Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:8286

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
22-12-2014
Zaaknummer
C-13-550163 - HA ZA 13-1391
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beleggingen in Turkse vakantiewoningen. Eisers hebben winstdelende leningen verstrek aan Turkse Ltd’s, die met dat geld de bouw en ontwikkeling van vakantiewoningen in Turkije zouden financieren. De aflossing van de leningen en de daarover verschuldigde vergoeding zou betaald worden uit de verkoop van de vakantiewoningen. De Turkse Ltd’s zijn niet in staat de leningen aan eisers terug te betalen. Beoordeeld moet worden of gedaagden daarvoor aansprakelijk kunnen worden gehouden, omdat zij een te risicovolle belegging hebben aangeboden of omdat zij tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen jegens eisers. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Dit brengt mee dat de statutaire bestuurders ook niet aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de door eisers geleden schade. De bestuurders zijn evenmin in privé aansprakelijk. De vorderingen worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2015-0031
AR 2014/1008
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/550163 / HA ZA 13-1391

Vonnis in de hoofdzaak en in incident van 17 december 2014

in de zaak van

1 [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ERICIS B.V.,

gevestigd te Gouda,

5. [eiser sub 5],

wonende te [woonplaats],

eisers in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat mr. R. Willemsen te Den Haag,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PLANPARTICIPATIES B.V.,

gevestigd te Gouda,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PP HOLDING B.V.,

gevestigd te Gouda,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 3] ,

gevestigd te [plaats],

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats],

5. [gedaagde sub 5],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. R.A.D. Blaauw te Rotterdam.

Eisers (in de hoofdzaak) zullen hierna afzonderlijk [eiser sub 1], [eiser sub 2], [eiser sub 3], Ericis en [eiser sub 5] worden genoemd. Gedaagden (in de hoofdzaak) zullen hierna afzonderlijk Planparticipaties, PP Holding, [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 6 augustus 2013, met producties,

  • -

    de zijdens eisers overgelegde beslagstukken,

  • -

    de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van gedaagden, met producties,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord tot oproep in vrijwaring van eisers,

  • -

    het extract uit de minuten berustende ter griffie van deze rechtbank van de rolzitting van

22 januari 2014, waarbij het eisers is vergund om Troya Ltd., Troya Real 2 Ltd, Aphrodite Ltd, Piram Nederland B.V., [bedrijf], [naam 1] en [naam 2] in vrijwaring te doen dagvaarden,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 19 maart 2014,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 4 september 2014, met de daarin vermelde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Uit het uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel blijkt dat Planparticipaties zich richt op de volgende activiteiten:

‘Het optreden als beleggingsinstelling in de zin van de Wet Toezicht Beleggingsinstellingen en/of de Wet Toezicht Effectenverkeer; het beheren van onroerende zaken ten behoeve van derden’

2.2.

Enig aandeelhouder van Planparticipaties is PP Holding. [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] zijn de bestuurders van Planparticipaties.

2.3.

Blijkens het uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel richt PP Holding zich op de volgende activiteiten:

‘Participeren c.q. beleggen in deelnemingen en onroerende zaken. Het verstrekken van financieringen’

2.4.

Bestuurder van PP Holding is [gedaagde sub 3], die op haar beurt wordt bestuurd door [gedaagde sub 4]. [gedaagde sub 4] is tevens enig aandeelhouder van [gedaagde sub 3]. Volgens het uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel houdt [gedaagde sub 3] zich bezig met:

‘Het deelnemen in en direktie voeren over andere ondernemingen; het beleggen van gelden en het beheren, verkrijgen en vervreemden van onroerende zaken en andere vermogenswaarden; het verrichten van advieswerkzaamheden’

2.5.

In 2003 is [gedaagde sub 4] in contact gekomen met [naam 2] (hierna: [naam 2]). [naam 2] was de ontwikkelaar/aannemer van een door [gedaagde sub 4] in Turkije gekochte villa.

2.6.

Vervolgens heeft [gedaagde sub 4] in juni 2004, met 4 anderen, gesprekken gevoerd over de oprichting van een beleggingsgroep ten behoeve van de financiering van projecten in Turkije. Het ging om projectfinanciering van door Piram B.V. c.q. Piram Ltd. in Turkije te bouwen vakantiewoningen. Piram B.V. en Prima Ltd. zijn - kort gezegd - vennootschappen van [naam 2].

2.7.

Voornoemde gesprekken hebben ertoe geleid dat de groep beleggers een project genaamd Troya I (hierna: Troya I) heeft gefinancierd. Planparticipaties heeft een brochure opgesteld om andere beleggers daar ook voor te interesseren. In die brochure, met de titel ‘Investeren in unieke projecten in Turkije: kleinschalige complexen van vakantiewoningen met zwembad’ (hierna: de brochure) is, voor zover relevant, het volgende te lezen:

“(…)

Samenvatting Planparticipaties B.V. introduceert regelmatig projecten waarin kan

worden deelgenomen. Nabij Bodrum, een bekend toeristengebied in

Turkije, worden diverse ruim opgezet appartementen- en woningcomplex

ontwikkeld. De ontwikkeling wordt uitgevoerd door Piram Ltd. een Turkse

bouwonderneming met een Nederlandse directie met veel ervaring bij de

realisatie van dergelijke projecten. De participanten financieren de

projectontwikkelingsfase en een gedeelte van de bouw van de

appartementen en vakantiewoningen en krijgen daarvoor een

winstafhankelijke rentebeloning terug.

(…)

Strategie De participanten verstekken een lening aan een te Turkije gevestigde

projectontwikkeling Ltd. Door deze vennootschap wordt de grond

aangekocht. Daarna wordt het bouwplan met de inrichting en verkaveling

van de grond ontwikkeld. De eventuele verkoopprijzen worden

vastgesteld. Daarna wordt met de aanleg van het park begonnen. Het gaat

daarbij in eerste instantie om de aanleg van de infrastructuur, de

fundamenten voor de woningen en de bouw van één of meer

modelwoningen. De Turkse Projectontwikkeling Ltd. huurt hiervoor de

in Turkije gevestigde aannemer Piram Ltd. in. Deze staat onder

Nederlandse leiding. Piram Nederland neemt de verkoop van de ontwikkelde grond met de woningen aan potentiële kopers ter hand. Daarvoor maakt zij gebruik van gespecialiseerde makelaars. Aan de participanten zal na de verkoop van de woningen en appartementen eerst de inleg worden terugbetaald en daarna een rente-uitkering die afhankelijk is van het resultaat van de projectontwikkelings Ltd.

(…)

Initiatiefnemer Initiatiefnemer voor dit project is Planparticipaties B.V. in samenwerking met Piram Ltd. en Piram B.V. De directie van Planparticipaties B.V. heeft grote ervaring in het onroerend goed en heeft gedegen kennis van de regelgeving voor de opzet van C.V.’s. Piram Ltd. is gevestigd in Turkije en heeft ervaring als bouwer in Turkije. Het bedrijf heeft reeds diverse projecten succesvol opgezet. Piram B.V. is gevestigd in Nederland en neemt de verkoop van de te bouwen appartementen voor haar rekening. De directie van Piram B.V. en Ltd. hebben jarenlange ervaring met de ontwikkeling en verkoop van toeristische complexen in Azië, Europa en Zuid Amerika.

De participaties De participaties worden aangeboden aan een beperkte kring van belangstellenden. De participaties zijn minimaal € 50.000 groot. Planparticipaties b.v. zal optreden als gemachtigde van de leningverstrekkers die toezicht uitoefent op de gedragingen van de projectontwikkeling Ltd. en alle betrokken partijen.

(…)

Structuur De structuur van de financiering is schematisch als volgt weer te geven:

Planparticipaties B.V.

(initiatiefnemer)

Participanten

↓Raamovereenkomst ↓ Inbreng leningen

Turkinvest project X

↓ Winstdelende lening

Turkinvest Real Estate project X Ltd. (naar Turks recht)

De groep participanten geeft een winstdelende lening aan Turkinvest Real Estate project X Ltd. (…)

Zekerheden In de overeenkomst zijn een aantal zekerheden ingebouwd. De belangrijkste daarvan zijn:

 Na verloop van een vooraf vastgesteld aantal maanden (tot nu toe 24) is de eigenaar van de grond, de Turkse Ltd, verplicht de grond met de dan aanwezige opstallen te verkopen aan de participanten tegen kostprijs. (koopoptie)

 Planparticipaties b.v. heeft inzicht in al het betalingsverkeer dat samenhangt met het project. Zowel bij investering als bij de verkoop en betaling van de te bouwen woningen.

 Elk project wordt in een nieuwe Ltd. opgestart.

 Indien nodig kan een hypotheekrecht worden gevestigd op de kale grond ten behoeve van de financiers.

(…)

Bij de opzet is de grootst mogelijke zorgvuldigheid betracht. Desondanks wordt potentiële deelnemers geadviseerd contact op te nemen met hun eigen (fiscale en/of financiële) adviseur.

Disclaimer Aan het investeren in dit soort projecten zijn financiële risico’s verbonden. U dient daarom goede nota te nemen van deze mogelijke risico’s. De waarde van uw investering kan fluctueren. Rendementen zijn gebaseerd op prognoses en bieden geen garantie voor de toekomst.

De investering in deze lening dient te passen in de eigen vermogensplanning. Gelet op het karakter van de lening is deze investering aan te merken als een investering met een hoog risico. Binnen de totale beleggingsportefeuille mag maar een beperkt deel van het vermogen op deze manier worden belegd.

Initatiefnemers:

Planparticipaties b.v.

Piram Nederland b.v.

(…)”

2.8.

Vervolgens hebben eisers in verschillende samenstellingen besloten deel te nemen in de projecten Troya II, Troya III en Aphrodite.

Troya II

2.9.

Onder meer [gedaagde sub 5], Ericis en [gedaagde sub 4] hebben project Troya II gefinancierd. Daartoe hebben zij op 13 januari 2005 de ‘Raamovereenkomst project Turkinvest Troya II’ met PP Holding gesloten. De beleggers worden in de overeenkomst aangeduid als ‘financiers’ en PP Holding als ‘Gemachtigde’. Verder houdt de overeenkomst, voor zover relevant, het volgende in:

“(…)

In aanmerking nemende:

 Dat Financiers het voornemen hebben om gezamenlijk onroerend goed projecten in Turkije met daarop te bouwen vakantiewoningen te financieren die door Piram B.V. en/of Piram Ltd, hierna samen te noemen “Piram”, worden ontwikkeld.

