Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:8280

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-12-2014
Datum publicatie
09-12-2014
Zaaknummer
KK EXPL 14-1565
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk ontbindingsverzoek van werknemer, te weten voor het geval het UWV het reeds door werkgever ingediende verzoek om een ontslagvergunning honoreert en de arbeidsovereenkomst wordt opgezegd, wordt afgewezen. De (huidige) ontbindingsprocedure is hiervoor niet bedoeld en uit de UWV-procedure volgt dat de werknemer juist voortzetting van het dienstverband voorstaat. Het onvoorwaardelijk tegenverzoek van de werkgever is wel toewijsbaar wegens veranderingen in de omstandigheden, zijnde het verval van de voor een vruchtbare voortzetting benodigde vertrouwen. Werknemer had zich illegaal laten vervangen op de bus, zodat hij langer op zijn vakantieadres kon blijven. Geen vergoeding.

Werknemer heeft tevens bij kort geding onder meer gevorderd dat werkgever wordt veroordeeld tot (volledige) (door)betaling van het loon en om hem toe te laten tot het werk. De vorderingen worden afgewezen, onder andere omdat na de beschikking in de 685-procedure, de arbeidsovereenkomst op korte termijn zal eindigen.

(zie ook ECLI:NL:RBAMS:2014:8281)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-1046
AR 2014/940
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht - team kanton

kort geding

zaaknummer: 3475162 KK EXPL 14-1565

vonnis van: 1 december 2014

func.: 245/25

Vonnis van de kantonrechter

Inzake:

[verzoeker]

wonende te [woonplaats]

nader te noemen: [verzoeker]

gemachtigde: mr. M.A. Molster

tegen:

de besloten vennootschap GVB EXPLOITATIE B.V.

gevestigd te Amsterdam

nader te noemen: GVB

gemachtigde: mr. A.M.J. Bouman

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 15 oktober 2014 - met producties - heeft [verzoeker] een voorziening gevorderd. Bij verzoekschrift van 3 oktober 2014 heeft [verzoeker] - los van deze procedure -een verzoek ex artikel 7:685 BW ingediend. De zaken zijn gevoegd behandeld.

Ter terechtzitting van 11 november 2014 heeft de mondelinge behandeling plaats-gevonden. [verzoeker] is in persoon verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde. GVB is verschenen bij [naam 1] en [naam 2], vergezeld door de gemachtigde. Beide partijen hebben op voorhand stukken in het geding gebracht.

Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht, mede aan de hand van een pleitnota. Na verder debat is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1. Als uitgangspunt geldt het volgende.

1.1.

[verzoeker], geboren op [geboortedatum], is sedert 14 maart 2008 in dienst van GVB in de functie van buschauffeur. Het salaris op basis van een werkweek van thans 28 uur bedraagt € 1.771,83 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten. De CAO GVB (hierna de CAO) is van toepassing.

1.2.

[verzoeker] was wegens vakantie in Marokko van 29 mei 2014 tot (uiteindelijk) 28 juli 2014.

1.3.

[verzoeker] was op 18 en 24 juli 2014 ingeroosterd op diensten bij GVB.

1.4.

Voor de dienst van 24 juli 2014 had [verzoeker] voor zijn vertrek vrij gevraagd en gekregen. Deze vrije dag was echter niet goed verwerkt in het systeem van het GVB, zodat [verzoeker] in juli 2014 voor 24 juli 2014 nog steeds stond ingeroosterd.

1.5.

Voor de dienst van 18 juli 2014 had [verzoeker] nog geen vrij of vervanging geregeld.

1.6.

Bij vertrek naar Marokko stond [verzoeker] voor 18 juli “tweede onder de zaaglijn” en voor 25 juli “vierde onder de zaaglijn”. “Onder de zaaglijn” wil zeggen dat er een wachtrij is van andere medewerkers die voorgaan bij het toekennen van verlof.

1.7.

[verzoeker] heeft rond 10 juli 2014, vanuit zijn vakantieadres, via het computer-systeem in de groep van chauffeurs gevraagd of iemand met hem kon ruilen voor een van deze diensten. Dat is niet ongebruikelijk.

1.8.

