Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:8503

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-12-2014
Datum publicatie
11-02-2015
Zaaknummer
KG ZA 14-1455
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde had minderjarige voor dat zij een machtiging uithuisplaatsing had verkregen van moeder bij vader mogen plaatsen op grond van artikel 3 van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), nu het belang van de minderjarige meebrengt dat hij thans bij vader verblijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/576112 / KG ZA 14-1455 MvW/BB

Vonnis in kort geding van 4 december 2014

in de zaak van

[naam eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres bij dagvaarding van 19 november 2014,

advocaat mr. G.L.D. Thomas te Amsterdam,

tegen

de stichting

STICHTING WILLIAM SCHRIKKER GROEP,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2], gezinsvoogden.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de Stichting worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting van 27 november 2014 heeft [eiseres] haar verzoek om de behandeling achter gesloten deuren te laten plaatsvinden ingetrokken. Vervolgens heeft [eiseres] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. De Stichting heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. [eiseres] heeft producties in het geding gebracht.
Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig:

aan de zijde van [eiseres]: [eiseres] vergezeld door haar vader en zus, met mr. Thomas;

aan de zijde van de Stichting: [naam 1] en [naam 2], gezinsvoogden.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft [eiseres] nog in de gelegenheid gesteld om een verklaring van haar psychiater dan wel therapeut in het geding te brengen. Daarop heeft zij bij faxbericht van 27 november 2014 aan de voorzieningenrechter laten weten dat haar behandelaars niet bereid zijn om een schriftelijke verklaring af te leggen, maar dat haar behandelaars wel te kennen hebben gegeven dat [eiseres] trouw in haar afspraken is.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] heeft een affectieve relatie gehad met [naam 3] (hierna: de vader), uit welke relatie is geboren:

- [naam 4], op [datum] te [plaats].

[eiseres] en de vader hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over [naam 4].

2.2.

[naam 4] verblijft sinds het uit elkaar gaan van zijn ouders in maart 2013 bij [eiseres]. Vanaf medio 2013 verblijft [eiseres] met [naam 4] in [een moederkindhuis] (hierna: het Moederkindhuis). In het Moederkindhuis worden alleenstaande moeders met kinderen in vier fasen begeleid naar een situatie waarbij de moeder en het kind/de kinderen zelfstandig kunnen gaan wonen. Sinds begin 2014 is er een omgangsregeling waarbij [naam 4] om de week van donderdagmiddag tot zondag naar de vader gaat.

2.3.

[naam 4] is (laatstelijk tot 7 oktober 2015) onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg die de uitvoering van de voogdij heeft overgedragen aan de Stichting, met [naam 1] als gezinsvoogd.

2.4.

Op 13 november 2014 is [naam 4] na het omgangsweekend bij de vader gebleven met medeweten en instemming van de gezinsvoogd. Sindsdien heeft [eiseres] [naam 4] niet meer gezien.

2.5.

[eiseres] heeft als productie 2 een door het Moederkindhuis opgesteld stuk van 20 november 2014 in het geding gebracht waarin [eiseres] is bevorderd naar fase 3. In dat stuk is onder meer het volgende opgenomen:

‘Sinds [eiseres] ([eiseres], vzr) 3 maanden geleden begonnen is met therapie bij [naam 5] en nieuwe medicatie maakt [eiseres] grote stappen in haar ontwikkeling. Zowel persoonlijk als op het gebied van moederschap. Ze is zelf veel stabieler en straalt deze rust ook uit naar haar zoon [naam 4]. [naam 4] ontwikkelt zich leeftijdsadequaat en is goed gehecht aan zijn moeder. Doordat [eiseres] meer rust in haar hoofd heeft kan ze zich ook veel beter concentreren en is [eiseres] nu zover dat ze voldoet aan de criteria om door te kunnen gaan naar fase 3.’

2.6.