 Dat voor de ontwikkeling van deze projecten een specifieke Turkse vennootschap zal worden opgericht, hierna te noemen “de vennootschap”.

 Dat Financiers vooraf duidelijkheid wensen te hebben over de onderlinge verhoudingen en daarom voor dergelijke financieringen de volgende afspraken hebben gemaakt:

Gemaakte afspraken

1 doelstelling

Het voor gezamenlijke rekening en risico onroerend goed projecten financieren in Turkije. Deze financiering zal plaatsvinden door middel van het verstrekken van

een winstdelende geldlening aan de vennootschap gevestigd in Turkije. De daadwerkelijke projectontwikkeling ligt in handen van Piram.

(…)

3. financiële middelen

Ieder van de financiers zegt een bedrag in geld toe. De eerste maal is dat voor (…) [gedaagde sub 4] (rechtbank: [gedaagde sub 4]) € 150.000, voor [gedaagde sub 5] (rechtbank: [gedaagde sub 5]) € 75.000 en voor Ericis € 75.000. (…)

4. vorm van financiering

De gelden worden ter beschikking gesteld aan een speciaal voor dit doel opgerichte Turkse vennootschap deze wordt bestuurd door Piram of één van haar aandeelhouders. De vennootschap heeft geen andere activiteiten. Voor de financiering wordt een leningovereenkomst afgesloten waarin in ieder geval de volgende voorwaarden zijn vastgesteld:

 De lening is winstdelend, dat wil zeggen dat de rente afhankelijk is van de door de vennootschap behaalde winst voor het specifieke project, (…)

 Ter zekerheid krijgen de financiers een koopoptie op de aangekochte grond met opstallen met als vaste koopsom de afgesproken kostprijs van de grond en de daarop gebouwde opstallen. De looptijd van deze optie en de hoogte van deze koopsom worden vooraf vastgelegd.

 De lening wordt terugbetaald evenredig met de betalingen van de uiteindelijke kopers van de vakantiewoningen en rekening houdend met de nog te maken kosten.

Financiers zijn zich er van bewust dat, wanneer de opbrengst lager is dan de kosten, de lening niet geheel kan worden terugbetaald. Financiers zien bij voorbaat af van verrekening c.q. compensatie met eventuele andere projecten die in de vennootschap zullen worden opgestart.

(…)

7. vertegenwoordiging en administratie

Voor het beheer en de administratie worden de volgend afspraken gemaakt:

 Voorzover sprake zal zijn van een administratie zal dit worden uitbesteed aan Gemachtigde.

Gemachtigde wordt gemachtigd om alle (rechts)handelingen te verrichten die nodig zijn voor het uitvoeren van deze overeenkomst.

Gemachtigde ontvangt voor de vertegenwoordiging en het beheer een vergoeding die ten laste komt van de vennootschap. Een bedrag van € 15.750 is in de begroting opgenomen. Gemachtigde kan met de vennootschap verder een afspraak maken over een resultaatafhankelijk beloning die niet ten laste komt van de winst als bedoeld in artikel 4.

 Voor de financiële transacties zal een aparte bankrekening worden geopend waarvoor Gemachtigde gemachtigd is.

 Aan de financiers zal maandelijks een overzicht worden gegeven van de financiële transacties en de voortgang van het project.

(…)”

2.10.

Op 17 maart 2005 heeft [gedaagde sub 4], handelend als directeur van PP Holding en als gevolmachtigde van de beleggers, de ‘Overeenkomst van geldlening’ met de Turkse vennootschap Troya Ltd. gesloten. Troya Ltd. werd daarbij vertegenwoordigd door [naam 2]. De beleggers worden in de overeenkomst aangeduid als ‘schuldeiser’ en Troya Ltd. als ‘schuldenares’. De overeenkomst houdt, voor zover relevant, het volgende in:

“(…)

In aanmerking nemende:

 Dat door de partijen die schuldeiser vormen een onderlinge raamovereenkomst is opgesteld waarin is vastgelegd onder welke voorwaarden kan worden overgegaan tot het verstrekken van de onderhavige lening.

 Dat schuldenares bekend is met de door de partijen die schuldeiser vormen gesloten raamovereenkomst.

 Dat schuldeiser een project tot het bouwen van 13 vakantiewoningen in Bodrum, Turkije commercieel bekend als Troya II, hierna genoemd “Project”, wil financieren.

 Dat voor de financiering van Project nadere afspraken zullen worden gemaakt over de voorwaarden waaronder de uitbetaling van de lening kan plaatsvinden en de zekerheden die voor het verstrekken van de lening zullen worden afgegeven.

 Dat partijen tevens een koopoptie wensen overeen te komen voor vakantiewoningen met de onderliggende percelen grond die na een te bepalen termijn nog niet zijn verkocht.

 Dat partijen de door hen gemaakte afspraken ter zake van bovengenoemde geldlening in het onderstaande schriftelijk wensen vast te leggen;

Zijn het navolgende overeengekomen:

(…)

1. Hoofdsom

Schuldeiser zal aan schuldenares met ingang van 13 december 2004 een geldlening verstrekken tot een bedrag in hoofdsom groot maximaal € 525.000 (…). Voormelde hoofdsom zal door schuldeiser aan schuldenares ter beschikking gesteld worden na ondertekening van de onderhavige overeenkomst door overmaking in meerdere termijnen. (…)

2. Rentevergoeding

(…)

Planparticipaties B.V. ontvangt als vergoeding voor haar werkzaamheden onder andere een resultaatafhankelijke vergoeding die gelijk is aan 50 % van de winst onder aftrek van het resultaat dat aan de schuldeiser ingevolge dit artikel wordt uitbetaald.

(…)

5. Koopoptie

Schuldeiser ontvangt hierbij van schuldenares een onherroepelijke recht van koop op de te bouwen vakantiewoningen met onderliggende percelen grond op het project. Deze koopoptie kan alleen worden uitgeoefend na verloop van een termijn van 24 maanden na het ondertekenen van deze leningovereenkomst of na het ontstaan van de situatie zoals genoemd onder 7 derde aandachtsstreepje. Verder kan de optie alleen worden uitgevoerd voorzover deze vakantiewoningen nog niet zijn verkocht aan derden. (…)

6. Zekerheden

Schuldenares is verplicht om, op eerste verzoek van schuldeiser, gedaan bij aangetekend schrijven, ten behoeve van schuldeiser aanvullende zekerheid te verschaffen door het verpanden van vorderingen die schuldenares heeft op derden zoals op de kopers van vakantiewoningen en eventueel door schuldenares te vorderen schadevergoedingen.

Schuldenares verklaart het door haar aangekochte stuk grond bekend als Troya II niet te zullen bezwaren met enig zekerheidsrecht ten behoeve van derden. Tevens verklaart schuldenares op eerste verzoek van schuldeiser een hypothecair zekerheidsrecht te zullen afgeven op de nog onverkochte delen grond van het project ten behoeve van de nog openstaande lening en maximaal tot het nog uitstaande bedrag van die lening. Schuldeiser zal bij verkoop van aan particulieren van een gedeelte van de grond onherroepelijk medewerking verlenen tot het doorhalen van de hypothecaire zekerheid, mits de koopsom van dat stuk grond voor tenminste 50% wordt gebruikt voor de aflossing van de lening.

7. Opeisbaarheid

(…)

 (…)

 (…)

 bij faillissement, ontbinding of liquidatie of staking dan wel beëindiging van het bedrijf van de schuldenares, wanneer deze surséance van betaling aanvraagt, alsmede wanneer haar goederen geheel of gedeeltelijk door derden mochten worden in beslag genomen.

(…)”

Troya III

2.11.

Onder meer [eiser sub 1], [eiser sub 5] en [eiser sub 3] hebben project Troya III gefinancierd. Daartoe hebben zij op 29 april 2005 de ‘Samenwerkingsovereenkomst project Troya fase III’ met Planparticipaties gesloten. De samenwerkingsovereenkomst heeft grotendeels dezelfde inhoud als de hiervoor onder 2.8 opgenomen raamovereenkomst. [eiser sub 1] heeft daarin een uit te lenen bedrag toegezegd van € 100.000,-, [eiser sub 5] van € 50.000,- en [eiser sub 3] van € 100.000,-.

2.12.

Vervolgens heeft [gedaagde sub 4] op 19 mei 2005, handelend voor zichzelf en als bestuurder van Planparticipaties, handelend als gevolmachtigde van de beleggers, de ‘Overeenkomst van geldlening’ met de Turkse vennootschap Troya real 2 Ltd gesloten. Troya real 2 Ltd werd daarbij vertegenwoordigd door [naam 2]. De Overeenkomst van geldlening heeft overwegend dezelfde inhoud als de hiervoor onder 2.10 opgenomen overeenkomst.

Aphrodite

2.13.

Onder meer [eiser sub 2] en [eiser sub 5] hebben project Aphrodite gefinancierd. Daartoe hebben zij allebei op of omstreeks 26 oktober 2005 de ‘Overeenkomst van geldlening’ met de Turkse vennootschap Aphrodite Ltd. Sti. gesloten. [eiser sub 2] heeft daarbij een bedrag van € 100.000,- aan Aphrodite Ltd. Sti. geleend en [eiser sub 5] een bedrag van € 50.000,-. Aphrodite Ltd. Sti. werd daarbij vertegenwoordigd door [naam 2]. [eiser sub 2] en [eiser sub 5] worden in de desbetreffende overeenkomsten aangeduid als ‘Geldgever’ en Aphrodite Ltd. Sti. als ‘Geldnemer’. Verder houden de overeenkomsten, voor zover relevant, het volgende in:

“(…)

IN AANMERKING NEMENDE DAT:

- Geldnemer in Turkije een project ontwikkelt tot (kort gezegd) de ontwikkeling (waaronder aanbouw) van circa 43 vakantiewoningen in [plaats], Turkije, (…) (hierna: “het Project”);

- Geldgever door het in leen geven van een som geld van minimaal € 50.000,- (…) aan Geldnemer (met bijkomende voorwaarden) wenst te participeren in de financiering van het Project;

- door Geldnemer ook met anderen dan Geldgever leningsovereenkomsten zullen worden afgesloten, zodanig dat in totaal een bedrag ad € 900.000 aan Geldnemer in leen zal worden verstrekt, zodat de Geldgevers tezamen het Project financieren;

(…)

- voor de financiering van het Project nadere afspraken dienen te worden gemaakt over de voorwaarden waaronder Geldgever bedragen in leen zal verstrekken, alsmede over de ter meerdere zekerheid van terugbetaling van het in leen te geven bedrag te verstrekken zekerheden;

- Geldgever voor de uitvoering van deze overeenkomst de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Nederlands recht “Planparticipaties B.V. (…) wenst in te schakelen die namens haar toeziet op de uitvoering van deze overeenkomst en indien nodig door Geldgever zal worden gemachtigd als na te melden in deze overeenkomst en (of) haar bijlagen.

- partijen tevens een koopoptie wensen overeen te komen voor de vakantiewoningen met de onderliggende percelen grond, die na een te bepalen termijn nog niet zijn verkocht;

- partijen de door hen gemaakte afspraken schriftelijk wensen vast te leggen;

VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:

(…)

Artikel 4. Koopoptie

1. Geldnemer verleent hierbij aan Geldgever een recht van koop op de te bouwen vakantiewoningen met onderliggende percelen grond op het Project.

Deze koopoptie kan alleen worden uitgeoefend onder de navolgende voorwaarden:

a. voorzover de (betreffende) vakantiewoning(en) op het moment van inroepen van de koopoptie nog niet is (zijn) verkocht aan derden, alsmede:

b. (…)

Artikel 5. Zekerheden

1. Geldnemer zal ter meerdere zekerheid van de nakoming van haar verplichtingen jegens Geldgever, Geldgever een pandrecht (naar Turks recht) verlenen op alle vorderingen die Geldnemer heeft op derden, waaronder - niet uitsluitend - op de kopers van vakantiewoningen en op eventueel door Geldnemer te vorderen schadevergoedingen. (…)

2. Geldnemer zal voorts ter meerdere zekerheid van de nakoming van haar verplichtingen jegens Geldgever, Geldgever een tweede recht van hypotheek (naar Turks recht) verlenen op het Project, c.q. op de grond (met opstallen) waarop het Project wordt gerealiseerd. (…)

4. Geldgever machtigt Planparticipaties tot het verrichten van alle rechtshandelingen die nodig zijn om namens en ten behoeve van Geldgever de in dit artikel bedoelde zekerheidsrechten te vestigen.

Artikel 6. Volmachten en overige bepalingen

1. Geldgever verstrekt hierbij aan Planparticipaties een volmacht tot vestiging en doorhaling van de zekerheidsrechten (…)”

De overeenkomsten zijn medeondertekend door Planparticipaties.

2.14.

Het Turkse Constitutionele Hof heeft bij beslissing van 14 maart 2005 de wijziging van de Turkse overheid van de ‘Land Registry Law’, waarmee de mogelijkheden tot het verkrijgen van onroerend goed in Turkije voor buitenlanders en buitenlandse entiteiten werden verruimd, verworpen. De beslissing is op 26 april 2005 in de ‘Official Gazette’ gepubliceerd en trad 3 maanden daarna, op 26 juli 2005, in werking.

2.15.

Op 7 januari 2006 is een nieuwe wetswijziging in de ‘Official Gazette’ aangekondigd, waardoor alsnog de mogelijkheden voor buitenlanders en buitenlandse entiteiten om onroerend goed in Turkije te verkrijgen werden verruimd. Voor de in het kader van de projecten Troya II, Troya III en Aphrodite ontwikkelde vakantiewoningen betekende dit dat voor de verkrijging daarvan door buitenlanders vergunningen van de militaire autoriteiten moesten worden verkregen.

2.16.

Om de beleggers op de hoogte te houden van de stand van zaken van de projecten heeft [gedaagde sub 4] per e-mail verschillende nieuwsbrieven verstuurd.

2.17.

Op 6 december 2006 heeft een vergadering van beleggers van Troya I, II en III plaatsgevonden, waarbij onder meer [gedaagde sub 4], [gedaagde sub 5], [naam 3] (bestuurder en aandeelhouder van Ericis, hierna: [naam 3]), [eiser sub 5], [eiser sub 3] en [eiser sub 1] aanwezig waren. Het naar aanleiding daarvan opgemaakte verslag is opgenomen in de Nieuwsbrief project Troya van 11 december 2006 en houdt, voor zover relevant, het volgende in:

“(…)

Financieel Alle aanwezigen zijn unaniem van mening dat de terugbetalingen voor Troya 2 en 3 ernstig te kort schieten. (…)

[gedaagde sub 4] geeft aan dat alle belemmeringen die er in de afgelopen periode zijn geweest m.b.t. het notarieel transport (afgifte tapo’s) zijn opgeheven en het geld dat in de afgelopen maand is gestort door de kopers ten onrechte geheel door Piram is opgenomen en gebruikt voor het opvoeren van de bouwstroom in de diverse objecten. Dit is voor alle aanwezigen onaanvaardbaar. Om de positie van de beleggers veilig te stellen wordt afgesproken dat [gedaagde sub 4] morgen de volgende punten zal bespreken/melden aan Piram:

 Namens de beleggers zal er hypotheek gevestigd worden op de nog niet verkochte kavels.

 Alleen Planparticipaties krijgt de betalingsbevoegdheid over de bankrekeningen van de objecten waar de termijnen van de kopers op worden gestort. De verdeling van de uitbetalingen aan de beleggers en Piram t.b.v. de bouwkosten zal in nader overleg worden vastgesteld.

 Indien PP niet de exclusieve betalingsbevoegdheid krijgt van Piram over de bankrekeningen zal er cessie worden uitgevoerd op de bestaande koop/aannemingsovereenkomsten met de kopers van de woningen.

Vervolg afspraken PP zal met [naam 3], [eiser sub 1] en [naam 4], hierna: [naam 4]) (als vertegenwoordigers van de totale groep beleggers) de voortgang bespreken en indien nodig zullen zij samen met PP optrekken met/tegen Piram en de benodigde (juridische) stappen ondernemen om de positie van de beleggers te waarborgen.

(…)”

2.18.

In aansluiting op de vergadering van beleggers heeft [gedaagde sub 4] bij

e-mailbericht van 7 december 2006, voor zover relevant, het volgende aan de bij die vergadering aangewezen vertegenwoordigers van de totale groep beleggers (hierna: de vertegenwoordigers van de beleggers), te weten [naam 3], [eiser sub 1] en [naam 4], geschreven:

“(…)

Zojuist de bespreking met de heer [naam 2] gehad. Hij heeft zijn volledige medewerking gegeven. Het gesprek was open en duidelijk. De volgende afspraken zijn gemaakt:

1. Hypotheek op de nog niet verkochte panden is akkoord. Vraag:

a. Voor welk bedrag (i.v.m. kosten);

b. Op wiens naam moet de hypotheek worden ingeschreven (mijn voorstel is [gedaagde sub 5]);

c. Hoe regelen we de intrekking van de hypotheek bij verkoop aan een derde;

2. Alle ontvangsten vanaf heden voor een deel naar de beleggers;

a. Alle betalingen vanaf de bankrekening van Troya Ltd. worden gedaan door ondergetekende;

b. Bankpas voor de betalingen is bij mij ingeleverd;

c. Mijn bankpas voor het zicht op de rekening is aan hem overhandigd;

d. Percentage wordt op korte termijn vastgesteld, rekening houdend met de bouwkosten en de totaal terug te betalen lening aan de beleggers.

e. Vanaf heden in ieder geval 25% standaard naar beleggers;

f. Binnen twee weken een vaste staffel, rekening houdend met de nog komende bouwkosten, de heer [naam 2] maakt daarvoor een berekening;

3. Op naam van Planparticipaties BV hebben we per heden een aparte bankrekening geopend waar naartoe direct de ontvangen bedragen worden afgeroomd. Vanaf deze bankrekening worden de beleggers dan terugbetaald;

(…)”

2.19.

In reactie daarop heeft [naam 4] bij e-mail van 10 december 2006, voor zover relevant, het volgende aan [gedaagde sub 4] geschreven:

“(…)

Bedankt [gedaagde sub 4],

Is de dreiging en toegezegde medewerking van [naam 2] voldoende of moeten we tot hypotheek stelling overgaan (indien ja ben ik akkoord met [gedaagde sub 5])? Dit levert een hoop administratieve rompslomp en kosten terwijl het wellicht niet nodig is. Heeft [naam 2] nog duidelijk gemaakt waar al het geld gebleven is?

(…)”

2.20.

Bij e-mail van 12 december 2006 heeft [gedaagde sub 4], voor zover relevant, het volgende aan de vertegenwoordigers van de beleggers geschreven:

“(…)

Ik denk dat we de hypotheekstelling moeten doen. Dat heeft de vergadering in principe besloten. We kunnen het wel tegen lagere kosten doen door een lage inschrijving te kiezen. Het werkt dan in ieder geval als een melding wanneer een koper zich aan dient.

Kort samengevat waren de verliezen, en dus het geld als volgt:

 Te lage calculatie bouw woningen Troya I (16 huizen tegen € 20.000 per huis)

 Koersverschillen tussen Lira en Euro tijdens afgelopen half jaar (naar schatting € 300.000)

(…)”

2.21.

Bij e-mail van 22 februari 2007 heeft [gedaagde sub 4], voor zover relevant, het volgende aan de beleggers (in de projecten Troya II en III) geschreven:

“(…)

Zoals afgesproken is [gedaagde sub 5] kortgeleden naar Turkije geweest om voor de onverkochte huizen een hypotheek te vestigen namens de beleggers. Dit als zekerheid zodat, als de huizen verkocht worden, dat niet zonder onze medewerking (en betaling) kan gebeuren. Tegelijk heeft hij ook de bouwwerkzaamheden geïnspecteerd zoals dat heet. (…) Inmiddels is begonnen met de bouw van huizen op Troya II en III en worden funderingen gestort.

