Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:8281

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-12-2014
Datum publicatie
09-12-2014
Zaaknummer
EA VERZ 14-951
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk ontbindingsverzoek van werknemer, te weten voor het geval het UWV het reeds door werkgever ingediende verzoek om een ontslagvergunning honoreert en de arbeidsovereenkomst wordt opgezegd, wordt afgewezen. De (huidige) ontbindingsprocedure is hiervoor niet bedoeld en uit de UWV-procedure volgt dat de werknemer juist voortzetting van het dienstverband voorstaat. Het onvoorwaardelijk tegenverzoek van de werkgever is wel toewijsbaar wegens veranderingen in de omstandigheden, zijnde het verval van de voor een vruchtbare voortzetting benodigde vertrouwen. Werknemer had zich illegaal laten vervangen op de bus, zodat hij langer op zijn vakantieadres kon blijven. Geen vergoeding.

Werknemer heeft tevens bij kort geding onder meer gevorderd dat werkgever wordt veroordeeld tot (volledige) (door)betaling van het loon en om hem toe te laten tot het werk. De vorderingen worden afgewezen, onder andere omdat na de beschikking in de 685-procedure, de arbeidsovereenkomst op korte termijn zal eindigen.

(zie ook ECLI:NL:RBAMS:2014:8280)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-1048
AR 2014/941

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht - Team Kanton

zaaknummer: 3475101 \ EA VERZ 14-951

datum : 1 december 2014

func.: 25

Beschikking van de kantonrechter

Inzake:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

nader te noemen [verzoeker],

gemachtigde: mr. M. Molster,

t e g e n

de besloten vennootschap GVB Exploitatie B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

nader te noemen GVB,

gemachtigde: mr. A.M.J. Bouman.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[verzoeker] heeft op 3 oktober 2014 een verzoek ingediend dat strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Ter zitting heeft [verzoeker] dit verzoek gewijzigd in dier voege dat hij thans een voorwaardelijk verzoek aan de kantonrechter voorlegt.

GVB heeft een verweerschrift ingediend tevens houdend een zelfstandig (tegen)verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen.

Het verzoek is mondeling behandeld ter terechtzitting van 11 november 2014. [verzoeker] is verschenen, vergezeld door de gemachtigde. GVB is verschenen bij [naam 1] en [naam 2], vergezeld door de gemachtigde.

Tegelijkertijd met het verzoek is behandeld de vordering van [verzoeker] (KK 14-1565) tot het vaststellen van voorzieningen (een weder te werkstelling en volledige loondoorbetaling tijdens schorsing).

Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht. De kantonrechter heeft vragen gesteld. Van hetgeen in besproken, heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Na verder debat is een datum voor beschikking bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1. Als uitgangspunt geldt het volgende:

1.1.

[verzoeker], geboren op [geboortedatum], is sedert 14 maart 2008 in dienst van GVB in de functie van buschauffeur. Het salaris op basis van een werkweek van thans 28 uur bedraagt € 1.771,83 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten. De CAO GVB (hierna de CAO) is van toepassing.

1.2.

[verzoeker] was wegens vakantie in Marokko van 29 mei 2014 tot (uiteindelijk) 28 juli 2014.

1.3.

[verzoeker] was op 18 en 24 juli 2014 ingeroosterd op diensten bij GVB.

1.4.

Voor de dienst van 24 juli 2014 had [verzoeker] voor zijn vertrek vrij gevraagd en gekregen. Deze vrije dag was echter niet goed verwerkt in het systeem van het GVB, zodat [verzoeker] in juli 2014 voor 24 juli 2014 nog steeds stond ingeroosterd.

1.5.

Voor de dienst van 18 juli 2014 had [verzoeker] nog geen vrij of vervanging geregeld.

1.6.

Bij vertrek naar Marokko stond [verzoeker] voor 18 juli “tweede onder de zaaglijn” en voor 25 juli “vierde onder de zaaglijn”. “Onder de zaaglijn” wil zeggen dat er een wachtrij is van andere medewerkers die voorgaan bij het toekennen van verlof.

1.7.

[verzoeker] heeft rond 10 juli 2014, vanuit zijn vakantieadres, via het computer-systeem in de groep van chauffeurs gevraagd of iemand met hem kon ruilen voor een van deze diensten. Dat is niet ongebruikelijk.

1.8.

Een collega van [verzoeker], [collega] (hierna [collega]), heeft de dienst van 18 juli 2014 voor [verzoeker] waargenomen. [collega] kon de dienst niet doen op zijn eigen naam, in verband met de wettelijk voorgeschreven rusttijden volgens het Arbeidstijdenbesluit Vervoer. [collega] heeft de dienst op naam van [verzoeker] gereden, onder diens personeelsnummer. [collega] heeft de wagenstaat van [verzoeker] ingevuld en namens [verzoeker] getekend.

