Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:8278

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-11-2014
Datum publicatie
15-12-2014
Zaaknummer
13/993001-12 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft deel uitgemaakt van een criminele organisatie die gedurende een lange periode de Belastingdienst voor enkele miljoenen euro’s heeft opgelicht door op onrechtmatige wijze kinderopvangtoeslag aan te vragen. Verdachte en zijn mededaders hielden zich op grote schaal bezig met het valselijk opmaken en indienen van aanvraag- en wijzigingsformulieren betreffende door de Belastingdienst uit te keren KOT en het witwassen van de aldus verkregen geldbedragen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-3005
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/993001-12 (Promis)

Datum uitspraak: 25 november 2014

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname),

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres, te plaats 1].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 6, 7 en 9 oktober en 11 november 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr.

M. Boerlage, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. E.G.S Roethof, naar voren

hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan

  1. medeplegen van oplichting;

  2. medeplegen van valsheid in geschrift en/of medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als ware het echt en onvervalst;

  3. medeplegen van (gewoonte)witwassen;

  4. het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

3 Voorvragen

3.1.

Geldigheid van de dagvaarding

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat de dagvaarding partieel nietig moet worden verklaard. De woorden ‘(onder meer)’, zoals onder feit 1 en 2 meermalen is vermeld, zijn te onbepaald nu de aanvragen, de wijzigingen kinderopvangtoeslag en de valsheid waar deze woorden betrekking op hebben niet feitelijk omschreven zijn.

De rechtbank verklaart de dagvaarding onder feit 1 en 2 nietig voor zover het betreft de woorden ‘(onder meer)’.

3.2.

Overige voorvragen

De dagvaarding is voor het overige geldig. De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en dat de officier van justitie ontvankelijk is. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Inleiding

Uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken, leidt de rechtbank het volgende af.

4.1.

Kinderopvangtoeslag

Om ouders in de gelegenheid te stellen om werk en zorg voor de kinderen te combineren is een inkomensafhankelijke regeling in het leven geroepen, te weten de Wet Kinderopvang (WKO). Deze wet ziet op een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang en beoogt de kwaliteit van kinderopvang te waarborgen. De WKO is op 1 januari 2005 van kracht geworden en is in 2006 opgenomen in de Algemene Wet Inkomensafhankelijke Regelingen (AWIR). De WKO regelt onder andere de voorwaarden voor de opvang van kinderen in kinderdagverblijven en bij gastouders en het recht op kinderopvangtoeslag (KOT).

In het navolgende wordt uitgegaan van de WKO zoals deze luidde ten tijde van het ten laste gelegde.

Om in aanmerking te komen voor KOT moeten ouders aan onder meer de volgende voorwaarden voldoen:

  • -

    de toeslag moet worden aangevraagd door (of namens) de ouder(s);

  • -

    het kind moet naar een geregistreerde kinderopvangorganisatie gaan;

  • -

    de ouders dienen te werken, of een traject naar werk te volgen;

  • -

    de hoogte van de toeslag is afhankelijk van het inkomen van de ouder(s);

  • -

    de hoogte van de toeslag is afhankelijk van het aantal opvanguren, het uurtarief en het soort opvang dat plaatsvindt.

De tegemoetkoming voor kinderopvangkosten werkt op basis van een maandelijks voorschot dat door de Belastingdienst wordt verleend. Het voorschot wordt berekend op basis van de inschatting van de kosten voor kinderopvang en het (gezamenlijke) inkomen van de ouder(s). De KOT kan ook met terugwerkende kracht worden aangevraagd. Nadat een aanvraag is ingediend loopt deze het daarop volgende jaar automatisch door en hoeft er geen nieuwe aanvraag te worden gedaan.

Bij de aanvrager ligt de verplichting om, indien bijvoorbeeld het inkomen wijzigt of minder gebruik wordt gemaakt van kinderopvang, middels een wijzigingsformulier dit aan de Belastingdienst door te geven. Tevens dient een aanvrager na afloop van een kalenderjaar gegevens door te geven aan de Belastingdienst, waarna de KOT definitief wordt vastgesteld. Ter controle van deze definitieve vaststelling worden achteraf steekproefsgewijs aanvragers door de Belastingdienst aangeschreven met het verzoek om de door hen daadwerkelijk gemaakte kinderopvangkosten te onderbouwen. Aanvragers moeten hiervoor een ingevuld antwoordformulier retourneren aan de Belastingdienst, met bijgevoegd een jaaropgave van de gemaakte kinderopvangkosten.

4.2.

Start van het strafrechtelijke onderzoek

Door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) is onder de naam ‘Triple L’ een strafrechtelijk onderzoek gestart naar fraude met KOT. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat veel onjuiste aanvragen KOT waren ingediend vanuit Amsterdam Zuidoost. Uit nader onderzoek is gebleken dat 143 aanvragen/wijzigingen zijn ingediend vanaf zeven verschillende IP-adressen die waren afgegeven op naam van [naam 1] op het adres [adres, te plaats 2]. Volgens het systeem Beheer van Relaties (BvR), dat is gekoppeld aan de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA), was op voornoemd adres geen persoon genaamd [naam 1] woonachtig. Wel stond vanaf 6 september 2007 medeverdachte [medeverdachte 1] met haar twee dochters [dochter van medeverdachte 1] en [dochter B van medeverdachte 1] op dit adres ingeschreven. Uit het onderzoek is verder gebleken dat ook vanaf de IP-adressen, afgegeven op naam van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2], diverse aanvragen KOT zijn ingediend. De FIOD is ten aanzien van al deze aanvragen KOT nagegaan of daadwerkelijk sprake was van kinderopvang en heeft vastgesteld dat in de meeste gevallen sprake was van ten onrechte aangevraagde KOT.

Omdat de hiervoor vermelde aanvragen KOT zijn ingediend vanaf andere IP-adressen dan die in het strafrechtelijke onderzoek onder de naam Triple L – en hierdoor andere verdachten naar voren kwamen – is dit deel van het onderzoek afgesplitst en in een nieuw strafrechtelijk onderzoek ondergebracht onder de naam ‘Triple X’.

Gelet op de omstandigheid dat vanaf een IP-adres, afgegeven op naam van verdachte, meerdere onjuiste aanvragen KOT zijn ingediend, is ook een verdenking tegen verdachte ontstaan.

4.3.

Reeds genomen beslissingen getuigenverzoeken

Het strafrechtelijke onderzoek Triple X betreft een omvangrijk onderzoek waarin de FIOD een zeer groot aantal personen heeft gehoord op wiens naam KOT is aangevraagd (hierna: aanvragers). Naar aanleiding hiervan heeft de verdediging zowel bij de rechter-commissaris als bij de rechtbank verzoeken gedaan tot het horen van een groot aantal van deze aanvragers.

De rechter-commissaris heeft bij de beoordeling van de getuigenverzoeken – gezien de aard van de zaak – als uitgangspunt genomen dat in beginsel een selectie van de aanvragers mag worden gehoord. De rechter-commissaris heeft de verdediging in de gelegenheid gesteld om zelf een selectie te maken, maar dit heeft de verdediging nagelaten. Vervolgens heeft de rechter-commissaris zelf een selectie gemaakt en is de verdediging in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken over deze gemaakte selectie. Tenslotte is de verdediging door de rechter-commissaris in de gelegenheid gesteld om, indien verhoren daartoe aanleiding gaven, opnieuw en nader gemotiveerd om afgewezen getuigen te verzoeken. Een groot deel van de geselecteerde getuigen is ook daadwerkelijk gehoord. Ten aanzien van de overige verzochte getuigen was de rechter-commissaris van oordeel dat de verzoeken onvoldoende waren gemotiveerd.

Aan de vervolgens door de rechtbank afgewezen getuigenverzoeken heeft, met toetsing aan het verdedigingsbelang en zoals gemotiveerd ter terechtzitting van 6 oktober 2014, ten grondslag gelegen dat, gelet op de aard en grootte van het onderzoek, de controlebevoegdheid van de verdediging niet onbeperkt kan zijn. In dat licht mag van de verdediging worden verwacht dat zij concreet en gemotiveerd aangeven waarom zij een getuige wil horen. De rechtbank was van oordeel dat de getuigenverzoeken onvoldoende waren gemotiveerd.

5 Ter terechtzitting gedane verzoeken

5.1.

Verzoek tot bewijsuitsluiting

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ten aanzien van aanvragers die niet bij de rechter-commissaris zijn gehoord, feitelijk niet in de gelegenheid is geweest om het in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gegarandeerde ondervragingsrecht uit te oefenen, terwijl daar wel om is verzocht. De verklaringen van deze aanvragers, zoals afgelegd bij de FIOD, moeten daarom van het bewijs worden uitgesloten.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. De rechtbank constateert dat de onder feit 1 ten laste gelegde oplichting van de Belastingdienst als verzamelfeit ten laste is gelegd. Dit betekent dat iedere onder dit feit gespecificeerde valse aanvraag en/of wijziging KOT een verfeitelijking van die oplichting vormt. Bij een dergelijke tenlastelegging geldt dat de bewezenverklaring van die oplichting reeds volgt indien één van die specifieke valse aanvragen bewezenverklaard kan worden. De bewezenverklaring van de overige aanvragen kan vervolgens – alleen – bijdragen aan de omvang van die oplichting, meer in het bijzonder de omvang van het benadelingsbedrag en het bedrag van de afdrachten. Ter beoordeling van het bewijs van elke aanvraag geldt, met inachtneming van artikel 6 EVRM, telkens het wettelijk bewijsminimum.

De rechtbank stelt vast dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om ten aanzien van alle aanvragers het ondervragingsrecht te effectueren. Bij de beoordeling of zich in onderhavig geval een schending van artikel 6 EVRM heeft voorgedaan, moet de vraag worden gesteld of de verklaringen van de niet ondervraagde aangevers het enige of beslissende bewijsmateriaal vormen voor een mogelijke bewezenverklaring van een specifieke valse aanvraag. Volgens vaste jurisprudentie geldt als maatstaf dat in een geval waarin de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad een persoon die een belastende verklaring jegens verdachte tegenover de politie heeft afgelegd te (doen) ondervragen, artikel 6 EVRM niet in de weg staat aan het gebruik tot het bewijs van het proces-verbaal van een dergelijke verklaring, indien de betrokkenheid van de verdachte bij het aan hem ten laste gelegde feit in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Reeds voldoende is als de betrokkenheid van de verdachte bij het aan hem ten laste gelegde feit wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Dit steunbewijs zal betrekking moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die verdachte betwist.

Indien verklaringen in voldoende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen, kan de rechter, zonder inbreuk te maken op het recht van verdachte op een eerlijk proces en diens ondervragingsrecht in de zin van artikel 6 EVRM, voor het bewijs gebruik maken van de bij de politie afgelegde verklaringen. In dat geval behoeft de rechtbank niet te toetsen of aan de verdachte een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie is geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid tot daadwerkelijke ondervraging van de getuige. Dit is immers slechts van toepassing op gevallen waarin voldoende steunbewijs ontbreekt.

Hiervan uitgaande stelt de rechtbank voorop dat voor de bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde oplichting – voor zover deze ziet op de omvang – per aanvraag moet worden beoordeeld of zich twee of meer bewijsmiddelen in het dossier bevinden.

De waardering van het bewijs zal worden weergegeven in rubriek 6.3.2. Hieruit blijkt dat, voor zover aanvragers bij de FIOD zijn gehoord, maar geen verklaring hebben afgelegd bij de rechter-commissaris, zich in het dossier voldoende steunbewijs bevindt waaruit de betrokkenheid van verdachte bij de haar ten laste gelegde aanvragen naar voren komt. Het verzoek tot bewijsuitsluiting wordt dan ook verworpen.

5.2.

Voorwaardelijk verzoek tot aanhouding

De verdediging heeft, zakelijk weergegeven, subsidiair verzocht om, indien de rechtbank besluit om de bij de FIOD afgelegde verklaringen wel voor het bewijs te gebruiken, de inhoudelijke behandeling van de zaak aan te houden zodat aanvragers die slechts bij de FIOD een verklaring hebben afgelegd, alsnog bij de rechter-commissaris kunnen worden gehoord.

De rechtbank is van oordeel dat de noodzaak tot het horen van deze aanvragers niet is gebleken.

6 Waardering van het bewijs

6.1.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft, zoals weergegeven in het door haar ter terechtzitting overgelegde requisitoir, gerekwireerd tot integrale bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, conform de ter terechtzitting overgelegde pleitnota, betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten en heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Voor zover aanvragers hebben verklaard dat verdachte betrokken is geweest bij de haar ten laste gelegde feiten, zijn deze verklaringen onbetrouwbaar. Aanvragers hebben namelijk wisselende en ongeloofwaardige verklaringen afgelegd. De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] kan zelfs als kennelijk leugenachtig worden aangemerkt. Deze verklaringen worden voorts niet ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Een aantal onjuiste aanvragen KOT zijn ingediend vanaf een IP-adres dat in gebruik was bij verdachte. Verdachte heeft hierover verklaard dat deze personen bij haar over de vloer kwamen en gebruik maakten van haar computer. Het kan dan ook niet worden uitgesloten dat anderen dan verdachte deze onjuiste aanvragen KOT vanaf haar computer hebben ingediend. Daarnaast zijn op de bankrekening van verdachte diverse geldbedragen gestort. Nergens blijkt uit dat deze overboekingen met de KOT samenhangen. De verklaring van verdachte hierover is duidelijk, namelijk dat dit inkomsten betroffen van haar band ‘[naam 2]’.

Verdachte kan voorts ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet worden aangemerkt als medepleger, nu niet blijkt dat sprake is geweest een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de aanvragers van KOT. Het doorgeven van informatie – voor zover dit kan worden vastgesteld – levert geen medeplegen op.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde ontbreekt het bewijs voor witwassen. Voor zover kan worden bewezen dat de geldbedragen in het bezit zijn geweest van verdachte, waren deze uit eigen misdrijf afkomstig. Niet is gebleken op welke wijze verdachte de criminele herkomst van deze gelden zou hebben gepoogd te verbergen of te verhullen.

Van een criminele organisatie is geen sprake, nu niet wordt voldaan aan de hiervoor geldende vereisten.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de redengevende feiten en omstandigheden, zoals hieronder vermeld.1 De inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – wordt slechts gebruikt tot het bewijs van het ten laste gelegde feit waarop het, zoals blijkt uit de inhoud, kennelijk betrekking heeft.

Mede naar aanleiding van de door de officier van justitie en de verdediging ter terechtzitting ingenomen standpunten, ziet de rechtbank zich voor de volgende vragen gesteld:

  • -

    Had verdachte een rol bij het indienen van valse aanvragen KOT en zo ja, welke?

  • -

    Is verdachte betrokken geweest bij het valselijk opmaken of vervalsen van geschriften en/of heeft hij gebruik gemaakt van deze valse of vervalste geschriften?

  • -

    Heeft verdachte zich in zaak A en B schuldig gemaakt aan (gewoonte)witwassen?

  • -

    Is sprake van een criminele organisatie en heeft verdachte daaraan deelgenomen?

6.3.1.

Algemene overwegingen

6.3.1.1. Onbetrouwbaarheid aanvragers

Voor zover de verdediging heeft betoogd dat aanvragers onbetrouwbaar zijn omdat zij wisselend hebben verklaard, hun verklaringen niet worden ondersteund door objectieve feiten en zij een belang zouden hebben bij het belasten van verdachte en ontlasten van zichzelf, overweegt de rechtbank als volgt.