(…)

Het verhaal van de Tapu’s blijft stroperig. De wettelijke belemmeringen zijn allen opgelost. Het kadaster in Bodrum blijft alleen nog steeds zitten met grote achterstanden. De overheid heeft verordonneerd dat per 1 februari 2007 de wachttijden over zouden moeten zijn. Dat is op zich goed nieuws alleen dient men zich daar aan te houden.

De inkomensstroom zou, met de bouw nu aan de gang binnenkort moeten gaan beginnen. We wachten in spanning af.

(…)”

2.22.

Achteraf is gebleken dat de door [gedaagde sub 5] gevestigde hypotheek voor een bedrag van ongeveer € 52.000,- na 6 maanden door de hypotheekgever kon worden geroyeerd, wat ook is gebeurd.

2.23.

Bij e-mail van 9 mei 2007 heeft [gedaagde sub 4], voor zover relevant, het volgende aan de beleggers in de projecten Troya II en III geschreven:

“(…)

Zoals aangekondigd hebben wij op basis van de administratie die wij kunnen inzien en schattingen die de heer [naam 2] heeft gemaakt voor de afbouw, een overzicht gemaakt.

Uit dit overzicht kunt u aflezen dat de cashflow van de projecten ruim voldoende is om de afbouw van de woningen, de aflossingen en een winstuitkering mogelijk te maken. Daarbij mag rekening worden gehouden dat de cashflow op andere projecten in verhouding hoger is. Deze berekening is nog geen berekening van het resultaat uit het project maar geeft alleen aan of de Piram aan zijn verplichtingen kan voldoen.

Daarnaast hebben we ten behoeve van de beleggers een opzet gemaakt van de vermogenspositie van de Piramgroep. Dit om na te gaan of de groep zelf voldoende solvabel is om het werk af te maken. Ook hier komen geen verontrustende zaken uit. Het vermogen is ruim voldoende om de voortgang van de onderneming mogelijk te maken.

(…)”

2.24.

Bij e-mailbericht van diezelfde datum heeft [gedaagde sub 4], voor zover relevant, het volgende aan de beleggers in het project Aphrodite geschreven:

“(…)

Zoals aangekondigd hebben wij op basis van de administratie die wij kunnen inzien en schattingen die de heer [naam 2] heeft gemaakt voor de afbouw, een overzicht gemaakt.

Uit dit overzicht kunt u aflezen dat de cashflow van de projecten ruim voldoende is om de afbouw van de woningen, de aflossingen en een winstuitkering mogelijk te maken. Daarbij moet rekening worden gehouden dat de Cashflow op andere projecten in verhouding lager is. In het verleden heeft er enige vorm van kruisfinanciering plaatsgevonden

Deze berekening is nog geen berekening van het resultaat uit het project maar geeft alleen aan of de Piram aan zijn verplichtingen kan voldoen.

Daarnaast hebben ten behoeve van de beleggers een opzet gemaakt van de vermogenspositie van de Piramgroep. Dit om na te gaan of de groep zelf voldoende solvabel is om het werk af te maken. Ook hier komen geen verontrustende zaken uit. Het vermogen is ruim voldoende om de voortgang van de onderneming mogelijk te maken.

(…)”

2.25.

Een door [gedaagde sub 4] geplande vergadering van de beleggers met [naam 2] op 22 november 2007 is niet doorgegaan, omdat daarvoor te weinig aanmeldingen waren.

2.26.

Vervolgens heeft [gedaagde sub 4] een nieuwe vergadering gepland voor

21 december 2007. Naar aanleiding van die vergadering heeft [gedaagde sub 4], voor zover relevant, het volgende e-mailbericht naar de beleggers gestuurd:

“(…)

Het was een korte bespreking vanmiddag, er was maar één persoon aanwezig. Er zijn dus geen afspraken gemaakt of onderwerpen besproken.

Mijn volgende stap zal zijn om de heer [naam 2] te vragen de beleggers een voorstel te doen en dat ook met ons te bespreken. Het liefst begin januari.

(…)”

2.27.

Vervolgens heeft [gedaagde sub 4] bij e-mailbericht van 13 februari 2008, voor zover relevant, het volgende aan de beleggers in de projecten Troya II en III geschreven:

“(…)

Vanmorgen heb ik aan [naam 2] na diverse besprekingen het volgende voorstel gedaan:

Er zijn op Troya II en III nog een drietal woningen te koop. Troya Ltd draagt deze over aan beleggers tegen de huidige verkoopwaarde. Dit onder verrekening van de openstaande schuld van de beleggers. Piram zal deze woningen dan afbouwen.

Het gaat hierbij om de percelen 39 en 40 beide op Troya II en perceel 28 op Troya III. De prijzen van deze woningen zijn respectievelijk € 225.000, € 225.000 en € 280.000. Perceel 28 heeft drie verdiepingen en is daarom duurder. De prijzen zijn voor de woningen in de standaarduitvoering en met een standaard zwembad.

Door alle moeilijkheden van de afgelopen jaren is het bijna onmogelijk om een resultaat te bepalen op de projecten.

Piram heeft er in ieder geval zwaar verlies op geleden.

Door de heer [naam 2] is in de afgelopen jaren, voor het laatst nog in de afgelopen maanden privégeld gestopt in het Turkije verhaal.

Ik wil ondanks de verliezen wel een compensatie vragen voor gederfde rente-inkomsten maar dan in de vorm van een korting op eventueel meerwerk. Daarbij denk ik aan het aanbrengen van airco, het aanleggen van de tuin e.d.

De heer [naam 2] zal wat mij betreft binnen een week moeten reageren op dit voorstel.

Graag hoor ik schriftelijk of per mail van jullie wie dit voorstel ondersteunt en hier ook zelf op in wil gaan. De praktische uitwerking is dan een volgend verhaal (ik denk zelf aan een C.V. constructie).

Met mijzelf heb ik afgesproken om het eerste recht van de koop te gunnen aan de andere beleggers. Dat betekent dat ik zelf een week zal afwachten wie er mee doet met dit voorstel. Daarna voel ik mij vrij om zelf ook ja te zeggen en mee te doen.

(…)”

2.28.

Op diezelfde datum heeft [gedaagde sub 4] een soortgelijk e-mailbericht naar de beleggers in het project Aphrodite gestuurd. Daar ging het om perceel 38, waarvan de prijs in ieder geval boven de € 200.000,- zou liggen.

2.29.

[eiser sub 1], [eiser sub 2], [naam 3] en [eiser sub 5] hebben via mailberichten aangegeven in te stemmen met het voorstel van [gedaagde sub 4].

2.30.

Op 25 februari 2008 zijn de commanditaire vennootschappen Troya Beleggers C.V. en Aphrodite Belegger C.V. opgericht. Beide vennootschappen worden beheerd door [gedaagde sub 4]

2.31.

Bij e-mailbericht van 26 februari 2008 heeft [gedaagde sub 4], voor zover relevant, het volgende aan [naam 2] geschreven:

“(…)

Naar aanleiding van ons telefoongesprek van daarnet nogmaals de formele melding dat de beleggers van Troya II en III en van Aphrodite hun voorkeursrecht op de verkoop van de overblijvende woningen inroepen (artikel 5 leningovereenkomst). Het gaat hier om de woningen 28, 39 en 40 op Troya en woning 38 op project Aphrodite. Uiteraard met inachtneming van mijn beide mails van 13 februari.

(…)”

2.32.

Bij overeenkomst van 4 maart 2008 heeft Ericis, vertegenwoordigd door haar vertegenwoordiger [naam 3], haar rechten en verplichtingen die voortvloeien of voort kunnen vloeien uit de afgesloten samenwerkingsovereenkomst met betrekking tot Troya fase II overgedragen aan - naar de rechtbank begrijpt - Troya Beleggers C.V.

2.33.

Bij overeenkomsten van 3 en 4 maart 2008 hebben ook [eiser sub 5] en [eiser sub 1] hun rechten en verplichtingen die voortvloeien of kunnen voortvloeien uit de afgesloten samenwerkingsovereenkomst met betrekking tot Troya fase III overgedragen aan - naar de rechtbank begrijpt - Troya Beleggers C.V.

2.34.

Bij overeenkomsten van 3, althans 4 maart 2008 hebben [eiser sub 5] en [eiser sub 2] alle rechten en verplichtingen die voortvloeien of kunnen voortvloeien uit de afgesloten leningovereenkomst met betrekking tot Aphrodite overgedragen aan - naar de rechtbank begrijpt - Aphrodite Belegger C.V.

2.35.

Vervolgens heeft Troya Beleggers C.V. op 4 maart 2008 kavels 28, 39 en 40 van Troya real Ltd. gekocht. Op diezelfde dag heeft Aphrodite Belegger C.V. kavel 38 van Aphrodite Ltd. gekocht.

2.36.

Bij e-mailbericht van 1 april 2008 heeft [gedaagde sub 4], voor zover relevant, het volgende aan [eiser sub 3] geschreven:

“(…)

Zoals we vanmorgen besproken hebben bevestig ik hierbij dat ik niets meer kan doen voor de beleggers in Troya III. Door de ontstane situatie ontvang ik geen informatie meer van de heer [naam 2] c.q. Piram Ltd c.q. Troya real Ltd. Voor mij betekent dit dat ik ook moet vrezen voor mijn eigen inleg van € 50.000.

Ik kan dan ook niet anders dan de samenwerking beëindigen.

(…)”

2.37.

Bij e-mailbericht van 7 april 2008 heeft [gedaagde sub 4] een e-mailbericht van [naam 2], met daarbij gevoegd een e-mailbericht van [naam 5] (hierna: [naam 5]), aan de kopers van de vakantiewoningen naar de beleggers doorgestuurd. Als toelichting daarbij heeft hij, voor zover relevant, het volgende geschreven:

“(…)

Deze e-mail ontving ik net. De inhoud hiervan spreekt voor zich. Voor ons is van belang dat ook wij nog geen tapu op onze naam hebben en de heer [naam 5] op dit moment blijkbaar niet mee wil werken aan de overdracht. Op dit moment kunnen wij volgens mij niets doen. Het is wachten op de stuurgroep van de kopers.

