Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:834

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
25-02-2014
Zaaknummer
C/13/531910 / HA ZA 12-1488
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De vordering van eiser jegens gedaagde (strekkende tot vergoeding van gestelde schade) wordt afgewezen. Het uitbrengen van de dagvaarding door gedaagde jegens eiser in 2004 levert in de gegeven omstandigheden geen onrechtmatige daad van gedaagde jegens eiser op, noch misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW. Voorts oordeelt de rechtbank dat de bekostiging door de Staat van de proceskosten van gedaagde in de procedure tussen gedaagde en eiser in de gegeven omstandigheden niet in strijd is met artikel 6 EVRM (fair trial en equality of arms).

De reconventionele vordering tot opheffing van het door eiser op de woning van gedaagde gelegde conservatoir beslag, wordt toegewezen. Niet wordt toegewezen het door gedaagde in reconventie gevorderde verbod tot het leggen van toekomstige beslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ‘s GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats rechtbank Amsterdam

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/531910 / HA ZA 12-1488

Vonnis van 19 februari 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in het incident,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. K. Aantjes te Rijswijk (ZH),

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in het incident,

eiser in reconventie,

advocaat mr. drs. A.R.J. Croiset van Uchelen te ’s Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 29 oktober 2012 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie en vordering ex artikel 233 Rv van de zijde van [gedaagde] met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 24 juli 2013, waarin de comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 21 november 2013 en de daarin genoemde –voorafgaande aan de zitting ontvangen – gedingstukken, alsmede de overgelegde pleitnota;

  • -

    de brief van mr. Aantjes van 10 december 2013, naar aanleiding van het proces-verbaal van comparitie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

in conventie, in het incident en in reconventie

2.1.

[eiser] is journalist. Hij heeft een boek geschreven met de titel "[titel boek]" (hierna ook: het boek). Het boek is in 2004 uitgegeven door [uitgever].

2.2.

Het boek bevat een weergave van gesprekken van [eiser] met negen advocaten, onder wie [naam 1]. [naam 1] was als advocaat betrokken bij procedures over de zogenaamde [de zaak] in verband met grond bij de luchthaven Schiphol. In het boek doet mr. Smit daarvan verslag. Het betreffende hoofdstuk eindigt met de volgende alinea:

“Tenslotte: hoe is het mogelijk dat zowel Rechtbank, Hof als Hoge Raad het ongekend onrechtmatig handelen van [naam 2] ongemoeid hebben gelaten en de schadeclaim hebben afgewezen ? Had [naam 1] hier niet meer uit moeten of kunnen halen? Hij zoekt naar een verklaring: "Het lijkt wel of onze rechterlijke macht mentaal niet is toegerust om te oordelen over dit soort financiële megabelangen. Bij rechter heerst een enorme vrees voor 'Amerikaanse toestanden'. Op zichzelf is dat best een goede grondhouding; zelf ben ik ook geen voorstander van extreem hoge schadevergoedingen. Maar soms, zoals in het geval van [de zaak], een bedrijf dat nota bene bewust bijna kapot is gemaakt door de eigen accountant kan inderdaad schade optreden van honderden miljoenen. En dat moet een rechter niet bang zijn om doortastend op te treden en het recht toe te passen. Maar bij grote claims leert de ervaring dat Nederlandse rechters nerveus worden. Er gaan opeens gekke dingen gebeuren, zoals rechters die uitvoering met advocaten gaan bellen over de zaak. In de [de zaak] is dat ook gebeurd met [gedaagde] van de Haagse Rechtbank. Nederland lijkt wel te klein voor grote claims. Iedereen kent elkaar. Laten we dat een variant noemen van ons poldermodel".”

2.3.

[gedaagde] was [functie] van de rechtbank Den Haag. Hij heeft onder meer op [datum] een pleidooi in een tweetal procedures in verband met de [de zaak] voorgezeten.

2.4.

In april 2004 is [gedaagde] een gerechtelijke procedure tegen [naam 1], [eiser] en [uitgever] begonnen, waarin [gedaagde] onder meer schadevergoeding van [eiser] heeft gevorderd op grond van aantijgingen jegens hem in het boek. [eiser] heeft in die procedure (met [uitgever]) een reconventionele vordering ingesteld inhoudende dat voor recht wordt verklaard dat de publicatie en uitgave van het boek met de citaten daarin van [naam 1] niet onrechtmatig jegens [gedaagde] zijn.

2.5.

Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 december 2005 zijn de conventionele vorderingen van [gedaagde] jegens [eiser] afgewezen en is de door [eiser] (en [uitgever]) in reconventie gevorderde verklaring voor recht toegewezen. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de uitlating van [naam 1] tegenover [gedaagde] onrechtmatig was en dat deze niet werd gerechtvaardigd door een voldoende feitelijke basis, oordeelt de rechtbank in dat vonnis - alle van belang zijnde omstandigheden tegen elkaar afwegend - dat de geciteerde uitlating van [naam 1] niet van dien aard was dat deze niet aldus - als weergave van een interview - door [eiser] en [uitgever] had mogen worden gepubliceerd, zonder onderzoek naar de juistheid van de beweringen en zonder vermelding van het standpunt van [gedaagde]. Dit geldt ook, aldus de rechtbank in de betreffende uitspraak, indien mocht blijken dat [naam 1] door het doen van de uitlating jegens [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld wegens het ontbreken van een voldoende feitelijk juiste basis.

2.6.

[gedaagde] is in hoger beroep gegaan tegen voornoemd vonnis bij het gerechtshof Den Haag.

2.7.

Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 23 juni 2009 het vonnis van de rechtbank Rotterdam, voor zover het de door [gedaagde] jegens [eiser] ingestelde conventionele vordering betreft, bekrachtigd. Het gerechtshof heeft onder meer overwogen, dat in het licht van de door het gerechtshof van belang geachte omstandigheden en gelet op de door het gerechtshof gehanteerde uitgangspunten niet gezegd kan worden, dat het [eiser] duidelijk had moeten zijn dat - zoals [gedaagde] stelt maar niet vaststaat - de gewraakte passage onwaarheid bevatte en/of dat [eiser] het citaat anderszins lichtvaardig heeft opgenomen en daardoor [gedaagde] onrechtmatig heeft blootgesteld aan de suggestie dat hij niet onpartijdig of onafhankelijk was. Dat [eiser] de inhoud van de bewering van [naam 1] niet bij [gedaagde] heeft gecontroleerd, doet hieraan volgens het gerechtshof niet af, omdat het om interviews ging en van [eiser] niet kon worden verlangd dat hij elk onderdeel van hetgeen hem in de interviews werd verteld (in detail) zou controleren. Voorts overweegt het gerechtshof dat het aannemen van onrechtmatigheid hier ook niet verenigbaar is met de rol van journalisten om informatie te verschaffen over actuele gebeurtenissen, meningen en ideeën.

Voor wat betreft de reconventionele vordering van [eiser] (en [uitgever] ) heeft het gerechtshof overwogen dat de voornoemde - negatieve - conclusies op zichzelf en zonder nadere toelichting die ontbreekt niet meebrengen dat tevens de omgekeerde - positieve - conclusies gerechtvaardigd zijn, laat staan dat daarmee ook “aan de ongeschreven normen die gelden voor de werkwijze van een journalist” zou zijn voldaan. Dit leidt ertoe, aldus het gerechtshof anders dan de rechtbank, dat de door [eiser] (en [uitgever]) in reconventie gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar is.

2.8.

[gedaagde] is door zowel de rechtbank als het gerechtshof in conventie in de proceskosten van [eiser] veroordeeld. De proceskosten, begroot op basis van het wettelijk liquidatietarief, zijn aan [eiser] betaald.

2.9.

In de procedure tussen [gedaagde] en [naam 1] heeft de rechtbank Rotterdam de door [gedaagde] tegen [naam 1] ingestelde vorderingen toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat - kort gezegd - de uitlating van [naam 1] in het boek van [eiser] onrechtmatig is jegens [gedaagde], met veroordeling van [naam 1] tot betaling van schadevergoeding aan [gedaagde] nader op te maken bij staat. De rechtbank overweegt hiertoe, nadat [naam 1] van de hem geboden gelegenheid tot het leveren van bewijs gebruik heeft gemaakt, dat [naam 1] er niet in geslaagd is aan te tonen dat zijn bewering dat [gedaagde] als rechter in de [de zaak] een voorbeeld is van rechters die bij grote claims nerveus worden, en die uitvoerig met advocaten gaan bellen over de zaak, op voldoende feitelijk juiste gronden berust.

[naam 1] heeft tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het gerechtshof heeft bij arrest van eveneens 23 juni 2009 - kort gezegd en voor zover hier van belang - geoordeeld dat, behoudens (nader) te leveren tegenbewijs, bewezen wordt geacht dat [gedaagde] voorafgaand aan de pleidooien op [datum] een telefoongesprek heeft gevoerd met [naam 1]. [gedaagde] is vervolgens door het gerechtshof in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren. Daarop zijn partijen met elkaar in overleg getreden. De procedure bij het gerechtshof tussen [gedaagde] en [naam 1] is vervolgens op verzoek van beide partijen op 18 augustus 2009 geroyeerd.

2.10.

In de voornoemde procedures bij de rechtbank en het gerechtshof werd [gedaagde] bijgestaan door [naam 3], toentertijd advocaat bij [kantoor]. De kosten van [gedaagde] voor het voeren van de betreffende procedures zijn betaald door de Raad voor de Rechtspraak.

2.11.

Bij brief van 23 april 2012 heeft de advocaat van [eiser] aan [gedaagde] geschreven - voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven - dat met de voornoemde uitspraken van de rechtbank en het gerechtshof is komen vast te staan dat de gewraakte passages in het boek zonder meer op waarheid berusten en dat [gedaagde] tegen beter weten - immers gebaseerd op een feitelijk vaststaande onwaarheid - een procedure tegen [eiser] is begonnen, waarmee hij zich schuldig heeft gemaakt aan (onder andere) misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 Burgerlijk Wetboek (BW). Voor de schade die [eiser] hierdoor heeft geleden, bestaande uit gemaakte proceskosten, inkomens- en reputatieschade, stelt de advocaat van [eiser] [gedaagde] in de betreffende brief aansprakelijk.

2.12.

De (voormalig) advocaat van [eiser] heeft tevens de Raad voor de Rechtspraak aansprakelijk gesteld voor de schade van [eiser].

2.13.

De gestelde aansprakelijkheid en schadeplichtigheid zijn door [gedaagde] (alsmede door de Raad voor de Rechtspraak) van de hand gewezen.

2.14.

Daarop heeft [eiser] [gedaagde] in de onderhavige procedure (en de Raad voor de Rechtspraak en de Staat der Nederlanden in een afzonderlijke procedure) in rechte betrokken.

2.15.

Op 17 december 2012 heeft [eiser] in verband met de in deze procedure voorliggende vordering conservatoir beslag gelegd op de woning van [gedaagde].

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert  samengevat - veroordeling van [gedaagde] om aan hem te vergoeden alle door hem geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens te wet, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in het incident

3.4.

[gedaagde] vordert  samengevat - opheffing van het door [eiser] gelegde conservatoir beslag op de woning van [gedaagde], althans [eiser] te gebieden dit beslag te doen opheffen op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag, alsmede een verbod op het leggen van verdere beslagen ten laste van [gedaagde] in verband met de beweerdelijk door hem geleden schade als gevolg van procedures die tussen [gedaagde] en [eiser] zijn gevoerd, op straffe van een dwangsom van € 25.000,- per overtreding. Tevens wordt een proceskostenveroordeling gevorderd.

3.5.

[eiser] voert verweer.

in reconventie

3.6.

[gedaagde] vordert  samengevat - opheffing van het door [eiser] gelegde conservatoir beslag op de woning van [gedaagde], alsmede een verbod op het leggen van verdere beslagen ten laste van [gedaagde] in verband met de beweerdelijk door hem geleden schade als gevolg van procedures die tussen [gedaagde] en [eiser] zijn gevoerd, op straffe van een dwangsom van € 25.000,- per overtreding. Tevens wordt een proceskostenveroordeling gevorderd.

3.7.

[eiser] voert verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie, in het incident en in reconventie

4.1.

[eiser] heeft de rechtbank verzocht het proces-verbaal van comparitie van 20 november 2013 aan te vullen en te corrigeren.

De rechtbank bepaalt dat de opmerking van [eiser] op pagina 4 van het proces-verbaal, die luidt: “Ik teken aan dat [naam 4] heeft aangegeven dat het prima is dat rechters advocatenkantoren omkopen”, dient te worden gelezen als: “Ik teken aan dat [naam 4] heeft aangegeven dat het prima is dat advocatenkantoren rechters omkopen.” Het gaat hier om een kennelijke vergissing. Voor het overige wordt het verzoek van [eiser] afgewezen, nu de door hem gewenste aanvulling niet relevant is voor enige in deze procedure te nemen beslissing.

in conventie

4.2.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] zich jegens hem schuldig heeft gemaakt aan een onrechtmatige daad, c.q. misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW. Hij verwijst daartoe naar het arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2007, NJ 2007, 353.