Als productie 3 heeft [eiseres] een ongedateerd briefje van twee van haar begeleiders in het Moederkindhuis aan de gezinsvoogd in het geding gebracht, waarin onder meer het volgende wordt vermeld:

‘[eiseres] zit nu 3 weken aan de nieuwe pillen en het verschil is al merkbaar. (…) Ze is rustig, ze raakt niet meer in paniek als er iets met [naam 4] is, ze voedt op(!!), ze sport en reageert een stuk volwassener dan voorheen. (…) Op basis hiervan pleiten wij er voor dat [eiseres] nog een poosje langer de kans krijgt om te laten zien dat ze voor [naam 4] kan zorgen. Immers, ze krijgt nu voor het eerst van haar leven goeie therapie en goede medicatie onder gedegen begeleiding van een psychiater. Wij zouden graag dit proces willen afwachten en zien waar dit nog toe kan leiden voordat er een ingrijpende beslissing wordt genomen.’

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat - de Stichting te veroordelen om [naam 4] met onmiddellijke ingang bij [eiseres] terug te plaatsen, met veroordeling van de Stichting in de proceskosten.

3.2.

[eiseres] heeft, kort gezegd, gesteld dat [naam 4] zonder juridische basis en zonder gegronde reden bij haar is weggehaald en bij de vader is geplaatst. Volgens [eiseres] gaat het de laatste tijd beter met haar omdat zij nu de juiste medicatie en therapie krijgt en gaat daardoor ook de verzorging en opvoeding van [naam 4] beter. Door het Moederkindhuis wordt dit ondersteund. Het is voor [eiseres] dan ook onbegrijpelijk dat [naam 4] plotseling, zonder overleg, bij de vader is geplaatst. Dit klemt volgens [eiseres] temeer omdat [naam 4] bij de vader zeker niet beter af is. In dit verband heeft [eiseres] gesteld dat de vader een alcohol- en agressieprobleem heeft en hij geen begeleiding in de opvoeding van [naam 4] krijgt, terwijl zij dat in het Moederkindhuis wel heeft.

3.3.

De Stichting heeft verweer gevoerd. Daarbij is ter zitting naar voren gebracht dat, ondanks de positieve signalen vanuit het Moederkindhuis, bij de Stichting onvoldoende vertrouwen bestaat in een goede opvoedsituatie bij [eiseres] waarbij de veiligheid van [naam 4] gewaarborgd blijft. Volgens De Stichting heeft [eiseres] vele kansen gehad om aan te tonen dat zij goed voor [naam 4] kan zorgen maar heeft zij daarin te weinig groei laten zien. [eiseres] is erg stressgevoelig en vertoont nog steeds onvoorspelbaar gedrag. Ze maakt daarnaast nog steeds verkeerde keuzes, zoals het aangaan van een relatie met een onbetrouwbare man, en stopt soms uit eigen beweging met de medicatie. Juist vanwege het onvoorspelbare gedrag van [eiseres] is ervoor gekozen om de plaatsing van [naam 4] bij de vader niet eerst bij [eiseres] aan te kondigen dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank in te dienen. Volgens de Stichting is inmiddels bij de rechtbank Arnhem wel een verzoekschrift tot plaatsing van [naam 4] bij de vader ingediend. De Stichting heeft ten slotte aangevoerd bekend te zijn met de problematiek van de vader maar over de veiligheid van [naam 4] bij de vader geen zorgen te hebben.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Om te beginnen staat in dit kort geding vast dat er geen rechterlijke beslissing tot uithuisplaatsing is genomen. In artikel 1:258 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat uithuisplaatsing van een minderjarige alleen plaatsvindt krachtens artikel 1:261 BW. Dit artikel bepaalt dat voor een uithuisplaatsing machtiging van de rechter is vereist. In zoverre is dan ook geen sprake van een uithuisplaatsing: een rechterlijke machtiging is er niet.

De vraag die zich voordoet is of het verblijf van [naam 4] sinds 13 november 2014 bij de vader geen juridische basis heeft, zoals [eiseres] stelt, en of de Stichting daarom moet worden veroordeeld om [naam 4] terug te plaatsen bij de moeder.

4.2.