1.9.

Op 22 juli 2014 heeft [verzoeker] telefonisch contact opgenomen met een team-manager/leidinggevende bij GVB, [naam 3]. Volgens [verzoeker] kon hij niet op tijd terug zijn voor het rijden van zijn dienst op 24 juli 2014.

1.10.

Bij brief van 23 juli 2014 heeft GVB [verzoeker] uitgenodigd voor een gesprek op 29 juli 2014. In die brief is [verzoeker] een rijverbod is opgelegd.

1.11.

Vervolgens heeft [naam 1] in het rooster gezien dat [verzoeker] geen diensten meer had gedraaid sinds 29 mei 2014 op één dienst na, die van 18 juli 2014. De handtekening op de wagenstaat week echter af van de handtekening welke [verzoeker] doorgaans op de wagenstaat plaatste.

1.12.

Op 28 juli 2014 is [verzoeker] teruggekeerd van vakantie.

1.13.

Op 29 juli 2014 heeft een gesprek tussen [verzoeker] en GVB plaats gevonden naar aanleiding van zijn afwezigheid op 18 en 24 juli 2014. In het Gespreksverslag van 29 juli 2014, opgemaakt door [naam 1] en voor gezien getekend door [verzoeker], staat – voor zover van belang:

“Aanleiding. [verzoeker] heeft op 22 juli 2014 gebeld met [naam 3] om te melden dat hij op 24 juli 2014 niet kon rijden omdat zijn vliegtuig pas op 25 juli van Marokko naar Amsterdam zou gaan. Omdat dit niet volgens de bedrijfsregels is verlopen voeren wij dit gesprek.
Verslag. [verzoeker] verklaart dat hij op 19 juli 2014 naar Marokko is gegaan en dat hij uiteindelijk op 28 juli 2014 is teruggekomen. Zijn laatste werkdag was op 18 juli 2014. (…)”.

1.14.

Dezelfde dag heeft een tweede gesprek plaatsgevonden. In het verslag van dit gesprek, dat eveneens voor gezien is ondertekend door [verzoeker], staat voor zover van belang:

“[verzoeker] verklaart dat hij op 18 juli 2014 een dienst heeft gereden. (…) Hierop geeft [verzoeker] aan, dat in het geval dat hij toegeeft de dienst niet te hebben gereden, er een andere chauffeur wordt gelyncht door management GVB. [naam 1] geeft aan dat het de eigen verantwoordelijkheid is van deze bestuurder. Na enige tijd geeft [verzoeker] toch toe dat hij deze dienst niet heeft gereden. Hij geeft aan vanaf het begin van zijn vakantie (eind mei) in Marokko verbleef. De reden dat hij dit niet gelijk wilde toegeven lag aan het feit dat hij zijn collega wilde beschermen, die hem een dienst had bewezen”.

1.15.

Bij brief van 31 juli 2014 is de schorsing van [verzoeker] wegens ongeoorloofde afwezigheid op 18 en 24 juli 2014 gehandhaafd.

1.16.

Artikel 14.16 van de CAO geeft GVB de mogelijkheid eenderde van het loon in te houden bij een schorsing. GVB houdt sinds 31 juli 2014 eenderde van het loon van [verzoeker] in.

1.17.

Bij de brief van 31 juli 2014 heeft GVB tevens [verzoeker] bericht dat GVB had besloten een ontslagprocedure te starten bij het UWV.

1.18.

[verzoeker] heeft een interne heroverwegingsprocedure gestart. Daarop is negatief beslist door de Directeur van GVB. De ontslagaanvraag is door GVB ingediend op 24 september 2014 bij het UWV.

1.19.

Het UWV heeft tot op heden geen beslissing afgegeven.

Verzoek

2. [verzoeker] verzoekt voorwaardelijk - voor het geval het UWV op het verzoek van GVB toewijzend beslist - ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen in de zin van een verandering in de omstandigheden van zodanige aard dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen billijkheidshalve zo spoedig mogelijk behoort te eindigen. Dan zal het dienstverband eindigen en [verzoeker] wenst alsdan een ontbinding op de kortst mogelijke termijn.

3. Indien het UWV GVB géén toestemming verleent, wenst [verzoeker] primair zijn verzoek in te trekken en subsidiair, voor het geval de kantonrechter niettemin zou ontbinden, hem een vergoeding toe te kennen met een correctiefactor van C=2. Gelet op zijn leeftijd en inkomen komt dat neer op een bedrag van € 25.367,74 bruto.

