Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:8255

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-12-2014
Datum publicatie
12-01-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 5238
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op basis van het proces-verbaal van aanhouding acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat eiser op 15 februari 2014 mensen heeft vervoerd en dat dit gelet op de omstandigheden die blijken uit het proces-verbaal van aanhouding een op geld waardeerbare activiteit betreft, waarvoor gewoonlijk in het economisch verkeer een vergoeding of beloning kan worden bedongen. Door geen melding te maken van deze werkzaamheden heeft eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat door de schending van de inlichtingenplicht door eiser het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Uit het genoemde proces-verbaal blijkt dat de drie door eiser vervoerde personen niet hebben betaald voor de rit. Voorts heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat eiser op andere momenten in de periode in geding werkzaamheden als snorder zou hebben verricht en dat hij daaruit oncontroleerbare inkomsten zou hebben genoten. Gelet hierop kan de stelling van verweerder dat eiser geen deugdelijke administratie van zijn activiteiten heeft bijgehouden zodat het recht op bijstand niet valt vast te stellen, verweerder niet baten.

Verweerder was niet bevoegd met toepassing van artikel 54, derde lid, WWB en artikel 58, eerste lid, WWB over te gaan tot intrekking en terugvordering van de bijstand over die periode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 14/5238

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2014 in de zaak tussen

[naam], te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. F.P.M. van Gerven),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. Boegborn).

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering die eiser op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangt over de periode 1 februari 2014 tot en met 28 februari 2014 herzien (de rechtbank begrijpt: ingetrokken) en een bedrag van €772,08 teruggevorderd.

Bij besluit van 7 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 15 februari 2014 is eiser door de politie Amsterdam-Amstelland aangehouden op grond van overtreding van artikel 76, eerste lid, van de Wet Personenvervoer 2000. Eiser zou snorderswerkzaamheden hebben verricht, waarmee wordt bedoeld dat hij personen zou hebben vervoerd per auto tegen betaling zonder dat hij in bezit is van de daarvoor vereiste taxivergunningen.

2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser in de periode van 1 februari 2014 tot en met 28 februari 2014 inkomsten uit snorderswerkzaamheden heeft genoten, welke inkomsten hij niet heeft gemeld, zodat hij daarmee de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden. Omdat eiser geen boekhouding heeft bijgehouden over zijn activiteiten worden de daaruit verkregen inkomsten beschouwd als oncontroleerbaar en kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser, blijkens het proces-verbaal van politie, op 15 februari 2014 in een auto drie personen heeft vervoerd. Deze personen verklaarden tegenover de politie door eiser te zijn aangesproken en dat door hem is aangeboden hen voor een vergoeding van € 20,- naar het Stayokay hotel te brengen. Eiser is vervolgens aangehouden. De verklaring van eiser dat hij een dienst voor zijn vriend heeft verricht door het niet tegen betaling vervoeren van de drie vervoerde personen, is niet aannemelijk. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat het slechts een eenmalig incident betrof. Op grond van vaste jurisprudentie is DWI bij fraude bevoegd de uitkering integraal terug te vorderen. Dat eiser geen betaling ontvangen heeft, neem niet weg dat dit niet was gebeurd als hij niet was aangehouden. De personen waren immers onder die voorwaarde in de auto gestapt en voornemens voor de rit te betalen. Niet is gebleken van dringende redenen om van de terugvordering af te zien.

3. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Eiser heeft ontkend dat hij ooit snorderswerkzaamheden heeft verricht. Eiser heeft zelf geen auto en heeft daartoe ook niet de auto van een ander gebruikt. Uit de weergave van het proces-verbaal van de politie Amsterdam van 15 februari 2014, waarop verweerder zijn besluitvorming heeft gebaseerd, blijkt niet dat aan eiser € 20,- voor de rit is betaald, zodat eiser geen inkomsten heeft genoten. Voor zover er al reden zou zijn om aan te nemen dat eiser die € 20,- zou hebben ontvangen, wat hij betwist, dan is dat nog geen reden om zijn recht op uitkering over de hele maand februari 2014 te herzien en zijn uitkering integraal terug te vorderen.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1