[naam 4] heeft sinds zijn geboorte bij [eiseres] gewoond. Zijn hoofdverblijfplaats was dus tot 13 november 2014 bij haar. [eiseres] en de vader hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over [naam 4]. Dit betekent dat de vader zonder instemming van [eiseres] en zonder dat er een rechterlijke beslissing aan is voorafgegaan, de hoofdverblijfplaats van [naam 4] niet mag wijzigen. Wel kan de Stichting op grond van artikel 1:261 lid 2 BW een machtiging uithuisplaatsing verzoeken tot plaatsing van [naam 4] bij de vader. De Stichting heeft ter zitting aangevoerd dat dit verzoek is gedaan, zodat daarvan voorshands wordt uitgegaan. De voorzieningenrechter acht het begrijpelijk dat het voor [eiseres] niet te bevatten is dat de hoofdverblijfplaats van [naam 4] is gewijzigd zonder haar daarvan vooraf duidelijk op de hoogte te stellen en zonder dat er een rechterlijke machtiging is. Volgens de Stichting is hiervoor gekozen omdat dit vanwege het onvoorspelbare gedrag van [eiseres] in het belang van [naam 4] was, maar dit lijkt in strijd met het bepaalde in artikel 1:261 BW, te weten dat voorafgaand een machtiging moet zijn gegeven en niet achteraf.

Artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) bepaalt echter dat het belang van de minderjarige voorop moet staan bij alle maatregelen die minderjarigen aangaan. Dit betekent dat in dit kort geding, ook nu er geen rechterlijke machtiging is, beoordeeld moet worden of het belang van [naam 4] meebrengt dat hij thans weer zijn hoofdverblijfplaats bij [eiseres] krijgt, zoals zij vordert.

4.3.

Vaststaat dat [naam 4] na het uit elkaar gaan van zijn ouders bij [eiseres] is blijven wonen, vanaf medio 2013 in het Moederkindhuis. Verder staat vast dat de gezinsvoogd in de ontwikkeling van [eiseres] aanleiding heeft gezien om [naam 4] op 13 november 2014 bij de vader te plaatsen. In dit verband wordt vooropgesteld dat de gezinsvoogd de aangewezen persoon is om te beoordelen bij wie de opvoedsituatie (bij [eiseres] of de vader) het beste is en zij heeft gemeend dat de opvoedsituatie bij de vader, ondanks de problemen die de vader ondervindt dan wel heeft ondervonden, beter is dan bij [eiseres]. De Stichting heeft aannemelijk gemaakt dat zij [eiseres] reeds geruime tijd volgt in haar verzorgings- en opvoedingscapaciteiten en dat daarbij niet of nauwelijks vooruitgang is geconstateerd. De gezinsvoogd, die wat [naam 4] aangaat het nauwst bij het gezin is betrokken, heeft ter zitting verklaard dat zij er geen vertrouwen in heeft dat de veiligheid van [naam 4] bij [eiseres] is gewaarborgd. De gezinsvoogd maakt zich vooral over het onvoorspelbare gedrag van [eiseres] grote zorgen en heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet geloofwaardig is, zoals het Moederkindhuis doet voorkomen, dat deze situatie in de afgelopen 7 weken, door nieuwe medicatie en therapie, zodanig is verbeterd dat de veiligheid van [naam 4] bij [eiseres] voortaan wel is gewaarborgd. Over de veiligheid en opvoedsituatie van [naam 4] bij de vader maakt de gezinsvoogd zich geen zorgen. Hoewel heel goed te begrijpen is dat het voor [eiseres], net nu het volgens haar beter ging, een grote teleurstelling was dat [naam 4] bij zijn vader is geplaatst, is aannemelijk geworden dat de Stichting in het belang van [naam 4] een weloverwogen besluit heeft genomen. In afwachting van de beslissing van de kinderrechter op het verzoek tot plaatsing van [naam 4] bij de vader wordt het niet in het belang van [naam 4] geacht om hem thans, mogelijk tijdelijk, weer van verblijfplaats te laten veranderen.

Gelet op het voorgaande wordt de gevraagde voorziening geweigerd. De voorzieningenrechter gaat er wel vanuit dat de Stichting zo spoedig mogelijk een omgangsregeling tussen [eiseres] en [naam 4] op gang brengt.

4.4.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Stichting worden begroot op € 608,00 aan griffierecht.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorziening,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van de Stichting tot op heden begroot op € 608,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. B.P.W. Busch, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2014.1

1 type: BPWBcoll: