Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:8114

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-11-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
13/729063-13 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een man heeft geprobeerd de Rabobank Amsterdam en de Rabobank Graafschap Noord te Hengelo op te lichten door zich aan de balie van deze banken uit te geven als bewindvoerder van twee klanten van die banken, ter onderbouwing waarvan hij valse beschikkingen van een rechtbank heeft overgelegd.

De rechtbank veroordeelt de man tot een gevangenisstraf van 9 maanden voor het medeplegen van oplichting en valsheid in geschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer : 13/729063-13 (Promis)

Datum uitspraak : 6 november 2014

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres, te plaats].

Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 oktober 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Voorhuis.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij heeft geprobeerd de Rabobank Amsterdam en de Rabobank Graafschap Noord te Hengelo op te lichten door zich aan de balie van deze banken uit te geven als bewindvoerder van [persoon 1] en van [persoon 2], ter onderbouwing waarvan hij valse beschikkingen van een rechtbank heeft overgelegd.

Onder feit 2 is hem het gebruikmaken van die beschikkingen ten laste gelegd.

De tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

Op 16 juli 2013 loopt verdachte de Rabobank te Amsterdam, locatie de Dam, binnen. Verdachte overhandigt een uittreksel uit de Kamer van Koophandel aan de baliemedewerkster, waaruit blijkt dat verdachte eigenaar en enig bestuurder is van een bedrijf genaamd [verzekeringsmaatschappij A (BV)] Hij vertelt dat zijn bedrijf ook bewindvoeringen doet en dat hij als bewindvoerder is aangesteld van de [persoon 1]. Ter onderbouwing overlegt hij een beschikking van de “rechtbank Zuid-Holland” waarin verdachte staat vermeld als bewindvoerder over de [persoon 1] per 12 juli 2013. Hij verzoekt de baliemedewerkster namens [persoon 1] een bedrag over te maken van de rekening van [persoon 1] naar de rekening van [verzekeringsmaatschappij A (BV)], ter hoogte van € 94.149,- ten behoeve van de belastingen. Daarnaast verzoekt hij een bedrag van rond de € 90.000,- over te maken naar diezelfde rekening. Medewerkers van de Rabobank vertrouwen het niet en vertellen verdachte dat het geld niet direct kan worden overgemaakt. Later blijkt dat het stuk van de “rechtbank Zuid-Holland” vals is. Verdachte blijft die middag meermalen bellen met de vraag wanneer de transactie wordt voltooid.

Op diezelfde dag gaat verdachte ook naar de Rabobank te Hengelo (Gld). Aan de balie zegt hij bewindvoerder te zijn van [persoon 2]. Ter onderbouwing daarvan legt hij een beschikking over van de “rechtbank ’s-Gravenhage, Zuid-Holland” waarin verdachte staat vermeld als bewindvoerder van [persoon 2]. Verdachte vraagt ook bij deze bank de baliemedewerker een geldbedrag over te maken naar de rekening van [verzekeringsmaatschappij A (BV)] Echter, ook bij de Rabobank Hengelo vertrouwen de medewerkers het niet. Zij gaan niet over tot betaling. Later blijkt dat ook deze beschikking vals is.

Verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij in opdracht handelde en dat hij niet wist dat de beschikkingen vals waren.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft tot bewezenverklaring gerekwireerd van alle ten laste gelegde feiten, afgezien van het onderdeel terzake het onder 1 ten laste gelegde feit, dat ziet op het medeplegen. De officier van justitie meent dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om te komen tot de bewezenverklaring van het medeplegen van het feit. Daarvoor heeft zij dan ook partiële vrijspraak gevraagd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Nadere bewijsoverwegingen

Wetenschap valsheid beschikkingen van “rechtbank Zuid-Holland”, feiten 1 en 2

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen geconcludeerd moet worden dat verdachte wist dat de door hem overgelegde beschikkingen van de “rechtbank Zuid-Holland”, vals waren omdat in die beschikkingen is vermeld dat hij was aangesteld tot bewindvoerder terwijl hij wist dat dit niet zo was. Hij heeft dat laatste immers in zijn verhoor bij de politie toegegeven.

Medeplegen feit 1

Verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie verklaard niet alleen te hebben gehandeld. Die stelling vindt steun in verdachtes telefoongegevens van 8 juli 2013. Op die dag heeft verdachte het door hem geopende rekeningnummer voor [verzekeringsmaatschappij A (BV)] ([rekeningnummer 1]), in een bericht gestuurd naar een persoon genoemd [naam]. Dit rekeningnummer is het nummer dat verdachte bij de Rabobank opgaf als het rekeningnummer waarop de gelden zouden moeten worden gestort. Verdachtes verklaring vindt ook steun in het feit dat bij verdachte thuis tijdens de doorzoeking geen stukken zijn aangetroffen die verband houden met de oplichting. Dat wijst erop dat verdachte mogelijk niet zelf de valse beschikkingen heeft opgemaakt, maar dat deze aan hem zijn verstrekt, zoals hij ook verklaard heeft.

Dat verdachte als volwaardig medepleger dient te worden aangemerkt blijkt mede uit hetgeen is voorafgegaan aan het feit. Verdachte heeft zich bij de kamer van koophandel laten inschrijven als bestuurder van de [stichting A], de enig aandeelhouder en bestuurder van [verzekeringsmaatschappij A (BV)] waardoor het beheer over deze rechtspersonen op zijn naam kwam te staan. Ook heeft hij verklaard dat hij bankrekeningen voor het bedrijf heeft geopend, waarna hij een van deze rekeningen heeft gebruikt bij de poging de Rabobank te bewegen de geldbedragen over te maken.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een ander. Of sprake was van medeplegen met meerdere personen dan alleen met voornoemde [naam], kan niet worden vastgesteld. Het Openbaar Ministerie heeft immers nagelaten te onderzoeken wie bevoegd waren met betrekking tot de rekening van het [verzekeringsmaatschappij A (BV)].

Beide ten laste gelegde feiten kunnen bewezen worden verklaard.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

op 16 juli 2013 te Amsterdam en te Hengelo (GLD), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,

de Rabobank Amsterdam en de Rabobank Graafschap Noord te Hengelo (GLD), te bewegen tot de afgifte van geldbedragen van 90.000,- euro en 94.149,- euro en andere bedragen, hebbende hij, verdachte, toen aldaar met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid:

zich aan de balie van die betreffende Rabobank kantoren gemeld en aangegeven dat hij, verdachte, zou handelen namens zijn onderneming [verzekeringsmaatschappij A (BV)] te Roosendaal en dat hij in die hoedanigheid bewindvoerder zou zijn van [persoon 1] en [persoon 2] en ter onderbouwing van die stelling valse beschikkingen van de Rechtbank Zuid-Holland, betreffende zaaknr: 729364 PQ VERZ 05-8287 overgelegd, waarop valt te lezen dat hij, verdachte, op 12 juli 2013 als bewindvoerder van [persoon 1]

is aangesteld en dat hij, verdachte, op 15 juli 2013 als bewindvoerder van [persoon 2] is aangesteld (wetende dat hij, verdachte, niet als bewindvoerder van [persoon 1] en [persoon 2] is aangesteld) en voorgewend dat hij, verdachte, met zijn bedrijf [verzekeringsmaatschappij A (BV)] sinds enige tijd ook bewindvoeringen mag doen en voorgewend dat er geldbedragen overgemaakt dienden te worden van de rekening van [persoon 1] en

[persoon 2] naar de rekening van [verzekeringsmaatschappij A (BV)] ten behoeve van de belastingen,

terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid.