(…)”

2.37.1.

Het doorgestuurde e-mailbericht van [naam 2] houdt, voor zover relevant, het volgende in:

“(…)

Vanaf 23 februari 2008 heb ik jullie ingelicht dat er problemen zijn ontstaan in ons bedrijf. Ik heb een aantal van jullie uitgenodigd om een soort stuurgroep te vormen. In de besprekingen met deze groep hoopten we dat we binnen 2 weken verder konden met de bouw. Op 4 en 5 maart is er een presentatie geweest aan jullie allen, waarbij jullie massaal de goedkeuring hebben gegeven aan het door ons gezamenlijk uitgedachte reddingsplan. Alsnog wil ik jullie hiervoor bedanken.

(…) We hebben (…) duidelijk aangegeven in de vergaderingen van 4 en 5 maart en bij de bespreking bij de advocaat op 7 maart dat onze kas bijna op nul stond en dat we hooguit nog 2 weken verder konden. Op een gegeven moment is de financiële nood zo hoog geworden dat Turkije niet meer kan functioneren en de bouw is gestopt. Op donderdag 20 maart 2008 heb ik nog eens duidelijk aangegeven dat als er geen geld kwam ons bedrijf de volgende week failliet zou gaan en dat het mijns inziens tijd werd om de mensen in te lichten over deze situatie. (…)

We zijn op dit moment in een kip-/eisituatie beland. Twee weken geleden heeft de Turkse directeur alle medewerking opgezegd aan de overdracht van alle gronden omdat hij van mening is dat er eerst geld moet komen uit Nederland, zoals afgesproken op de vergaderingen van 4 en 5 maart. Zoals u weet, was hij hierbij ook aanwezig. Tevens gaf hij aan zijn eigen plan te trekken en zo nodig in het belang van het bedrijf actie te ondernemen op alle mogelijke manieren. Als mededirecteur heb ik dit hem direct met klem ontraden en ik heb hem zelfs schriftelijk gesommeerd om zijn taak gewoon te vervullen en mee te werken aan alle handelingen die nodig zijn om de gronden over te dragen op naam van de kopers. Ook heb ik hem geschreven om alles te doen in het belang van u als kopers en van de voortzetting van de verkopende vennootschappen. Dit laatste is immers ook in het belang van u als kopers. Op aanraden van onze gezamenlijke advocaat, [naam 6], is toen besloten om even niet meer verder te werken aan de samenwerkingsovereenkomst maar eerst te zorgen dat de Turkse directeur weer met ons ging samenwerken en alle kopers die nog geen tapu op hun naam hadden de kans te geven om hypotheken te vestigen op hun gronden. De angst bestond dat de Turkse directeur misschien wel hypotheken ging vestigen op deze gronden. Dit had hij ook gezegd tegen mij en de advocaat.

Na controle deze week in Turkije door onze advocaat blijkt dat er geen hypotheken zijn ingeschreven door de directeur en hebben de meeste kopers nu een hypotheek op hun grond gevestigd (nogmaals: alléén belangrijk voor de kopers die nog geen eigendomsbewijs op naam hadden).

De Turkse directeur heeft op dinsdag 1 april weer contact met mij opgenomen met het verzoek om voor gelden te zorgen. Ik heb hem aangeraden om dit op papier te zetten zodat wij met ons allen kunnen zien dat er weer medewerking is. Deze brief is gisteren bij ons binnengekomen en deze zal ik meesturen.

(…) De hoofdzaak van onze problemen ligt in Turkije.

De problemen in Turkije dwingen ons wel tot spoedige acties. Dit vooral ook omdat het daar erger wordt. We zitten met zijn allen dus onder enorme tijdsdruk, die voor een goede afloop snelle handelen vereist. Aan de ene kant willen we u allen zekerheid geven, aan de andere kant moeten betalingen worden verricht zodat degenen die betaald moeten worden de situatie niet verergeren. Eigenlijk zitten we ingesloten tussen twee vuren. Ik vind dus dat jullie dit moeten weten, misschien zijn er kopers met goede ideeën. Ik sta voor suggesties open.

De advocaat heeft aan mij het volgende voorstel gedaan, dat mogelijk een oplossingsrichting kan zijn. Zij stelt voor dat nog steeds kan worden vastgehouden aan de op 4-5 maart 2008 besproken reddingsoperatie. Dat de daarin door u als kopers getoonde bereidheid om gelden beschikbaar te stellen kunnen worden overgemaakt op rekening van de stichting die door de Raad is opgericht en door de Raad wordt beheerd of op cliëntenrekeningnummer van het advocatenkantoor. De overmaking van de gelden betekent niet dat ze al uitgegeven kunnen worden, daar zal de Raad op toezien. Wel kan de Raad of ik - al dan niet bijgestaan door de advocaat - met andere schuldeisers tot een schikking komen, zodat de bouw weer kan worden voortgezet.

(…)

Als deze situatie niet binnen een paar dagen rond kan worden gemaakt, ben ik bang dat het dan fout gaat en niet meer te stoppen is. Daarom ben ik in de overtuiging dat jullie dit moeten weten, vandaar deze brief.

(…)”

2.37.2.

Het bijgevoegde e-mailbericht van [naam 5] houdt, voor zover relevant, het volgende in:

“(…)

Since 2002 I have been in control of Piram in Turkey. (…) Now we came across things beyond our control like the exchange rate, Turkish political problems. The fact, that we had a very rainy winter. Also the problem, there can be no building work done in summer. It was obvious to me and my working partner [naam 2] that we were going to be 5-6 months behind schedule. And that we should share this information with our customers. On the 4th and 5th March we held two meetings to express how serious this problem was. I was very hopeful of the outcome of these meetings because the majority of the customers wanted to help Piram. It was a pity that [gedaagde sub 4] who is responsible for the accounts and plays a major part in transferring monies form Holland to Turkey was not present at these very important meetings. (…)

Now we are one month on and I feel that maybe you didn’t grasp really how serious our situation is. I feel a need to write to you all again so you can understand that action is needed now, today. Piram urgently needs monies to pay creditors

(…)”

2.38.

Ondanks verschillende pogingen daartoe door [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] zijn kavels 28, 39 en 40 nimmer door Troya real Ltd. aan Troya Beleggers C.V. geleverd. Ook kavel 38 is nooit door Aphrodite Ltd. aan Aphrodite Belegger C.V. geleverd. [gedaagde sub 4] heeft de beleggers bij mailberichten van 11 april 2008, 21 april 2008, 24 april 2008 en 27 mei 2008 op de hoogte gehouden van de stand van zaken.

2.39.

Bij brief van 26 juni 2008 heeft [gedaagde sub 4], voor zover relevant, het volgende aan (een deel van) de beleggers geschreven:

“(…)

Ik heb de behoefte om een aantal van jullie als beleggers in Turkije een persoonlijke brief te sturen.

Met elkaar zijn we een avontuur gestart in Turkije met de bedoeling om daar geld mee te verdienen. Zoals het er nu uit ziet zal het zeker geen geld verdienen worden en moeten we maar afwachten of het ingelegde geld er nog gaat uitkomen.

De laatste tijd was het nogal hectisch en is er veel gebeurd. Ik merk dat ik mijzelf de gebeurtenissen persoonlijk aantrek. Op zich is dat niet erg. Het heeft ook te maken met het gevoel van verantwoordelijkheid dat ik tegenover jullie als medebeleggers voel.

In de afgelopen tijd heb ik veel nagedacht over de vraag of de juiste stappen op het juiste moment zijn gezet. Dat zal altijd een vraag blijven. De zaken die ik heb gedaan heb ik in ieder geval naar beste weten en kunnen en zoveel mogelijk in overleg gedaan. Ongetwijfeld hadden we, achteraf bezien, andere beslissingen moeten nemen. De belangrijkste daarvan is wel geweest dat we en ik in het bijzonder, vertrouwen hadden in de heer [naam 2] en de gegevens die hij aanleverde.

De echte bedoeling van deze brief is om mijn persoonlijke excuses aan te bieden voor de gang van zaken. Het zal ons niet helpen om ons geld terug te krijgen maar toch, het is het minste dat ik kan doen.

(…)”

2.40.

Bij brief van 19 augustus 2008 heeft de voormalig advocaat van [eiser sub 3], voor zover relevant, het volgende aan [gedaagde sub 4] geschreven:

“(…)

Mijn cliënt, [eiser sub 3], heeft nog steeds een vordering op Troya Real III Ltd. zoals nader omschreven in de door u opgestelde Overeenkomst van Geldlening d.d. 19 mei 2005.

Inmiddels is wel een bedrag van € 25.000,- door de heer [naam 2] aan cliënt voldaan.

Cliënt verzoek mij thans onderhavige kwestie wederom ter hand te nemen.

In de overeenkomst van Geldlening treedt op, zoals aldaar vermeld: “te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door [naam 2], wonende te [adres]”.

De heer [naam 2] vertegenwoordigt “Troya real 2 Ltd.” Ik neem aan dat hier Troya Real III Ltd. mee wordt bedoeld.

  • -

    De eerste vraag die dit bij mij oproept is: Of toen zijn bevoegdheid als directeur is vastgesteld?

  • -

    Was er ook instemming voor de Overeenkomst van Geldlening van de andere aandeelhouder in Troya Real III Ltd.?

  • -

    Kan zij, op basis van de statuten, ook Geldleningen aangaan?

  • -

    Een andere vraag die mij bezighoudt is: Hoe de controle door u is uitgevoerd? Uit de stukken die cliënt mij ter hand stelde blijkt, dat u op dit punt heeft gerapporteerd.

Kunt u één en ander nader toelichten aan de hand van documentatie.

(…)”

2.41.

Troya Beleggers C.V. en Aphrodite Belegger C.V. zijn met ingang van 1 oktober 2011 opgeheven.

2.42.

Op 6 oktober 2011 heeft een bespreking plaatsgevonden, waarbij onder meer [eiser sub 5], [eiser sub 1] en [gedaagde sub 5] aanwezig waren. Het naar aanleiding daarvan opgemaakte verslag houdt, voor zover relevant, het volgende in:

“(…)

Piram Ltd in Turkije is failliet.