4. [verzoeker] stelt hiertoe, kort gezegd, het volgende. Op het verzoek van [verzoeker] via het computersysteem/whatsapp aan zijn collega’s om zijn dienst van 18 juli 2014 over te nemen, reageerde zijn collega [collega] in eerste instantie positief. Vervolgens bleek dat [collega] in verband met de wettelijke voorgeschreven rusttijden niet kon rijden. [collega] gaf vervolgens te kennen dat hij toch de dienst zou rijden op naam van [verzoeker] en dat dat geen probleem was. [verzoeker] betwist dat hij [collega] op enigerlei wijze onder druk heeft gezet om zijn dienst over te nemen. Het was de eigen beslissing van [collega]. GVB verwijt [verzoeker] derhalve onterecht dat hij een collega onder druk heeft gezet om (illegaal) een dienst voor hem te rijden.

5. Daar komt bij dat GVB [verzoeker] bij de uitnodiging van het gesprek voor 29 juli 2014 op het verkeerde been heeft gezet. Het ging niet zozeer om de dienst van 24 juli 2014, waarvan later bleek dat hij daarvoor wel degelijk officieel vrij had gekregen, maar om de dienst van 18 juli 2014. [verzoeker] heeft zich op deze wijze onvoldoende kunnen voorbereiden op dat gesprek.

6. Ten slotte heeft GVB nog een aantal niet ter zake doende voorvallen zaken uit het verleden bij de ontslagaanvraag betrokken. [verzoeker] stelt dat GVB zich al met al niet heeft opgesteld zoals van een goed werkgever mag worden verwacht.

7. Primair wenst [verzoeker] in dienst te blijven. Alleen voor het geval het UWV de ontslagvergunning zou verlenen verzoekt hij ontbinding van de arbeidsovereenkomst met toekenning van de gevraagde vergoeding. [verzoeker] wil op deze wijze voorkomen dat hij genoodzaakt is tot het entameren van een langdurige kennelijk onredelijk ontslagprocedure.

8. Als het UWV toestemming weigert, wil [verzoeker] in dienst blijven en wenst hij het ontbindingsverzoek in te trekken. In dat geval zal er wel mediation dienen plaats te vinden om de arbeidsverhouding te herstellen.

Verweer en tegenverzoek

9. GVB betwist dat er gewichtige redenen voor ontbinding zijn in de door [verzoeker] bedoelde zin, en verzet zich tegen de door [verzoeker] gevraagde ontbinding met de gevraagde vergoeding. GVB verzoekt voorts op haar beurt ontbinding van de arbeidsovereenkomst primair wegens een dringende reden en subsidiair wegens veranderingen in de omstandigheden, zonder toekenning van een vergoeding.

10. GVB voert aan dat het verzoek van [verzoeker] dient te worden afgewezen omdat hij geen steekhoudende argumenten aanvoert ter onderbouwing van zijn stelling dat er sprake is van verandering in de omstandigheden, die er voor hem toe zouden leiden dat de arbeidsovereenkomst op korte termijn dient te eindigen.

11. GVB stelt daarbij dat er vanuit haar optiek wel reden is om de arbeidsovereenkomst op zo kort mogelijke termijn te ontbinden. GVB stelt zich op het standpunt dat [verzoeker] zijn plichten als werknemer ernstig heeft verzaakt door een collega in zijn plaats en onder zijn naam en personeelsnummer illegaal zijn dienst te laten rijden zoals op 18 juli 2014 is gebeurd. [verzoeker] wist dat dit illegaal was, gelet op het feit dat de ruil niet was aangevraagd via het daarvoor bestemde systeem van GVB. Daarbij heeft [verzoeker] tijdens de gesprekken op 29 juli 2014 aanvankelijk in strijd met de waarheid verklaard dat 18 juli 2014 zijn laatste werkdag was voordat hij naar Marokko vertrok en dat hij zelf die dag had gereden.

12. Overigens was kennelijk [verzoeker] zelf ook vergeten dat hij toestemming had om op 24 juli 2014 niet te rijden. Hij was in ieder geval niet voornemens om voor die dienst op tijd terug te zijn. GVB heeft die dag er echter verder niet meer bij betrokken, nu geruime tijd na 31 juli 2014, [verzoeker] had aangetoond dat hij eerder reeds vrij had gekregen voor 24 juli 2014. Dat achteraf bleek dat hij vrij had gekregen voor 24 juli 2014, maakt het overigens niet anders voor GVB. Dat wist [verzoeker] nog GVB en dus blijft het verwijt staan.

13. GVB wijst er voorts op dat [verzoeker] gedurende zijn zesjarig dienstverband al meerdere schriftelijke waarschuwingen heeft gekregen wegens overtreding van tal van bedrijfs-regels, zoals overtreding van de kledingvoorschriften en de regels tijdens ziekte. In 2012 is [verzoeker] gewaarschuwd dat hij ontslag riskeerde indien er opnieuw klachten zouden ontstaan aangaande zijn functioneren. De gebeurtenissen in juli 2014 zijn voor GVB de druppel geweest. [verzoeker] trekt zich duidelijk niets van de bedrijfsregels en de belangen van GVB aan.

