Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:8104

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
AWB 13-5193
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een terras aan de achterzijde (het binnenterrein) van het Conservatorium Hotel, in afwijking van het bestemmingsplan. Buurtbewoners met een buitenruimte (tuin/balkon) aan het binnenterrein hebben hiertegen beroep ingesteld. De buurtbewoners hebben zich onder meer op het standpunt gesteld dat dat de omgevingsvergunning berust op een onvoldoende ruimtelijke onderbouwing en dat de vergunningverlening leidt tot een aantasting van het woon- of leefklimaat. De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank is echter tevens van oordeel dat verweerder dit gebrek met het verweerschrift en de toelichting ter zitting heeft hersteld en laat daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/5193

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2014 in de zaak tussen

[eisers 1]

[eisers 1]

[eisers 1] allen wonende te [woonplaats], eisers,

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam (als opvolger van het dagelijks bestuur van stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam), verweerder (gemachtigde A.J.A.P. Peters).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: het Conservatorium Hotel B.V., gevestigd te [woonplaats], vergunninghoudster, (gemachtigde: E.C. Berkouwer).

Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder een omgevings-vergunning verleend voor het afwijken van de bepalingen in het bestemmingsplan “Voormalige Rijkspostspaarbank” ten behoeve van de realisatie van een terras aan de achterzijde van het Conservatorium Hotel aan de [straatnaam].

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2014.

[eisers 1] zijn aldaar verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Namens vergunninghoudster zijn tevens verschenen [naam 1], deskundige werkzaam bij Peutz, en [naam 2] projectdirecteur bouw.

Het onderzoek ter zitting is op 18 april 2014 geschorst en het vooronderzoek is heropend, teneinde eisers in de gelegenheid te stellen nader schriftelijk te reageren op het door vergunninghoudster ingediende aanvullende stuk van 15 april 2014.

De rechtbank heeft bij brief van 30 april 2014 een reactie van eisers ontvangen. Verweerder heeft hierop bij brief van 22 mei 2014 gereageerd. Vergunninghoudster heeft bij brief van

28 mei 2014 gereageerd. Eisers hebben vervolgens bij brieven van 2 juni 2014 en 19 juni 2014 nog een nadere reactie gestuurd.

Vervolgens heeft de rechtbank op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald, na toestemming van partijen, dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve gesteld voor de vraag of eiseres [eiseres]ontvankelijk is in haar beroep.

1.1.

Ingevolge artikel 6:13 van de Awb, voor zover relevant, kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

1.2.

De rechtbank stelt vast dat [eiseres]geen zienswijze heeft ingediend. Nu de gronden om beroep in te stellen ten tijde van het ontwerpbesluit reeds aanwezig waren en eiseres ook overigens ter zitting geen reden heeft aangevoerd waarom haar niet kan worden verweten dat zij geen zienswijze heeft ingediend, kan eiseres niet worden ontvangen in haar beroep.

1.3.

Het beroep van [eiseres] zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

2. De rechtbank stelt vervolgens vast dat het aanvullende stuk van vergunninghoudster van 15 april 2014 buiten de in artikel 8:58 van de Awb gestelde termijn van 10 dagen voor de zitting is ingediend. Eisers hebben zich ter zitting verzet tegen het meenemen van dit stuk bij de behandeling, omdat zij door de late indienen niet voldoende tijd hebben gehad daar adequaat op te reageren. De rechtbank heeft eisers en verweerder na afloop van de zitting in de gelegenheid gesteld een schriftelijke reactie te geven op het aanvullende stuk. De rechtbank is van oordeel dat eisers en verweerder hiermee voldoende in de gelegenheid zijn gesteld te reageren. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding dit aanvullende stuk wegens strijd met de goede procesorde niet mee te nemen in haar oordeelsvorming.

3. De rechtbank overweegt verder dat de argumenten van eisers met betrekking tot geleden of te lijden planschade in de onderhavige procedure onbesproken zullen worden gelaten, nu daarvoor een zelfstandige met waarborgen omklede procedure openstaat en de eventuele verschuldigdheid geen onderdeel vormt van de voorliggende zaak.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan “Voormalig Rijkspostspaarbank”, ten behoeve van de realisatie van een terras, aansluitend aan het atrium, aan de achterzijde van het Conservatoriumhotel [adres]

5. Bij brief van 11 september 2013 hebben eisers, woonachtig aan[adres], beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eisers stellen zich - kort gezegd - op het standpunt dat verweerder ten onrechte een omgevingsvergunning heeft verleend, omdat deze voor omwonenden een onevenredige inbreuk op het woon- en leefklimaat oplevert.

6. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

(…)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan (…).

6.1.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening

(…)

3°. indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

6.2.

Ingevolge bestemmingsplan “Voormalige Rijkspostbank” (het bestemmingsplan) rust op de gronden waarvoor de omgevingsvergunning is verleend de bestemming “Tuin”. In artikel 2.3 van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan (planvoorschriften) staat dat deze gronden zijn bestemd voor tuinen en bijbehorende paden, een laad- en losplaats, een ondergrondse parkeergarage, toegang tot de laad- en losplaats en tot de ondergrondse parkeergelegenheid, een gedeeltelijke overkapping en voor de ontsluiting van in artikel 2.1, eerste lid genoemde functies.

7. De rechtbank overweegt allereerst dat de beslissing om mee te werken aan gebruik in strijd met het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van verweerder, waarbij deze beleidsvrijheid heeft, zodat de rechter dit terughoudend moet toetsen. Dit wil zeggen dat de rechtbank zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

8. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat instemming door de stadsdeelraad, noodzakelijk voor vergunningverlening, gelet op de motie van 24 april 2014, is geschied onder de voorwaarde dat verweerder in overleg treedt met vergunninghoudster om geluidbeperkende maatregelen te treffen. Eisers stellen dat door het niet nakomen van deze voorwaarde de rechtsgrond onder het bestreden besluit is komen te ontvallen en het besluit onrechtmatig is genomen.

8.1.

Uit het verslag van de vergadering van de Deelraad Zuid van 24 april 2013 blijkt dat de aanvraag, na de instemming met de concept ruimtelijke onderbouwing, als project waarover al een afzonderlijk besluit is genomen kan worden aangemerkt, zodat een verklaring van geen bedenkingen niet meer is vereist. Wel is de motie aangenomen. In de betreffende motie van 24 april 2013 de D66- en PvdA-fracties staat “Verzoekt het Dagelijks Bestuur in overleg met het Conservatoriumhotel te treden met het oogmerk om het hotel geluid beperkende maatregelen te laten treffen.” Anders dan eisers, is de rechtbank van oordeel dat de tekst van die motie en het verslag van de vergadering geen aanleiding geven voor de conclusie dat er een harde voorwaarde is gesteld aan de instemming. Blijkens de brief van verweerder van 9 juli 2013 is er overleg geweest met vergunninghoudster. Niet blijkt dat verweerder niet in overleg is getreden over geluidbeperkende maatregelen. Tevens heeft vergunninghoudster ter zitting aangegeven dat overleg heeft plaatsgevonden met de omwonenden, hoewel dit voor eisers blijkbaar onvoldoende is geweest. De rechtbank ziet in het voorgaande geen aanleiding om tot gegrondverklaring van het beroep te komen.

9. Eisers hebben zich verder op het standpunt gesteld dat de omgevingsvergunning rust op een onvoldoende ruimtelijke onderbouwing. Verweerder heeft zich in de ruimtelijke onderbouwing te eenzijdig gericht op de economische belangen van de vergunninghoudster, gebruik gemaakt van een ondeugdelijk geluidsrapport van Peutz, onvoldoende oog gehad voor de belangen van eisers bij het behoud van hun woongenot en verder gehandeld met vooringenomenheid. Eisers hebben ter onderbouwing van hun stelling een contra-expertise van het geluidBuro overgelegd. Volgens het geluidBuro dient verweerder te beoordelen of de vergunningverlening het woon- of leefklimaat schaadt en niet te toetsen aan het Activiteitenbesluit.

9.1.

Verweerder heeft in de beoordeling van de aanvraag verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing van 16 januari 2013. In die ruimtelijke onderbouwing staat dat het centraal stedelijk hotelbeleid naast kwantitatieve- ook kwalitatieve doelstellingen nastreeft. Hotels in het hogere segment zoals het Conservatoriumhotel trekken een bijzonder en kapitaalkrachtig publiek naar Amsterdam. Zij dragen niet alleen direct bij aan de economie van de stad, maar verbeteren ook het vestigingsklimaat van de stad en helpen zo bij het aantrekken van internationale bedrijven en congressen. Met zonnig weer kunnen genieten van een lunch of diner op een terras is een service die door gasten bij een tophotel verwacht wordt. Verweerder heeft verder vermeld dat er uit geluidsonderzoek van Peutz is gebleken dat met het terras wordt voldaan aan de geluidswaarden uit het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit). Ten slotte heeft verweerder in de ruimtelijke onderbouwing met betrekking tot de maatschappelijke uitvoerbaarheid opgenomen dat de het niet gaat om een regulier straatterras omdat het gebruik beperkt is tot brasseriebezoekers, dat er nooit sprake is geweest van een stille binnentuin en dat het terras weinig extra reuring zal geven. Bij de beoordeling van de aanvraag heeft verweerder tevens overwogen dat het gebruik van het terras beperkt blijft tot maximaal 30 personen en dat het terras maximaal tot 22.00 uur gebruikt mag worden.