Een collega van [verzoeker], [collega] (hierna [collega]), heeft de dienst van 18 juli 2014 voor [verzoeker] waargenomen. [collega] kon de dienst niet doen op zijn eigen naam, in verband met de wettelijk voorgeschreven rusttijden volgens het Arbeidstijdenbesluit Vervoer. [collega] heeft de dienst op naam van [verzoeker] gereden, onder diens personeelsnummer. [collega] heeft de wagenstaat van [verzoeker] ingevuld en namens [verzoeker] getekend.

1.9.

Op 22 juli 2014 heeft [verzoeker] telefonisch contact opgenomen met een team-manager/leidinggevende bij GVB, [naam 3]. Volgens [verzoeker] kon hij niet op tijd terug zijn voor het rijden van zijn dienst op 24 juli 2014.

1.10.

Bij brief van 23 juli 2014 heeft GVB [verzoeker] uitgenodigd voor een gesprek op 29 juli 2014. In die brief is [verzoeker] een rijverbod is opgelegd.

1.11.

Vervolgens heeft [naam 1] in het rooster gezien dat [verzoeker] geen diensten meer had gedraaid sinds 29 mei 2014 op één dienst na, die van 18 juli 2014. De handtekening op de wagenstaat week echter af van de handtekening welke [verzoeker] doorgaans op de wagenstaat plaatste.

1.12.

Op 28 juli 2014 is [verzoeker] teruggekeerd van vakantie.

1.13.

Op 29 juli 2014 heeft een gesprek tussen [verzoeker] en GVB plaats gevonden naar aanleiding van zijn afwezigheid op 18 en 24 juli 2014. In het Gespreksverslag van 29 juli 2014, opgemaakt door [naam 1] en voor gezien getekend door [verzoeker], staat – voor zover van belang:

“Aanleiding. [verzoeker] heeft op 22 juli 2014 gebeld met [naam 3] om te melden dat hij op 24 juli 2014 niet kon rijden omdat zijn vliegtuig pas op 25 juli van Marokko naar Amsterdam zou gaan. Omdat dit niet volgens de bedrijfsregels is verlopen voeren wij dit gesprek.
Verslag. [verzoeker] verklaart dat hij op 19 juli 2014 naar Marokko is gegaan en dat hij uiteindelijk op 28 juli 2014 is teruggekomen. Zijn laatste werkdag was op 18 juli 2014. (…)”.

1.14.

Dezelfde dag heeft een tweede gesprek plaatsgevonden. In het verslag van dit gesprek, dat eveneens voor gezien is ondertekend door [verzoeker], staat voor zover van belang:

“[verzoeker] verklaart dat hij op 18 juli 2014 een dienst heeft gereden. (…) Hierop geeft [verzoeker] aan, dat in het geval dat hij toegeeft de dienst niet te hebben gereden, er een andere chauffeur wordt gelyncht door management GVB. [naam 1] geeft aan dat het de eigen verantwoordelijkheid is van deze bestuurder. Na enige tijd geeft [verzoeker] toch toe dat hij deze dienst niet heeft gereden. Hij geeft aan vanaf het begin van zijn vakantie (eind mei) in Marokko verbleef. De reden dat hij dit niet gelijk wilde toegeven lag aan het feit dat hij zijn collega wilde beschermen, die hem een dienst had bewezen”.

1.15.

Bij brief van 31 juli 2014 is de schorsing van [verzoeker] wegens ongeoorloofde afwezigheid op 18 en 24 juli 2014 gehandhaafd.

1.16.

Artikel 14.16 van de CAO geeft GVB de mogelijkheid eenderde van het loon in te houden bij een schorsing. GVB houdt sinds 31 juli 2014 eenderde van het loon van [verzoeker] in.

1.17.

Bij de brief van 31 juli 2014 heeft GVB tevens [verzoeker] bericht dat GVB had besloten een ontslagprocedure te starten bij het UWV.

1.18.

[verzoeker] heeft een interne heroverwegingsprocedure gestart. Daarop is negatief beslist door de Directeur van GVB. De ontslagaanvraag is door GVB ingediend op 24 september 2014 bij het UWV.

1.19.

Het UWV heeft tot op heden geen beslissing afgegeven.