(…)

De hypotheek op de gronden in Turkije is na zes maanden geroyeerd. Dit lag in de akte besloten. De tolk zegt dit gemeld te hebben, de heer [gedaagde sub 5] ontkent dit.

De gronden zijn eigendom geworden van de Turkse Troya Ltd.

De heer [gedaagde sub 5] erkent dat er zaken bij / door Planparticipaties niet goed zijn gegaan.

De heer [gedaagde sub 5] erkent, dat hij tekort geschoten is in de communicatie naar de participanten.

(…)

De waarde van de grond van [naam 2] in [adres] is aanzienlijk in waarde gedaald door het afblazen van de Rijn-Gouwelijn en het aanvankelijk aldaar geprojecteerde tussenstation.

Toen [naam 2] werd aangesproken op zijn bezittingen dreigde hij met faillissement.

(…)

De heer [gedaagde sub 5] zorgt ervoor, dat de vordering op [naam 2] wordt gestuit, zo dit al niet reeds gebeurd is, opdat de vordering niet kan verjaren.

De heer [eiser sub 5] informeert of de heer [gedaagde sub 4] resp. Planparticipaties verzekerd is. Deze vraagt blijft onbeantwoord.

Voorgesteld wordt om na ontvangst van bovenvermelde stukken over circa twee maanden een bijeenkomst te beleggen, waarbij zo veel mogelijk participanten aanwezig zullen zijn, om een gezamenlijk standpunt te bepalen.

(…)”

2.43.

De kopers van de vakantiewoningen hebben gezamenlijk succesvol tegen Piram geprocedeerd om de levering van de vakantiewoningen. De daartoe opgerichte vereniging, genaamd Mooi Vooruitzicht, heeft de eigendom van de vakantiewoningen verkregen en heeft de woningen afgebouwd.

2.44.

Bij brief van 6 december 2011 heeft de advocaat van (toen nog alleen) [eiser sub 5], voor zover relevant, het volgende aan de directie van Planparticipaties geschreven:

“(…)

Cliënt heeft naar aanleiding van gesprekken die hij met uw vennootschappen en de bij haar (direct en indirect) betrokken bestuursleden heeft gehad, in 2005 een bedrag van in totaal € 97.500,- geleend ten behoeve van een tweetal projecten in Turkije, genaamd Aphrodite en Troya. Daartoe zijn geldleningovereenkomsten met de betreffende Turkse vennootschappen gesloten en een samenwerkingsovereenkomst met uw vennootschap. Uit deze overeenkomsten blijkt dat Planparticipaties B.V. verantwoordelijk is voor het toezicht op de besteding van de geldleningen en de uitvoering van de daaraan gekoppelde werkzaamheden. Daaronder dienen te worden verstaan het afsluiten van koopopties, garanties en zekerheden met betrekking tot het geleende geld alsmede het vestigen van pandrecht ten behoeve van de financiers.

Cliënt heeft inmiddels moeten vaststellen dat het toezicht tekort heeft geschoten en garanties en zekerheden niet tot stand is gekomen. De vrees bestaat thans, zulks heeft u ter gelegenheid van de bijeenkomst van 6 oktober jl. aan cliënt en andere financiers duidelijk gemaakt, dat de gedane investeringen als waardeloos dienen te worden aangemerkt, althans dat de geleende gelden niet meer terugbetaald zullen worden.

(…)

Hiermee wijs ik u erop te wijzen dat cliënt meent dat er sprake is van onrechtmatig handelen door u, althans dat u toerekenbaar bent tekortgeschoten in de advisering van cliënt als ook in de uitoefening van uw toezichthoudende taken op basis van de onderliggende geldleningovereenkomsten en de samenwerkingsovereenkomst. Cliënt houdt u nadrukkelijk aansprakelijk voor de schade die hij als gevolg daarvan heeft geleden en nog zal lijden.

Graag verneem ik namens of u deze aansprakelijkheidstelling accepteert. Wijst u deze af dan verneem ik graag waarom.

Deze brief dient te worden aangemerkt als stuiting van de verjaring in de zin van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. (…)”

2.45.

In reactie daarop heeft [gedaagde sub 4] bij brief van 30 december 2011 aan de advocaat van [eiser sub 5] de aansprakelijkstelling van Planparticipaties (gemotiveerd) afgewezen. Verder wordt daarbij het samenwerkingsverband met [eiser sub 5], voor zover daarvan nog sprake is of zou kunnen zijn, beëindigd.

2.46.

Bij brief van diezelfde datum aan de advocaat van [eiser sub 5] heeft [gedaagde sub 4] ook de aansprakelijkstelling van hemzelf in privé afgewezen.

2.47.

Bij brieven van 4 juli 2013 heeft de advocaat van eisers gedaagden - kort gezegd - aansprakelijk gesteld voor de door eisers geleden schade met betrekking tot hun investeringen in de projecten Troya II, Troya III en Aphrodite. Gedaagden worden gesommeerd om de door eisers geïnvesteerde bedragen binnen 7 dagen te retourneren.

Beslagen

2.48.

Eisers hebben op 23 juli 2013 ten laste van [gedaagde sub 4] conservatoir beslag laten leggen op (de onverdeelde helft van) 6 registergoederen.

2.49.

Eveneens op 23 juli 2013 hebben eisers ten laste van [gedaagde sub 4] onder ABN Amro Bank N.V. en ING Bank N.V. conservatoir derdenbeslag laten leggen.

3 De vordering

3.1.

Eisers vorderen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Planparticipaties, [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] hoofdelijk te veroordelen aan [eiser sub 1] te betalen een bedrag van € 95.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2013 tot aan de dag van algehele voldoening;

II. Planparticipaties, [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] hoofdelijk te veroordelen aan [eiser sub 2] te betalen een bedrag van € 100.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2013 tot aan de dag van algehele voldoening;

III. Planparticipaties, [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] hoofdelijk te veroordelen aan [eiser sub 3] te betalen een bedrag van € 100.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2013 tot aan de dag van algehele voldoening;

IV. PP Holding, [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] hoofdelijk te veroordelen aan Ericis te betalen een bedrag van € 75.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2013 tot aan de dag van algehele voldoening;

V. Planparticipaties, [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] hoofdelijk te veroordelen aan [eiser sub 5] te betalen een bedrag van € 97.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2013 tot aan de dag van algehele voldoening;

VI. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, beslagkosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis;

VII. gedaagden hoofdelijk te veroordelen aan eisers te betalen de nakosten van deze procedure, met bepaling dat indien deze nakosten niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn betaald, gedaagden daarover de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW verschuldigd zijn vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat Planparticipaties en PP Holding jegens hen onrechtmatig hebben gehandeld door de in acht te nemen zorgvuldigheidsnormen te schenden. Volgens eisers hebben Planparticipaties en PP Holding willens en wetens zonder gedegen kennis van de situatie ter plekke een (beleggings)product ontwikkeld dat grote risico’s met zich bracht voor de deelnemers. Daarnaast zijn Planparticipaties en PP Holding toerekenbaar tekortgeschoten in hun verplichtingen jegens eisers door het beheer en de administratie slecht uit te voeren. Planparticipaties en PP Holding zijn daarom aansprakelijk voor de door eisers geleden schade.

3.3.

Volgens eisers zijn de statutaire bestuurders van Planparticipaties en PP Holding ook persoonlijk aansprakelijk voor de door eisers geleden schade. [gedaagde sub 4], [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 3] wordt het verwijt gemaakt dat zij één en ander te lichtvaardig hebben opgenomen. [gedaagde sub 4] valt een additioneel persoonlijk en ernstig verwijt te maken, omdat hij vanuit zijn netwerk als accountant partijen heeft benaderd om de projecten in Turkije te financieren. Op hem rust daarom een extra verantwoordelijkheid.

3.4.

Verder stellen eisers zich op het standpunt dat [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5], nu zij dermate onzorgvuldig te werk zijn gegaan, niet alleen in hun hoedanigheid van bestuurders van Planparticipaties en PP Holding maar ook in privé aansprakelijk zijn voor de door eisers geleden schade.

3.5.

Als schade worden de door eisers ingelegde gelden gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente.

4 Het verweer

4.1.

Gedaagden voeren gezamenlijk verweer. In de eerste plaats voeren zij aan dat eisers niet gerechtigd zijn om onderhavige vorderingen in te stellen, omdat zij hun rechten en verplichtingen uit hoofde van respectievelijk de raamovereenkomst, de samenwerkingsovereenkomst en de overeenkomsten van geldlening hebben overgedragen aan Troya Beleggers C.V. of Aphrodite Belegger C.V. Dit betekent dat eisers niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen. Vervolgens stellen gedaagden zich op het standpunt dat de vorderingen van [eiser sub 3] en Ericis zijn verjaard, zodat zij ook daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen.

4.2.

Naast voormelde (formele) verweren voeren gedaagden - kort weergegeven - het volgende inhoudelijke verweer. Betwist wordt dat sprake was van de ontwikkeling van een beleggingsproduct door Planparticipaties. Het ging om een samenwerking tussen gelijkwaardige partijen die gezamenlijk in de ontwikkeling van vastgoed in Turkije wilden investeren. Ook in het geval aangenomen zou kunnen worden dat Planparticipaties het beleggingsproduct heeft ontwikkeld, heeft zij de vereiste zorgvuldigheid ten opzichte van eisers in acht genomen. Het is een feit van algemene bekendheid dat aan het uitlenen van geld risico’s kleven. Planparticipaties heeft de deelnemers daar specifiek op gewezen in de hiervoor onder 2.7 opgenomen brochure. Een vergelijkbare bepaling is opgenomen in artikel 4 van de raamovereenkomst en de samenwerkingsovereenkomst. Daar komt bij dat (de meerderheid van) de deelnemers bekend was/waren met investeringen in vastgoed en de (mogelijke) risico’s.

4.3.