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

op 16 juli 2013 te Amsterdam en te Hengelo (GLD), tezamen en in verenging met een ander, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse beschikkingen van de “Rechtbank Zuid-Holland” te weten:

  • -

    een beschikking d.d. 12 juli 2013 betreffende zaaknr: 729364 PQ VERZ 05-8287 betreffende onder bewindstelling van [persoon 1] en

  • -

    een beschikking d.d. 15 juli 2013 betreffende zaaknr: 729364 PQ VERZ 05-8287 betreffende onder bewindstelling van [persoon 2],

zijnde (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift (telkens) echt en onvervalst, bestaande die valsheid hierin dat in strijd met de waarheid (onder meer):

op voornoemde beschikkingen van de “Rechtbank Zuid-Holland” vermeld staat dat hij, verdachte, als bewindvoerder is aangesteld van [persoon 1] en van [persoon 2], bestaande dat gebruik maken hierin (onder meer) dat hij, verdachte, die beschikking heeft verstrekt aan de Rabobank te Amsterdam en aan de Rabobank te Hengelo (GLD) ten behoeve van het overboeken van geldbedragen vanaf de rekening van [persoon 1] en vanaf de rekening van [persoon 2] naar de rekening van het bedrijf van verdachte, [verzekeringsmaatschappij A (BV)],

terwijl hij, verdachte en zijn mededader wisten, dat die beschikkingen bestemd waren tot gebruik als waren deze geschriften echt en onvervalst.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toepast van 40 dagen. Daarnaast heeft zij gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 (één) maand, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

Bij haar eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

8.2

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich twee keer op dezelfde dag schuldig gemaakt aan een poging twee banken op te lichten door zich voor te doen als bewindvoerder van een klant van die banken. Daarbij heeft hij gebruik gemaakt van valse beschikkingen. Het ging om zeer grote bedragen.

Om die reden is uitsluitend een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend, ook al is verdachte – blijkens zijn uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 29 juli 2014 – ten tijde van het plegen van de onderhavige feiten niet eerder veroordeeld voor een dergelijk feit.

Gelet op de straffen die doorgaans voor feiten als deze worden opgelegd, acht de rechtbank de eis van de officier van justitie te licht.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 47, 57, 63, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 (negen) maanden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.J. Cohen Tervaert, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en T.H. van Voorst Vader, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Flikkenschild, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 november 2014.

Bijlage I

Tenlastelegging inzake [verdachte]

Aan verdachte [verdachte] is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 15 juli 2013 en/of 16 juli 2013 te Amsterdam en/of te Hengelo (GLD), in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of

door een samenweefsel van verdichtsels,

de Rabobank Amsterdam en/of de Rabobank Graafschap Noord te Hengelo (GLD), te bewegen tot de afgifte van een of meer geldbedragen van 90.000,- euro en/of 94.149,- euro en/of een of meer andere bedragen, in elk geval van enig goed, hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen aldaar met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (onder meer):

zich aan de balie van die betreffende Rabobank kantoren gemeld en aangegeven dat hij, verdachte, zou handelen namens zijn onderneming [verzekeringsmaatschappij A (BV)] te Roosendaal en/of dat hij in die hoedanigheid bewindvoerder zou zijn van [persoon 1] en/of [persoon 2] en ter onderbouwing van die stelling een valse en/of vervalste beschikking van de Rechtbank Zuid-Holland, betreffende zaaknr: 729364 PQ VERZ 05-8287 overlegd, waarop valt af te lezen dat hij, verdachte, op 12 juli 2013 als bewindvoerder van [persoon 1]

is aangesteld en/of dat hij, verdachte, op 15 juli 2013 als bewindvoerder van [persoon 2] is aangesteld (wetende dat hij, verdachte, niet als bewindvoerder van [persoon 1] en [persoon 2] is aangesteld) en/of voorgewend dat hij, verdachte, met zijn bedrijf [verzekeringsmaatschappij A (BV)] sinds enige tijd ook bewindvoeringen mag doen en/of voorgewend dat er een of meer geldbedragen overgemaakt dienden te worden van de rekening van [persoon 1] en

[persoon 2] naar de rekening van [verzekeringsmaatschappij A (BV)] ten behoeve van de belastingen,

waardoor die eerder genoemde Rabobank Amsterdam en Rabobank Graafschap Noord (telkens) werd(en) bewogen tot afgifte van een of meer eerder genoemde geldbedragen,

terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid.