1.20.

Bij beschikking van heden (EA 14-951) heeft de kantonrechter te Amsterdam het ontbindingsverzoek van [verzoeker] afgewezen en het tegenverzoek van GVB toegewezen, des dat het dienstverband tussen partijen eindigt tegen 1 januari 2015.

Vordering

1. [verzoeker] vordert dat GVB bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld zal worden:
1) tot betaling van het loon ad € 1.118,39 bruto per maand vanaf 1 augustus 2014 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldag;
2) binnen 24 uur na betekening van het vonnis [verzoeker] toe te laten de bedongen arbeid te verrichten en hem daartoe deugdelijk op te roepen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dan dat GVB nalaat hieraan gevolg te geven, een gedeelte van een dag als een gehele dag gerekend;
3) geen negatieve uitlatingen over [verzoeker] jegens derden te doen (daaronder begrepen collega’s) op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere overtreding en € 500,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, een gedeelte van een dag als een hele dag gerekend,
alles met veroordeling van GVB in de kosten van de procedure .

2. [verzoeker] stelt hiertoe - samengevat - dat GVB de schorsing van [verzoeker] en de inhouding van eenderde deel van zijn loon heeft gebaseerd op de grondslag dat [verzoeker] zijn plichten als werknemer ernstig heeft verzuimd, door op 18 juli 2014 een collega in zijn plaats illegaal zijn dienst te laten rijden, terwijl [verzoeker] in Marokko zat. Voorts zou vaststaan volgens GVB dat [verzoeker] voor 24 juli 2014 niet eens heeft geprobeerd vrij te krijgen, terwijl hij afwezig was.

3. Deze verwijten zijn echter onterecht. Voor 29 juli 2014 was [verzoeker] uitgenodigd om te spreken over het ruilen van de dienst op 24 juli 2014. [verzoeker] had echter voor de dienst van 24 juli 2014 van een leidinggevende vrij gekregen en hoefde dus niet te werken. Dit was ten onrechte niet in het rooster verwerkt. Maar voor die datum viel [verzoeker] niets te verwijten.

4. Daarna ging het gesprek - onder de uitoefening van grote druk - over de dienst van 18 juli 2014. Na stelselmatig aandringen vertelde [verzoeker] in eerste instantie dat hij die dienst zelf had gereden. Hij wist op dat moment niet of zijn collega - die zijn dienst had overgenomen - al met GVB had gesproken en [verzoeker] wilde deze collega niet beschadigen. Later bleek dat GVB er al van op de hoogte was dat [verzoeker] de dienst niet zelf had gereden. Toen heeft [verzoeker] uitgelegd wat er was gebeurd; hij hoefde de collega niet meer in bescherming te nemen. Van leugens is dus geen sprake geweest.

5. [verzoeker] heeft vervolgens verklaard dat de collega aangeboden had de dienst te ruilen en toen deze collega er achter kwam dat hij al te veel had gereden, zelf heeft aange-boden dan op naam van [verzoeker] te rijden. [verzoeker] heeft daar geen enkele druk voor uitgeoefend. [verzoeker] biedt daar bewijs van aan.

6. [verzoeker] is kortom van mening dat er geen sprake is van verwijtbaar handelen, dat hij dus niet geschorst had mogen worden en dat hij dus recht heeft op volledige doorbetaling van zijn salaris. [verzoeker] vordert opheffing van de inhouding van eenderde deel van zijn salaris en berekent dat op een bedrag van € 1.118,39 bruto per maand.

7. Daarnaast meent [verzoeker] dat GVB voor hem ten onrechte een ontslagvergunning heeft aangevraagd. Voor het geval dat het UWV de ontslagvergunning niet verleent, maakt [verzoeker] aanspraak op werkhervatting, op straffe van een dwangsom.

Verweer

8. GVB voert als verweer, en onder verwijzing naar de verzoekschriftprocedure, aan dat [verzoeker] ten onrechte met de beschuldigende vinger naar anderen wijst: GVB zou zich onbehoorlijk hebben gedragen en zijn collega zou het zijn aan te rekenen dat de dienst van 18 juli 2014 illegaal is gereden. De werkelijkheid is dat [verzoeker] zich zelf gebracht heeft in de positie waarin hij zich nu bevindt. [verzoeker] wist dat een overname van zijn dienst door zijn collega meebracht dat deze de dienst illegaal zou rijden. In plaats van zijn verantwoordelijkheid te nemen heeft [verzoeker] ervoor gekozen zijn eigen belang te laten prevaleren boven het belang van het naleven van de bedrijfsregels. En dat valt [verzoeker] te verwijten.

9. GVB heeft [verzoeker] terecht geschorst en heeft eveneens terecht vanaf 31 juli 2014 eenderde van zijn loon ingehouden. Daartoe is GVB gerechtigd op grond van artikel 14.16 van de CAO. GVB heeft over 3 maanden in totaal een bedrag van € 2.063,60 bruto ingehouden. Het door [verzoeker] genoemde bedrag van € 1.118,39 bruto per maand is dan ook niet juist.

10. De vordering van [verzoeker] dient te worden afgewezen, volgens GVB. De vordering met betrekking tot het doen van negatieve uitlatingen dient eveneens te worden afgewezen. Indien een derde GVB over [verzoeker] bevraagt, zal zij de waarheid zeggen. Uit zichzelf zal GVB geen uitlatingen over [verzoeker] doen; daar heeft zij geen belang bij.

Beoordeling

11. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van [verzoeker] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

12. Allereerst wordt overwogen dat bij beschikking van heden de arbeidsovereenkomst tussen partijen zal worden ontbonden tegen 1 januari 2015. Het lijkt niet zinvol voor de korte tijd dat het dienstverband nog duurt, [verzoeker] weer aan het werk te laten gaan.

12. Dan de inhouding van het salaris. Vooropgesteld wordt dat GVB op basis van de geldende CAO gerechtigd is in geval van schorsing maximaal eenderde van het loon van de geschorste werknemer in te houden. Daarmee is het de vraag of GVB [verzoeker] op goede gronden heeft geschorst en terecht van dit artikel gebruikt heeft gemaakt.

12. Dat acht de kantonrechter het geval. [verzoeker] heeft tijdens zijn verblijf in Marokko zijn dienst van 18 juli 2014 geruild met een collega, van wie hij wist dat deze de dienst niet mocht rijden wegens overtreding van diens wacht- en rusttijden. Niettemin heeft hij zijn personeelsnummer afgegeven, zodat de collega de dienst onder de naam van [verzoeker] kon doen en is hij zelf langer in Marokko gebleven. Van deze gebeurtenissen valt [verzoeker] een ernstig verwijt te maken.

15. Daarnaast heeft [verzoeker] over de gang van zaken onwaarheden verteld. Hij heeft ver-klaard de dienst zelf te hebben gereden en op 19 juli 2014 naar zijn vakantieadres te zijn vertrokken, terwijl hij in werkelijkheid al vanaf eind mei 2014 in Marokko verbleef. Dat hij dat louter heeft gedaan om de collega te beschermen, komt niet alleen onaan-nemelijk voor, maar maakt ook niet dat het dan geen onwaarheden meer zijn.

15. Daarbij gevoegd dat [verzoeker] reeds 6 keer eerder een ernstige waarschuwing heeft ontvangen, maakt dat GVB kon besluiten [verzoeker] te schorsen en voor hem een ontslagvergunning aan te vragen. Dat besluit komt de kantonrechter niet onredelijk voor. Ook dit deel van de vordering zal niet worden toegewezen.

15. De vordering van [verzoeker] tot het opleggen van een verbod tot het doen van negatieve uitlatingen, wordt eveneens afgewezen. Het gevorderde is te onbepaald, nu [verzoeker] niet heeft onderbouwd voor welke (onjuiste) negatieve uitlatingen hij bevreesd is.

18. Dit alles betekent dat de vorderingen van [verzoeker] worden afgewezen.

19. [verzoeker] dient als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten te worden belast.

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van GVB begroot op € 400,00 aan salaris voor de gemachtigde, voor zover van toepassing, inclusief btw;

veroordeelt [verzoeker] tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en gedaagde niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


Aldus gewezen door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 december 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

Griffier Kantonrechter