Eiser is op 15 februari 2014 aangehouden door de politie. Uit het proces-verbaal van aanhouding maakt de rechtbank het volgende op. De politie ziet vier mannen in een auto stappen. Na enige tijd wordt de auto staande gehouden. De bestuurder wordt naar zijn papieren gevraagd, dat blijkt eiser te zijn. De bijrijder verklaarde dat hij net de bus wilde nemen, maar toen door eiser was aangesproken met de vraag waar zij heen moesten en of hij hen een lift moest geven en dat hij hen voor 20 euro wilde brengen. De twee inzittenden op de achterbank van de auto hebben deze verklaring van de bijrijder bevestigd. Op basis van dit proces-verbaal acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat eiser op 15 februari 2014 mensen heeft vervoerd en dat dit gelet op de omstandigheden die blijken uit het proces-verbaal van aanhouding een op geld waardeerbare activiteit betreft, waarvoor gewoonlijk in het economisch verkeer een vergoeding of beloning kan worden bedongen. Door geen melding te maken van deze werkzaamheden heeft eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden. De rechtbank acht de stelling van eiser dat hij door het vervoeren van de drie personen een vriendendienst verrichtte niet aannemelijk, gelet op de hiervoor weergegeven verklaringen van de vervoerde personen. Dat eiser op 15 februari 2014 niet daadwerkelijk geld heeft ontvangen brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Voor de vraag of sprake is van het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten is immers niet relevant of daadwerkelijk is betaald voor de activiteiten.

4.2

De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat door de schending van de inlichtingenplicht door eiser het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Uit het hiervoor genoemde proces-verbaal van 15 februari 2014 blijkt dat de drie door eiser vervoerde personen niet hebben betaald voor de rit. Voorts heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat eiser op andere momenten in de periode in geding werkzaamheden als snorder zou hebben verricht en dat hij daaruit oncontroleerbare inkomsten zou hebben genoten. De rechtbank deelt niet het standpunt dat verweerder ter zitting heeft ingenomen, dat het feit dat eiser op 15 februari 2014 is aangehouden voor snordersactiviteiten, aannemelijk maakt dat hij vaker dergelijke activiteiten heeft verricht. Het dossier bevat daarvoor geen aanknopingspunten. In het proces-verbaal van de politie wordt daar geen melding van gemaakt en ook uit de verklaring van eiser, die het verrichten van dergelijke activiteiten ontkent, valt dit niet af te leiden. Uit het gegeven dat eiser op 15 februari 2014 de beschikking heeft gehad over een auto, valt evenmin af te leiden dat hij de gehele maand februari oncontroleerbare inkomsten heeft gehad. Nu verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser vaker dan op 15 februari 2014 op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht en daaruit oncontroleerbare inkomsten heeft verworven, kan de stelling van verweerder dat eiser geen deugdelijke administratie van zijn activiteiten heeft bijgehouden zodat het recht op bijstand niet valt vast te stellen, verweerder niet baten. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 oktober 2013 (ECLI:NLCRVB:2013:1965).

4.3

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep levert schending van de inlichtingenplicht een zelfstandige rechtsgrond voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld (zie o.a. de uitspraak van 25 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:617). Nu zoals hiervoor onder 4.2 is overwogen, in deze zaak niet kan worden gesteld dat het recht op bijstand niet valt vast te stellen, heeft verweerder dan ook ten onrechte aan de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand over de periode 1 februari 2014 tot en met 28 februari 2014 niet kan worden vastgesteld. Verweerder heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat aan eiser in voornoemde periode ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. Verweerder was derhalve niet bevoegd met toepassing van artikel 54, derde lid, WWB en artikel 58, eerste lid, WWB over te gaan tot intrekking en terugvordering van de bijstand over die periode. Van een algemene bevoegdheid tot integrale terugvordering van de bijstand, zoals verweerder heeft gesteld, is in het geval van schending van de inlichtingenplicht geen sprake.

4.4

Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Nu uit voorgaande overweging volgt dat de bevoegdheid voor de intrekking en terugvordering van de bijstand ontbreekt, ziet de rechtbank geen aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen, nu dit besluit hetzelfde gebrek vertoont, en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het te vernietigen bestreden besluit.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro) (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1). Nu de rechtbank ook het primaire besluit herroept, ziet de rechtbank tevens aanleiding te bepalen dat verweerder de kosten van bezwaar dient te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro) (1 punt voor het indienen van het bezwaar, 1 punt voor de hoorzitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep tot een bedrag van € 1948,- (€ 974,- in bezwaar en € 974,- in beroep).

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Spoel, rechter, in aanwezigheid van mr. M. den Toom, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2014.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.