Verder wordt betwist dat sprake was van een totaalproduct, waarbij de deelnemers aan het project alleen overeenkomsten hoefden te ondertekenen en gelden hoefden te fourneren. De zorg voor de inbreng van de participanten zou niet geheel en al bij Planparticipaties komen te liggen. Het was nooit de bedoeling van partijen dat Planparticipaties en/of PP Holding zonder het medeweten en de instemming van de andere financiers beslissingen zouden nemen en/of gebruik zouden maken van de verkregen machtigingen. De machtigingen werden enkel en alleen vooraf afgegeven ter voorkoming van onnodige vertragingen. Ter onderbouwing hiervan wordt onder meer verwezen naar de feitelijke gang van zaken. Vervolgens hebben gedaagden gemotiveerd verweer gevoerd tegen de door eisers gemaakte specifieke verwijten.

4.4.

Voorts hebben gedaagden verweer gevoerd ter zake van de schade, het causaal verband en de toerekenbaarheid. Ook wordt een beroep gedaan op eigen schuld in de zin van artikel 6:101 lid 1 BW en wordt de rechtbank verzocht gebruik te maken van de matigingsbevoegdheid van artikel 6:109 lid 1 BW om een eventueel op te leggen betalingsverplichting naar beneden bij te stellen.

5 De beoordeling

in de hoofdzaak

5.1.

Vaststaat dat eisers leningen hebben verstrekt aan respectievelijk Troya Ltd., Troya real 2 Ltd. en Aphrodite Ltd. Sti. voor de ontwikkeling van de projecten Troya II, Troya III en Aphrodite in Turkije. Niet in geschil is dat Troya Ltd., Troya real 2 Ltd. en Aphrodite Ltd. Sti. niet in staat zijn om de desbetreffende leningen terug te betalen. Ter beoordeling ligt voor of gedaagden aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de schade die eisers daardoor hebben geleden.

5.2.

Eisers betogen dat Planparticipaties en PP Holding jegens hen uit onrechtmatige daad aansprakelijk zijn, omdat zij willens en wetens zonder gedegen kennis van de situatie ter plekke (in Turkije) een (beleggings)product hebben ontwikkeld dat grote risico’s met zich bracht voor de deelnemers. Dit betoog gaat niet op. Daartoe wordt als volgt overwogen.

5.3.

Aan eisers kan worden toegegeven dat de mogelijkheid te beleggen in projecten in Turkije (mede) is ontwikkeld door Planparticipaties, althans [gedaagde sub 4]. Vaststaat dat in juni 2004 gesprekken zijn gevoerd over de oprichting van een beleggingsgroep ten behoeve van de financiering van de projecten in Turkije (zie 2.6). Gedaagden hebben (als producties 15 en 16 bij conclusie van antwoord) de besprekingsverslagen van die gesprekken in het geding gebracht. Daaruit valt af te leiden dat tijdens die gesprekken het plan is ontwikkeld om door Piram B.V. c.q. Piram Ltd. in Turkije te bouwen vakantiewoningen gezamenlijk te financieren door middel van een winstdelende lening. Planparticipaties heeft de plannen vervolgens neergelegd in de brochure, die kennelijk bedoeld was om eventuele deelnemers te werven en te informeren en aan eisers is verstrekt. In de brochure staan Planparticipaties en Piram Nederland B.V. als initiatiefnemers vermeld.

5.4.

Anders dan gedaagden stellen blijkt uit de besprekingsverslagen dat Planparticipaties de situatie ter plekke wel degelijk heeft onderzocht. Verder volgt uit de brochure, de raamovereenkomst en de overeenkomsten van geldlening dat Piram B.V. en Piram Ltd. verantwoordelijk waren voor de ontwikkeling van het project in Turkije en daar ook de nodige kennis en ervaring voor hadden, terwijl Planparticipaties zou zorgdragen voor de financiering en in dat kader als gemachtigde van de beleggers zou optreden. Dat Piram Ltd. en Piram B.V. onvoldoende kennis zouden hebben gehad van de situatie in Turkije is gesteld noch gebleken terwijl evenmin voldoende concreet is gesteld dat en waarom Planparticipaties daar niet op heeft mogen afgaan.

5.5.

Gedaagden verwijten Planparticipaties daarnaast dat zij niet op de hoogte was van de lokale wetgeving en (de gevolgen van) de beslissing van het Turkse Constitutionele Hof. Vaststaat dat bij aanvang van het project de Turkse wet toestond dat buitenlanders in Turkije onroerend goed konden verwerven. De initiatiefnemers van de projecten werden echter al snel geconfronteerd met de (onverwachte) omstandigheid dat het Turkse Constitutionele Hof bij beslissing van 14 maart 2005 de door de Turkse overheid ingevoerde verruiming van de mogelijkheden voor buitenlanders en buitenlandse entiteiten om onroerend goed in Turkije te verkrijgen, heeft verworpen (zie 2.14). Uit de stukken blijkt dat [gedaagde sub 4], kort na die beslissing, een Turks advocatenkantoor in de arm heeft genomen om zich te laten voorlichten over de gevolgen van die beslissing voor de projecten. Het desbetreffende advocatenkantoor heeft hem meerdere malen bevestigd dat Nederlanders nog altijd woningen mochten kopen in Turkije en dat de wet op termijn alsnog zou worden aangepast, hetgeen ook is gebeurd. De rechtbank is van oordeel dat Planparticipaties tegen die achtergrond niet kan worden verweten dat zij zich onvoldoende heeft verdiept in de lokale wet- en regelgeving. Integendeel, de beslissing van het Turkse Constitutionele Hof was ook voor Planparticipatie niet te voorzien en zij heeft zich vervolgens tijdig en kennelijk juist laten informeren door een Turkse advocaat. De stelling dat Planparticipaties niet over voldoende gedegen kennis van de situatie ter plekke beschikte, gaat in het licht van het vorenstaande niet op. Hetzelfde geldt ten aanzien van het project Troya II voor PP Holding, nu er gelet op de personele verwevenheid tussen die beide entiteiten van uitgegaan mag worden dat de kennis en ervaring van Planparticipaties ook aanwezig was bij PP Holding.

5.6.

Daarmee wordt toegekomen aan de beoordeling van de vraag of het (mede) door Planparticipaties en PP Holding ontwikkelde (beleggings)product (te) risicovol was. Voorop staat dat de enkele omstandigheid dat aan het (beleggings)product risico’s zijn verbonden niet tot aansprakelijkheid van Planparticipaties en PP Holding kan leiden. Immers, in de brochure worden eisers daarop al gewezen. Daarin staat dat de investering, gelet op het karakter van de lening, is aan te merken als een investering met een hoog risico. Verder worden de deelnemers in de brochure geadviseerd contact op te nemen met hun eigen (fiscale en/of financiële) adviseur. Ook overigens geldt dat voor de deelnemende beleggers uit de brochure en de raam- en geldleningsovereenkomsten voldoende duidelijk moet zijn geweest dat zij een geldlening verstrekten aan de Turkse Ltd’s die met dat geld de bouw en ontwikkeling van de vakantiewoningen zouden financieren en dat de aflossing van de leningen en de daarover verschuldigde vergoeding betaald zou moeten worden uit de verkoop van de vakantiewoningen. Aldus moet ook voor de beleggers duidelijk zijn geweest dat hun risico erin bestond dat de Turkse Ltd’s uiteindelijk niet in staat zouden zijn om de leningen weer af te lossen.

5.7.

Verder staat vast dat ter beperking van dat risico voor de beleggers verschillende zekerheden zijn ingebouwd. Zo werd (i) de aangekochte grond ondergebracht in een aparte Turkse Ltd., (ii) de mogelijkheid gecreëerd tot het vestigen van hypothecaire zekerheid op de grond ten behoeve van de lening en (iii) een koopoptie op de vakantiewoningen verleend. Ook zou Planparticipaties inzicht hebben in al het betalingsverkeer. Naar het oordeel van de rechtbank mochten Planparticipaties en PP Holding er destijds vanuit gaan dat daarmee voldoende (zekerheids)maatregelen waren getroffen. Dat de feitelijke uitoefening van de zekerheidsrechten vervolgens problematisch is gebleken, maakt dat niet anders. Gesteld noch gebleken is dat Planparticipaties of PP Holding had moeten voorzien dat de Turkse Ltd’s, althans Piram eind 2006 in strijd met de afspraken de uit de verkopen ontvangen gelden niet (meer) zouden doorbetalen maar aanwenden voor de afbouw van andere projecten en dat zij vervolgens in financiële problemen zouden komen. Nu aldus enerzijds de beleggers, bekend mogen worden verondersteld met de aan de projecten Troya II, Troya III en Aphrodite verbonden risico’s en de ter beperking daarvan bedongen zekerheden, terwijl anderzijds niet is gebleken dat Planparticipaties of PP Holding meer of andere informatie had kunnen of moeten verstrekken, kan Planparticipaties en PP holding niet worden verweten dat zij een te risicovolle belegging hebben aangeboden en moeten de gevolgen van de beslissing om daaraan al dan niet deel te nemen voor rekening en risico van de beleggers blijven.

5.8.

Eerdergenoemde beslissing van het Turkse Constitutionele Hof leidt niet tot een ander oordeel. Weliswaar was die beslissing al gegeven en bekendgemaakt voordat in de projecten Troya III en Aphrodite werd geïnvesteerd maar Planparticipaties mocht er, gelet op de berichten van het Turkse advocatenkantoor, waarvan de juistheid inhoudelijk niet is betwist, (vooralsnog) van uitgaan dat de gevolgen van die beslissing voor de projecten beperkt zouden zijn. Dat achteraf is gebleken dat de desbetreffende beslissing voor (aanzienlijke) vertraging in de afbouw en verkoop van de projecten heeft gezorgd, doet daar niet aan af. Niet gesteld of gebleken is immers dat dat toen al te voorzien was. Planparticipaties was derhalve niet gehouden de aan voornoemde beslissing verbonden risico’s aan eisers te schetsen. Dit alles leidt tot het oordeel dat voor de door eisers gestelde aansprakelijkheid wegens het aanbieden van een te risicovolle belegging geen grond bestaat.

5.9.

