Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:8305

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-12-2014
Datum publicatie
15-12-2014
Zaaknummer
13-706173-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de uitleveringsdetentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/706173-12

RK nummer: 14/7655

BESLISSING

De raadkamer van deze rechtbank heeft kennis genomen van het op 26 november 2014 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de uitleveringsdetentie uit hoofde van de Uitleveringswet (ULW) van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Albanië), op [geboortedatum],

thans gedetineerd in de [detentie adres].

De rechtbank heeft acht geslagen op het dossier, waaronder de stukken die op de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon betrekking hebben. en op de behandeling in raadkamer op 1 december 2014, waar zijn gehoord de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw, mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam.

De raadsvrouw heeft het verzoekschrift als volgt toegelicht. In haar arrest van 25 november 2014 heeft het gerechtshof Den Haag geoordeeld dat de opgeëiste persoon niet mag worden uitgeleverd aan Albanië omdat er sprake is van een ‘real risk’ voor de opgeëiste persoon op een met de artikelen 2 en 3 van het EVRM strijdige behandeling in Albanië. Het hof heeft het arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De justitiële autoriteit van Albanië heeft, nadat hierom herhaaldelijk is verzocht door de Minister van Veiligheid en Justitie, nog steeds geen afdoende garantie gegeven dat zij de opgeëiste persoon bescherming zal bieden tegen bloedwraak. De redelijke termijn waarover in artikel 33, derde lid Uitleveringswet (ULW) in samenhang met artikel 38, tweede lid en onder b ULW wordt gesproken en die aan de Albanese autoriteit is gegeven, is inmiddels wel verstreken, zonder dat door de Albanese autoriteit een afdoende garantie is gegeven. De vraag is of een afdoende en reële garantie er wel zal komen, gezien de eerdere reacties. De Albanese autoriteit heeft daartoe inmiddels ruimschoots tijd en gelegenheid gehad. Dat de Minister een nieuwe termijn tot 18 december 2014 heeft gesteld mag daarom geen rol spelen. De stand van zaken is nu dat geen uitlevering mag plaatsvinden en dat brengt mee dat de uitleveringsdetentie opgeheven dient te worden. Subsidiair dient de uitleveringsdetentie te worden geschorst. Er is geen sprake van vluchtgevaar nu de opgeëiste persoon bij vrienden op een opgegeven adres kan verblijven. Het zou voor hem bovendien zeer nadelig zijn om te vluchten, gezien de stand van zaken in deze procedure. Gelet daarop is sprake van een andere situatie dan ten tijde van zijn aanhouding, toen hij zich van een valse identiteit heeft bediend.

De officier van justitie heeft zich verzet tegen inwilliging van het opheffingsverzoek. Er is opnieuw, op 25 november 2014, door de Minister aan de Albanese justitiële autoriteit gevraagd of zij voor 18 december 2014 een aanvullende garantie kan geven dat zij bescherming zal bieden aan de opgeëiste persoon Uit het arrest van het hof volgt ook dat de afdoende garantie “thans” ontbreekt en dat de Staat thans wordt verboden om tot uitlevering over te gaan. Dit sluit niet uit dat op korte termijn de gevraagde garantie alsnog zal worden verleend. De uitleveringsprocedure is daarom nog niet tot een einde gekomen. De officier van justitie heeft begrepen dat de Minister voornemens is om, indien een aanvullende garantie wordt verleend, een nieuwe beschikking te slaan. Voorzover hem bekend is van de beslissing van het hof nog geen cassatieberoep ingesteld. Wellicht is dat ook niet nodig indien alsnog een aanvullende garantie wordt verkregen. Daarnaast is sprake van groot vluchtgevaar. Het gaat om een zeer ernstig feit en een langdurige gevangenisstraf. De opgeëiste persoon was bij zijn aanhouding in het bezit van valse identiteitspapieren en deed zich ook voor als deze persoon. De opgeëiste persoon gebruikt alle middelen om niet naar Albanië te gaan. Als hij nu wordt vrijgelaten, verwacht de officier van justitie dat hij zal vluchten en dat zal het einde van de zaak betekenen. Ook het schorsingsverzoek dient te worden afgewezen.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank zal het verzoek tot opheffing van de uitleveringsdetentie afwijzen. Na het arrest van het hof Den Haag van 25 november 2014, waarbij het hof thans de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Albanië heeft verboden, is er onmiddellijk door de Minister om aanvullende garantie verzocht bij de Albanese justitiële autoriteit dat zij [opgeëiste persoon] bescherming zal bieden tegen het gevaar van bloedwraak. De Albanese justitiële autoriteit is verzocht hier voor 18 december 2014 op te reageren.

Weliswaar zijn eerdere verzoeken aan de Albanese justitiële autoriteit gedaan omtrent de te verstrekken garanties, en zijn ook (thans door het hof als onvoldoende beoordeelde) garanties vertrekt die voor de Minister uiteindelijk aanleiding waren om de uitlevering toe te staan. Echter, gezien het thans door het hof uitgesproken verbod tot uitlevering in verband met die garanties en gezien het bepaalde in artikel 33, derde lid in samenhang met artikel 38 tweede lid en onder b ULW, dient aan de Minister en de Albanese autoriteit nog de gelegenheid te worden gegeven een aanvullende garantie te verstrekken en naar aanleiding daarvan (opnieuw) te beslissen. Gelet op deze situatie bestaat op dit moment geen aanleiding om de uitleveringsdetentie op te heffen.

De rechtbank acht - gelet op de in het geding zijnde belangen - evenmin termen aanwezig de schorsing van de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon te bevelen. Zij acht het vluchtgevaar zo reëel dat alleen vrijheidsbeneming kan voorkomen dat de opgeëiste persoon zich aan een eventueel toegestane uitlevering zal onttrekken. De opgeëiste persoon vreest voor bloedwraak en hij heeft om die reden al eerder gebruik gemaakt van een valse identiteit om aan de Albanese justitie te ontkomen. De rechtbank acht het daarom niet ondenkbaar dat hij ergens onderduikt, ondanks de stand van zaken in de uitleveringsprocedure.

De rechtbank zal het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de uitleveringsdetentie afwijzen.

BESLISSING:

Wijst af het verzoek tot opheffing en schorsing van de uitleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] voornoemd.

Deze beslissing is genomen op 1 december 2014 door:

mr. S.A. Krenning, voorzitter,

en mrs. A.J. Dondorp en H.G. van der Wilt rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. Beerts, griffier.