De aanvragers hebben onafhankelijk van elkaar over het algemeen consistent, gedetailleerd en nagenoeg gelijk verklaard over de werkwijze van verdachte en haar mededader(s). De verklaringen worden voorts ondersteund – zoals hierna in rubriek 6.3.2. is weergegeven – door andere bewijsmiddelen. Dat aanvragers belang zouden hebben bij het belastend verklaren tegen verdachte is de rechtbank op geen enkele wijze gebleken. Voorts heeft een aantal aanvragers bij de rechter-commissaris volhard bij hun eerder afgelegde belastende verklaringen, ook nadat zij zelf inmiddels waren veroordeeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaringen voldoende aanknopingspunten bieden om als bewijs te dienen in de zaak van verdachte.

6.3.2.

Feiten 1 en 2

Niet in geschil is dat de in de tenlastelegging opgenomen aanvragen KOT onjuist zijn, aangezien vaststaat dat geen van de kinderen van de aanvragers daadwerkelijk kinderopvang heeft genoten waarvoor de toeslag was bestemd. Verder is niet in geschil dat de in de tenlastelegging opgenomen geschriften zijn vervalst en/of valselijk zijn opgemaakt en dat hiervan gebruik is gemaakt door ze naar de Belastingdienst op te sturen.

De vraag die de rechtbank zich ziet gesteld is of verdachte betrokken is geweest bij de haar onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

6.3.2.1. Algemene bevindingen

Uit onderzoek is gebleken dat 143 aanvragen KOT zijn verstuurd vanaf zeven verschillende IP-adressen. Deze IP-adressen waren afgegeven op het adres [adres, te plaats 2], het woon/verblijfadres van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3].2 Tijdens de doorzoeking van de woning is op een bureau in de woonkamer een computer van het merk Acer in beslag genomen.3 Hierop zijn gegevens aangetroffen waaruit blijkt dat met deze computer aanvragen KOT zijn verstuurd.4 In de woning zijn meer aanwijzingen gevonden van betrokkenheid bij de onderhavige feiten.5 Zo is een agenda aangetroffen waarin persoonsgegevens van aanvragers staan genoteerd. Verder is gebleken dat in de woning een beveiligd draadloos netwerk aanwezig was.6

Verdachte en [medeverdachte 3] zijn bekenden van elkaar. Zij spelen beiden in de Surinaamse band genaamd '[naam 2]’.7

Vanaf het IP-adres [IP-adres 1] dat op het woonadres en ten name van verdachte is afgegeven zijn op naam van verschillende personen in totaal elf aanvragen en/of wijzigingen KOT bij de Belastingdienst ingediend.8 Op de computer die is aangetroffen in de woning van verdachte zijn in totaal 14 .KOD bestanden aangetroffen. Deze extensie is gekoppeld aan aanvragen KOT.9 Ook zijn in de woning van verdachte diverse bescheiden aangetroffen die betrekking hebben op het aanvragen van KOT.10 Deze bescheiden worden hieronder nader genoemd.

In de periode van 23 december 2008 tot en met 10 april 2012 is in totaal een geldbedrag van

€ 13.330,- contant op de bankrekening van verdachte gestort. In diezelfde periode is een geldbedrag van € 29.550,- contant van haar bankrekening opgenomen.11

6.3.2.2. Bespreking van de ten laste gelegde aanvragen

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 uit van de in de tenlastelegging genoemde aanvragen. Deze aanvragen zullen afzonderlijk en aan de hand van de in rubriek 5.1. vermelde maatstaf worden besproken.

De rechtbank maakt onderscheid tussen I) verklaringen van aanvragers die bij de rechter-commissaris een verklaring hebben afgelegd waaruit de directe betrokkenheid van verdachte bij de haar ten laste gelegde aanvragen naar voren komt en II) verklaringen van aanvragers die bij de FIOD zijn gehoord, maar geen verklaring hebben afgelegd bij de rechter-commissaris. Ten aanzien van de laatste groep aanvragers bevindt zich, zoals hierna zal blijken, voldoende steunbewijs in het dossier waaruit de betrokkenheid van verdachte bij de haar ten laste gelegde aanvragen naar voren komt.

Categorie I

In deze categorie vallen de aanvragen waarbij de aanvrager bij de FIOD en bij de rechter-commissaris is gehoord en bij de rechter-commissaris een verklaring heeft afgelegd waaruit de directe betrokkenheid van verdachte bij de haar ten laste gelegde aanvragen naar voren komt.

Aanvraag [persoon 1]

Op naam van [persoon 1] is op 8 januari 2009 een aanvraag voor toekenning van KOT bij de Belastingdienst ingediend. Op 24 februari 2010 en op 10 juni 2010 zijn wijzigingsaanvragen bij de Belastingdienst binnengekomen. De Belastingdienst heeft een geldbedrag van in totaal

€ 48.581,- uitgekeerd.12 De wijzigingsaanvraag van 24 februari 2010 is ingediend vanaf het IP-adres [IP-adres 2]. Dit IP-adres is afgegeven op het adres [adres, te plaats 2], het woon/verblijfadres van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3].13 De wijzigingsaanvraag van 10 juni 2010 is verstuurd vanaf het IP-adres [IP-adres 1]. Dit IP-adres is afgegeven op naam van verdachte.14

De in de aanvraag vermelde kinderen hebben geen kinderopvang genoten.15 [persoon 1] heeft verklaard dat verdachte de KOT voor haar heeft aangevraagd. Hiertoe heeft zij haar persoonsgegevens en die van haar kinderen aan verdachte gegeven. [persoon 1] heeft de wijzigingsaanvragen niet ingediend. Nadat het geld was gestort moest zij de helft aan verdachte geven, anders zou ze problemen krijgen. In totaal heeft zij ongeveer € 24.000,- aan verdachte betaald.16

Ten aanzien van het antwoordformulieren KOT 2008 en 2009 en de geschriften van [kinderopvang 1] en [kinderopvang 2]17 heeft [persoon 1] verklaard dat zij alles wat zij van de Belastingdienst ontving aan verdachte moest geven. Zij heeft op de antwoordformulieren alleen haar handtekening gezet. De andere geschriften heeft ze nooit eerder gezien.18

Bij de doorzoeking van het woonadres van verdachte is een computer van het merk Packard Bell en een laptop van het merk Toshiba in beslag genomen.19 Hierop zijn bestanden met de extensie .KOD aangetroffen. Deze extensie is gekoppeld aan aanvragen voor KOT. Op de in beslag genomen laptop zijn meerdere .KOD bestanden aangetroffen, waaronder één die kan worden gekoppeld aan het BSN-nummer van [persoon 1].20

[persoon 1] heeft de door haar eerder bij de FIOD afgelegde verklaring grotendeels herhaald en bevestigd bij de rechter-commissaris.21

Aanvraag [persoon 2]

Op naam van [persoon 2] is op 18 januari 2009 een aanvraag voor toekenning van KOT bij de Belastingdienst ingediend. De Belastingdienst heeft een geldbedrag van in totaal € 49.266,- uitgekeerd.22

Het in de aanvraag vermelde kind heeft geen kinderopvang genoten.23 [persoon 2] heeft verklaard dat verdachte de KOT voor haar heeft geregeld. Zij heeft hiertoe haar persoonsgegevens en die van haar kind aan verdachte gegeven. Nadat het geld was gestort heeft zij € 5.000,- naar verdachte overgemaakt. Van de KOT die zij vervolgens maandelijks ontving, moest zij € 400,- aan verdachte betalen.24 Uit onderzoek naar de bankrekening van verdachte is gebleken dat [persoon 2] in de periode van 27 januari 2009 tot en met 23 juli 2010 een geldbedrag van € 22.730,- naar verdachte heeft overgemaakt.25

Ten aanzien van het antwoordformulier KOT 2008 en de jaaropgave van [kinderopvang 3]26 heeft [persoon 2] verklaard dat zij haar handtekening heeft gezet op het antwoordformulier, maar verder niets heeft ingevuld. Het formulier heeft zij naar verdachte gestuurd. De jaaropgave heeft zij niet eerder gezien. [persoon 2] denkt dat verdachte deze naar de Belastingdienst heeft gestuurd, aangezien zij alles voor haar in orde zou maken.27 Tot slot heeft [persoon 2] verklaard dat zij haar nicht, [persoon 3], in contact heeft gebracht met verdachte. Zij heeft middels een sms-bericht de gegevens van [persoon 3] naar verdachte gestuurd. Ook heeft zij [persoon 4] (de rechtbank begrijpt [persoon 4]) in contact gebracht met verdachte.28

[persoon 2] heeft de door haar eerder bij de FIOD afgelegde verklaring grotendeels herhaald en bevestigd bij de rechter-commissaris.29

Aanvraag [persoon 3]

Op naam van [persoon 3] is op 13 augustus 2009 een aanvraag voor toekenning van KOT bij de Belastingdienst ingediend. Op 4 oktober 2009 is een wijzigingsaanvraag bij de Belastingdienst binnengekomen. De Belastingdienst heeft een geldbedrag van in totaal € 93.662,- uitgekeerd.30

De in de aanvraag vermelde kinderen hebben geen kinderopvang genoten.31 [persoon 3] heeft verklaard dat zij haar persoonsgegevens en die van haar kinderen aan haar nichtje (voornoemde [persoon 2]) heeft gegeven. Haar nichtje heeft gezegd dat verdachte de aanvraag KOT regelde. Nadat het geld was gestort moest [persoon 3] € 20.000,- contant aan verdachte geven. Van de € 3.000,- KOT die [persoon 3] vervolgens maandelijks ontving, gaf zij € 2.000,- aan haar nichtje. Dit geldbedrag heeft zij soms gepind en contant betaald aan haar nichtje, andere keren heeft ze het naar haar nichtje overgemaakt. Volgens haar nichtje moest zij het geld aan verdachte geven. Ten aanzien van het antwoordformulier kinderopvanggegevens 200932 heeft [persoon 3] verklaard dat zij hierover met haar nichtje heeft gebeld, waarna haar nichtje contact heeft opgenomen met verdachte. [persoon 3] mocht het formulier alleen ondertekenen. Vervolgens heeft zij, maar ook haar nichtje, dit formulier bij haar moeder achtergelaten. [persoon 3] denkt dat verdachte de formulieren daar heeft opgehaald.33

De verklaring van [persoon 3] wordt grotendeels bevestigd door de verklaring van [persoon 2], zoals hiervoor genoemd. Verder blijkt uit onderzoek naar de bankrekening van [persoon 3] is gebleken dat zij in de periode van 21 september 2009 tot en met 22 december 2010 een geldbedrag van € 22.050,- naar [persoon 2] heeft overgemaakt.34 Uit onderzoek naar de bankrekening van verdachte is gebleken dat [persoon 2] in de periode van 27 januari 2009 tot en met 23 juli 2010 een geldbedrag van € 22.730,- naar verdachte heeft overgemaakt.35 Verder is bij de doorzoeking van de woning van verdachte een notitieblok aangetroffen. Op een blaadje in dit notitieblokje staan de geboortedatum, het BSN-nummer en de postcode van [persoon 3] genoteerd.36

[persoon 3] heeft de door haar eerder bij de FIOD afgelegde verklaring grotendeels herhaald en bevestigd bij de rechter-commissaris.37

Aanvraag [persoon 5]

Op naam van [persoon 5] is op 12 november 2009 een aanvraag voor toekenning van KOT bij de Belastingdienst ingediend. Op 22 februari 2010 is een wijzigingsaanvraag bij de Belastingdienst binnengekomen. De Belastingdienst heeft een geldbedrag van in totaal € 66.584,- uitgekeerd.38 De wijzigingsaanvraag is gedaan vanaf het IP-adres [IP-adres 2]. Dit IP-adres is afgegeven op het adres [adres, te plaats 2], het woon/verblijfadres van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3].39

De in de aanvraag vermelde kinderen hebben geen kinderopvang genoten.40 [persoon 5] heeft verklaard dat zij via haar nicht [mededader 4] in contact is gekomen met verdachte. Nadat zij haar persoonsgegevens en die van haar kinderen aan verdachte had gegeven, heeft verdachte de KOT voor haar geregeld. [persoon 5] wist dat zij geld aan verdachte moest bestalen. Nadat het geld was gestort heeft zij het contant opgenomen en ongeveer € 18.000,- aan verdachte afgestaan. Later heeft zij nog eens ongeveer € 12.000,- contant aan verdachte moeten betalen. Van de maandelijkse KOT die [persoon 5] ontving, moest zij per kind € 300,-, dus in totaal € 1.200,-, contant aan verdachte betalen. Omdat [persoon 5] geen contact meer kon krijgen met verdachte, heeft zij vier keer € 1.200,- aan medeverdachte [medeverdachte 3] gegeven. Zij wist namelijk dat [medeverdachte 3] verdachte kende en zij heeft hem gevraagd of hij het geld aan verdachte kon geven.41 [persoon 5] heeft in totaal € 39.600,- afgestaan.42

[mededader 4] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij het telefoonnummer van verdachte aan [persoon 5] heeft gegeven.43

[persoon 5] heeft de door haar eerder bij de FIOD afgelegde verklaring grotendeels herhaald en bevestigd bij de rechter-commissaris.44

Categorie II

In deze categorie vallen de aanvragen waarbij de aanvrager wel bij de FIOD is gehoord, maar geen verklaring bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, maar waarbij de rechtbank van oordeel is dat zich in het dossier voldoende steunbewijs bevindt waaruit de directe betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde aanvragen naar voren komt.

Aanvraag [medeverdachte 2]

Op naam van [medeverdachte 2] is op 5 december 2008 een wijzigingsaanvraag voor toekenning van KOT bij de Belastingdienst ingediend. Op 28 maart 2009 is opnieuw een wijzigingsaanvraag bij de Belastingdienst binnengekomen. De Belastingdienst heeft een geldbedrag van in totaal € 84.767,- uitgekeerd.45

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij ten behoeve van de wijzigingsaanvraag van 5 december 2008 haar persoonsgegevens en die van haar kinderen aan verdachte heeft gegeven. Verdachte heeft tegen haar gezegd dat iemand anders de aanvraag KOT voor haar zou regelen. [medeverdachte 2] heeft gehoord dat medeverdachte [medeverdachte 3] de aanvraag zou hebben gedaan. Voor het aanvragen van de KOT moest [medeverdachte 2] € 4.000,- aan verdachte betalen.46

[medeverdachte 2] heeft de door haar eerder bij de FIOD afgelegde verklaring grotendeels bij de rechter-commissaris herhaald en bevestigd.47

De rechtbank vindt steunbewijs voor de door [medeverdachte 2] aangegeven betrokkenheid van [verdachte] in de volgende feiten en omstandigheden. Op naam van [persoon 7], na te noemen, zijn KOT aanvragen verstuurd van zowel het IP-adres van [medeverdachte 2] (op 15 maart 2010) als [verdachte] (op 10 juni 2010), terwijl deze [persoon 7] in haar verklaring niet [medeverdachte 2] maar wel de betrokkenheid van [verdachte] benoemt. Voorts wordt op naam van [persoon 8] een KOT aanvraag verstuurd vanaf het IP-adres van [medeverdachte 2] op 22 maart 2010, terwijl uit de bewijsmiddelen volgt dat het [verdachte] is geweest die hier een initiërende rol heeft gespeeld en geld heeft ontvangen voor haar bemiddeling. Verwezen wordt naar de na te noemen bewijsmiddelen onder aanvraag [persoon 7] en [persoon 8].