2.

hij op of omstreeks 15 juli 2013 en/of 16 juli 2013 te Amsterdam en/of te Hengelo (GLD), in elk geval in Nederland, tezamen en in verenging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en/of opzettelijk heeft afgeleverd een of meer valse of vervalste beschikkingen van de Rechtbank Zuid-Holland te weten:

- een beschikking d.d. 12 juli 2013 betreffende zaaknr: 729364 PQ VERZ 05-8287 betreffende onder bewindstelling van [persoon 1] en/of

- een beschikking d.d. 15 juli 2013 betreffende zaaknr: 729364 PQ VERZ 05-8287 betreffende onder bewindstelling van [persoon 2],

zijnde (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift (telkens) echt en onvervalst, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat in strijd met de waarheid (onder meer):

op voornoemde beschikkingen van de Rechtbank Zuid-Holland vermeld staat dat hij, verdachte, als bewindvoerder is aangesteld van [persoon 1] en van [persoon 2], bestaande dat gebruik maken hierin (onder meer) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die beschikking heeft/hebben verstrekt of doen toekomen aan de Rabobank te Amsterdam en aan de Rabobank te Hengelo (GLD) ten behoeve van het overboeken van een of meer geldbedragen vanaf de private banking rekening van [persoon 1] en vanaf de rekening van [persoon 2] naar de rekening van het bedrijf van verdachte, [verzekeringsmaatschappij A (BV)],

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die beschikkingen bestemd was/waren tot gebruik als ware deze geschriften (telkens) echt en onvervalst.

Bijlage II

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde:

1. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, met nummer 2013186152-6 van 22 augustus 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], doorgenummerde pagina’s 77-81.

Dit proces-verbaal houdt als verklaring van verdachte onder meer het volgende in, zakelijk weergegeven:

V: We tonen u foto’s waarop is te zien dat u de bank in Amsterdam binnenloopt. Het is dan 16 juli 2013. U overlegt dan een beschikking op naam van [persoon 1]. Daarbij zegt u dat u bewindvoerder bent. Klopt dat?

A: Ja, dat klopt. Ik ben de afgebeelde man.

V: Nogmaals, u bent de bank binnengegaan en heeft zich uitgegeven als bewindvoerder. In het geval Amsterdam was u bewindvoerder voor de [persoon 1]. Dat klopt toch?

A: Ja, dat klopt. Ze hadden gezegd dat ik het zo moest doen. Ik dacht dat het goed zat. Ik zou er ook opleiding voor krijgen.

V: Maar uw naam staat op de beschikking. En die beschikking is overduidelijk vals?

A: Ja, ja, dat zegt u nu. Ik heb die beschikking zo gekregen. Meneer, ik ben vrachtwagenchauffeur. Ik weet dat allemaal niet.

V: Maar na de bank in Amsterdam bent u naar een tweede bank geweest. Dat was de Rabobank Graafschap Noord.

A: Ja, volgens mij was dat Hengelo of zo.

V: Ja. daar heeft u hetzelfde geprobeerd.?

A: Ja, ik heb mij daar ook als bewindvoerder uitgegeven. U toont mij foto’s. Het is juist dat mijn afbeelding daarop staat. Ik ben dat.

V: Hoe ging dat?

A: Ja, hetzelfde als in Amsterdam. Dat die vrouw niet met haar geld kon omgaan en dat ik daarom haar bewindvoerder was.