[eiser] voert daartoe vier argumenten aan.

Ten eerste is [gedaagde] tegen beter weten in een procedure begonnen tegen [eiser], immers is deze procedure gebaseerd op een feitelijke grondslag (te weten de stelling: Ik heb niet gebeld met advocaten in de [de zaak]) waarvan [gedaagde] wist dat die onwaar was. Voorts is [gedaagde] een procedure begonnen waarvan hij op voorhand wist dat die kansloos was. Ten derde is de procedure gestart op aandringen en in het belang van [naam 5], de advocaat van de wederpartij van [de zaak] en niet om de reputatie van [gedaagde] of de rechtspraak te verdedigen. Tot slot is sprake van een opzetje tussen [gedaagde] en voormalig advocaat [naam 3], dat er op gericht was inkomsten te genereren voor [naam 3]

De rechtbank zal deze vier stellingen hieronder achtereenvolgend bespreken.

Vordering gebaseerd op een onwaarheid

4.3.

Uitgangspunt bij de beoordeling is dat een ieder in beginsel vrije toegang tot de rechter heeft en derhalve gebruik mag maken van zijn of haar bevoegdheid om een procedure te starten (artikel 6 lid 1 EVRM en artikel 17 Grondwet). Aan dit grondrecht mogen echter beperkingen worden gesteld, mits deze een legitiem doel dienen en in een proportionele verhouding tot dat doel staan. Nu de bevoegdheid tot procederen voorop staat, vormt artikel 3:13 BW (misbruik van bevoegdheid) het toetsingskader bij de beoordeling van de vraag of hier sprake is van een situatie die een toegestane beperking als zojuist bedoeld oplevert. Processuele bevoegdheden - het instellen van een procedure daaronder begrepen - zijn vatbaar voor misbruik en kunnen aldus getoetst worden aan de criteria van het tweede lid van dit artikel. Die - niet limitatief opgesomde - criteria houden kort gezegd in dat een bevoegdheid onder meer kan worden misbruikt indien a) het doel slechts is een ander te schaden, b) een ander doel wordt gediend dan waartoe de bevoegdheid is gegeven en c) er sprake is van een onevenredigheid tussen de aan de orde zijnde belangen. Uit de jurisprudentie op dit punt volgt dat toetsing aan de hand van dit artikel met terughoudendheid moet geschieden, in die zin dat het gebruik maken van processuele bevoegdheden slechts in zeer bijzondere gevallen als misbruik van bevoegdheid kan worden gekwalificeerd. Onder omstandigheden kan misbruik van bevoegdheid optreden door in een procedure stellingen naar voren te brengen waarvan men op het moment van instellen van de procedure weet of behoort te weten dat deze onwaar zijn (HR 29 juni 2007, LJN BA3516). De Hoge Raad heeft in dit verband overwogen dat van misbruik van procesrecht pas sprake is als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen achterwege had moeten blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als de eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende danwel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (HR 6 april 2012, NJ 2012, 233).

4.4.

[gedaagde] heeft in de dagvaarding in de zaak tegen [eiser] gesteld dat in het door [eiser] uitgegeven boek door [naam 1] in strijd met de waarheid wordt gesuggereerd dat [gedaagde] onderonsjes zou hebben met advocaten in zaken waarbij hij als rechter is betrokken. Anders dan [eiser] stelt, kan in de onderhavige procedure niet als vaststaand feit worden aangenomen dat deze stelling van [gedaagde] een onwaarheid betreft. De verwijzing van [eiser] naar het tussenarrest van het gerechtshof Den Haag van 23 juni 2009 en het royement van de procedure tussen [naam 1] en [gedaagde] op 18 augustus 2009 is daartoe niet toereikend. Ten eerste betreft die procedure niet de onderhavige partijen, zodat een eventuele vaststelling van feiten in die procedure geen gevolgen heeft voor de rechtsverhouding tussen [eiser] en [gedaagde]. Bovendien komt aan het arrest van het gerechtshof geen bindende kracht toe nu het niet in kracht van gewijsde is gegaan.

4.5.

Nu [gedaagde] betwist dat de dagvaarding op een onwaarheid berust, staat dit feit in deze procedure derhalve tussen partijen niet vast. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit evenwel in het midden blijven. Zij overweegt daartoe het volgende.

4.6.

Partijen zijn het erover eens dat de procedure die door [gedaagde] tegen [eiser] is aangespannen niet zozeer ging om de vraag of er nu wel of niet gebeld was door [gedaagde], maar om de vraag of, gelet op de implicaties van het citaat van [naam 1], hoor en wederhoor had moeten worden toegepast. [gedaagde] had zich daarbij op het standpunt gesteld dat de vermelding dat hij had gebeld met advocaten zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid in twijfel trok, zodat zijn eer en goede naam in het geding was. [eiser] had om die reden volgens hem wederhoor moeten toepassen.

4.7.

In de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 december 2005 (zie 2.5.) heeft de rechtbank veronderstellenderwijs aangenomen dat de passage in het boek onrechtmatig was jegens [gedaagde], maar niettemin geoordeeld dat [eiser] deze passage mocht publiceren zonder onderzoek te doen naar de juistheid van de bewering en zonder vermelding van het standpunt van [gedaagde]. Daartoe heeft de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor getoetst aan een aantal omstandigheden van de casus. Deze omstandigheden tegen elkaar afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat de uitlating van [naam 1] niet van dien aard was dat deze als weergave van een interview niet had mogen worden gepubliceerd zonder onderzoek naar de juistheid ervan. In het arrest van het gerechtshof van 23 juni 2009 (zie 2.7.) wordt vooropgesteld dat anders dan [gedaagde] meent, in de passage niet de suggestie ligt besloten dat aan de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van [gedaagde] moet worden getwijfeld. Het gerechtshof overweegt in het bijzonder het volgende:

Het hier overwogene neemt niet weg dat het voeren van telefoongesprekken als in de subpassage bedoeld risico’s mee brengt voor de (objectieve) partijdigheid en onafhankelijkheid van de rechter. De stelling dat dergelijke gesprekken gevoerd zijn, kan weliswaar bij de lezer (..) de gedachte oproepen dat dit risico zich ook daadwerkelijk heeft gerealiseerd, maar die enkele mogelijkheid maakt de uiting nog niet onrechtmatig”.

4.8.

Uit het voorgaande volgt dat niet zozeer de stelling “ik heb niet met advocaten gebeld” de grondslag vormde van de dagvaarding van [gedaagde] in de procedure tegen [eiser], maar de stelling dat het citaat van [naam 1] de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van [gedaagde] in twijfel trok en dat om die reden [eiser] wederhoor had moeten toepassen. Die stelling is onderwerp geweest van het partijdebat en over die stelling hebben beide gerechtscolleges een oordeel gegeven. Beide colleges hebben daarbij in het midden gelaten (en kunnen laten) of de bewering van [naam 1] over het bellen met advocaten op waarheid berustte.

4.9.

In aanmerking nemend dat toetsing aan de hand van het criterium in artikel 3:13 BW met terughoudendheid dient te geschieden, oordeelt de rechtbank dat zelfs als zou vastgesteld kunnen worden, zoals door [eiser] gesteld, dat [gedaagde] telefonisch contact heeft gehad met meerdere advocaten, deze enkele omstandigheid niet meebrengt dat het uitbrengen van de dagvaarding door [gedaagde] moet worden gekwalificeerd als misbruik van bevoegdheid jegens [eiser].



Vordering op voorhand kansloos

4.10. [eiser] stelt ten aanzien van deze grondslag dat los van de vraag of [gedaagde] al dan niet met [naam 1] heeft gebeld, sprake is van misbruik van procesrecht door een vordering in te stellen tegen [eiser]. [gedaagde] lijkt blijkens de dagvaarding al zijn pijlen op [naam 1] te richten en [eiser] ten onrechte te hebben meegesleurd in een kansloze procedure, aldus [eiser]. Hij verwijst daartoe naar de uitspraken van de rechtbank en het gerechtshof in die procedure.

4.11.

Als gezegd was de grondslag van de vordering van [gedaagde] jegens [eiser] dat die het beginsel van hoor en wederhoor had geschonden. Daarmee was volgens [gedaagde] zijn belang veronachtzaamd om niet lichtvaardig te worden blootgesteld aan negatieve publiciteit die zijn eer en goede naam aantast of een inbreuk vormt op zijn persoonlijke levenssfeer. De omstandigheid dat deze vordering door zowel de rechtbank als het gerechtshof is afgewezen maakt het instellen daarvan uiteraard nog niet onrechtmatig. Zelfs het enkele feit dat een procedure wellicht weinig kansrijk is, is onvoldoende om misbruik aan te nemen. In de overwegingen van de rechtbank Rotterdam is te lezen dat het beginsel van hoor en wederhoor als uitgangspunt wordt genomen en dat dit beginsel wordt getoetst aan een groot aantal omstandigheden. Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat wederhoor in dit geval niet noodzakelijk was. Dit wijst er niet op dat de stelling die [gedaagde] had ingenomen rechtens niet verdedigbaar zou zijn. Zulks kan ook niet worden afgeleid uit de overwegingen van het gerechtshof Den Haag. Dat gaat er, maar anders dan de rechtbank Rotterdam, vanuit dat de uiting als zodanig niet onrechtmatig was. Nu derhalve niet kan worden gezegd dat de stellingen van [gedaagde] met betrekking tot het beginsel van hoor en wederhoor rechtens niet te verdedigen zouden zijn, kan het instellen van een vordering, gebaseerd op die stellingen, niet worden gekwalificeerd als misbruik van procesrecht.

Vordering op aandringen van [naam 5]

4.12.

[eiser] stelt dat de procedure tegen hem niet was ingegeven door het belang van bescherming van de eer en goede naam van [gedaagde] of de rechtspraak maar

is ingegeven door een ander belang. Hij stelt dat [gedaagde] op de passage in het boek van [eiser] is gewezen door [naam 5], destijds bedrijfsjurist bij [bedrijf], de wederpartij in de [de zaak], en tegenwoordig partner bij [advocatenkantoor]. [gedaagde] is aldus tot het voeren van de procedure aangezet door de advocaten die hij heeft bevoordeeld in de [de zaak], aldus [eiser], teneinde hun naam te zuiveren. [gedaagde] is in opdracht van door hem bevoordeelde partijen overgegaan tot dagvaarden. Daarmee is misbruik gemaakt van procesrecht en onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld, aldus [eiser].

4.13.

[gedaagde] erkent dat [naam 5] hem indertijd heeft gewezen op de passage in het boek van [eiser]. [gedaagde] betwist evenwel dat [naam 5] hem heeft aangezet tot de procedure tegen [naam 1] en [eiser]. Dat is het eigen initiatief van [gedaagde] geweest. Uit niets blijkt dat hierbij de belangen van [de zaak] of diens wederpartij een rol hebben gespeeld, aldus [gedaagde].

4.14.

Nu [eiser] aan zijn stelling geen andere feiten ten grondslag heeft gelegd dan het enkele -onbetwiste - feit dat het [naam 5] was die [gedaagde] heeft gewezen op het citaat in het boek van [eiser], moet die stelling als onvoldoende onderbouwd terzijde worden geschoven. Immers, die enkele omstandigheid leidt niet zonder meer tot de conclusie dat het dan ook [naam 5] is geweest die [gedaagde] heeft aangezet, laat staan opdracht heeft gegeven tot dagvaarding van [eiser]. Mede in het licht van de documentatie, waarnaar [gedaagde] heeft verwezen, en waaruit volgens hem een dergelijke bemoeienis van [naam 5] geenszins naar voren komt, had het op de weg van [eiser] gelegen om die conclusie nader met feitelijke gegevens te staven. De rechtbank verwerpt deze stelling dan ook wegens onvoldoende feitelijke onderbouwing. Reeds om die reden kan deze grondslag niet leiden tot toewijzing van het gevorderde.

Opzetje met [naam 3]

4.15.

[eiser] stelt tot slot dat sprake is geweest van samenspanning van [gedaagde] met [naam 3], voorheen advocaat bij [kantoor]. [eiser] vermoedt dat [gedaagde] een vergoeding ontving in ruil voor het feit dat [naam 3] hoge declaraties kon indienen. Zo heeft [naam 3] geadviseerd dat het hoger beroep uiterst kansrijk was, louter om declaraties te kunnen blijven indienen. De conclusie moet dan ook zijn dat de procedure onrechtmatig is, aldus [eiser].

4.16.

[gedaagde] betwist dat hij enige vergoeding zou hebben ontvangen van [naam 3]. Hij verwijst voorts naar de stukken betrekking hebbend op de wijze van besluitvorming. Daaruit blijkt volgens [gedaagde] hoe de besluitvorming met betrekking tot het starten van de procedure en de financiering daarvan gegaan is.

4.17.

De stelling van [eiser] met betrekking tot de door [gedaagde] ontvangen vergoeding, die naar eigen zeggen van [eiser] berust op een vermoeden, wordt op geen enkele wijze met stukken of anderszins onderbouwd. Gelet op de betwisting van [gedaagde], en hetgeen is gedocumenteerd over de totstandkoming van de besluitvorming, had het op de weg van [eiser] gelegen om zijn stelling nader te onderbouwen. Nu hij heeft volstaan met een enkele blote stelling, wordt ook deze stelling door de rechtbank verworpen.

Strijd met artikel 6 EVRM

4.18.

Bij gelegenheid van de comparitie van partijen, die gelijktijdig werd behandeld met de zaak die [eiser] tegen de Staat der Nederlanden en de Raad voor de Rechtspraak had aangespannen, is namens [eiser] nog het volgende aangevoerd.

”[eiser] moet nu schaken tegen twee partijen met gezag en statuur die de kosten van een procedure met gemak voor hun rekening kunnen nemen. [eiser] is hierdoor, gedurende de hele periode, onevenredig benadeeld. Dit is in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De Raad voor de Rechtspraak had strenge zorgvuldigheidseisen in acht moeten nemen. Dat is niet gebeurd. Dit levert misbruik van procesbevoegdheid, en daarmee een onrechtmatige daad jegens [eiser] op.”

4.19.

Het is de rechtbank niet helemaal duidelijk of [eiser] met deze opmerking de betreffende grondslag ook heeft willen aanvoeren in de zaak tegen [gedaagde], maar zekerheidshalve zal zij die grondslag ook in deze zaak bespreken. De rechtbank begrijpt de hierboven genoemde passage dan ook als een beroep op artikel 6 EVRM zoals dat ook is aangevoerd in de zaken tegen de Raad voor de Rechtspraak en de Staat der Nederlanden, in die zin dat sprake is geweest van strijd met de beginselen van fair trial en equality of arms doordat de proceskosten van [gedaagde] door de Staat werden vergoed.

4.20.

Naar het oordeel van de rechtbank kan ook deze grondslag niet slagen. Het beginsel zoals neergelegd in artikel 6 EVRM houdt in dat partijen in dezelfde mate in staat moeten zijn om hun zaak aan de rechter te presenteren. Uit jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat dit beginsel niet meebrengt dat partijen ook in dezelfde of vergelijkbare financiële positie zouden moeten verkeren. Het gaat er om of [eiser], bezien vanuit zijn financiële en procedurele positie, voldoende in staat is geweest om zijn zaak te presenteren. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval geweest. [eiser] heeft zich weten te voorzien van rechtskundige bijstand en aldus verweer kunnen voeren tegen de vordering van [gedaagde] en heeft ook een reconventionele vordering ingediend. Dit verweer heeft ertoe geleid dat hij zowel in eerste als in tweede aanleg (voor wat betreft de door [gedaagde] ingestelde vordering) door de rechter in het gelijk is gesteld, waarbij [gedaagde] is veroordeeld tot een proceskostenvergoeding. Zelfs al zou [eiser] in de positie hebben verkeerd dat hij de kosten van zijn advocaat niet zelf kon betalen, dan kon hij een beroep doen op het stelsel van gefinancierde rechtshulp voor on- en minvermogenden, geregeld in de Wet op de Rechtsbijstand. Er kan derhalve niet geconcludeerd worden dat sprake is geweest van processuele benadeling van [eiser] door het feit dat de (proces)kosten van [gedaagde] werden betaald door de Raad voor de Rechtspraak.

Slotsom

4.21.

Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door [eiser] gevorderde veroordeling tot schadevergoeding bij gebreke van een grondslag voor afwijzing gereed ligt. De overige vorderingen zullen dit lot delen.

4.22.

Gelet op het vorenstaande behoeven de overige verweren van [gedaagde] (waaronder het beroep op verjaring van de vorderingen van [eiser] en de betwisting van de verwijtbaarheid en schade) en hetgeen [eiser] daartegen heeft ingebracht, geen bespreking.

4.23.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 267,00

- salaris advocaat 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

Totaal €  1.171,00

4.24.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen, met dien verstande dat de termijn voor betaling wordt bepaald op veertien dagen na dagtekening van dit vonnis.

in het incident

4.25.

Nu het gevorderde in het incident gelijkluidend is aan het gevorderde in reconventie, heeft [gedaagde] laten weten geen prijs meer te stellen op een beslissing in het incident als de rechtbank in staat mocht zijn thans de reconventie te beslechten. Gelet op hetgeen hierna zal worden besproken in de reconventie, doet die situatie zich inderdaad voor zodat de rechtbank geen beslissing meer zal nemen in het incident.

in reconventie

4.26.