9.2.

Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat er bij de belangenafweging meer dan alleen de economische belangen zijn meegewogen. De belangen van omwonenden zijn ook meegewogen, maar deze hebben niet tot weigering van de vergunning geleid, omdat uit het geluidsrapport van Peutz van 16 augustus 2012 volgt dat het realiseren van het terras geen onevenredige aantasting van de belangen van de omwonenden oplevert en dat de eisen die via de exploitatievergunning aan het uitbaten van het terras worden gesteld voldoende zijn om de belangen van de omwonenden te behartigen.

9.3.

De rechtbank overweegt dat verweerder helder en kenbaar moet motiveren waarom afwijken van het bestemmingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat hij daarbij alle relevante belangen dient af te wegen. De rechtbank overweegt, met eisers, dat de beoordeling van de aanvraag in het bestreden besluit en de daarbij behorende ruimtelijke onderbouwing, zoals onder r.o. 9.1 samengevat, onvoldoende blijk geeft van een dergelijke kenbare draagkrachtige motivering en zorgvuldige belangenafweging. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft.

9.4.

De rechtbank is van oordeel dat dit motiveringsgebrek niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd, nu niet is uitgesloten dat eisers door dit gebrek zijn benadeeld. Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

10. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk in stand worden gelaten. In dat verband overweegt zij het volgende.

10.1.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het verweerschrift van 4 april 2014 de in het bestreden besluit gegeven ruimtelijke onderbouwing, zoals bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo, heeft aangevuld. Eisers en vergunninghoudster hebben hier zowel schriftelijk als mondeling ter zitting op kunnen reageren. De rechtbank dient thans te beoordelen of de omgevingsvergunning, mede gezien de aanvullende motivering van verweerder, in redelijkheid verleend had kunnen worden. Hierbij is van belang of er na de aanvulling van de motivering alsnog sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing, waaruit afdoende blijkt dat verlening van de omgevingsvergunning niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

10.2.

Verweerder heeft zich, nader gemotiveerd in het verweerschrift, op het standpunt gesteld dat het toelaten van een beperkt gedeelte van de tuin als terras geen onevenredige inbreuk op de bestemming ‘Tuin’ oplevert. Verweerder heeft allereerst aangevoerd dat niet kenbaar is uit welk beleid zou blijken dat een terras in een binnentuin niet toelaatbaar is. Dat een ander stadsdeel in haar beleid heeft aangegeven dat terrassen in binnentuinen niet zijn toegestaan, maakt niet dat de omgevingsvergunning niet verleend had mogen worden, aldus verweerder. Voor zover eisers het binnentuinenbeleid bedoelen, is dit op de onderhavige situatie niet van toepassing, omdat dat beleid ziet op het voorkomen van bebouwing. Verweerder heeft ten tweede aangevoerd dat de feitelijke situatie geen standaard binnentuin-situatie betreft. Ter onderbouwing hiervan heeft hij aangevoerd dat het binnenterrein van het gebouw van oudsher door een muur wordt afgeschermd van de rest van het bouwblok. Ook beslaat het meer dan de helft van het gehele bouwblok en staat het binnenterrein van oudsher door twee poorten direct in verbinding met de [straatnaam]. Deze poorten dienen als toegang voor auto’s en laad- en los verkeer voor het hotel en de detailhandel in het gebouw. Via de poorten rijden taxi’s het binnenterrein op om gasten af te zetten bij de hoofdentree die tevens is gelegen aan de binnenplaats. De panden in het bouwblok kennen behalve de bestemming wonen en hotel ook nog andere functies, zoals kantoren en een school. Verweerder heeft ten derde aangevoerd dat er bij de vaststelling van het bestemmingsplan aan de bestemming ‘Tuin’ enkele functies zijn toegekend die nodig zijn voor het functioneren van de in het hoofdgebouw toegestane hotel en detailhandel. Zo zijn aan de bestemming “Tuin” de functies laad- en losplaats, ondergrondse parkeergarage, toegang tot een laad- en losplaats of een parkeergarage en een gedeeltelijke overkapping toegekend. Uit deze feitelijke en planologische aspecten blijkt dat sprake is van een bijzondere binnentuin-situatie, die niet gelijk gesteld kan worden aan een binnentuin, omringd door uitsluitend woningen, zoals eisers lijken te betogen. Uit het onderzoek door Peutz blijkt dat de geluidsbelasting binnen de in het Activiteitenbesluit gestelde normen blijft. Gelet op de feitelijke en planologische aspecten, te weten, het reeds bestaande semi-openbare karakter van de binnenplaats door de ontsluiting door de dubbele poort aan de[straatnaam], de historische situatie waarbij het binnenterrein al eerder werd gebruikt als toegang, de bestaande planologische gebruiksmogelijkheden van het binnenterrein, de bestaande verscheidenheid aan functies in het bouwblok, de geringe ruimtelijke uitstraling van het terras door de omvang en de gestelde voorwaarden in de exploitatievergunning, kan dan ook niet worden gesproken van een onevenredige inbreuk op het woon- en leef klimaat. Verweerder stelt dan ook dat er geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening.