V: Waar zou dat geld naartoe moeten?

A: Naar de rekening van [verzekeringsmaatschappij A (BV)]. Dat is een ING rekening. Ik heb het meegenomen. Het betreft twee rekeningen van een [stichting A] en de BV. Ik overhandig u de pasjes. Dan ben ik er vanaf. U zegt dat de pincode erop staat. Ja, dat klopt. Die heb ik niet geschreven. De handtekening is wel van mij. Ik heb de rekening een maand of drie geleden geopend. Ik ben ook zelf bij de Kamer van Koophandel geweest voor opening van de BV en de [stichting A] ook. De oude eigenaar is toen meegegaan. Die moest namelijk tekenen voor de overdracht. Het was de eerste keer dat ik de oude eigenaar van [verzekeringsmaatschappij A (BV)] zag, ik heb daarvoor nooit eerder contact met hem gehad, ook niet telefonisch.

V: Uw telefoon is digitaal onderzocht. U zendt op een moment een sms naar een [naam]? Wie is [naam].

A: [naam] is een kennis van mij. Nu niet meer. Die zou ook werken hij dat [verzekeringsmaatschappij A (BV)]. Ik heb(de rechtbank leest: hem) via [verzekeringsmaatschappij A (BV)] ontmoet.

V: Een belangrijke vraag is, waarom nou juist deze mensen [persoon 1] en [persoon 2] op de beschikking staan?

A: Ik weet dat niet meneer. Ik heb dat zoals gezegd, aangereikt gekregen.

2. Een proces-verbaal van aangifte, met nummer PL133E 2013175815-1 van 18 juli 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], doorgenummerde pagina’s 4-5.

Dit proces-verbaal houdt als verklaring van aangever [zoon van persoon 1] onder meer het volgende in, zakelijk weergegeven:

Ik ben de zoon van [persoon 1] geboren [geboortedatum 2]. Ik doe namens hem aangifte van oplichting.

Op 17 juli 2013 omstreeks 10.30 uur werd ik gebeld door de Rabobank deze hebben toen mijn voicemail ingesproken of ik hen wilde terug bellen. Ik heb hen terug gebeld omstreeks 13:30 uur. De naam van de medewerker die mij belde is [persoon 3]. Zij is Accountmanager Private Banking van de Rabobank. Zij is voor mij ook mijn contactpersoon. Zij vertelde mij het volgende verhaal:

Er is een man aan de balie van de Rabobank op de Dam geweest. Deze man wilde vanaf de rekening van mijn ouders geld overmaken naar een andere rekening. Hij had papieren van de rechtbank in Den Haag, een beschikking van de rechtbank Zuid Holland en uittreksel Handelsregister Kamer van Koophandel bij zich. Hij wilde twee boekingen doen, één van 90.000 euro en één van 94.000 euro. De man heeft zich gelegitimeerd aan de medewerker. Ik weet niet of ze hier een kopie van hebben gemaakt. De Rabobankmedewerker vertrouwde dit niet. De Rabobank heeft toen gelijk de rekening geblokkeerd.

Ik of mijn vader heb geen toestemming gegeven voor deze overschrijving. Ik ken de man ook niet die dit heeft geprobeerd.

3. Een geschrift te weten een beschikking tot bewindvoering ten aanzien van [persoon 1] van de “Rechtbank Zuid-Holland” van 12 juli 2013, doorgenummerde pagina 7.

Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

De beschikking, met zaaknur: 729364 PQ VERZ 05-8287 stelt dat [verdachte] op 12 juli 2013 is benoemd tot bewindvoerder van [persoon 1].

4. Een proces-verbaal van aangifte, met nummer PL0647 2013106041-1 van 6 augustus 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4], doorgenummerde pagina’s 8-10.