Blijkens de overgelegde beslagstukken is het door [eiser] gelegde conservatoir beslag op de woning van [gedaagde] gebaseerd op dezelfde grondslag als de in conventie besproken vordering tot schadevergoeding. Voorts is in het verzoekschrift van [eiser] gesteld dat er gegronde vrees voor verduistering zou bestaan nu [eiser] van derden had vernomen dat [gedaagde] voornemens zou zijn de woning te verkopen en zich in het buitenland te vestigen.

4.27.

In het beslagverlof heeft de voorzieningenrechter het verzoek tot beslaglegging op de woning toegewezen onder de voorwaarde dat voor de schade die veroorzaakt kan worden door dat beslag door [eiser] zekerheid zou worden gesteld tot een bedrag van € 8.500,- in de vorm van een bankgarantie of storting van dat bedrag in depot bij een notaris of advocaat. Deze zekerheid diende voor of bij de betekening van het beslagexploit te worden aangeboden.

4.28.

[gedaagde] voert aan dat de vrees voor verduistering ongegrond is. Hij betwist ten stelligste dat hij voornemens zou zijn de woning te verkopen en naar het buitenland te verhuizen. Voorts stelt hij dat het beslag is gelegd zonder dat de vereiste zekerheid is gesteld. Het gelegde beslag is volgens [gedaagde] aldus onrechtmatig gelegd.

4.29.

[eiser] heeft in reactie daarop gesteld dat [eiser] nu eenmaal heeft vernomen dat [gedaagde] van zins was te verhuizen en dat hij geenszins gehouden is om aan te tonen hoe hij aan die informatie is gekomen. Voorts is [eiser] van mening dat de voorzieningenrechter zijn boekje te buiten is gegaan door de voorwaarde tot zekerheidstelling aan het verlof te verbinden.

4.30.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Aangezien de rechtbank, zoals hierboven in conventie overwogen, de vordering tot schadevergoeding afwijst bij gebreke van een grondslag, is reeds om die reden sprake van summierlijk gebleken ondeugdelijkheid van het door [eiser] ingeroepen recht. Er zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die maken dat een belangenafweging desalniettemin zou nopen tot handhaving van het beslag. De stelling van [eiser] dat er gegronde vrees zou bestaan dat [gedaagde] voornemens zou zijn het onderhavige verhaalsobject te verkopen en naar het buitenland te vertrekken is in het geheel niet feitelijk onderbouwd. De rechtbank zal derhalve het gelegde conservatoir beslag opheffen.

4.31.

[gedaagde] heeft voorts gevorderd dat de rechtbank [eiser] zal verbieden verdere beslagen te leggen in verband met dezelfde beweerdelijk geleden schade. Volgens [gedaagde] is sprake van vexatoir gelegd beslag, niet alleen omdat [eiser] geen vordering heeft maar vooral omdat [eiser] het beslag niet aanwendt als middel tot verhaal maar vooral hanteert uit publicitair oogpunt. [eiser] betwist dat het beslag vexatoir is gelegd.

4.32.

Naar het oordeel van de rechtbank dient ten aanzien van een algeheel verbod op het in de toekomst leggen van conservatoir beslag op dezelfde grondslag grote terughoudendheid te worden betracht. Weliswaar is bij het onderhavige vonnis vastgesteld dat [eiser] geen recht op schadevergoeding heeft, maar daartegen staan nog rechtsmiddelen open. De stelling van [gedaagde] dat het thans gelegde beslag vexatoir gelegd is, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat [eiser] aan het leggen van dit beslag in de media ruchtbaarheid heeft gegeven, leidt immers niet noodzakelijkerwijs tot die conclusie. Derhalve zal de rechtbank de vordering op dit punt afwijzen.

4.33.

[eiser] zal als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- salaris advocaat 452,00 (2 punten× factor 0,5 × tarief € 452,00)

Totaal €  452,00


4.34. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen, met dien verstande dat de termijn voor betaling wordt bepaald op veertien dagen na dagtekening van dit vonnis.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.171,00, te betalen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, bij niet tijdige voldoening te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

5.4.

heft op het door [eiser] gelegde conservatoire beslag op de woning van [gedaagde] aan de [adres];

5.5.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 452,00, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, bij niet tijdige betaling te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.6.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.H.J. Konings, mr. J.F. Aalders en mr. L.R. Wisse en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2014.