10.3.

Eisers hebben ter zitting nog aangevoerd dat verweerder een geluidsmeting had dienen te verrichten om zo duidelijkheid te krijgen over het bestaande geluidsniveau, omdat hieruit zou blijken dat het in onderhavig geval gaat om een stil binnenterrein.

10.4.

De rechtbank stelt vast dat het Activiteitenbesluit van toepassing is op de beoordeling van de toelaatbaarheid van de geluidsbelasting, nu het hier gaat om een vergunningverlening aan een horeca-inrichting. De rechtbank overweegt dat uit artikel 2.18, eerste lid en onder a van het Activiteitenbesluit blijkt dat bij het bepalen van de geluids-niveaus het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, dat onderdeel is van een inrichting, buiten beschouwing blijft, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein. Binnenterreinen zijn buitenplaatsen die omsloten zijn door bebouwing, waarbij het omgevingsgeluid doorgaans veel lager is.

10.5.

De rechtbank stelt vast dat er, blijkens het rapport van Peutz van 16 augustus 2012, in onderhavig geval is uitgegaan van een terras op een binnenterrein. Dit betekent dat Peutz bij de toetsing aan het Activiteitenbesluit rekening heeft gehouden met het lagere geluidsniveau door het stemgeluid van personen in de berekening mee te nemen. De grond van eisers dat er metingen hadden dienen te worden verricht om aan te tonen dat het in onderhavig geval gaat om een binnenterrein, kan reeds daarom niet slagen.

10.6.

Het geluidBuro heeft in zijn rapport opgenomen dat grenswaarde, gelet op het stille karakter van de omgeving, op zijn minst met 5 dB(A) verlaagd moeten worden.

10.7.

Blijkens het rapport van Peutz van 10 februari 2014 kan er in de onderhavige situatie niet gesproken worden van een zeer laag geluidsniveau, omdat tussen het Conservatorium Hotel en de woningen[straatnaam] een opening van ongeveer 10 meter is gerealiseerd waardoor op er het binnenterrein reeds een relevant geluidsniveau is ten gevolge van het wegverkeer op de[straatnaam] De standaard geluidswaarden uit het Activiteitenbesluit zijn daarom verdedigbaar. Verweerder heeft dit standpunt overgenomen. De rechtbank is van oordeel dat de aanname van geluidBuro dat de grens-waarde met ten minste 5 dB(A) moet worden verlaagd omdat sprake is van een binnen-terrein, niet berust op een wettelijke basis en derhalve door verweerder niet behoefde te worden gevolgd.

10.8.

Eisers hebben verder aangevoerd dat in de toelichting bij het bestemmingsplan in 2007 is vastgesteld dat de maximaal toelaatbare geluidswaarde (65 dB(A)) aan de [straatnaam] wordt overschreden door verkeerslawaai en de achterzijde daarom geluidsluw zou moeten zijn. De rechtbank overweegt dat de enkele omstandigheid dat er aan de voorzijde van de huizen aan de [straatnaam]een hoog geluidsniveau geldt, niet reeds de verplichting in het leven roept om aan de achterkant van de huizen een laag geluidsniveau te handhaven. De toelichting op het bestemmingsplan kan daarvoor niet als voldoende basis dienen.

10.9.

