Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:8403

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-12-2014
Datum publicatie
16-12-2014
Zaaknummer
13-752019-14 RK 14-7807- _
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Met betrekking tot één feit waarvoor de overlevering wordt gevraagd heeft de officier van justitie niet in redelijkheid kunnen komen tot de vordering in het kader van artikel 13 OLW. De rechtbank weigert de overlevering voor dat feit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752019-14

RK nummer: 14/7807

Datum uitspraak: 12 december 2014

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 25 november 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 3 november 2014 door de Hoofdofficier van Justitie, Openbaar Ministerie Amberg, Duitsland, en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en verblijvend op het adres [adres, te plaats],

gedetineerd in de [detentie adres],

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 november 2014. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te Den Haag.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse en de Turkse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel d.d. 29 oktober 2014, uitgevaardigd door het Kantongerecht Amberg (Duitsland).

Dossiernummer: 6 Gs 1268/14.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan 25 naar het recht van Duitsland strafbare feiten. De rechtbank beschouwt het in de Nederlandse versie van het EAB genoemde aantal van 254 gevallen van handel drijven in verdovende middelen in een niet-geringe hoeveelheid als een in de vertaling geslopen fout, gelet op de overige verwijzingen in het EAB naar 25 feiten en ook gelet op de Duitse tekst van het EAB waarin staat dat het om 25 gevallen gaat.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) zal kunnen worden omgezet.

De Oberstaatsanwalt van de Staatsanwaltschaft Amberg heeft bij e-mail van 13 november 2014 de volgende garantie gegeven:

I guarantee you that [opgeëiste persoon], in case he will be sentenced to an irrevocable unconditional prison sentence in this case in Germany, he will be entitled to undergo this punishment in the Netherlands. The guarantee is given under the circumstances laid down in Article 11 of the Convention on the Transfer of sentenced Persons of March 21st 1983.

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het VOGP volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. Aan deze voorwaarde is voldaan, nu de onder 4 bedoelde feiten naar Nederlands recht strafbaar zijn en opleveren:

Medeplegen van handelen in strijd met het in artikel 2 onder A Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de garantie onvolledig is nu zij wel de terugkeer van de opgeëiste persoon maar niet de omzetting naar Nederlandse maatstaven van de in Duitsland opgelegde straf, garandeert.

De rechtbank passeert dit verweer en stelt vast dat de gegeven garantie verwijst naar het VOGP en aldus mede de door de raadsvrouw bedoelde omzetting van de straf naar Nederlandse maatstaven omvat.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten.

De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

een mededader wordt in Duitsland vervolgd, de verdovende middelen waren bestemd voor de Duitse markt en zijn (deels) daadwerkelijk ingevoerd in Duitsland, de rechtsorde werd in Duitsland geschaad en in Duitsland zijn de bewijsmiddelen (voor het grootste gedeelte) in handen.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Duitse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

Standpunt raadsvrouw

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. Niet zou zijn gebleken dat de verzochte overlevering aan de Duitse autoriteiten en de verdere vervolging in Duitsland de voorkeur verdient, boven de mogelijke afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten.

Daartoe heeft zij aangevoerd dat de feiten IV en V geheel op Nederlands grondgebied, te weten in Rotterdam, hebben plaatsgevonden. De overige feiten hebben zich in elk geval voor een groot deel in Nederland afgespeeld. Er is geen reden waarom Nederland de vervolging voor deze feiten niet voor zijn rekening neemt.

Subsidiair geldt dit zonder meer voor feit V.

De enige verdenking die kan worden gebaseerd op het aantreffen van de sporttas in de berging van de woning van de opgeëiste persoon met daarin pakketten heroïne, is het door een Nederlander in Nederland voorhanden hebben van heroïne. Iedere connectie tussen feit V en Duitsland of Duitse personen en de heroïnetransporten waarvoor de overlevering wordt verzocht, ontbreekt.

Tegen de door de officier van justitie aangevoerde argumenten, heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat

het onderzoek naar feit V in Nederland is aangevangen,

het bewijs ten aanzien van dit feit zich geheel in Nederland bevindt,

er geen getuigen of medeverdachten ter zake van dit feit in Duitsland zijn en

het feit alleen een schending van de Nederlandse rechtsorde oplevert – als het kan worden bewezen.

Oordeel rechtbank

De rechtbank stelt voor dat artikel 13, tweede lid, OLW aan de rechtbank slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Naar het oordeel van de rechtbank, heeft de officier van justitie, gelet op de door haar aangevoerde argumenten, in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen met betrekking tot de in het EAB omschreven feiten I tot en met IV. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd is niet voldoende om tot het oordeel te komen dat de officier van justitie desondanks deze vordering niet in redelijkheid heeft kunnen doen. Ten aanzien van deze feiten dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.

De rechtbank overweegt ten aanzien van feit V het volgende.

Het aantreffen van de pakketten heroïne in de kelderbox van de woning van de opgeëiste persoon in Rotterdam vond plaats op 7 oktober 2014, terwijl alle overige feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd in de periode 31 juli 2012 tot 21 juni 2013 zouden zijn gepleegd.

Hoewel de op 7 oktober 2014 door de politie aangetroffen hoeveelheid kan worden beschouwd als een ‘handelsvoorraad’, valt niet uit het EAB en niet uit de aanvullende informatie die de uitvaardigende justitiële autoriteit in haar e-mail van 13 november 2014 heeft verstrekt, af te leiden dat ook de op 7 oktober 2014 aangetroffen heroïne bestemd was voor juist de Duitse markt. De rechtbank merkt daarbij op dat de bij alle eerdere transporten betrokken koerier Huber op dat moment al aangehouden was.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de officier van justitie met betrekking tot feit V niet in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen.

Zij zal de overlevering ten aanzien van dit feit dan ook weigeren op grond van artikel 13, eerste lid, onder a, OLW.

7 Slotsom

Nu ten aanzien van I, II, III en IV waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor die feiten te worden toegestaan. Voor het overige moet zij worden geweigerd.

8 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 47 Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 Opiumwet en 2, 5, 6, 7 en 13 Overleveringswet.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Hoofdofficier van Justitie, Openbaar Ministerie Amberg, Duitsland, ten behoeve van het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de in het EAB onder I, II, III en IV omschreven feiten, waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover het EAB betrekking heeft op het in het EAB onder V omschreven feit, waarvoor zijn overlevering ook wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. S.J. Riem en M.J. Alink, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 12 december 2014.

De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.