Vervolgens is dan aan de orde of Planparticipaties en PP Holding hun uit de overeenkomsten voortvloeiende verplichtingen jegens eisers voldoende zijn nagekomen. Tussen partijen is niet in geschil dat Planparticipaties respectievelijk PP Holding zich in de verschillende overeenkomsten (onder meer) hebben verbonden om op te treden als gemachtigde van de leningverstrekkers, die toezicht uitoefent op de gedragingen van de projectontwikkeling Ltd. en alle betrokken partijen, zoals ook in de brochure staat vermeld. Eisers hebben gesteld dat de zorg voor de inbreng van de participanten geheel en al bij Planparticipaties is komen te liggen. Voor zover zij daarmee bedoeld hebben te stellen dat Planparticipaties (en PP Holding) hoe dan ook gehouden waren te zorgen dat de ingelegde gelden weer terugbetaald zouden worden, worden zij daarin niet gevolgd. Dit zou namelijk betekenen dat de inbreng van de beleggers door Planparticipaties (en/of PP Holding) zou zijn gegarandeerd, terwijl daarvan geen sprake is. Ter beoordeling ligt slechts voor of Planparticipaties en PP Holding hun rol als gemachtigde en toezichthouder naar behoren hebben vervuld en, indien dat niet het geval is of dat tot enige schade voor de beleggers heeft geleid.

5.10.

Allereerst is gebleken dat [gedaagde sub 4], namens Planparticipaties en PP Holding, in het kader van de projecten Troya II, Troya III en Aphrodite diverse nieuwsbrieven naar de beleggers heeft gestuurd. Naar het oordeel van de rechtbank worden de beleggers daarin telkens genoegzaam op de hoogte gehouden van de stand van zaken, de ontstane problemen en de te nemen maatregelen.

5.11.

Vaststaat dat tijdens de vergadering van beleggers van Troya I, II en III op 6 december 2006 voor het eerst geluiden zijn opgegaan dat de terugbetalingen van Troya II en Troya III tekortschoten (zie hiervoor 2.17). Tijdens die vergadering is gezamenlijk een actieplan opgesteld om de positie van de belegger veilig te stellen. Ook zijn vertegenwoordigers van de totale groep beleggers aangewezen, met wie Planparticipaties de voortgang kon bespreken en, indien nodig, gezamenlijk kon optrekken om de positie van de beleggers te waarborgen. Gebleken is dat aan het actieplan ook uitvoering is gegeven. Tussen partijen is niet in geschil dat bij het vestigen van de hypotheek door [gedaagde sub 5] fouten zijn gemaakt, met als gevolg dat de hypotheek na verloop van zes maanden door de hypotheekgever kon worden geroyeerd. Hoewel aan eisers kan worden toegegeven dat [gedaagde sub 5] op dit punt onzorgvuldig heeft gehandeld, leidt dit niet tot een vergoedingsplicht van Planparticipaties en PP Holding jegens eisers. Uit de feiten en stellingen van partijen blijkt namelijk dat het de bedoeling was dat de hypotheek slechts voor een bedrag zou worden gevestigd van € 52.000,-. Ook als de hypotheek naar behoren zou zijn gevestigd, zouden eisers derhalve de door hun ingelegde gelden niet volledig terug hebben ontvangen. De hypotheek had verder voornamelijk tot doel ervoor te zorgen dat de vakantiewoningen niet zonder medewerking en betaling aan de beleggers konden worden verkocht, en dus niet zozeer zekerstelling van de door eisers ingelegde gelden. Verder geldt dat gesteld noch gebleken is dat de hypotheek voor een langere periode dan zes maanden gevestigd had kunnen worden, terwijl gelet op de gang van zaken rondom de uitoefening van het optierecht en de verkoop van de kavels en de woningen in 2008 het allerminst zeker is dat het hypotheekrecht ook daadwerkelijk ten gunste van de beleggers uitgewonnen had kunnen worden. Onder die omstandigheden is zonder nadere uitleg die ontbreekt dan ook niet in te zien hoe de beleggers als gevolg van het onzorgvuldig handelen door [gedaagde sub 5] bij het vestigen van de hypotheek in februari 2007, enige schade hebben geleden.

5.12.

Ook later hebben Planparticipaties en PP Holding in de persoon van [gedaagde sub 4] de beleggers telkens betrokken bij de plannen om de belangen van de beleggers te waarborgen. Vaststaat dat [eiser sub 1], [eiser sub 2], [naam 3] en [eiser sub 5] hebben ingestemd met het voorstel van [gedaagde sub 4] om (via commanditaire vennootschappen) de nog niet verkochte woningen in de projecten Troya II, Troya III en Aphrodite te kopen. Onder meer uit de berichten van [naam 2] en [naam 5] (zie hiervoor 2.37.1 en 2.37.2) valt af te leiden dat de omstandigheid dat de desbetreffende woningen/kavels niet aan Troya Belegers C.V. en Aphrodite Belegger C.V. zijn geleverd niet aan [gedaagde sub 4] te wijten is, maar aan (de directeur van) Piram Ltd. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien hoe dit door Planparticipaties, PP Holding of [gedaagde sub 4] voorkomen had kunnen worden. De stelling dat dit aan amateuristisch handelen te wijten is, wordt evenmin nader gesubstantieerd en kan reeds daarom niet worden gevolgd.

5.13.

Verder blijkt uit de hiervoor onder 2.23 en 2.24 opgenomen e-mailberichten van

9 mei 2007 dat de cashflow en de vermogenspositie van de Piramgroep door Planparticipaties en PP Holding in de persoon van [gedaagde sub 4] is onderzocht. Niet gebleken is dat hierin een te rooskleurig beeld wordt geschetst. Temeer daar uit eerdergenoemde berichten van [naam 2] en [naam 5] valt af te leiden dat de financiële problemen bij Piram Ltd. pas eind februari 2008 zijn ontstaan. Ook hier kan derhalve niet worden geoordeeld dat [gedaagde sub 4], althans Planparticipaties en PP Holding verwijtbaar hebben gehandeld.

5.14.

Uit de vaststaande feiten en hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat eisers in 2005 hebben besloten te gaan beleggen in de financiering van de bouw en verkoop van Turkse vakantiewoningen, waarbij zij moeten hebben geweten dat daaraan het risico was verbonden dat de Turkse partijen niet in staat zouden zijn de geleende gelden terug te betalen. Dat laatste heeft zich als gevolg van een aantal voor Planparticipaties en PP Holding niet voorzienbare omstandigheden vanaf 2006 voorgedaan toen de bouw en verkoop van de woningen vertraging opliep en de Turkse partijen in toenemende mate in financiële problemen kwamen. Uit de besprekingsverslagen en e-mailberichten blijkt dat Planparticipaties en PP Holding in de persoon van [gedaagde sub 4], in samenspraak met de beleggers vervolgens de nodige inspanningen hebben verricht om de schade zo veel mogelijk te beperken, onder andere door te proberen zekerheden te vestigen en/of uit te winnen, maar dat dit niet is gelukt waarbij met name de omstandigheid dat Piram en de Turkse Ltd’s zich niet aan de gemaakte afspraken hebben kunnen of willen houden een doorslaggevende rol heeft gespeeld. Uiteindelijk heeft dit ertoe geleid dat ondanks de diverse inspanningen men er niet in is geslaagd de Turkse partijen en/of Piram ertoe te bewegen uitgeleende bedragen terug te betalen en deze daarvoor thans ook geen verhaal meer bieden. Hoewel deze hele gang van zaken voor de beleggers ongetwijfeld een frustrerend proces met een teleurstellend resultaat moet zijn geweest, is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet komen vast te staan dat dit het gevolg is geweest van een aan Planparticipaties en PP Holding te verwijten handelen of tekortschieten. De slotsom is dan ook dat Planparticipaties en PP Holding niet aansprakelijk kunnen worden gehouden voor het feit dat het aan de beleggingen verbonden risico zich heeft gematerialiseerd en dat eisers de door hen ingelegde gelden zijn kwijtgeraakt.

5.15.

De vorderingen van eisers jegens Planparticipaties en PP Holding zullen worden afgewezen. Dit brengt mee dat [gedaagde sub 4], [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 3] in hun hoedanigheid van statutaire bestuurders van Planparticipaties en PP Holding evenmin aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de door eisers geleden schade. De desbetreffende vorderingen zullen dan ook eveneens worden afgewezen.

5.16.

Eisers hebben nog gesteld dat [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] in privé aansprakelijk zijn. Ook deze stelling wordt verworpen. Gelet op het voorgaande is immers niet vast komen te staan dat [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] (in hoedanigheid van bestuurder of in privé) zodanig onzorgvuldig hebben gehandeld dat op grond daarvan aansprakelijkheid kan worden aangenomen. Dat [gedaagde sub 4] partijen vanuit zijn netwerk als accountant heeft benaderd om als beleggers deel te nemen leidt, indien dat al juist is, niet tot een ander oordeel. Dit betekent dat de vordering van eisers op dit punt zal worden afgewezen.

5.17.

In het licht van het vorenstaande behoeft het verweer van gedaagden dat eisers

niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen omdat zij hun rechten en verplichtingen uit hoofde van respectievelijk de raamovereenkomst, de samenwerkingsovereenkomst en de overeenkomsten van geldlening hebben overgedragen aan Troya Beleggers C.V. of Aphrodite Belegger C.V., geen bespreking meer. Hetzelfde geldt voor het door gedaagden gevoerde verjaringsverweer.

5.18.

Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagden worden begroot op:

- griffierecht € 3.715,00

- salaris advocaat € 5.160,00 (2,0 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 8.875,00

in het incident

5.19.

In het vrijwaringsincident is een beslissing ten aanzien van de proceskosten aangehouden totdat in de hoofdzaak een eindbeslissing is gewezen. Gelet op hetgeen hiervoor in de hoofdzaak is geoordeeld, kan thans op de proceskosten in het incident worden beslist. Eisers hebben zich ten aanzien van de beslissing in het vrijwaringsincident gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, zodat aanleiding bestaat de kosten aldus te compenseren dat ieder de eigen proceskosten draagt.

6 De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1.

compenseert de proceskosten aldus dat partijen ieder hun eigen kosten dragen,

in de hoofdzaak

6.2.

wijst de vorderingen af,

6.3.

veroordeelt eisers in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden tot op heden begroot op € 8.875,00,

6.4.

veroordeelt eisers in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat eisers niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.W.H. Vink en in het openbaar uitgesproken op

17 december 2014.1

1 type: SB * coll: