaven heeft gedaan, dat diverse bedragen dubbel aan hem zijn uitbetaald en dat door hem gedeclareerde kilometers in de regel talrijker waren dan die hij volgens de teller daadwerkelijk gereden had. Dat het [eiser] niet duidelijk zou zijn geweest wat hem op dit punt werd aangewreven is onvoldoende aannemelijk. [gedaagden] hebben gesteld dat het onder 2.21 opgestelde overzicht waarin al deze punten zijn vermeld, tijdens het gesprek op 8 juli 2014 aan [eiser] is uitgereikt. Een aanwijzing dat dit ook daadwerkelijk is gebeurd, kan worden gevonden in eerdergenoemde brief van 16 juli 2014 van [eiser], waarin hij vermeldt dat hij ‘een kopie van het dossier’ heeft meegekregen. Maar ook als dat toen nog niet is gebeurd, bevond (een kopie van) het overzicht zich in ieder geval bij de gedingstukken van de onderhavige procedure. [eiser] is dus in de gelegenheid geweest om (al) deze punten inhoudelijk te betwisten en toe te lichten, maar heeft ervoor gekozen om dat niet te doen. Voor zover [eiser] meent dat het op deze wijze omgaan met de middelen van de onderneming door een directeur wel door de beugel kan, deelt de voorzieningenrechter die opvatting niet.

4.14.

Ook heeft [eiser] onvoldoende betwist dat onder zijn verantwoordelijkheid een aan [naam onderneming] op voorschotbasis verleende subsidie van rond de € 44.000,- is ingetrokken en wordt teruggevorderd. [eiser] heeft erkend dat de reden van het op nihil stellen van de subsidie was dat de benodigde gegevens namens [naam onderneming] te laat zijn aangeleverd en heeft voorts niet betwist dat het tegen de beslissing tot nihilstelling en terugvordering ingediende bezwaar wegens termijnoverschrijding ongegrond (althans niet ontvankelijk) is verklaard. Anders dan [eiser] heeft aangevoerd is voorshands niet aannemelijk geworden dat niet [eiser] maar een ander verantwoordelijk was voor de bewaking van deze processen binnen [naam onderneming].

Uit de door [eiser] op dit punt aangehaalde e-mailcorrespondentie (2.7) blijkt hooguit dat [gedaagde 1], voor zover hij al met dergelijke taken belast zou zijn, deze niet naar behoren heeft vervuld, wat voor [eiser] bij uitstek een reden had moeten zijn hier extra alert op te zijn. Anders dan [gedaagde 1], die binnen de maatschap werkzaam is als therapeut, was [eiser] immers belast met (toezicht op) de financiën.

4.15.

Aan het voorgaande kan nog worden toegevoegd dat, ondanks de uitdrukkelijke betwisting daarvan door [eiser], uit de door [gedaagden] overgelegde verklaringen van medewerkers van [naam onderneming] (2.29 tot en met 2.31 ) vooralsnog genoegzaam is aangetoond dat op het functioneren van [eiser] het nodige viel aan te merken. Dat vóór het naar boven komen van de kwestie met de privé-uitgaven alles op rolletjes liep, zoals [eiser] heeft gesteld, is dan ook op zijn minst een aanvechtbaar standpunt.

4.16.

Al met al wordt geoordeeld dat vooralsnog aannemelijk moet worden geacht dat (de bodemrechter zal oordelen dat) voldoende gronden bestonden voor de opzegging van de maatschaps- en managementovereenkomst met [eiser].

Wel kan aan [eiser] kan worden toegegeven dat het op de weg van [gedaagden] had gelegen om de redenen eenduidig op papier te zetten, in combinatie met toezending van het onder 2.21 vermelde overzicht, zodat er geen discussie zou behoeven te bestaan over de vraag of [eiser] dat overzicht wel (tijdig) heeft ontvangen. Daarnaast hebben [gedaagden] van de ene dag op de andere de betaling van de vergoedingen stopgezet, terwijl [eiser] daarvan afhankelijk is voor de voorziening in zijn levensonderhoud. In de gegeven omstandigheden zou een opzegtermijn, gedurende welke de maandelijkse vergoeding nog werd doorbetaald, op zijn plaats zijn geweest. Daarbij kan worden gedacht aan de door [eiser] in zijn brief van 16 juli 2014 zelf genoemde termijn van drie maanden. Weliswaar is voor opzegging van de maatschap een termijn van zes maanden overeengekomen, maar vooralsnog is onvoldoende aannemelijk dat die termijn ook onverkort geldt voor de opzegging van de niet schriftelijk vastgelegde managementovereenkomst, die voorafgaand aan de maatschapsovereenkomst al bestond en daarvan geacht wordt deel uit te maken.

4.17.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering van [eiser] om hem weer in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden als algemeen directeur te verrichten zal worden afgewezen, maar de vordering tot (door)betaling van de maandelijkse vergoeding, waarvan voorshands, zoals voortvloeit uit het hiervoor onder 4.7 overwogene, voldoende aannemelijk is dat deze met ieders instemming

€ 6.000,- bedroeg, voor de periode van drie maanden zal worden toegewezen.

Dat [gedaagden] een tegenvordering op [eiser] hebben in verband met de afrekening van de maatschap, op grond waarvan zij tevens over een opschortingsrecht beschikken, is voorshands onvoldoende aannemelijk. Zoals gezegd bestaan voorshands onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de vergoeding van [eiser] een voorschot op zijn (winst)aandeel in de maatschap betrof.

4.18.

Het bedrag tot voldoening waarvan [gedaagden] zullen worden veroordeeld, geldt als voorschot op en ter nadere verrekening met hetgeen zij ten gronde zullen blijken verschuldigd te zijn.

4.19.

Ten aanzien van de vordering tot rectificatie van de volgens [eiser] onrechtmatige uitlatingen jegens hem wordt het volgende overwogen. Tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door [gedaagden] heeft [eiser] onvoldoende toegelicht waaruit deze negatieve en jegens hem onrechtmatige uitlatingen zouden hebben bestaan. Om die reden alleen al kan deze vordering niet worden toegewezen.

4.20.

Nu beide partijen deels in het (on-)gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, als na te melden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagden] tot voldoening aan [eiser] van een bedrag van

€ 18.000,- (achttienduizend euro);

5.2.

compenseert de kosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Berkhout, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2014.1

1 type: MB coll: MV