Het geluidBuro heeft aangevoerd dat in het onderzoek van Peutz geen rekening is gehouden met de reeds aanwezige geluidsbronnen in de directe omgeving zoals auto’s, dichtslaande portieren, toeteren, pratende mensen, rijdende karretjes, terwijl dit bij een afweging van de belangen wel relevant is. Door de gehanteerde uitgangspunten en de niet opgenomen geluidsbronnen wordt de maximale geluidsbelasting overschreden. Verder heeft het geluidBuro aangevoerd dat de gehanteerde bronvermogens niet representatief zijn, omdat er ook sprake zal zijn van praten met stemverheffing.

De gehanteerd bronvermogens, het niet meenemen van schuiven van stoelen en tafels en het op en afbreken van het terras leidt tot een onderschatting van de situatie.

10.10.

Blijkens het rapport van Peutz van 10 februari 2014 is in een eerder rapport aangetoond dat het maximale geluidsniveau van auto’s en dichtslaande portieren voldoet aan de vereisten uit het Activiteitenbesluit. Toeteren vindt zelden plaats en wordt daarom niet meegenomen. Verder is er een gladde verharding op de hellingbaan aangebracht zodat er minder last is van karretjes op kinderkopjes. Met betrekking tot de door het geluidBuro genoemde geluiden die gepaard gaan met een terras en waar geen rekening mee is gehouden, heeft verweerder overwogen dat er geen sprake zal zijn van klaarzetten van terrasmeubilair, omdat er loungesets worden geplaatst die niet elke avond weggehaald hoeven te worden. In het rapport van Peutz van 10 februari 2014 is gemotiveerd dat de toegepaste geluidswaarden representatief zijn voor de situatie, omdat het, gezien de ruime opzet van het terras en het relatief beperkte aantal bezoekers niet nodig zal zijn om met stemverheffing te praten. Verder zal het ook voorkomen dat mensen met een lager bronvermogen spreken waardoor het gemiddelde bronvermogen overeenkomt met de toegepaste waarde. Er is uitgegaan van een situatie waarbij 30 personen continu het terras bezetten en converseren.

10.11.

Gelet op de motivering van verweerder en het door verweerder gehanteerde rapport van Peutz is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat geen sprake is van een onderschatting van de geluidsbelasting, zoals door geluidBuro is betoogd. De rechtbank overweegt dat de geluidswaarde van het langtijdgemiddelde beoordelings-niveau blijkens het rapport van Peutz van 16 augustus 2012, voor zowel de dag als de avond voor de gevels van omliggende woningen, waaronder ook de dichtstbijzijnde woning de[straatnaam], onder de in het Activiteitenbesluit vastgestelde geluidswaarden blijft. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder, mede bezien in het licht van de aanvullende motivering, heeft kunnen concluderen dat de geluidsbelasting geen reden was om, in het kader van de belangenafweging, van vergunningverlening af te zien.

10.12.

De rechtbank merkt nog op dat het rapport van het geluidBuro geen alternatieve berekening van het geluidsniveau bevat, maar slechts aannames die door Peutz in de nadere reactie van 10 februari 2014 zijn weersproken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het rapport van het geluidBuro geen afbreuk doet aan de conclusies van Peutz. Zij ziet in het rapport van het geluidBuro geen aanleiding om aan de juistheid van het rapport van Peutz te twijfelen en wijst het verzoek van eisers aan de rechtbank om een eigen deskundige in te schakelen, dan ook af.

11. Eisers hebben ter zitting nog aangegeven dat zij door de vergunningverlening vrezen voor ernstige geluidsoverlast, nu onlangs is gebleken dat het Conservatoriumhotel het terras niet alleen gebruikt voor de brasserie maar ook voor recepties voor meer dan de toegestane 30 mensen.

11.1.

Verweerder heeft in zijn reactie van 22 mei 2014 aangegeven dat eisers over het hoofd hebben gezien dat verweerder na onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning de mogelijkheid heeft om handhavend op te treden indien blijkt dat de geluidsnormen worden overschreden. Nu niet is gebleken dat die situatie zich gaat voordoen, speelt de vrees van eisers geen rol, aldus verweerder.

11.2.

De rechtbank overweegt dat er in het kader van de exploitatievergunning van uit moet worden gegaan dat de vergunninghoudster binnen de gestelde voorwaarden en de in het Activiteitenbesluit gestelde geluidsnormen blijft. Indien vergunninghoudster deze normen en voorwaarden overtreedt, dan is dat een kwestie van handhaving. Eisers kunnen verweerder te allen tijde verzoeken om bij overtreding van de geluidsnormen handhavend op te treden. Deze vrees kan niet bij onderhavige procedure worden betrokken en behoefde voor verweerder geen reden te zijn op voorhand het gebruik van het binnenterrein als terras niet te vergunnen.

12. Eisers hebben verder nog aangevoerd dat verweerder eerst de mogelijkheden om een terras op een andere locatie, zoals aan [adres] had dienen te onderzoeken. Het Terrassenbeleid van de gemeente en stadsdeel Zuid biedt hiertoe mogelijkheden, aldus eiser.

12.1.

De rechtbank is – met verweerder – van oordeel dat het bevoegd gezag volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie ECLI:NL:RVS:2014:508) dient te beslissen over het project zoals dat is aangevraagd. Indien een project op zichzelf voor dat gezag aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot weigering van een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren kan worden bereikt.

12.2.

De rechtbank is van oordeel dat niet op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van een terras op de door eisers opgegeven alternatieve locaties een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Voor verweerder had de door eisers voorgestane alternatieve situering daarom geen aanleiding hoeven zijn om de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren. De beroepsgrond faalt derhalve. Nu de belangenafweging van verweerder kennelijk meeromvattend is geweest dan uit het bestreden besluit viel af te leiden, ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat er bij verweerder sprake was van vooringenomenheid.

13. Eisers hebben tot slot aangevoerd dat de vergunningverlening in strijd is met het vertrouwensbeginsel, omdat bij de vaststelling van het bestemmingsplan in 2007 is aangegeven dat er geen terras op het binnenterrein zou komen. Eisers hebben hiertoe de toelichting van het bestemmingsplan overgelegd. Uit de toelichting blijkt dat verweerder desgevraagd naar aanleiding van een zienswijze heeft gezegd dat de tuin niet zal worden gebruikt als terras, omdat het bestemmingsplan de functie niet toestaat en omdat de toekomstige indeling van het binnenterrein zich daar niet voor leent.

13.1.

Verweerder betwist dat hij in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld. Het bestemmingsplan is vastgesteld door de stadsdeelraad van Stadsdeel Oud Zuid, terwijl de omgevingsvergunning is verleend door het voormalige dagelijks bestuur van stadsdeel Zuid. Anders dan er destijds werd gedacht, is na zes jaar de behoefte ontstaan aan een terras en is het, naar nu blijkt, gelet op de indeling van het binnenterrein, toch mogelijk op bestemming Tuin een terras te realiseren. Verweerder stelt ten slotte dat hij gehouden was te onderzoeken of vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo tot de mogelijkheden behoorde en dat hij daarbij een ruime mate van beoordelingsvrijheid heeft.

13.2.

De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat er geen aanleiding bestond om (een deel van) het binnenterrein als terras te bestemmen niet afdoet aan de mogelijkheid om met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo van het bestemmingsplan af te wijken. De rechtbank overweegt dat verweerder en de stadsdeelraad niet expliciet hebben aangegeven dat aan afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van een terras geen medewerking zal worden verleend. Er kan daarom niet gesproken worden van een aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezegging, waaraan de rechtens te honoreren verwachtingen kon worden ontleend dat er nooit een terras op het binnenterrein zou worden toegestaan. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan derhalve niet slagen.

14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder alsnog voldoende heeft gemotiveerd waarom afwijken van het bestemmingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en waarom geen sprake is van een onevenredige inbreuk op het woon- en leef klimaat van de omwonenden. Hetgeen eisers daartegen hebben aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder, gelet op het voorgaande, in redelijkheid tot verlening van de omgevingsvergunning heeft kunnen overgaan.

15. Het voorgaande leidt de rechtbank ertoe om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand worden gelaten.

16. Nu de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, bepaalt zij dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

17. Eisers hebben verzocht om vergoeding van de door hen gemaakte kosten voor de contra-expertise van het geluidBuro ad € 1.379,40. Ter onderbouwing van die kosten hebben zij een factuur overgelegd. De rechtbank overweegt dat nu het beroep gegrond wordt verklaard wegens een motiveringsgebrek, terwijl het rapport van het geluidBuro niet heeft bijgedragen aan deze gegrondverklaring, geen aanleiding bestaat om verweerder op te dragen de kosten van deze contra-expertise te vergoeden. De rechtbank is ook overigens niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van M. [eiseres]niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,- aan eisers te vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.A Knol, rechter, in aanwezigheid van

mr. S. van Douwen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2014.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.