Beoordeling

Op het - voorwaardelijke - verzoek van [verzoeker]

14. Naar de kantonrechter begrijpt wenst [verzoeker] ontbinding van de arbeidsovereen-komst voor het geval het UWV een ontslagvergunning verleent, teneinde een procedure ex artikel 7:681 BW (kennelijk onredelijk ontslag) te vermijden.

14. [verzoeker] miskent hiermee het karakter van de (huidige) ontbindingsprocedure ex artikel 7:685 BW, aan de hand waarvan op korte termijn uitspraak wordt gedaan over de al dan niet bestaande noodzaak om een einde te maken aan de arbeidsovereen-komst wegens een dringende reden of verandering in de omstandigheden. Door zijn verzoek afhankelijk te maken van de beslissing van het UWV tracht [verzoeker] als het ware een extra rechtsgang te creëren, waarin het systeem van de wet (thans) niet voorziet. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat het uitspreken van een ontbinding van de arbeidsovereenkomst onder deze voorwaarde c.q. onder dit voorbehoud niet mogelijk is.

14. Nu voor het overige uit al hetgeen [verzoeker] naar voren heeft gebracht volgt, dat hij het dienstverband met GVB wenst voort te zetten en hij inhoudelijk verweer heeft gevoerd in de procedure voor het UWV, zal zijn verzoek worden afgewezen. Dat er omstandig-heden zijn, op grond waarvan de arbeidsovereenkomst op verzoek van [verzoeker] moet worden ontbonden onder toekenning van de door [verzoeker] gevraagde vergoeding, is niet aannemelijk geworden.

14. Hoewel [verzoeker] - nu het UWV over het verlenen van een ontslagvergunning nog niet heeft beslist - ontvankelijk is in zijn verzoek, zal het verzoek van [verzoeker] dus worden afgewezen.

Op het tegenverzoek van GVB

18. GVB heeft het UWV gevraagd toestemming te verlenen het dienstverband met [verzoeker] op te zeggen. Nu het UWV daarop nog niet heeft beslist, is ook GVB ontvankelijk in haar (tegen)verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker]. GVB vraagt - kort gezegd - ontbinding zonder vergoeding. Daaromtrent wordt overwogen als volgt.

18. Het is geenszins goed te praten dat [verzoeker] bij zijn vertrek in mei 2014 naar Marokko nog diensten had openstaan waarvoor geen vervanging was geregeld. Dit klemt temeer nu het vakantietijd was en het risico van meerdere personen “onder de zaaglijn” reëel was, zoals ook is gebleken. Door pas op 14 juli 2014 vervanging te gaan zoeken voor zijn dienst van 18 juli heeft [verzoeker] het risico genomen dat hij geen vervanging meer zou vinden, althans niet volgens de geldende regels. Dit risico heeft zich ook voltrokken, met alle gevolgen van dien.

18. Of [verzoeker] daarbij kan worden verweten dat hij zijn collega [collega] heeft aangezet tot het onder zijn naam rijden van de dienst, is niet van belang. [verzoeker] wist dat [collega] niet mocht rijden en niettemin heeft [verzoeker] zijn personeelsnummer aan [collega] verstrekt, zodat deze onder de naam van [verzoeker] kon rijden en deze zijn vakantie in Marokko kon voortzetten. Dit had [verzoeker] niet mogen toestaan c.q. faciliteren. [verzoeker] heeft dit wel gedaan en heeft daarmee zijn eigen belang boven dat van GVB gesteld.

18. Nu het bepaald niet de eerste keer was dat [verzoeker] een waarschuwing kreeg en hem in 2012 zelfs is aangezegd dat bij een volgende waarschuwing hij ontslag zou (kunnen) volgen, heeft GVB terecht aangevoerd dat van GVB niet gevergd kan worden het dienstverband te laten voortduren, omdat [verzoeker] kennelijk zich aan de bedrijfsregels weinig gelegen laat liggen.

18. Dit alles leidt tot de conclusie dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden tegen 1 januari 2015 wegens een verandering in de omstandigheden, zijnde het verval van het voor een vruchtbare voortzetting benodigde vertrouwen.

18. Aangezien de reden van het einde van de arbeidsrelatie gelegen is in het gedrag van [verzoeker], is er geen aanleiding hem daarbij een vergoeding toe te kennen. Nu geen vergoeding wordt toegekend, behoeft GVB geen gelegenheid tot intrekking van het verzoek te worden geboden.

18. De proceskosten worden gecompenseerd in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.


BESLISSING

De kantonrechter:

wijst het verzoek van [verzoeker] af;

ontbindt de arbeidsovereenkomst op verzoek van GVB met ingang van 1 januari 2015;

bepaalt dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.


Aldus gegeven door mr. mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 december 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

Griffier Kantonrechter