Dit proces-verbaal houdt als verklaring van aangever [persoon 2] onder meer het volgende in, zakelijk weergegeven:

Ik doe aangifte van valsheid in geschrifte. Ik hoorde dat er tegen mij werd gezegd dat er een poging was gedaan om mijn bankrekening te plunderen. Hierop maakte ik met [persoon 4] voor vrijdag 26 juli 2013 een afspraak op de locatie van de Rabobank te Hengelo (Gld). Tijdens dat gesprek werd mij door de [persoon 4] verteld dat er op dinsdag 16 juli 2013 een manspersoon bij hem aan het loket van de Rabobank, locatie Hengelo (Gld) was gekomen. Deze man had tegen hem verteld dat hij als bewindvoerder optrad voor mij. Deze uitlating zette hij kracht bij door een beschikking te overhandigen van de Rechtbank ‘s-Gravenhage, Zuid-Holland met het zaaknummer: 729364PQVERZ.05-8287. Na onderzoek bij de rechtbank ‘s-Gravenhage is men nu bij de Rabobank tot de conclusie gekomen dat deze beschikking vervalst is. Uiteindelijk kreeg ik van de Rabobank een mail met daarin opgenomen een mail van [persoon 5], parketsecretaris Arrondissement Amsterdam. Hierin werd verwoord dat de rechtbank Den Haag inmiddels schriftelijk aangifte had gedaan bij de Officier van Justitie. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

5. Een geschrift te weten een beschikking tot bewindvoering ten aanzien van [persoon 2] van de “Rechtbank ’s-Gravenhage, Zuid-Holland” van 15 juli 2013, doorgenummerde pagina 12.

Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

De beschikking, met zaaknr: 729364 PQ VERZ 05-8287 stelt dat [verdachte] op 15 juli 2013 is benoemd tot bewindvoerder van [persoon 2].

6. Een proces-verbaal van aangifte, met nummer PL1303 2013186152-1 van 16 juli 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], doorgenummerde pagina 22 met als bijlage een e-mailbericht op pagina 23.

Dit proces-verbaal houdt als verklaring van aangever [persoon 6] onder meer het volgende in, zakelijk weergegeven:

In mijn functie van senior adviseur van de afdeling crisismanagement en fraudebestrijding van de Rabobank Nederland doe ik hierbij aangifte van poging tot oplichting. De bijzonderheden met betrekking tot deze aangifte heb ik reeds verwoord in mailverkeer en deze kunt u in de aangifte bijvoegen.

Het bijgevoegde e-mailbericht houdt als verklaring van aangever [persoon 6], onder meer het volgende in, zakelijk weergegeven:

Op 16 juli is [verdachte], [geboortedatum 1] en wonende te [adres, te plaats] aan de balie van Rabobank Amsterdam te Dam, Amsterdam geweest. Hij stelde stukken ter beschikking, waaruit zou moeten blijken dat hij en/of zijn bedrijf [stichting A] bewindvoerder moest worden over [persoon 1] te [plaats 1]. De [persoon 1] is klant bij Rb Amsterdam en is een zogenaamde private banking klant. De [verdachte] kon redelijk van klantinformatie over de