Gelet op deze betrokkenheid van verdachte bij KOT aanvragen van anderen, waarbij ook [medeverdachte 2] in beeld komt, en waarbij verdachte een vergelijkbare rol heeft als de rol die [medeverdachte 2] verdachte toedicht ten aanzien van haar eigen aanvraag, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de betrokkenheid van verdachte bij de aanvraag van [medeverdachte 2].

Aanvraag [persoon 9]

Op naam van [persoon 9] is op 28 januari 2009 een aanvraag voor toekenning van KOT bij de Belastingdienst ingediend. Op 29 april 2009 is een nieuwe aanvraag KOT bij de Belastingdienst binnengekomen. De Belastingdienst heeft een geldbedrag van in totaal € 32.718,- uitgekeerd.48

Het in de aanvraag vermelde kind heeft geen kinderopvang genoten.49 [persoon 9], de moeder van de hiervoor genoemde [naam 6], heeft verklaard dat verdachte haar heeft gebeld en tegen haar heeft gezegd dat zij recht had op KOT. Op verzoek van verdachte heeft zij haar persoonsgegevens en die van haar kind naar verdachte gestuurd. Verdachte heeft tegen haar gezegd dat zij voor het aanvragen van KOT geld aan haar moest betalen. Nadat het geld was gestort heeft [persoon 9] ongeveer de helft aan verdachte betaald. Van de maandelijkse KOT die [persoon 9] ontving moest zij elke maand € 200,- aan verdachte afstaan. Dit geld maakte zij over naar de bankrekening van verdachte. In totaal heeft zij ongeveer € 10.300,- aan verdachte betaald.

Ten aanzien van de antwoordformulieren KOT 2008 en 200950 heeft [persoon 9] verklaard dat zij deze alleen heeft ondertekend en daarna aan verdachte heeft gegeven. De facturen van [kinderopvang 1]51 en de jaaropgave van [kinderopvang 4]52 heeft [persoon 9] niet eerder gezien.53

Uit onderzoek naar de bankrekening van verdachte is gebleken dat [persoon 9] een geldbedrag van € 1.230,- naar verdachte heeft overgemaakt.54

Aanvraag [persoon 4]

Op naam van [persoon 4] is op 12 oktober 2009 een aanvraag voor toekenning van KOT bij de Belastingdienst ingediend. Op 3 november 2009 en 16 februari 2010 zijn wijzigingsaanvragen bij de Belastingdienst binnengekomen. De Belastingdienst heeft een geldbedrag van in totaal € 32.001,- uitgekeerd.55 De wijzigingsaanvraag van 16 februari 2010 is verstuurd vanaf het IP-adres [IP-adres 2]. Dit IP-adres is afgegeven op het adres [adres, te plaats 2], het woon/verblijfadres van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3].56

De in de aanvragen vermelde kinderen hebben geen kinderopvang genoten.57 [persoon 4] heeft verklaard dat [persoon 2] tegen haar heeft gezegd dat ze recht had op KOT. Zij heeft vervolgens haar persoonsgegevens en die van haar kinderen middels een sms-bericht naar [persoon 2] gestuurd. Vervolgens heeft [persoon 2] de KOT geregeld. [persoon 4] wist vooraf dat zij voor het aanvragen van KOT geld moest betalen. Nadat het geld was gestort heeft zij € 10.000,- contant aan [persoon 2] gegeven. [persoon 2] heeft tegen haar gezegd dat zij dit moest afstaan aan degene die de KOT had aangevraagd. [persoon 2] heeft verklaard, zoals hiervoor reeds is weergegeven, dat zij de persoonsgegevens van [persoon 4] aan verdachte heeft gegeven.58 Ook heeft [persoon 4] negen keer € 900,- naar [persoon 2] overgemaakt.59 [persoon 4] heeft in totaal € 18.100,- aan verdachte afgestaan.

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte is een notitieblok aangetroffen. Op een blaadje in dit notitieblokje de naam [persoon 4] genoteerd.60

Aanvraag [persoon 10]

Op naam van [persoon 10] is op 12 oktober 2009 een aanvraag voor toekenning van KOT bij de Belastingdienst ingediend. De Belastingdienst heeft een geldbedrag van in totaal € 34.982,- uitgekeerd.61

[persoon 10] heeft verklaard dat haar dochter nooit op een kinderopvang heeft gezeten. Haar achterbuurvrouw, verdachte, heeft tegen haar gezegd dat ze recht had op KOT. Verdachte kon dit voor haar aanvragen. [persoon 10] heeft vervolgens haar persoonsgegevens en die van haar dochter aan verdachte gegeven. Deze gegevens heeft zij op een papiertje geschreven. Nadat het geld was gestort moest zij € 5.000,- aan verdachte betalen.62

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte is een notitieblok aangetroffen. Op een blaadje in dit notitieblokje staan de persoonsgegevens van [persoon 10] en die van haar dochter genoteerd.63 [persoon 10] heeft hierover verklaard dat het haar handschrift betreft en dat zij op verzoek van verdachte deze gegevens op het papiertje heeft geschreven.64

Aanvraag [persoon 11]

Op naam van [persoon 11] is op 11 maart 2010 een aanvraag voor toekenning van KOT bij de Belastingdienst ingediend. De Belastingdienst heeft een geldbedrag van in totaal € 34.859,- uitgekeerd.65 Deze aanvraag is verstuurd vanaf het IP-adres [IP-adres 3]. Dit IP-adres is afgegeven op naam van de medeverdachte [medeverdachte 2].66 [medeverdachte 2] heeft verklaard dat verdachte haar heeft gevraagd om voor een aantal mensen KOT aan te vragen. De gegevens die hiervoor nodig waren ontving zij van verdachte.67

De in de aanvraag vermelde kinderen hebben geen kinderopvang genoten.68 [persoon 11] heeft verklaard dat zij via haar nicht in contact is gekomen met ene [persoon 9] (vermoedelijk [persoon 9]). Zij heeft tegen haar gezegd dat ze recht had op KOT. [persoon 11] heeft vervolgens haar persoonsgegevens en die van haar kinderen aan [persoon 9] gegeven. Nadat de KOT was gestort moest zij hiervan de helft contant aan [persoon 9] gegeven. Dit was volgens [persoon 9] bedoeld om mensen van de Belastingdienst te betalen. De dochter van [persoon 9], genaamd [persoon 2], heeft later in Suriname tegen [persoon 11] gezegd dat zij deze mensen zou kennen.69 [persoon 11] heeft in totaal € 16.500,- aan [persoon 9] betaald.70

[persoon 9] heeft verklaard dat zij de persoonsgegevens van [persoon 11] en die van haar kinderen aan verdachte heeft gegeven. Ook bevestigt [persoon 9] dat zij ongeveer € 9.000,- contant van [persoon 11] heeft ontvangen en dit heeft doorgegeven aan verdachte.71 [persoon 2] heeft verklaard dat zij de persoonsgegevens van anderen aan verdachte heeft gegeven. Ook heeft zij bevestigd dat zij in Suriname contact heeft gehad met [persoon 11].72

Aanvraag [persoon 7]

Op naam van [persoon 7] is op 15 maart 2010 een aanvraag voor toekenning van KOT bij de Belastingdienst ingediend. Op 10 juni 2010 is wederom een aanvraag KOT bij de Belastingdienst binnengekomen. De Belastingdienst heeft een geldbedrag van in totaal € 17.794,- uitgekeerd.73

De aanvraag van 15 maart 2010 is verstuurd vanaf het IP-adres [IP-adres 3]. Dit IP-adres is afgegeven op naam van de medeverdachte [medeverdachte 2].74 De aanvraag van 10 juni 2010 is verstuurd vanaf het IP-adres [IP-adres 1]. Dit IP-adres is afgegeven op naam van verdachte.75 Bij de doorzoeking van het woonadres van verdachte is een computer van het merk Packard Bell en een laptop van het merk Toshiba in beslag genomen.76 Hierop zijn bestanden met de extensie .KOD aangetroffen. Deze extensie is gekoppeld aan aanvragen voor KOT. Op de in beslag genomen laptop zijn meerdere .KOD bestanden aangetroffen, waaronder één die kan worden gekoppeld aan het BSN-nummer van [persoon 11].77

Het in de aanvraag vermelde kind heeft geen kinderopvang genoten.78 [persoon 7] heeft verklaard dat een toenmalige vriendin, verdachte, tegen haar heeft gezegd dat ze recht had op KOT. Verdachte zou dit met drie mannen regelen. [persoon 7] heeft haar persoonsgegevens en die van haar kind aan verdachte gegeven. Nadat het geld was gestort moest zij € 4.500,- contant aan verdachte betalen. Ook heeft [persoon 7] verklaard dat zij voor [persoon 12] en [persoon 13] heeft bemiddeld voor het aanvragen van KOT. Voor beide personen is via verdachte KOT aangevraagd. Zowel [persoon 12] als [persoon 13] hebben voor het aanvragen van KOT geld aan [persoon 7] betaald, waarna [persoon 7] dit aan verdachte heeft gegeven, onder andere via MoneyGram.79 Op 11 januari 2011 is een MOT-melding ontvangen van een transactie tussen [persoon 7] naar verdachte via Moneygram. Uit deze melding blijkt dat [persoon 7] op 10 oktober 2010 een bedrag van € 2.500,- naar verdachte heeft overgemaakt.80 Verder blijkt uit de analyse van de bankrekening van verdachte dat [persoon 7] op 1 juli en 3 september 2010 respectievelijk € 1.500,- en € 250,- naar verdachte heeft overgemaakt.81

De verklaring van [persoon 7] wordt ondersteund door de verklaringen van [persoon 12] en [persoon 13].82

Aanvraag [persoon 8]

Op naam van [persoon 8] is op 22 maart 2010 een aanvraag voor toekenning van KOT bij de Belastingdienst ingediend. De Belastingdienst heeft een geldbedrag van in totaal € 17.057,- uitgekeerd.83 Deze aanvraag is verstuurd vanaf het IP-adres [IP-adres 3]. Dit IP-adres is afgegeven op naam van de medeverdachte [medeverdachte 2].84 [medeverdachte 2] heeft verklaard dat verdachte haar heeft gevraagd om voor een aantal mensen KOT aan te vragen. De gegevens die hiervoor nodig waren ontving zij van verdachte.85

Het in de aanvraag vermelde kind heeft geen kinderopvang genoten.86 [persoon 8] heeft verklaard dat zij voor het aanvragen van KOT is benaderd door [persoon 2]. Zij heeft middels een sms-bericht haar persoonsgegevens en die van haar kind naar [persoon 2] gestuurd. Nadat het geld was gestort moest zij € 5.000,- contant aan [persoon 2] betalen. Daarna heeft zij maandelijks € 250,- aan haar betaald. Dit heeft zij vier keer gedaan.87 [persoon 2] heeft de verklaring van [persoon 8] bevestigd en voorts verklaard dat zij het geld aan verdachte moest geven.88 [persoon 2] heeft de door haar bij de FIOD afgelegde verklaring bij de rechter-commissaris grotendeels herhaald en bevestigd.89

Aanvraag [persoon 14]

Op naam van [persoon 14] is op 20 juni 2010 een aanvraag voor toekenning van KOT bij de Belastingdienst ingediend. De Belastingdienst heeft een geldbedrag van in totaal € 13.986,- uitgekeerd.90

Deze aanvraag is verstuurd vanaf het IP-adres [IP-adres 1]. Dit IP-adres is afgegeven op naam van verdachte.91 Bij de doorzoeking van het woonadres van verdachte is een computer van het merk Packard Bell en een laptop van het merk Toshiba in beslag genomen.92 Hierop zijn bestanden met de extensie .KOD aangetroffen. Deze extensie is gekoppeld aan aanvragen voor KOT. Op de in beslag genomen laptop zijn meerdere .KOD bestanden aangetroffen, waaronder één die kan worden gekoppeld aan het BSN-nummer van [persoon 14].93

Het in de aanvraag vermelde kind heeft geen kinderopvang genoten.94 [persoon 14] heeft verklaard dat verdachte haar heeft benaderd over het aanvragen van KOT. Zij heeft haar persoonsgegevens en die van haar kind aan verdachte gegeven.95 Uit de analyse van de bankrekening van verdachte blijkt dat [persoon 14] vanaf de datum waarop KOT is aangevraagd, in totaal € 4.415,- naar verdachte heeft overgemaakt.96

Aanvraag [persoon 15]

Op naam van [persoon 15] is op 5 juni 2010 een aanvraag voor toekenning van KOT bij de Belastingdienst ingediend. Op diezelfde dag is eveneens een wijzigingsaanvraag bij de Belastingdienst binnengekomen. De Belastingdienst heeft een geldbedrag van in totaal € 24.099,- uitgekeerd.97

Beide aanvragen zijn verstuurd vanaf het IP-adres [IP-adres 1]. Dit IP-adres is afgegeven op naam van verdachte.98 Bij de doorzoeking van het woonadres van verdachte is een computer van het merk Packard Bell en een laptop van het merk Toshiba in beslag genomen.99 Hierop zijn bestanden met de extensie .KOD aangetroffen. Deze extensie is gekoppeld aan aanvragen voor KOT. Op de in beslag genomen laptop zijn meerdere .KOD bestanden aangetroffen, waaronder één die kan worden gekoppeld aan het BSN-nummer van [persoon 15].100

De in de aanvraag vermelde kinderen hebben geen kinderopvang genoten.101 [persoon 15] heeft verklaard dat de KOT was aangevraagd door ene [allias verdachte], woonachtig op het adres [adres, te plaats 3]. Zij heeft hiertoe haar persoonsgegevens en die van haar kinderen aan [allias verdachte] gegeven. Nadat het geld was gestort heeft zij € 16.000,- contant aan [allias verdachte] gegeven, daarna moest zij maandelijks € 1.750,- contant aan haar betalen. Dit heeft zij vier keer gedaan. Verbalisanten hebben [persoon 15] een groot aantal foto’s van personen getoond. Bij de foto van verdachte heeft [persoon 15] verklaard dat dit degene is die zij aanduidt [allias verdachte].102

Aanvraag [persoon 13]

Op naam van [persoon 13] is op 10 juni 2010 een aanvraag voor toekenning van KOT bij de Belastingdienst ingediend. De Belastingdienst heeft een geldbedrag van in totaal € 10.008,- uitgekeerd.103 Deze aanvraag is verstuurd vanaf het IP-adres [IP-adres 1]. Dit IP-adres is afgegeven op naam van verdachte.104 Bij de doorzoeking van het woonadres van verdachte is een computer van het merk Packard Bell en een laptop van het merk Toshiba in beslag genomen.105 Hierop zijn bestanden met de extensie .KOD aangetroffen. Deze extensie is gekoppeld aan aanvragen voor KOT. Op de in beslag genomen laptop zijn meerdere .KOD bestanden aangetroffen, waaronder één die kan worden gekoppeld aan het BSN-nummer van [persoon 13].106

Het in de aanvraag vermelde kind heeft geen kinderopvang genoten.107 [persoon 7] heeft verklaard dat [persoon 7] de aanvraag KOT heeft geregeld. Zij heeft hiertoe haar persoonsgegevens en die van haar pleegdochter aan [persoon 7] doorgegeven. Zij is met [persoon 7] in contact gekomen via haar nicht [persoon 12]. Nadat het geld was gestort heeft zij € 3.000,- contant aan [persoon 12] gegeven. [persoon 12] heeft tegen haar gezegd dat zij dit geld weer aan [persoon 7] heeft gegeven. Van de KOT die zij maandelijks ontving, moest zij € 300,- aan [persoon 12] betalen, hetgeen zij vijf keer heeft gedaan. [persoon 12] moest deze geldbedragen weer aan [persoon 7] geven.108

De verklaring van [persoon 7] wordt ondersteund door de verklaringen van [persoon 12] en [persoon 7].109

Aanvraag [persoon 12]

Op naam van [persoon 12] is op 17 juni 2010 een aanvraag voor toekenning van KOT bij de Belastingdienst ingediend. Op 24 augustus 2010 is een wijzigingsaanvraag bij de Belastingdienst binnengekomen. De Belastingdienst heeft een geldbedrag van in totaal € 40.337,- uitgekeerd.110

Deze aanvragen zijn verstuurd vanaf het IP-adres [IP-adres 1]. Dit IP-adres is afgegeven op naam van verdachte.111 Bij de doorzoeking van het woonadres van verdachte is een computer van het merk Packard Bell en een laptop van het merk Toshiba in beslag genomen.112 Hierop zijn bestanden met de extensie .KOD aangetroffen. Deze extensie is gekoppeld aan aanvragen voor KOT. Op de in beslag genomen laptop zijn meerdere KOD bestanden aangetroffen, waaronder één die kan worden gekoppeld aan het BSN-nummer van [persoon 12].113

De in de aanvragen vermelde kinderen hebben geen kinderopvang genoten.114 [persoon 12] heeft verklaard dat [persoon 7] tegen haar had gezegd dat ze recht had op geld van de Belastingdienst. Zij heeft haar persoonsgegevens en die van haar kinderen aan [persoon 7] gegeven. [persoon 12] wist dat zij de helft van het geld moest afstaan aan [persoon 7]. Nadat het geld was gestort heeft zij € 11.000,- contant aan [persoon 7] gegeven. Daarna heeft zij maandelijks € 1.100,- moeten betalen, dit heeft zij een keer of vijf gedaan.115

De verklaring van [persoon 12] wordt ondersteund door de verklaring [persoon 7].116

Aanvraag [persoon 16]

Op naam van [persoon 16] is op 19 juli 2010 een aanvraag voor toekenning van KOT bij de Belastingdienst ingediend. De Belastingdienst heeft een geldbedrag van € 24.099,- uitgekeerd.117

Deze aanvraag is verstuurd vanaf het IP-adres [IP-adres 1]. Dit IP-adres is afgegeven op naam van verdachte.118 Bij de doorzoeking van het woonadres van verdachte is een computer van het merk Packard Bell en een laptop van het merk Toshiba in beslag genomen.119 Hierop zijn bestanden met de extensie .KOD aangetroffen. Deze extensie is gekoppeld aan aanvragen voor KOT. Op de in beslag genomen laptop zijn meerdere .KOD bestanden aangetroffen, waaronder één die kan worden gekoppeld aan het BSN-nummer van [persoon 16].120

De in de aanvraag vermelde kinderen hebben geen kinderopvang genoten.121 [persoon 16] heeft verklaard dat haar vriend [persoon 25] de aanvraag KOT heeft geregeld. Nadat het geld was gestort hebben zij eerst € 11.000,- moeten betalen, daarna hebben zij maandelijks € 1.000,- afgestaan.122 De vriend van [persoon 16] heeft dit bevestigd en voorts verklaard dat de mensen die de KOT hebben aangevraagd in Amsterdam zouden wonen.123

Aanvraag [persoon 17]

Op naam van [persoon 17] is op 17 augustus 2010 een aanvraag voor toekenning van KOT bij de Belastingdienst ingediend. De Belastingdienst heeft een geldbedrag van in totaal € 10.008,- uitgekeerd.124

Deze aanvraag is verstuurd vanaf het IP-adres [IP-adres 1]. Dit IP-adres is afgegeven op naam van verdachte.125 Bij de doorzoeking van het woonadres van verdachte is een computer van het merk Packard Bell en een laptop van het merk Toshiba in beslag genomen.126 Hierop zijn bestanden met de extensie .KOD aangetroffen. Deze extensie is gekoppeld aan aanvragen voor KOT. Op de in beslag genomen laptop zijn meerdere .KOD bestanden aangetroffen, waaronder één die kan worden gekoppeld aan het BSN-nummer van [persoon 17].127

Het in de aanvraag vermelde kind heeft geen kinderopvang genoten.128 [persoon 17] heeft verklaard dat [zus van verdachte], de zus van verdachte, tegen haar had gezegd dat ze recht had op KOT en dat verdachte dit voor haar kon regelen. [persoon 17] heeft vervolgens haar persoonsgegevens en die van haar dochter middels een sms-bericht naar verdachte gestuurd. Nadat het geld was gestort, moest [persoon 17] € 2.500,- contant aan verdachte betalen.129

Aanvraag [persoon 18]

Op naam van [persoon 18] is op – eveneens – 17 augustus 2010 een aanvraag voor toekenning van KOT bij de Belastingdienst ingediend. De Belastingdienst heeft een geldbedrag van in totaal € 22.088,- uitgekeerd.130

De in de aanvraag vermelde kinderen hebben geen kinderopvang genoten.131 [persoon 18] heeft verklaard dat een verre nicht van haar, verdachte, de KOT heeft aangevraagd. Zij heeft haar persoonsgegevens en die van haar kinderen middels een sms-bericht naar verdachte gestuurd. Nadat het geld was gestort en [persoon 18] dit verdachte had medegedeeld, heeft verdachte gezegd dat [persoon 18] maar recht had op € 3.000,-. [persoon 18] moest wat zij teveel had gekregen contant aan verdachte geven. [persoon 18] heeft voorts verklaard dat zij alle brieven van de Belastingdienst aan verdachte heeft gegeven.132

Bij de doorzoeking van het woonadres van verdachte is een computer van het merk Packard Bell en een laptop van het merk Toshiba in beslag genomen.133 Hierop zijn bestanden met de extensie .KOD aangetroffen. Deze extensie is gekoppeld aan aanvragen voor KOT. Op de in beslag genomen laptop zijn meerdere .KOD bestanden aangetroffen, waaronder één die kan worden gekoppeld aan het BSN-nummer van [persoon 18].134 Verder zijn bij de doorzoeking twee brieven van de Belastingdienst aangetroffen, gericht aan [persoon 18].135

Aanvraag [persoon 19]

Op naam van [persoon 19] is 25 september 2010 een aanvraag voor toekenning van KOT bij de Belastingdienst ingediend. De Belastingdienst heeft een geldbedrag van in totaal € 10.008,- uitgekeerd.136

Het in de aanvraag vermelde kind heeft geen kinderopvang genoten.137 [persoon 19] heeft verklaard dat zij verdachte via haar nicht, [persoon 18], heeft leren kennen. Verdachte heeft voor haar de aanvraag KOT geregeld. Zij heeft hiertoe haar persoonsgegevens en die van haar kind middels een sms-bericht naar verdachte gestuurd. Nadat het geld was gestort heeft zij € 3.000,- contant aan verdachte gegeven. Daarna heeft zij nog twee keer € 200,- aan verdachte afgestaan.138

Bij de doorzoeking van het woonadres van verdachte is een computer van het merk Packard Bell en een laptop van het merk Toshiba in beslag genomen.139 Hierop zijn bestanden met de extensie .KOD aangetroffen. Deze extensie is gekoppeld aan aanvragen voor KOT. Op de in beslag genomen laptop zijn meerdere .KOD bestanden aangetroffen, waaronder één die kan worden gekoppeld aan het BSN-nummer van [persoon 19].140

Aanvraag [persoon 20]

Op naam van [persoon 20] is 7 februari 2010 een aanvraag voor toekenning van KOT bij de Belastingdienst ingediend. Na deze aanvraag is ten onrechte een bedrag van in totaal € 11.851 door de Belastingdienst uitgekeerd.141 Deze aanvraag is gedaan vanaf het IP-adres [IP-adres 2]. Dit IP-adres is afgegeven op het adres [adres, te plaats 2], het woon/verblijfadres van de medeverdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3].142

De in de aanvraag vermelde kinderen hebben geen kinderopvang genoten.143 [persoon 20] heeft verklaard dat verdachte de KOT voor haar heeft geregeld. Zij kent verdachte, omdat zij met de neef van verdachte een relatie heeft gehad. [persoon 20] heeft haar persoonsgegevens en die van haar kinderen aan verdachte gegeven. [persoon 20] heeft verklaard dat zij ongeveer € 13.000,- contant aan verdachte heeft betaald.144

Aanvraag [persoon 21]

Op naam van [persoon 21] is 11 februari 2010 een aanvraag voor toekenning van KOT bij de Belastingdienst ingediend. De Belastingdienst heeft een geldbedrag van in totaal € 10.008,- uitgekeerd.145 Deze aanvraag is gedaan vanaf het IP-adres [IP-adres 2]. Dit IP-adres is afgegeven op het adres [adres, te plaats 2], het woon/verblijfadres van de medeverdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3].146

Het in de aanvraag vermelde kind heeft geen kinderopvang genoten.147 [persoon 21] heeft verklaard dat verdachte tegen haar heeft gezegd dat zij recht had op KOT. Verdachte heeft haar overgehaald om KOT aan te vragen. Zij heeft vervolgens haar gegevens en die van haar dochter aan verdachte gegeven. Nadat het geld was gestort, heeft zij € 3.000,- contant aan verdachte betaald. Daarna heeft zij nog een keer € 2.000,- contant aan verdachte afgestaan.148

Aanvraag [persoon 22]

Op naam van [persoon 22] is 16 februari 2010 een aanvraag voor toekenning van KOT bij de Belastingdienst ingediend. Op 4 mei 2010 is een wijzigingsaanvraag bij de Belastingdienst binnengekomen. De Belastingdienst heeft een geldbedrag van in totaal € 40.314,- uitgekeerd.149 De aanvraag van 16 februari 2010 is gedaan vanaf het IP-adres [IP-adres 2]. De wijzigingsaanvraag van 4 mei 2010 is verstuurd vanaf het IP-adres [IP-adres 4]. Deze IP-adressen waren afgegeven op het adres [adres, te plaats 2], het woon/verblijfadres van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3].150

De in de aanvraag vermelde kinderen hebben geen kinderopvang genoten.151 [persoon 22] heeft verklaard dat verdachte haar heeft benaderd over het aanvragen van KOT. Zij heeft verdachte haar persoonsgegevens en die van haar kinderen gegeven. Nadat het geld was gestort, moest zij € 6.000,- contant aan verdachte betalen. Van de KOT die zij maandelijks ontving moest zij de helft aan verdachte betalen. Toen zij opnieuw een groot bedrag aan KOT kreeg gestort, moest zij wederom de helft contant aan verdachte afstaan, dit was ongeveer € 3.500,-. Het antwoordformulier KOT 2009 heeft [persoon 22] zelf ingevuld en ondertekend. De gegevens die zij heeft ingevuld heeft zij van verdachte ontvangen. Ook de jaaropgave van [kinderopvang 1] heeft zij van verdachte ontvangen. [persoon 22] heeft het antwoordformulier KOT 2009 tezamen met de jaaropgave naar de Belastingdienst gestuurd.152

De jaaropgave153 bevat het kenmerk [nummer].154 Dit kenmerk is gekoppeld aan de dochter van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3].155

Aanvraag [persoon 23]

Op naam van [persoon 23] is op 2 maart 2010 een aanvraag voor de toekenning van KOT bij de Belastingdienst ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag is € 2.529,- aan KOT toegekend middels een beschikking, waarna de Belastingdienst uiteindelijk € 1.342,- heeft uitgekeerd.156 De aanvraag is gedaan vanaf het IP-adres [IP-adres 2]. Dit IP-adres is afgegeven op het adres [adres, te plaats 2].157

Het kind [kind van persoon 23] heeft geen kinderopvang bij [kinderopvang 5] genoten.158 [persoon 23] heeft verklaard dat zij via ouders in Utrecht terecht is gekomen bij verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1]. Zij heeft haar persoonsgegevens en die van haar kind aan hen gegeven.159

Aanvraag [persoon 24]

Op naam van [persoon 24] is op 26 augustus 2010 een onjuiste aanvraag voor toekenning van KOT bij de Belastingdienst ingediend. Deze aanvraag heeft echter niet geleid tot uitkering van KOT. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van een voltooide oplichting van de Belastingdienst, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.

Nadere overwegingen

6.3.2.3. Alternatief scenario

Namens verdachte is aangevoerd dat niet valt uit te sluiten dat anderen dan verdachte onjuiste aanvragen KOT vanuit de woning van verdachte hebben verstuurd.

De rechtbank overweegt als volgt. De suggestie dat niet kan worden uitgesloten dat anderen dan verdachte onjuiste aanvragen KOT vanuit de woning van verdachte hebben verstuurd, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. In onderhavige zaak zijn vanuit de woning een aantal onjuiste aanvragen KOT bij de Belastingdienst ingediend. Het is niet aannemelijk dat, gelet op voornoemde bewijsmiddelen, andere personen steeds dezelfde frauduleuze handelingen hebben uitgevoerd vanuit de woning van verdachte, zonder dat zij daar weet van had. Hiervoor zijn de handelingen ten aanzien van het indienen van een aanvraag en/of wijziging KOT te frequent en in tijd te verspreid. Voorts mist het verweer van de verdediging feitelijke grondslag, nu verdachte ter terechtzitting van 6 oktober 2014 enkel heeft verklaard dat veel mensen bij haar over de vloer kwamen.

De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat het verdachte is geweest die de in de tenlastelegging opgenomen aanvragen heeft ingediend of in sommige gevallen behulpzaam hierbij is geweest.

6.3.2.4. Medeplegen

Voor zover de verdediging heeft betoogd dat het handelen van verdachte niet kan worden gekwalificeerd als het medeplegen, overweegt de rechtbank als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, voorafgaand, tijdens en na afloop van de in de tenlastelegging vermelde aanvragen sprake geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, haar mededader(s) en aanvragers, gericht op de planning en uitvoering van de feiten en de verdeling van de uitgekeerde geldbedragen, dat is voldaan aan de voorwaarden voor de strafbare vorm van samenwerking die als medeplegen kan worden gekwalificeerd.

Verdachte heeft – al dan niet door tussenkomst van een derde – persoonsgegevens van aanvragers en die van hun kinderen in ontvangst genomen. Ook heeft zij voor een groot aantal aanvragers deze gegevens verwerkt en de aanvragen KOT verstuurd. Verdachte – of een mededader – kwam vervolgens weer in actie nadat de aanvraag was gedaan en de KOT was uitgekeerd om een deel van de ontvangen gelden te incasseren, contant dan wel via haar bankrekening. De werkwijze waarbij onderling moest worden afgestemd om alle vereiste gegevens voor de aanvragen en controles achteraf te verkrijgen, kenmerkt zich door een bewuste en nauwe samenwerking. Verdachte heeft in het samenwerkingsverband een essentiële rol gespeeld bij de oplichting van de Belastingdienst. Immers, het ter beschikking stellen en verkrijgen van die persoonsgegevens en vervolgens het indienen van onjuiste aanvragen KOT vormt een wezenlijk onderdeel van het ten laste gelegde fraudepatroon. De rol van verdachte laat zich dan ook niet als enkel medeplichtigheid kwalificeren.

Hoewel niet alle aanvragers verdachte kennen, staat vast dat het indienen van de aanvragen KOT ten behoeve van hen ook is gedaan via het IP-adres van verdachte – dan wel via een IP-adres van een van de medeverdachten – en gaat de rechtbank er in het licht van de overige omstandigheden vanuit dat ook bij die aanvragen eenzelfde betrokkenheid van verdachte heeft bestaan als hiervoor omschreven.

Conclusie

6.3.2.5. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank komt op basis van bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, tot het oordeel dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen de Belastingdienst heeft opgelicht. Hiertoe heeft verdachte samen met anderen valselijk opgemaakte en/of vervalste aanvragen en/of wijzigingen KOT bij de Belastingdienst ingediend. De Belastingdienst was in de veronderstelling dat deze gegevens juist waren en heeft op basis van deze onjuist ingevulde aanvragen en/of wijzigingen KOT uitbetaald. Hierdoor is de Belastingdienst bewogen tot afgifte van de bedragen aan KOT. Als de Belastingdienst had geweten dat deze gegevens onjuist waren had de Belastingdienst de KOT niet uitbetaald.

De rechtbank leidt uit de onder rubriek 6.3.2. besproken aanvragen af dat de Belastingdienst een bedrag van in totaal € 730.419,- onterecht KOT heeft uitgekeerd en daardoor voor dit bedrag is opgelicht.

De rechtbank is van oordeel dat feit 1 wettig en overtuigend is bewezen.

6.3.2.6. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De antwoordformulieren, jaaropgaven, facturen, offertes en overeenkomsten KOT zijn geschriften. Deze geschriften zijn bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen. Immers, aan de hand van deze geschriften kan de Belastingdienst controleren of daadwerkelijk van kinderopvang gebruik wordt gemaakt en wat hiervan de kosten zijn.

Ten aanzien van de overige onder feit 2 ten laste gelegde geschriften komt de rechtbank, gelet op de in rubriek 6.3.2. vermelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, tot het oordeel dat verdachte betrokken is geweest bij het valselijk opmaken/vervalsen van deze geschriften en tevens het oogmerk heeft gehad deze geschriften als echt en onvervalst te gebruiken.

De rechtbank is van oordeel dat feit 2 wettig en overtuigend is bewezen.

6.3.3.

Feit 3

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden (inclusief de bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 1 en 2 met betrekking tot de criminele herkomst van de gelden).

Zoals onder rubriek 6.3.2. is besproken, heeft de rechtbank ten aanzien van de feiten 1 en 2 overwogen dat verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. Deze feiten hebben ertoe geleid dat de Belastingdienst KOT heeft uitgekeerd. Deze ten onrechte uitgekeerde KOT bedragen zijn daarom van eigen misdrijf afkomstig. De KOT is doorgaans gestort op de bankrekening van de desbetreffende aanvragers. Blijkens de hierboven opgenomen bewijsmiddelen, moesten de aanvragers een gedeelte van het gestorte geld aan verdachte afstaan. De geldbedragen zijn – al dan niet in bijzijn van verdachte – door aanvragers contant opgenomen, waarna (een gedeelte van) het bedrag aan verdachte werd overgedragen. Ook hebben aanvragers rechtstreeks geld naar de bankrekening van verdachte overgemaakt. Uit het voorgaande volgt dat de criminele opbrengsten deels bij aangever bleven en deels zijn afgestaan aan verdachte.

Voorts is uit onderzoek naar de bankrekening van verdachte gebleken dat in een periode van ongeveer drie jaar een geldbedrag van € 29.550,- contant is opgenomen. In diezelfde periode is een geldbedrag van € 13.330,- contant op deze bankrekening gestort. Het inkomen van verdachte, en haar vermogen zoals bekend bij de Belastingdienst, kunnen op geen enkele wijze deze stortingen en opnames rechtvaardigen. Verdachte heeft ter terechtzitting van 6 oktober 2014 verklaard dat de stortingen van aangevers op haar bankrekening gerelateerd waren aan optredens van haar band ‘[naam 2]’. Dit is de rechtbank op geen enkele wijze gebleken en acht zij, gelet op de verklaringen van deze aangevers, ook niet aannemelijk. Voornoemde bevindingen ondersteunen juist de verklaringen van aangevers, namelijk dat zij een gedeelte van de uitgekeerde KOT aan verdachte moesten afstaan.

De officier van justitie heeft betoogd dat verdachte als medepleger van witwassen moet worden aangemerkt ten aanzien van het totaal aan geldbedragen dat ten onrechte door de Belastingdienst aan de aanvragers is uitgekeerd, dus ook voor het gedeelte dat niet door aanvragers aan verdachte is afgestaan.

De rechtbank volgt deze redenering van de officier van justitie niet.

Uit de omstandigheid dat verdachte tezamen en in vereniging met aanvragers de Belastingdienst heeft opgelicht en de aanvrager (KOT)gelden afkomstig uit dit misdrijf heeft ontvangen, volgt immers niet automatisch dat verdachte ook moet worden aangemerkt als medepleger van het witwassen van het gedeelte dat niet aan verdachte is afgestaan. Ten aanzien van dit gedeelte wordt verdachte dus vrijgesproken.

Dan blijft over de vraag of de gelden die de verdachte van aanvragers heeft ontvangen, door haar in vereniging zijn witgewassen. In de kern betreft dit naar het oordeel van de rechtbank gelden die door verdachte op middellijke wijze uit eigen misdrijf zijn verkregen. Het betreft hier immers gelden die ten gevolge van de oplichtingshandelingen van verdachte bij aanvrager zijn binnengekomen en vervolgens voor een deel zijn doorgeleid naar verdachte, die deze gelden aldus heeft verworven en voorhanden gehad, een en ander in nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de desbetreffende aanvragers. Deze overdracht moet naar het oordeel van de rechtbank worden beschouwd als een handeling die erop is gericht ‘om haar criminele opbrengsten veilig te stellen’. Immers, door de overdracht aan verdachte is er sprake van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Inherent aan deze specifieke situatie is dat de kwalificatieuitsluitingsgrond niet van toepassing is (vgl. HR 25-03-2014, ECLI:NL:HR:2014:702, r.o. 3.8.).

In die gevallen waarin sprake is van het enkele opnemen van de bankrekening van contante geldbedragen die afkomstig zijn van enig misdrijf – en daarmee kan worden aangemerkt als “omzetten” of “overdragen” in de betekenis van artikel 420bis, eerste lid sub b, van het Wetboek van Strafrecht – dient eveneens geen sprake te zijn van een gedraging die op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen gericht karakter heeft. Ook op deze situatie is de kwalificatieuitsluitingsgrond niet van toepassing.

De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte zich tezamen en in vereniging met de desbetreffende aanvragers schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van de aan haar door aangevers overgedragen geldbedragen. Gedurende een lange periode heeft de Belastingdienst onterecht KOT uitgekeerd op bankrekeningen van aanvragers. Een gedeelte van deze onterecht uitgekeerde KOT is – al dan niet via een tussenpersoon – overgedragen aan verdachte. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte zich ten aanzien van dit aan haar overdragen deel schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen.

Voor zover aanvragers verschillend hebben verklaard over de hoogte van de bedragen die zij aan verdachte hebben afgestaan, is hierbij in het voordeel van verdachte uitgegaan van het laagst genoemde bedrag.

Het in totaal door verdachte witgewassen bedrag bedraagt aldus circa € 332.345,-.

6.3.4.

Feit 4

Volgens vaste jurisprudentie wordt onder een criminele organisatie in de zin artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht een samenwerkingsverband verstaan met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere persoon.

De rechtbank is van oordeel dat in de ten laste gelegde periode sprake was van een samenwerkingsverband van verdachte en zijn mededaders dat aangemerkt moet worden als een criminele organisatie in bovenbedoelde zin.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 1]160, [medeverdachte 3]161, [mededader 1]162, [mededader 2]163 en verdachte, hiertoe gedurende een langere periode regelmatig hebben samengewerkt. Het gemeenschappelijk oogmerk hierbij was het indienen van onjuiste aanvragen en/of wijzigingen KOT en het in persoon daarvan profiteren. Hiertoe had elke deelnemer zijn eigen rol. Sommigen waren primair verantwoordelijk voor het valselijk opmaken van de geschriften en hadden kennis van het aanvraagsysteem en fungeerden feitelijk als een zogenoemde “back office”. Anderen verzorgden het “klantcontact”. Verdachte was zowel verantwoordelijk voor het werven van aanvragers, het inzamelen van gegevens en het overdragen van deze geschriften, maar ook het indienen van valse aanvragen KOT. Ook waren deze personen, waaronder dus verdachte, verantwoordelijk voor het incasseren van de gelden. Hierbij werd planmatig te werk gegaan. Zo volgt uit de verklaringen van de aangevers dat de incasso vrijwel onmiddellijk plaatsvond nadat de KOT was gestort.

De rechtbank acht het samenwerkingsverband daarnaast ook voldoende duurzaam om te kunnen spreken van een organisatie, nu de deelnemers zich gedurende een aantal jaren en met een zekere frequentie bezighielden met het plegen van misdrijven.

Hieruit volgt dat het oogmerk van deze organisatie er op was gericht om de belastingdienst op te lichten door het doen van grote hoeveelheden valse KOT-aanvragen. Verdachte heeft een aandeel gehad in dit samenwerkingsverband en gedragingen verricht die strekten tot de verwezenlijking van het oogmerk van deze organisatie. Ook kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte opzet heeft gehad op het deelnemen aan die criminele organisatie.

Voor een nadere onderbouwing van deze bewezenverklaring verwijst de rechtbank voorts naar hetgeen hierboven ten aanzien van de oplichting, de valsheid in geschrift en het gewoontewitwassen is overwogen.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte samen met [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [mededader 1] en [mededader 2] heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven.

7 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 6.3. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

in de periode van 5 december 2008 tot en met 16 maart 2011 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de Belastingdienst heeft bewogen tot de afgifte van enig goed,

immers hebben verdachte en haar mededaders – ter verkrijging van Kinderopvangtoeslag - een document, te weten valselijk opgemaakte of vervalste (elektronische) aanvragen en wijzigingen Kinderopvangtoeslag

te weten D/163, pag. 3449 en A-131-D-01/D-02/D-03 en A-237-D-01 en A-272-D-01/D-02 en A-253-D-01/D02 en A-043-D-02/D-03/D-04 en A-265-D-01 en A-136-D-01/D-02 en A-023-D-01 en A-0166-D-02 en A-179-D-01/D-02 en A-176-D02/D-03 en A-101-D-01 en A-077-D02/D-03 en A-087-D-01 en A-184-D-01 en A-145-D-01/D-02 en A-006-D-01 en A-196-D-01/D-02 en A-156-D-01 en A-178-D-01, pag. 3989 en A-232-D-01 en A-233-D-01 bij de Belastingdienst ingediend, inhoudende dat

de in de aanvragen en wijzigingen genoemde kinderen gedurende een in de aanvragen en wijzigingen genoemd aantal uren per maand per een in de aanvragen en wijzigingen genoemde ingangsdatum kinderopvang genieten, althans dat

aanvraag [medeverdachte 2] V-03

[naam 3] gedurende 219 uur per maand vanaf 1 januari 2008 kinderopvang geniet bij [kinderopvang 3] (D/163, pag. 3449)

en

aanvraag [persoon 1], A-131

[naam 4] gedurende 180 uur per maand vanaf 1 januari 2008 kinderopvang geniet bij [kinderopvang 6] (A-131-D-01) en [naam 5] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [kinderopvang 7] (A-131-D-02) en [naam 5] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2010 kinderopvang geniet bij [kinderopvang 8] (A-131-D-03)

en

aanvraag [persoon 2], A-237

[naam 6] gedurende 219 uur per maand vanaf 1 januari 2008 kinderopvang geniet bij [kinderopvang 3] (A-237-D-01)

en

aanvraag [persoon 9], A-272

[naam 7] gedurende 180 uur per maand vanaf 1 januari 2008 kinderopvang geniet bij [kinderopvang 3] (A-272-D-01) en [naam 7] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [kinderopvang 3] (A-272-D-02)

en

aanvraag [persoon 3], A-253

[naam 8] gedurende 217 uur per maand en [naam 9] gedurende 217 uur per maand beiden vanaf 1 januari 2009 kinderopvang genieten bij [kinderopvang 24] (A-253-D-01) en [naam 10] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [kinderopvang 9] (A-253-D-02)

en

aanvraag [persoon 4], A-043

[naam 11] gedurende 217 uur per maand en [naam 12] gedurende 150 uur per maand en [naam 13] gedurende 150 uur per maand allen vanaf 1 januari 2009 kinderopvang genieten bij [kinderopvang 9] (A-043-D-02) en (A-043-D-03) en vanaf 1 december 2009 kinderopvang genieten bij [kinderopvang 9] (A-043-D-04

en

aanvraag [persoon 10], A-265

[naam 14] gedurende 217 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [kinderopvang 10] (A-265-D-01)

en

aanvraag [persoon 5], A-136

[naam 15] gedurende 217 uur per maand en [naam 16] gedurende 150 uur per maand beide vanaf 1 januari 2009 kinderopvang genieten bij [kinderopvang 9] (A-136-D-01) en [naam 41] gedurende 150 uur per maand en [naam 17] gedurende 150 uur per maand beide vanaf 1 maart 2009 kinderopvang genieten bij [kinderopvang 9] (A-136-D-02)

en

aanvraag [persoon 20], A-023

[naam 18] gedurende 150 uur per maand en [naam 19] gedurende 150 uur per maand beiden vanaf 1 januari 2009 kinderopvang genieten bij [kinderopvang 11] (A-023-D-01)

en

aanvraag [persoon 21], A-166

[naam 20] gedurende 217 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [kinderopvang 12] (A-166-D-02)

en

aanvraag [persoon 22], A-179

[naam 21] gedurende 217 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang

geniet bij [kinderopvang 3] (A-179-D-01) en/of [naam 22] gedurende 150 uur

per maand vanaf 1 januari 2010 kinderopvang geniet bij [kinderopvang 3]

(A-179-D-02)

en

aanvraag [persoon 23], A-176

[kind van persoon 23] gedurende 217 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [kinderopvang 5] (A-176-D-02) en [kind van persoon 23] gedurende 216 uur per maand vanaf 1 januari 2010 kinderopvang geniet bij [kinderopvang 13] (A-176-D-03)

en

aanvraag [persoon 11], A-101

[naam 23] gedurende 155 uur per maand en [naam 24] gedurende 155 uur per maand beide vanaf 1 januari 2009 kinderopvang genieten bij [kinderopvang 14] (A-101-D-01)

en

aanvraag [persoon 7], A-077

[naam 25] gedurende 162 uur per maand vanaf 1 januari 2010 kinderopvang geniet bij [kinderopvang 15] (A-077-D-02) en [naam 26] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2010 kinderopvang geniet bij kinderopvang [kinderopvang 16] (A-077-D-03)

en

aanvraag [persoon 8], A-087

[naam 27] gedurende 166 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [kinderopvang 15] (A-087-D-01)

en

aanvraag [persoon 14], A-184

[naam 28] gedurende 200 uur per maand vanaf 1 januari 2010 kinderopvang geniet bij [kinderopvang 17] (A-184-D-01)

en

aanvraag [persoon 15], A-145

[naam 29] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [kinderopvang 8] (A-145-D-01) en [naam 29] gedurende 150 uur per maand en [naam 30] gedurende 200 uur per maand vanaf 1 januari 2010 kinderopvang genieten bij [kinderopvang 8] (A-145-D-02)

en

aanvraag [persoon 13], A-006

[naam 31] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2010 kinderopvang geniet bij Kindercentrum [kinderopvang 18] (A-006-D-01)

en

aanvraag [persoon 12], A-196

[naam 32] gedurende 220 uur per maand en [naam 33] gedurende 220 uur per maand beiden vanaf 1 januari 2010 kinderopvang genieten bij Kindercentrum [kinderopvang 18] (A-196-D-02) en [naam 34] gedurende 150 uur per maand vanaf l januari 2010 kinderopvang geniet bij Kindercentrum [kinderopvang 18] (A-196-D-Ol)

en

aanvraag [persoon 16], A-156

[naam 35] gedurende 150 uur per maand en [naam 42] gedurende 200 uur per maand beiden vanaf 1 januari 2010 kinderopvang genieten bij [kinderopvang 19] (A-156-D-01)

en

aanvraag [persoon 17], A-17B

[naam 37] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2010 kinderopvang geniet bij [kinderopvang 20] (A-17B-D-01)

en

aanvraag [persoon 18], A-232

[naam 38] gedurende 200 uur per maand en [naam 39] gedurende 150 uur per maand beiden vanaf 1 januari 2010, kinderopvang genieten bij Kinderdagverblijf [kinderopvang 21] (A-232-D-01)

en

aanvraag [persoon 19], A-233

[naam 40] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2010 kinderopvang geniet bij KDV [kinderopvang 22] (A-233-D-01),

waardoor verdachte en haar mededaders de suggestie hebben gewekt dat de persoon genoemd op de aanvraag en wijziging Kinderopvangtoeslag recht had op deze toeslag,

waardoor de Belastingdienst is bewogen tot uitbetaling van voornoemde toeslagen tot een geldbedrag van in totaal circa 730.419 euro,

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

in de periode van 1 juni 2009 tot en met 2 november 2010 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten

1. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 200B (A-131-D-13 pag. 1 en 6) en een offerte/overeenkomst tussen [kinderopvang 1] en [naam 5] (A-131-D-13 pag. 4/5) en factuur van [kinderopvang 1] voor oktober 2008 (A-131-D-13 pag. 7) en een factuur van [kinderopvang 1] voor november 2008 (A-131-D-13 pag. 8) en een factuur van [kinderopvang 1] voor december 2008 (A-131-D-13 pag. 9) en

2. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2008 (A-131-D-14 pag. 1, 3 en 4) en een jaaropgave kinderopvang 2008 van [kinderopvang 2] (A-131-D-14 pag. 2) en

3. een Antwoordformulier kinderopvanggegevens (2009) (A-131-D-15) en

4. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2008 (A-237-D-03) en een jaaropgave kinderopvang over 2008 van [kinderopvang 3] (A-237-D-18) en

5. een Antwoordformulier kinderopvanggegevens (2009) (A-253-D-11) en

6. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2008 (A-272-D-03) en een factuur van [kinderopvang 1] voor oktober 2008 (A-272-D-04) en een factuur van [kinderopvang 1] voor november 2008 (A-272-D-05) en een factuur van [kinderopvang 1] voor december 2008 (A-272-D-06) en

7. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2009 (A-272-D-07) en een jaaropgave kinderopvang 2009 van [kinderopvang 4] (A-272-D-08)

valselijk hebben opgemaakt en hebben vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

bestaande die valsheid hierin dat verdachte en haar mededaders op deze Antwoordformulieren kinderopvangtoeslag en deze jaaropgaven valselijk en in strijd met de waarheid hebben

vermeld dat

Ad 1. [naam 4] in 2008 in totaal 1620 uur kinderopvang heeft genoten en dat het totale bedrag aan opvangkosten van [naam 4] in 2008 9.315 euro bedroeg en dat de kinderopvang van [naam 4] in 2008, althans in oktober 2008 en november 2008 en december 2008, bij [kinderopvang 1] vestiging [locatie 2] heeft plaatsgevonden

en

Ad 2. [naam 4] in 2008 in totaal 1620 uur kinderopvang heeft genoten en dat het totale bedrag aan opvangkosten van [naam 4] in 2008 9.315 euro bedroeg en dat de kinderopvang van [naam 4] in 2008 bij [kinderopvang 1] vestiging [locatie 1] heeft plaatsgevonden

en

Ad 3. [naam 4] in 2009 bij [kinderopvang 8], gevestigd op [adres, te plaats 4] kinderopvang heeft genoten

en

Ad. 4 [naam 6] in 2008 in totaal 216 uur kinderopvang heeft genoten en dat het totale bedrag aan opvangkosten van [naam 6] in 2008 1239,35 euro bedroeg en dat de kinderopvang van [naam 6] in 2008 bij [kinderopvang 3] te [plaats] heeft plaatsgevonden

en

Ad. 5 [naam 8] en [naam 9] in 2009 bij K.D.V. [kinderopvang 23], gevestigd op [adres, te plaats 5] kinderopvang hebben genoten

en

Ad. 6 [naam 7] in 2008 in totaal 1620 uur kinderopvang heeft genoten en dat het totale bedrag aan opvangkosten van [naam 7] in 2008 9315 euro bedroeg en dat de kinderopvang van [naam 7] in 2008, althans in oktober 2008 en november 2008 en december 2008, bij [kinderopvang 1] vestiging [kinderopvang 3] heeft plaatsgevonden

Ad.7 [naam 7] in 2009 in totaal 1800 uur kinderopvang heeft genoten en dat het totale bedrag aan opvangkosten van [naam 7] in 2009 10.980 euro bedroeg en dat de kinderopvang van [naam 7] in 2009 bij [kinderopvang 4] heeft plaatsgevonden

en

in de periode van 1 juni 2009 tot en met 2 november 2010 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk van een vals en vervalst geschrift gebruik hebben gemaakt en hebben afgeleverd en voorhanden hebben gehad als ware die geschriften echt en onvervalst,

immers hebben verdachte en haar mededaders

1. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 200B (A-131-D-13 pag. 1 en 6) en een offerte/overeenkomst tussen [kinderopvang 1] en [naam 5] (A-131-D-13 pag. 4/5) en factuur van [kinderopvang 1] voor oktober 2008 (A-131-D-13 pag. 7) en een factuur van [kinderopvang 1] voor november 2008 (A-131-D-13 pag. 8) en een factuur van [kinderopvang 1] voor december 2008 (A-131-D-13 pag. 9) en

2. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2008 (A-131-D-14 pag. 1, 3 en 4) en een jaaropgave kinderopvang 2008 van [kinderopvang 2] (A-131-D-14 pag. 2) en

3. een Antwoordformulier kinderopvanggegevens (2009) (A-131-D-15) en

4. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2008 (A-237-D-03) en een jaaropgave kinderopvang over 2008 van [kinderopvang 3] (A-237-D-18) en

5. een Antwoordformulier kinderopvanggegevens (2009) (A-253-D-11) en

6. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2008 (A-272-D-03) en een factuur van [kinderopvang 1] voor oktober 2008 (A-272-D-04) en een factuur van [kinderopvang 1] voor november 2008 (A-272-D-05) en een factuur van [kinderopvang 1] voor december 2008 (A-272-D-06) en

7. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2009 (A-272-D-07) en een jaaropgave kinderopvang 2009 van [kinderopvang 4] (A-272-D-08)

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

opgestuurd naar de Belastingdienst Toeslagen te Heerlen,

en bestaande die valsheid of vervalsing daarin dat verdachte en haar mededaders op deze Antwoordformulieren kinderopvangtoeslag en Antwoordformulieren kinderopvanggegevens en deze facturen en jaaropgaven valselijk en in strijd met de waarheid hebben vermeld dat

Ad 1. [naam 4] in 2008 in totaal 1620 uur kinderopvang heeft genoten en dat het totale bedrag aan opvangkosten van [naam 4] in 2008 9.315 euro bedroeg en dat de kinderopvang van [naam 4] in 2008, althans in oktober 2008 en november 2008 en december 2008, bij [kinderopvang 1] vestiging [locatie 2] heeft plaatsgevonden

en

Ad 2. [naam 4] in 2008 in totaal 1620 uur kinderopvang heeft genoten en dat het totale bedrag aan opvangkosten van [naam 4] in 2008 9.315 euro bedroeg en dat de kinderopvang van [naam 4] in 2008 bij [kinderopvang 1] vestiging [locatie 1] heeft plaatsgevonden

en

Ad 3. [naam 4] in 2009 bij [kinderopvang 8], gevestigd op [adres, te plaats 4] kinderopvang heeft genoten

en

Ad. 4 [naam 6] in 2008 in totaal 216 uur kinderopvang heeft genoten en dat het totale bedrag aan opvangkosten van [naam 6] in 2008 1239,35 euro bedroeg en dat de kinderopvang van [naam 6] in 2008 bij [kinderopvang 3] te [plaats] heeft plaatsgevonden

en

Ad. 5 [naam 8] en [naam 9] in 2009 bij K.D.V. [kinderopvang 23], gevestigd op [adres, te plaats 5] kinderopvang hebben genoten

en

Ad. 6 [naam 7] in 2008 in totaal 1620 uur kinderopvang heeft genoten en dat het totale bedrag aan opvangkosten van [naam 7] in 2008 9315 euro bedroeg en dat de kinderopvang van [naam 7] in 2008, althans in oktober 2008 en november 2008 en december 2008, bij [kinderopvang 1] vestiging [kinderopvang 3] heeft plaatsgevonden

Ad.7 [naam 7] in 2009 in totaal 1800 uur kinderopvang heeft genoten en dat het totale bedrag aan opvangkosten van [naam 7] in 2009 10.980 euro bedroeg en dat de kinderopvang van [naam 7] in 2009 bij [kinderopvang 4] heeft plaatsgevonden,

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

in de periode van 1 december 2007 tot en met 7 mei 2012 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben verdachte en haar mededaders voorwerpen, te weten geldbedragen, totaal circa 323.345 euro, verworven en voorhanden gehad, althans van die voorwerpen gebruik gemaakt, terwijl zij en haar mededaders wisten dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf,

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

in de periode van 1 november 2008 en met 7 mei 2012 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en [mededader 2] en [mededader 1], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- valsheid in geschrifte, artikel 225 lid 1 en 2 van het Wetboek van Strafrecht) en

- oplichting, artikel 326 lid 1 van het wetboek van Strafrecht en

- witwassen, artikel 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

8 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

9 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

10 Motivering van de straffen en maatregelen

10.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 tot en met 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft bij haar eis onder meer rekening gehouden met de ernst en de duur van de feiten, de rol van verdachte, de hoogte van het benadelingsbedrag en de deelneming aan een criminele organisatie.

10.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft – onder verwijzing naar soortgelijke uitspraken – aangevoerd dat, gelet op de hoogte van het benadelingsbedrag, oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet op zijn plaats is. Voorts heeft de verdediging verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het feit dat zij moet worden aangemerkt als ‘first offender’ en haar beperkte rol in het geheel.

Indien de rechtbank tot een veroordeling komt is oplegging van een voorwaardelijke werkstraf passend en geboden. De verdediging heeft subsidiair verzocht om, indien de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats vindt, in het kader van het bepalen van de strafmaat een reclasseringsrapport betreffende verdachte op te laten stellen.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft deel uitgemaakt van een criminele organisatie die gedurende een lange periode de Belastingdienst voor enkele miljoenen euro’s heeft opgelicht. Verdachte en haar mededaders hielden zich op grote schaal bezig met het valselijk opmaken en indienen van aanvraag- en wijzigingsformulieren betreffende door de Belastingdienst uit te keren KOT en het witwassen van de aldus verkregen geldbedragen.

Hiermee hebben verdachte en haar mededaders misbruik gemaakt van het systeem van de Belastingdienst dat is ingesteld om grote aantallen aanvragen en wijzigingen KOT zo snel mogelijk te kunnen verwerken. De Belastingdienst gaat daarbij in het algemeen uit van de juistheid van de ingediende verzoeken om zo de aanvragers niet lang in onzekerheid te laten verkeren. Verdachte heeft het vertrouwen dat de basis vormt van het door de Belastingdienst gehanteerde systeem ondergraven. Ook neemt door dergelijke grootschalige fraudes de maatschappelijke bereidheid bij te dragen aan het toeslagenstelstel af.

Het wekt verbazing dat de Belastingdienst zonder enige controle vooraf en zonder dat ook maar één bewijsmiddel mee hoefde te worden gestuurd, overging tot onmiddellijke overmaking van soms vele tienduizenden euro’s in één keer. De enige controle vond steekproefsgewijs achteraf plaats. Verdachte heeft echter wel een eigen verantwoordelijkheid en het gemak waarmee de fraude kon worden gepleegd maakt zijn handelen niet minder strafbaar.

Verdachte heeft door het plegen van deze feiten een aanzienlijk voordeel genoten en heeft alleen gedacht aan haar eigen gewin. Zij heeft hiertoe vele aanvragers aangezet tot strafbaar handelen. Hierbij heeft verdachte niet alleen de Belastingdienst, maar ook deze aanvragers benadeeld. Hoewel een groot aantal aanvragers wisten, dan wel konden vermoeden dat zij de KOT onterecht ontvingen, zijn zij de personen – en niet verdachte – die worden geconfronteerd met naheffingen . Zij zijn het die feitelijk het gehele bedrag dat ten onrechte aan hen is uitgekeerd terug moeten betalen aan de Belastingdienst, daaronder ook begrepen de substantiële bedragen die door de aanvragers aan verdachte en/of zijn mededaders zijn afgestaan.

Voorts hebben verdachte en haar mededaders door hen valselijk opgemaakt en vervalst documenten aan de Belastingdienst overgelegd en gedaan alsof dit echte en onvervalste documenten waren. Door aldus te handelen heeft verdachte het vertrouwen dat in de juistheid van (digitale) geschriften moet kunnen worden gesteld schade toegebracht.

Gelet op de ernst van de feiten, de rol die verdachte daarbij wordt verweten en de hoogte van het benadelingsbedrag, kan niet worden gekomen tot een andere dan een vrijheidsbenemende straf. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het kader van de strafbepaling een reclasseringsrapport betreffende verdachte op te laten stellen en wijst dan ook het subsidiaire verzoek van de verdediging af.

De rechtbank heeft als uitgangspunt bij het bepalen van de straf acht geslagen op de oriëntatiepunten die zijn vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).

De rechtbank weegt bij de straftoemeting in het nadeel van verdachte mee dat hij en zijn mededaders gedurende een lange periode en voor een aanzienlijk geldbedrag in georganiseerd verband de Belastingdienst hebben opgelicht. Hierbij zijn verdachte en zijn mededaders op geraffineerde wijze te werk gegaan, waarbij verdachte een sturende rol heeft gehad. Bovendien heeft verdachte de fraude niet uit zichzelf beëindigd. De rechtbank zal verder rekening houden dat zij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 140, 225, 326 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 7 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

en

medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd

ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde

medeplegen van een gewoonte maken van witwassen

ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

Verklaart de dagvaarding partieel nietig voor het gedeelte inhoudende ‘(onder meer)’.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. P.J. van Eekeren en B.T. Beuving, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T. van de Kraats, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 november 2014.

Bijlage I

Volledige tekst van de tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat

1.

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 5 december

2008 tot en met 16 maart 2011 te Amsterdam en/of te Heerlen, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen,

met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij

door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij

door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels,

iemand, te weten de Belastingdienst, heeft bewogen tot de afgifte van enig

goed, tot het ter beschikking stellen van gegevens met geldswaarde in het

handelsverkeer, tot het aangaan van een schuld of het teniet doen van een

inschuld,

immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) - ter

verkrijging van Kinderopvangtoeslag - een document, te weten (een) valselijk

opgemaakte of vervalste (elektronische) aanvra(a)g(en) en/of wijziging(en)

Kinderopvangtoeslag

te weten D/163, pag. 3449 en/of A-131-D-01/D-02/D-03 en/of A-237-D-01 en/of

A-272-D-01/D-02 en/of A-253-D-01/D02 en/of A-043-D-02/D-03/D-04 en/of

A-265-D-01 en/of A-136-D-01/D-02 en/of A-023-D-01 en/of A-0166-D-02 en/of

A-179-D-01/D-02 en/of A-176-D02/D-03 en/of A-101-D-01 en/of A-077-D02/D-03

en/of A-087-D-01 en/of A-184-D-01 en/of A-145-D-01/D-02 en/of A-006-D-01 en/of

A-196-D-01/D-02 en/of A-156-D-01 en/of A-178-D-01 en/of D/571, pag. 3989 en/of

A-232-D-01 en/of A-233-D-01

bij de Belastingdienst ingediend, inhoudende (onder meer) dat

de in de aanvra(a)g(en) en/of wijziging(en) genoemd(e) kind(eren) gedurende

een in de aanvra(a)g(en) en/of wijziging(en) genoemd aantal uren per maand per

een in de aanvra(a)g(en) en/of wijziging(en) genoemde ingangsdatum

kinderopvang genieten, althans dat (onder meer)

(aanvraag [medeverdachte 2] V-03)

[naam 3] gedurende 219 uur per maand vanaf 1 januari 2008

kinderopvang geniet bij [kinderopvang 3] (D/163, pag. 3449)

en/of

(aanvraag [persoon 1], A-131)

[naam 4] gedurende 180 uur per maand vanaf 1 januari 2008 kinderopvang geniet

bij [kinderopvang 6] (A-131-D-01) en/of [naam 5] gedurende 150 uur per maand vanaf 1

januari 2009 kinderopvang geniet bij [kinderopvang 7] (A-131-D-02) en/of [naam 5]

gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2010 kinderopvang geniet bij [kinderopvang 8]

(A-131-D-03)

en/of

(aanvraag [persoon 2], A-237)

[naam 6] gedurende 219 uur per maand vanaf 1 januari 2008 kinderopvang

geniet bij [kinderopvang 3] (A-237-D-01)

en/of

(aanvraag [persoon 9], A-272)

[naam 7] gedurende 180 uur per maand vanaf 1 januari 2008 kinderopvang

geniet bij [kinderopvang 3] (A-272-D-01) en/of [naam 7] gedurende 150 uur per

maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [kinderopvang 3] (A-272-D-02)

en/of

(aanvraag [persoon 3], A-253)

[naam 8] gedurende 217 uur per maand en/of [naam 9] gedurende 217

uur per maand (beiden) vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet(en) bij

[kinderopvang 24] (A-253-D-01) en/of [naam 10] gedurende 150 uur per maand vanaf 1

januari 2009 kinderopvang geniet bij [kinderopvang 9] (A-253-D-02)

en/of

(aanvraag [persoon 4], A-043)

[naam 11] gedurende 217 uur per maand en/of [naam 12] gedurende 150

uur per maand en/of [naam 13] gedurende 150 uur per maand (allen) vanaf

1 januari 2009 kinderopvang geniet(en) bij [kinderopvang 9] (A-043-D-02) en/of

A-043-D-03) en/of vanaf 1 december 2009 kinderopvang geniet(en) bij [kinderopvang 9]

(A-043-D-04)

en/of

(aanvraag [persoon 10], A-265)

[naam 14] gedurende 217 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang

geniet bij [kinderopvang 10] (A-265-D-01)

en/of

(aanvraag [persoon 5], A-136)

[naam 15] gedurende 217 uur per maand en/of [naam 16] gedurende 150 uur per

maand (beide) vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet(en) bij [kinderopvang 9]

(A-136-D-01) en/of [naam 41] gedurende 150 uur per maand en/of [naam 17]

gedurende 150 uur per maand (beide) vanaf 1 maart 2009 kinderopvang

geniet(en) bij [kinderopvang 9] (A-136-D-02)

en/of

(aanvraag [persoon 20], A-023)

[naam 18] gedurende 150 uur per maand en/of [naam 19] gedurende 150 uur

per maand (beiden) vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet(en) bij

[kinderopvang 11] (A-023-D-01)

en/of

(aanvraag [persoon 21], A-166)

[naam 20] gedurende 217 uur per maand vanaf 1 januari 2009

kinderopvang geniet bij [kinderopvang 12] (A-166-D-02)

en/of

(aanvraag [persoon 22], A-179)

[naam 21] gedurende 217 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang

geniet bij [kinderopvang 3] (A-179-D-01) en/of [naam 22] gedurende 150 uur

per maand vanaf 1 januari 2010 kinderopvang geniet bij [kinderopvang 3]

(A-179-D-02)

en/of

(aanvraag [persoon 23], A-176)

[kind van persoon 23] gedurende 217 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang

geniet bij [kinderopvang 5] (A-176-D-02) en/of [kind van persoon 23] gedurende 216 uur per

maand vanaf 1 januari 2010 kinderopvang geniet bij [kinderopvang 13] (A-176-D-03)

en/of

(aanvraag [persoon 11], A-101)

[naam 23] gedurende 155 uur per maand en/of [naam 24] gedurende 155 uur per

maand (beide) vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet(en) bij [kinderopvang 14]

(A-101-D-01)

en/of

(aanvraag [persoon 7], A-077)

[naam 25] gedurende 162 uur per maand vanaf 1 januari 2010 kinderopvang

geniet bij [kinderopvang 15] (A-077-D-02) en/of [naam 26] gedurende 150 uur per maand vanaf

1 januari 2010 kinderopvang geniet bij kinderopvang [kinderopvang 16] (A-077-D-03)

en/of

(aanvraag [persoon 8], A-087)

[naam 27] gedurende 166 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang

geniet bij [kinderopvang 15] (A-087-D-01)

en/of

(aanvraag [persoon 14], A-184)

[naam 28] gedurende 200 uur per maand vanaf 1 januari 2010 kinderopvang

geniet bij [kinderopvang 17] (A-184-D-01)

en/of

(aanvraag [persoon 15], A-145)

[naam 29] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang

geniet bij [kinderopvang 8] (A-145-D-01) en/of [naam 29] gedurende 150 uur per

maand en [naam 30] gedurende 200 uur per maand vanaf 1 januari 2010

kinderopvang geniet(en) bij [kinderopvang 8] (A-145-D-02)

en/of

(aanvraag [persoon 13], A-006)

[naam 31] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2010 kinderopvang

geniet bij Kindercentrum [kinderopvang 18] (A-006-D-01)

en/of

(aanvraag [persoon 12], A-196)

[naam 32] gedurende 220 uur per maand en/of [naam 33] gedurende 220 uur per

maand (beiden) vanaf 1 januari 2010 kinderopvang geniet(en) bij Kindercentrum

[kinderopvang 18] (A-196-D-02) en/of [naam 34] gedurende 150 uur per maand vanaf l

januari 2010 kinderopvang geniet bij Kindercentrum [kinderopvang 18] (A-196-D-01)

en/of

(aanvraag [persoon 16] / [persoon 25], A-156)

[naam 35] gedurende 150 uur per maand en/of [naam 42] gedurende 200 uur per

maand (beiden) vanaf 1 januari 2010 kinderopvang geniet(en) bij [kinderopvang 19]

(A-156-D-01)

en/of

(aanvraag [persoon 17], A-178)

[naam 37] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2010 kinderopvang

geniet bij [kinderopvang 20] (A-178-D-01)

en/of

(aanvraag [persoon 24])

[naam 43] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2010 kinderopvang

geniet bij [kinderopvang 25] (D/571, pag. 3989)

en/of

(aanvraag [persoon 18], A-232)

[naam 38] gedurende 200 uur per maand en/of [naam 39] gedurende 150 uur

per maand (beiden) vanaf 1 januari 2010, kinderopvang geniet(en) bij

Kinderdagverblijf [kinderopvang 21] (A-232-D-01)

en/of

(aanvraag [persoon 19], A-233)

[naam 40] gedurende 150 uur per maand vanaf 1 januari 2010 kinderopvang

geniet bij KDV [kinderopvang 22] (A-233-D-01),

waardoor verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) de suggestie heeft/hebben

gewekt dat de persoon genoemd op de aanvraag en/of wijziging

Kinderopvangtoeslag recht had op deze toeslag,

waardoor de Belastingdienst is bewogen tot uitbetaling van voornoemd(e)

toeslag(en) (tot (een) geldbedrag (en) van in totaal circa 750.973 euro,

althans circa 703.780 euro);

art. 326 jo. 47 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2009 tot

en met 2 november 2010 te Amsterdam en/of te Heerlen, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

(telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs van enig

feit te dienen, te weten

1. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 200B (A-131-D-13 pag. 1 en 6)

en/of een offerte/overeenkomst tussen [kinderopvang 1] en [naam 5]

(A-131-D-13 pag. 4/5) en/of factuur van [kinderopvang 1] voor oktober

2008 (A-131-D-13 pag. 7) en/of een factuur van [kinderopvang 1] voor

november 2008 (A-131-D-13 pag. 8) en/of een factuur van [kinderopvang 1]

voor december 2008 (A-131-D-13 pag. 9) en/of

2. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2008 (A-131-D-14 pag. 1, 3 en 4)

en/of een jaaropgave (kinderopvang) 2008 van [kinderopvang 2] (A-131-D-14 pag. 2)

en/of

3. een Antwoordformulier kinderopvanggegevens (2009) (A-131-D-15) en/of

4. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2008 (A-237-D-03) en/of een

jaaropgave (kinderopvang) over 2008 van [kinderopvang 3] (A-237-D-18)

5. een Antwoordformulier kinderopvanggegevens (2009) (A-253-D-11)

6. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2008 (A-272-D-03) en/of een

factuur van [kinderopvang 1] voor oktober 2008 (A-272-D-04) en/of een

factuur van [kinderopvang 1] voor november 2008 (A-272-D-05) en/of een

factuur van [kinderopvang 1] voor december 2008 (A-272-D-06)

7. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2009 (A-272-D-07) en/of een

jaaropgave (kinderopvang) 2009 van [kinderopvang 4] (A-272-D-08)

valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of heeft/hebben vervalst, (telkens) met

het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen

gebruiken,

bestaande die valsheid hierin dat verdachte en/of haar mededaderes) op

dit/deze Antwoordformulier(en) kinderopvangtoeslag en/of deze jaaropgave(n)

(telkens) valselijk en in strijd met de waarheid (onder meer) heeft/hebben

vermeld dat

Ad 1. [naam 4] in 2008 in totaal 1620 uur kinderopvang heeft genoten en/of

dat het totale bedrag aan opvangkosten van [naam 4] in 2008 9.315 euro

bedroeg en/of dat de kinderopvang van [naam 4] in 2008 (althans in oktober

2008 en/of november 2008 en/of december 2008) bij [kinderopvang 1]

vestiging [locatie 2] heeft plaatsgevonden

en/of

Ad 2. [naam 4] in 2008 in totaal 1620 uur kinderopvang heeft genoten en/of

dat het totale bedrag aan opvangkosten van [naam 4] in 2008 9.315 euro

bedroeg en/of dat de kinderopvang van [naam 4] in 2008 bij [kinderopvang 1]

vestiging [locatie 1] heeft plaatsgevonden

en/of

Ad 3. [naam 4] in 2009 bij [kinderopvang 8], gevestigd op postcode [adres, te plaats 4]

kinderopvang heeft genoten

en/of

Ad. 4 [naam 6] in 2008 in totaal 216 uur kinderopvang heeft genoten en/of

dat het totale bedrag aan opvangkosten van [naam 6] in 2008 1239,35 euro

bedroeg en/of dat de kinderopvang van [naam 6] in 2008 bij [kinderopvang 3]

te [plaats] heeft plaatsgevonden

en/of

Ad. 5 [naam 8] en/of [naam 9] in 2009 bij K.D.V. [kinderopvang 23], gevestigd op

[adres, te plaats 5] kinderopvang heeft/hebben genoten

en/of

Ad. 6 [naam 7] in 2008 in totaal 1620 uur kinderopvang heeft genoten en/of

dat het totale bedrag aan opvangkosten van [naam 7] in 2008 9315 euro

bedroeg en/of dat de kinderopvang van [naam 7] in 2008 (althans in oktober

2008 en/of november 2008 en/of december 2008) bij [kinderopvang 1]

vestiging [kinderopvang 3] heeft plaatsgevonden

Ad.7 [naam 7] in 2009 in totaal 1800 uur kinderopvang heeft genoten en/of

dat het totale bedrag aan opvangkosten van [naam 7] in 2009 10.980 euro

bedroeg en/of dat de kinderopvang van [naam 7] in 2009 bij [kinderopvang 4] heeft

plaatsgevonden;

en/of

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2009 tot

en met 2 november 2010 te Amsterdam en/of te Heerlen, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk van een vals en/of vervalst geschrift gebruik

heeft/hebben gemaakt en/of heeft/hebben afgeleverd en/of voorhanden

heeft/hebben gehad, , als ware dat/die geschrift(en) echt en onvervalst,

immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededaders

1. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2008 (A-131-D-13 pag. 1 en 6)

en/of een offerte/overeenkomst tussen [kinderopvang 1] en [naam 5]

(A-131-D-13 pag. 4/5) en/of factuur van [kinderopvang 1] voor oktober

2008 (D-131-D-13 pag. 7) en/of een factuur van [kinderopvang 1] voor

november 2008 (D-131-D-13 pag. 8) en/of een factuur van [kinderopvang 1]

voor december 2008 (D-131-D-13 pag. 9) en/of

2. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2008 (A-131-D-14 pag. 1, 3 en 4)

en/of een jaaropgave (kinderopvang) 2008 van [kinderopvang 2] (A-131-D-14 pag. 2)

en/of

3. een Antwoordformulier kinderopvanggegevens (2009) (A-131-D-15) en/of

4. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2008 (A-237-D-03) en/of een

jaaropgave (kinderopvang) over 2008 van [kinderopvang 3] (A-237-D-18)

5. een Antwoordformulier kinderopvanggegevens (2009) (A-253-D-11)

6. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2008 (A-272-D-03) en/of een

factuur van [kinderopvang 1] voor oktober 2008 (A-272-D-04) en/of een

factuur van [kinderopvang 1] voor november 2008 (A-272-D-05) en/of een

factuur van [kinderopvang 1] voor december 2008 (A-272-D-06)

7. een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2009 (A-272-D-07) en/of een

jaaropgave (kinderopvang) 2009 van [kinderopvang 4] (A-272-D-08)

zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs

van enig feit te dienen,

(telkens) opgestuurd naar de Belastingdienst Toeslagen te Heerlen,

en bestaande die valsheid of vervalsing daarin dat verdachte en/of haar

mededaderes) op dit/deze Antwoordformulier(en) kinderopvangtoeslag en/of

Antwoordformulier(en) kinderopvanggegevens en/of deze factu(u)r(en) en/of

jaaropgave(n)

(telkens) valselijk en in strijd met de waarheid (onder meer) heeft/hebben

vermeld dat

ad 1. [naam 4] in 2008 in totaal 1620 uur kinderopvang heeft genoten en/of

dat het totale bedrag aan opvangkosten van [naam 4] in 2008 9.315 euro

bedroeg en/of dat de kinderopvang van [naam 4] in 2008 (althans in oktober

2008 en/of november 2008 en/of december 2008) bij [kinderopvang 1]

vestiging [locatie 2] heeft plaatsgevonden

en/of

ad 2. [naam 4] in 2008 in totaal 1620 uur kinderopvang heeft genoten en/of

dat het totale bedrag aan opvangkosten van [naam 4] in 2008 9.315 euro

bedroeg en/of dat de kinderopvang van [naam 4] in 2008 bij [kinderopvang 1]

vestiging [locatie 1] heeft plaatsgevonden

en/of

ad 3. [naam 4] in 2009 bij [kinderopvang 8], gevestigd op postcode [adres, te plaats 4]

kinderopvang heeft genoten

en/of

ad. 4 [naam 6] in 2008 in totaal 216 uur kinderopvang heeft genoten en/of

dat het totale bedrag aan opvangkosten van [naam 6] in 2008 1239,35 euro

bedroeg en/of dat de kinderopvang van [naam 6] in 2008 bij [kinderopvang 3]

te [plaats] heeft plaatsgevonden

ad. 5 [naam 8] en/of [naam 9] in 2009 bij K.D.V. [kinderopvang 23], gevestigd op

[adres, te plaats 5] kinderopvang heeft/hebben genoten

ad. 6 [naam 7] in 2008 in totaal 1620 uur kinderopvang heeft genoten en/of

dat het totale bedrag aan opvangkosten van [naam 7] in 2008 9315 euro

bedroeg en/of dat de kinderopvang van [naam 7] in 2008 (althans in oktober

2008 en/of november 2008 en/of december 2008) bij [kinderopvang 1]

vestiging [kinderopvang 3] heeft plaatsgevonden;

ad. 7 [naam 7] in 2009 in totaal 1800 uur kinderopvang heeft genoten en/of

dat het totale bedrag aan opvangkosten van [naam 7] in 2009 10.980 euro

bedroeg en/of dat de kinderopvang van [naam 7] in 2009 bij [kinderopvang 4] heeft

plaatsgevonden;

Art. 225 lid 1 jo 47 Wetboek van Strafrecht en/of art. 225 lid 2 jo 47 Wetboek

van Strafrecht

3.

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2007

tot en met 7 mei 2012 te Amsterdam en/of Almere, althans in Nederland, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen althans alleen, van het plegen van

witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, althans heeft/hebben witgewassen

immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) (een)

voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) (totaal circa 750.973 euro,

althans circa 703.780 euro, althans circa 341.795 euro, althans 340.895 euro),

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van dat/die

voorwerp(en) gebruik gemaakt, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en) dat

het/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk onmiddellijk of middellijk

afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Art. 420ter en/of 420bis jo. 47 Wetboek van Strafrecht

4.

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november

2008 en met 7 mei 2012 te Amsterdam en/of (elders) in Nederland, heeft

deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit onder andere [medeverdachte 1] en/of

[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [mededader 3] en/of [mededader 4] en/of

[mededader 2] en/of [mededader 1] en/of [mededader 5],

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- valsheid in geschrifte (artikel 225 lid 1 en/of 2 van het Wetboek van

Strafrecht) en/of

- oplichting (artikel 326 lid 1 van het wetboek van Strafrecht) en/of

- witwassen (artikel 420ter/bis van het Wetboek van Strafrecht)

Art. 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 De weergegeven bewijsmiddelen bevinden zich, tenzij anders vermeld, in de dossiers van de FIOD-ECD. De in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Verwezen wordt naar de desbetreffende pagina’s in de dossiers.

2 AH-43, p. 1397 en AH-022, p. 1207 e.v.

3 Lijst in beslag genomen voorwerpen, AH-87a/b, p. 1547-1553.

4 AH-095, p. 1588-1590.

5 Zaaksproces-verbaal contra [medeverdachte 1], V-01, p. 63-64.

6 AH-096, p. 1592.

7 Overzichtsproces-verbaal Triple X, p. 5, D-592, p. 4013 en AH-164, p. 1987.

8 AH-002, p. 9-11.

9 AH-086, p. 1539 – 1541.

10 AH-100, p. 1601 – 1610.

11 AH-121b, p. 1711- 1723.

12 Proces-verbaal A-131-OPV-01, p. 3-4 en A-131-D-01/D-02/D-03, p. 29-31.

13 AH-010, p. 1068 en D-48, p. 3150-3152.

14 AH-002, p. 1019 en D-058a, p. 3163.

15 AH-42a, p. 1329-1330.

16 Proces-verbaal verhoor van [persoon 1], A-131-V-01, p. 17-19.

17 A-131-D-13, p. 46-55, A-131-D-14, p. 56-60 en A-131-D-15, p. 61-62.

18 Proces-verbaal verhoor van [persoon 1], A-131-V-02, p. 23-24.

19 AH-074, p. 1498-1503 en AH-080, p. 1523.

20 AH-086, p. 1539-1541.

21 Proces-verbaal van [persoon 1] bij de rechter-commissaris, p. 4-6.

22 Proces-verbaal A-237-OPV-01, p. 3-4 en A-237-D-01, p. 68.

23 AH-042c en A-237-OPV-01, p. 5.

24 Proces-verbaal verhoor van [persoon 2], A-237-V-01, p. 16-17.

25 AH-121b, p. 1711-1722.

26 A-237-D-03, p. 71-72 en A-237-D-18. p. 93.

27 Proces-verbaal verhoor van [persoon 2], A-237-V-01, p. 19.

28 Proces-verbaal verhoor van [persoon 2], A-237-V-01, p. 21.

29 Proces-verbaal verhoor van [persoon 2] bij de rechter-commissaris, p. 3-5.

30 Proces-verbaal A-253-OPV-01, p. 3-4 en A-252-D-01/D-02, p. 22-24.

31 Proces-verbaal verhoor van getuige [persoon 26], G-15-01, p. 5047 en A-253-OPV-01, p. 4.

32 A-253-D-11, p. 40.

33 Proces-verbaal verhoor van [persoon 3], A-253-V-01, p. 14 en 17.

34 AH-124b, p. 1744-1750.

35 AH-121b, p. 1711-1722.

36 Zaaksproces-verbaal contra [verdachte], V-05, p. 377 en AH-100, p. 1601-1605.

37 Proces-verbaal van [persoon 3] bij de rechter-commissaris, p. 5-7.

38 Proces-verbaal A-136-OPV-01, p. 3-4 en A-136-D-01/D-02, p. 20-22.

39 AH-010, p. 1068 en D-48, p. 3150-3152.

40 Proces-verbaal verhoor van getuige [persoon 26], G-15-01, p. 5047.

41 Proces-verbaal verhoor van [persoon 5], A-136-V-01, p. 11-20.

42 Overzichtsproces-verbaal Triple X, bijlage III.

43 Proces-verbaal verhoor [mededader 4] bij de rechter-commissaris, p. 3.

44 Proces-verbaal van [persoon 5] bij de rechter-commissaris, p. 3-4.

45 D-163/D-164, p. 3449-3450 en D-787, p. 4309.

46 Proces-verbaal verhoor van [medeverdachte 2], V-03-06, p. 306 en V03-07, p. 314.

47 Proces-verbaal verhoor van [medeverdachte 2] van 28 januari 2014 bij de rechter-commissaris, p. 3-6.

48 Proces-verbaal A-272-OPV-01, p. 3-4 en A-272-D-01/D-02, p. 52-53.

49 AH-042c, p. 1350.

50 A-272-D-03/D-07, p. 54-55 en p. 59-60.

51 A-272-D-04/D-05/D-06, p. 56-58.

52 A-272-D-08, p. 61.

53 Proces-verbaal verhoor van [persoon 9], A-272-V-01, p. 16-21.

54 AH-121b, p. 1711-1722.

55 Proces-verbaal A043-OPV-01, p. 3 en A-043-D-02/D-03/D-04, p. 13-18.

56 AH-010, p. 1068 en D-48, p. 3150-3152.

57 Proces-verbaal verhoor van getuige [persoon 26], G-15-01, p. 5047.

58 Proces-verbaal verhoor van [persoon 2], A-237-V-01, p. 21.

59 Proces-verbaal verhoor van [persoon 4], A-043-V-01, p. 9-10.

60 AH-100, p. 1608.

61 Proces-verbaal A-265-OPV-01, p. 3 en A-265-D-01, p. 20.

62 Proces-verbaal verhoor van [persoon 10], A-265-V-01, p. 11-13.

63 AH-100, p. 1607.

64 Proces-verbaal verhoor van [persoon 10], A-265-V-01, 16.

65 Proces-verbaal A-101-OPV-01, p. 3 en A-101-D-01, p. 21-22.

66 AH-020, p. 1179 en D-056, p. 3160.

67 Proces-verbaal verhoor van [medeverdachte 2], V03-07, p. 314-316.

68 Proces-verbaal verhoor van [persoon 29], G-08, p. 5025.

69 Proces-verbaal verhoor van [persoon 11], A-101-V-01, p. 12-14.

70 Bijlage 3 Overzichtsproces-verbaal, overzicht bedragen [verdachte].

71 Proces-verbaal verhoor van [persoon 9], A-272-V-01, p. 20-21.

72 Proces-verbaal verhoor van [persoon 2], A-237-V-01, p. 21-22.

73 Proces-verbaal A-077-OPV-01, p. 3-4 en A-077-D-02/D-03, p. 67-68.

74 AH-020, p. 1179 en D-056, p. 3160.

75 AH-002, p. 1019 en D-058a, p. 3163.

76 AH-074, p. 1498-1503 en AH-080, p. 1523.

77 AH-086, p. 1539-1541.

78 AH-42b, p. 1339.

79 Proces-verbaal verhoor van [persoon 7], A-077-V-01, p. 14-20.

80 A-077-D-10, p. 80.

81 AH-123b, p. 1736 en D-191/D-192/D-193, p. 3488-3490.

82 Proces-verbaal verhoor van [persoon 12], A-196-V-01, p. 12 en proces-verbaal verhoor van [persoon 13], A-006-V-01, p. 8-10.

83 Proces-verbaal A-087-OPV-01, p. 3 en A-087-D-01, p. 32.

84 AH-020, p. 1179 en D-056, p. 3160.

85 Proces-verbaal verhoor van [medeverdachte 2], V03-07, p. 314-316.

86 Proces-verbaal verhoor van [persoon 27], G-04, p. 5016.

87 Proces-verbaal verhoor van [persoon 8], A-087-V-01, p. p. 9-12

88 Proces-verbaal verhoor van [persoon 2], A-237-V-01, p. 22.

89 Proces-verbaal verhoor van [persoon 2] bij de rechter-commissaris, p. 3-5.

90 Proces-verbaal A-184-OPV-01, p. 3 en A-184-D-01, p. 20.

91 AH-002, p. 1019 en D-058a, p. 3163.

92 AH-074, p. 1498-1503 en AH-080, p. 1523.

93 AH-086, p. 1539-1541.

94 AH-041, p. 1311.

95 Proces-verbaal A-184-OPV-01, p. 3.

96 Ah-121b, p. 1711-1722.

97 Proces-verbaal A-145-OPV-01, p. 3-4 en A-145-D-01, p. 24-26.

98 AH-002, p. 1019 en D-058a, p. 3163.

99 AH-074, p. 1498-1503 en AH-080, p. 1523.

100 AH-086, p. 1539-1541.

101 AH-42a, p. 1329-1330.

102 Proces-verbaal verhoor van [persoon 15], A-145-V-01, p. 13-20.

103 Proces-verbaal A-006-OPV-01, p. 3 en A006-D-01, p. 17.

104 AH-002, p. 1019 en D-058a, p. 3163.

105 AH-074, p. 1498-1503 en AH-080, p. 1523.

106 AH-086, p. 1539-1541.

107 AH-042, p. 1320.

108 Proces-verbaal verhoor van [persoon 13], A-006-V-01, p. 8-10.

109 Proces-verbaal verhoor van [persoon 7], A-077-V-01, p. 20-22 en een proces-verbaal verhoor van [persoon 12], A-196-V-01, p. 12

110 Proces-verbaal A-196-OPV-01, p. 3 en A-196-D-01/D-02, p. 35-37.

111 AH-002, p. 1019 en D-058a, p. 3163.

112 AH-074, p. 1498-1503 en AH-080, p. 1523.

113 AH-086, p. 1539-1541.

114 AH-042, p. 1320.

115 Proces-verbaal verhoor van [persoon 12], A-196-V-01, p. 12-13.

116 Proces-verbaal verhoor van [persoon 7], A-077-V-01, p. 20-22.

117 Proces-verbaal A-156-OPV-01, p. 3 en A-156-D-01, p. 23-24.

118 AH-002, p. 1019 en D-058a, p. 3163.

119 AH-074, p. 1498-1503 en AH-080, p. 1523.

120 AH-086, p. 1539-1541.

121 AH-042, p. 1314.

122 Proces-verbaal verhoor van [persoon 16], A-156-V-01, p. 12.

123 Proces-verbaal verhoor van [persoon 25], A-156A-V-01, p. 18-19.

124 Proces-verbaal A-178-OPV-01, p. 3 en A-178-D-01, p. 18.

125 AH-002, p. 1019 en D-058a, p. 3163.

126 AH-074, p. 1498-1503 en AH-080, p. 1523.

127 AH-086, p. 1539-1541.

128 AH-042, p. 1317.

129 Proces-verbaal verhoor van [persoon 17], A-178-V-01, p. 11.

130 Proces-verbaal A-232-OPV-01, p. 3 en A-232-D-01, p. 21-22.

131 AH-042c, p. 1342.

132 Proces-verbaal verhoor van [persoon 18], A-232-V-01, p. 10-18.

133 AH-074, p. 1498-1503 en AH-080, p. 1523.

134 AH-086, p. 1539-1541.

135 AH-100, p. 1603-1604.

136 Proces-verbaal A-233-OPV-01, p. 3 en A-233-D-01, p. 20.

137 AH-042c, p. 1342.

138 Proces-verbaal verhoor van [persoon 19], A-233-V-01, p. 10-11.

139 AH-074, p. 1498-1503 en AH-080, p. 1523.

140 AH-086, p. 1539-1541.

141 Proces-verbaal A-023-OPV-01, p. 3 en A-023-D-01, p. 12-13.

142 AH-010, p. 1068 en D-48, p. 3150-3152.

143 Proces-verbaal verhoor van [persoon 28], G-12-01, p. 5037.

144 Proces-verbaal verhoor van [persoon 20], A-023-V-01, p. 9-10.

145 Proces-verbaal A-166-OPV-01, p. 3 en A-166-D-02, p. 11.

146 AH-010, p. 1068 en D-48, p. 3150-3152.

147 AH-041, p. 1304.

148 Proces-verbaal verhoor van [persoon 21], A-166-V-01, p. 9.

149 Proces-verbaal A-179-OPV-01, p. 3-4 en A-179-D-01/D-02, p. 23-24.

150 AH-010, p. 1068 en AH-006, p. 1047, D-48, p. 3150-3152 en D-52, p. 3155.

151 AH-042, p. 1317.

152 Proces-verbaal verhoor van [persoon 22], A-179-V-01, p. 11-16.

153 A-179-D-04, p. 27.

154 A-206, D-08, p. 36.

155 Zaaksproces-verbaal contra [medeverdachte 3], p. 496-497 en proces-verbaal van ambtshandeling AH-094, p. 1586-1587.

156 Proces-verbaal A-176-OPV-01, p.3 en A-176-D-02, p. 13.

157 AH-010, p. 1068 en D-48, p. 3150-3152.

158 G25-01, p. 5078.

159 Proces-verbaal van verhoor [persoon 23], A-176-V-01, p. 9-10.

160 Zaaksproces-verbaal contra [medeverdachte 1], V-01, p. 25-117.

161 Zaaksproces-verbaal contra [medeverdachte 3], V-07, p. 468-709.

162 Zaaksproces-verbaal contra [mededader 1], V-17, p. 905-951.

163 Zaaksproces-verbaal contra [mededader 2], V-17, p. 798-818.