klant geven. Hoe hij hier aangekomen is, is ons onbekend. Hij stelde originele stukken ter beschikking van de KvK en een originele beschikking van de Rechtbank Zuid-Holland, waarin hij als bewindvoerder werd aangesteld over de [persoon 1] per 12/7/2013. Het verhaal kwam enigszins warrig over en werd niet geheel vertrouwd door de betreffende medewerkers. Zijn legitimatie werd gecontroleerd en deze voldeed aan de VIS. Tevens werd bij de Rechtbank Amsterdam en de Rechtbank Den Haag de beschikking nagevraagd. Deze bleek niet te bestaan. Kortom deze beschikking bleek volledig vals te zijn. De [verdachte] verzocht ons een bedrag over te maken naar zijn bedrijf [verzekeringsmaatschappij A (BV)] ad € 94.149,- t.b.v. de belasting. Tevens moest er ook nog een bedrag van rond € 90.000, - worden overgemaakt naar dezelfde rekening van [verzekeringsmaatschappij A (BV)]. Door medewerkers werd aangegeven dat dit niet direct kon. De hele middag heeft de [verdachte] gebeld of er wel met spoed gehandeld kon worden, daar men op het geld zat te wachten. Door de bank werden een aantal bijzonderheden geconstateerd, waardoor niet werd overgegaan tot verder handelen. Uit de informatie bleek dat de beschikking vals was. Kortom een vals stuk als omschreven in artikel 225 WvS. [verdachte] probeerde hiermee aan te tonen dat hij bewindvoerder is, waardoor er gelden overgemaakt konden worden. Door oplettendheid van medewerkers van Rabobank Amsterdam is dit niet doorgegaan, anders was er een schade ontstaan van € 184.149,-. [verdachte] heeft ons geprobeerd middels een vals stuk te bewogen geld over te maken, waardoor schade voor Rabobank Amsterdam had kunnen ontstaan. Namens Rabobank Amsterdam doe ik hierbij aangifte van valsheid in geschrifte en/of poging tot oplichting.

7. Een proces-verbaal van verhoor getuige, met nummer PL1303 2013186152-3, van 31 juli 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], doorgenummerde pagina’s 69-70.

Dit proces-verbaal houdt als verklaring van getuige Van Haaster, onder meer het volgende in, zakelijk weergegeven:

Ik ben werkzaam als administratief medewerker bij de rechtbank Den Haag.

U informeert mij dat u een fraudezaak onderzoekt, waarbij onder een valse hoedanigheid van bewindvoerder is getracht een geldbedrag afhandig te maken van de Rabobank. Mogelijk herken ik deze zaak wel. Wat is de naam? [verdachte], zegt u. Ja, dat klopt. Ik ben daarover gebeld door de Rabobank. Die formulieren waren inderdaad vals.

Ik heb uw verzonden formulieren bekeken. Het zijn inderdaad dezelfde formulieren die ik al had bekeken in het contact met de Rabobank. Ik kan u zeggen dat deze geheel vals zijn. De heer [persoon 1], geboren [geboortedatum 2], komt in het register van bewindvoering niet voor. Bovendien is de [persoon 1] woonachtig in [plaats 1]. In de situatie dat er wel een bewindvoering is, dan zou dat zijn geregeld door de rechtbank Amsterdam. Datzelfde geldt voor het andere formulier, waar is gesteld dat er bewindvoering is voor [persoon 2]. Dit formulier is ook in zijn geheel vals. Het is geknipt en geplakt. Mevrouw [persoon 2] is woonachtig in [plaats 2], dus ook in dit geval zal de rechtbank Den Haag nimmer een dergelijke beschikking af geven.

8. Een geschrift, te weten een e-mailbericht van [persoon 7] van rechtbank Den Haag aan [persoon 8], Parket te Den Haag van 19 juli 2013, doorgenummerde pagina 71.

Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Deze week hebben wij contact gehad over de vervalste beschikking die de rechtbank Den Haag via de Rabobank Graafschap-Noord heeft ontvangen.

Uit onderstaande punten hebben wij kunnen opmaken dat de beschikking vals is:

  • -

    de stempel ‘rechtbank ‘s-Gravenhage’ wordt sinds de invoering van de HGK niet meer gebruikt. Het is nu ‘Rechtbank Den Haag’;

  • -

    het genoemde zaaknummer bestaat niet. Er is tevens een rolnummer uit 2005 gebruikt;

  • -

    De kop ‘Rechtbank ‘s-Gravenhage, Zuid Holland’ wordt nooit gebruikt. Wij gebruiken ‘Rechtbank Den Haag’. Onder deze regel wordt ook het betreffende team genoemd: ‘Team Kanton Den Haag’. Dit staat niet op de vervalste beschikking;

  • -

    Genoemde rechthebbende woont in Hengelo, de genoemde bewindvoerder woont in Rotterdam. De rechtbank Den Haag is daarom niet bevoegd in deze zaak en zou hier dus nooit uitgesproken kunnen worden;

  • -

    De ‘voor afschrift’ stempel is niet gelijk aan de stempels die bij de rechtbank Den Haag gebruikt worden;

  • -

    De handtekening van de genoemde kantonrechter is vals en lijkt totaal niet op de werkelijke handtekening.

9. Een geschrift, te weten een e-mailbericht van [persoon 3], accountmanager Private Banking Amsterdam, van 16 juli 2013, ongenummerd.

Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Vanochtend is [verdachte] aan de balie op de Dam geweest, hij heeft daar gesproken met [persoon 9]. Tijdens dit gesprek heeft [persoon 9] mij gebeld, zij had er geen goed gevoel over. Ik heb aangegeven dat ik graag eerst de stukken wilde zien. Meneer benadrukte dat het wel erg veel spoed had en heeft ‘s middags nogmaals gebeld. Ik heb Rechtbank Den Haag gebeld, werd daar doorverwezen naar Rechtbank Amsterdam. Rechtbank Amsterdam heeft op zaaknummer én op persoon gezocht. [persoon 1] komt niet voor in het register van onderbewindgestelden, bovendien betreft het zaaknummer een andere zaak.

[persoon 9] heeft mij eerder vandaag het volgende gemaild:

Ik heb meneer als prospect opgevoerd maar verder geen stukken toegevoegd en niet gelinkt.

[verdachte] [geboortedatum 1].

Ook gaf meneer aan dat er met spoed een bedrag van € 94.149, - overgemaakt moet worden (Op papier staat belasting dwangbevel), echter moet dit naar de rekening van zijn bedrijf [verzekeringsmaatschappij A (BV)] [rekeningnummer 1] t.n.v. [verdachte]. En meneer gaf aan dat er € 90.000,- overgemaakt moet worden naar de [stichting A] van hem. Terwijl dit bedrag niet zo staat in het papier dat meneer bij zich had.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

10. Een proces-verbaal onderzoek mobiele telefoon, met nummer 2013186152, van 18 juli 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5], doorgenummerde pagina’s 25-26 met daarbij als bijlage een afschrift van telefoongegeven op pagina 49.

Dit proces-verbaal houdt als verklaring van voornoemde verbalisant, onder meer het volgende in, zakelijk weergegeven:

Bij verdachte werd een mobiele telefoon in beslag genomen. De telefoon is onderzocht, maar niet uitgelezen omdat de telefoon was voorzien van een blokkering. Verder is onderzoek gedaan naar de geheugenkaart. Ook de Sim-kaart gegevens zijn uitgelezen.

Rapporten betreffende het uitlezen van de telefoon en de simkaart zijn te vinden in de bijlagen.

Bijlage op pagina 49, houdt in, zakelijk weergegeven:

Een bericht van verdachte aan een persoon genaamd [naam] op 8 juli 2013 op telefoonnummer [telefoonnummer 1] met het bericht: “[rekeningnummer 1]. Dit is ING”.

11. Een geschrift, te weten een Uittreksel Handelsregister kamer van Koophandel, van 15 juli 2013, ongenummerd.

Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Besloten Vennootschap

[verzekeringsmaatschappij A (BV)]

Gemeente Ermelo

Enige aandeelhouder

[stichting A]

Bestuurder

[stichting A].

12. Een geschrift, te weten een Uittreksel Handelsregister kamer van Koophandel, van 11 juni 2013, ongenummerd.

Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Rechtspersoon

[stichting A]

Ermelo

Bestuurder

[verdachte]

Geboortedatum [geboortedatum 1] te [geboorteplaats]

Datum in functie: 1 juni 2013 (datum registratie 03-06-2013)

Alleen/zelfstandig bevoegd.