Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:8095

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
02-12-2014
Zaaknummer
13/654186-14 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte de aangever met een doorgeladen vuurwapen heeft bedreigd door het vuurwapen op het hoofd van aangever te richten. Er bestaat geen grond om aan te nemen dat de aangever en zijn vrienden leugenachtig en ongeloofwaardig hebben verklaard over het incident, nu hun verklaringen worden ondersteund door de camerabeelden, de verklaringen van een verbalisant en van een getuige. Verdachte kan in verband worden gebracht met het aangetroffen vuurwapen, nu dat op de vluchtroute van verdachte kort daarna is aangetroffen, het doorgeladen bleek te zijn terwijl de aangever en getuige hebben waargenomen dat verdachte het vuurwapen dat hij daarvoor in zijn handen had heeft doorgeladen en dat getuigen tijdens de vlucht van verdachte een knal hebben waargenomen terwijl uit het rapport van het NFI blijkt dat die knal kan zijn veroorzaakt door het vallen of gooien van het gevonden vuurwapen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/654186-14 (Promis)

Datum uitspraak: 5 november 2014

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Israël) op [geboortedatum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Detentiecentrum [locatie], te [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 oktober 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Refos en van wat verdachte en zijn raadsman mr. A. Kupelian naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1. hij op of omstreeks 25 juli 2014 te Amsterdam [persoon 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [persoon 1] opgewacht en/of is hij met een pistool in zijn hand op die [persoon 1] afgerend en/of heeft hij met dat pistool in zijn hand in een horizontale beweging met kennelijke kracht van meer dan geringe betekenis uitgehaald in de richting van diens

gezicht en/of een pistool in de richting van diens hoofd gericht en/of een pistool tegen diens slaap aangezet en/of met grote kracht op diens hoofd gedrukt en/of meermalen tegen die [persoon 1] gezegd; "Ik ga je dood schieten als je geen sorry zegt. Ik schiet je nu gewoon dood waar al je vrienden bij zijn als je geen sorry zegt", althans woorden van een dergelijke aard en/of strekking en/of dat pistool doorgeladen;

(artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht)

2. hij op of omstreeks 25 juli 2014 te Amsterdam een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Crvena Zastava, model 70), en/of munitie van categorie III, te weten 2 patronen (kaliber 7.65 mm), voorhanden heeft gehad;

(artikel 26 juncto 55 van de Wet Wapens en Munitie)

3. hij op of omstreeks 25 juli 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden, dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard of terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000;

(artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht).

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft – zakelijk weergegeven – betoogd dat alle ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden. Daarbij heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat uit het dossier voldoende naar voren komt dat het aangetroffen vuurwapen met verdachte in verband kan worden gebracht.

De rechtbank betrekt in haar overwegingen, voor zover relevant en van toepassing, de door de officier van justitie aangevoerde standpunten.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - in zijn schriftelijke pleitnotities en hier verkort weergegeven - betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de eerste twee ten laste gelegde feiten.

Hiertoe stelt de raadsman dat het dossier onvoldoende ondersteuning biedt voor een verband tussen verdachte en het aangetroffen vuurwapen. Hetgeen de verbalisant in de hand van verdachte heeft gezien, zou een nepwapen geweest kunnen zijn. Het vuurwapen op de foto’s in het dossier komt niet overeen met het gevonden vuurwapen, want op de foto is slechts een klein zwart streepje te zien. Voorts wijst de raadsman er op dat er geen DNA-sporen zijn aangetroffen op het vuurwapen. Bovendien hebben de getuigen, waaronder aangever, onbetrouwbare verklaringen gegeven en lijken zij de boel te willen manipuleren. De verbalisant heeft weinig gezien. De barman heeft niets gezien en de taxichauffeur stond op een afstand en het was donker.

De rechtbank betrekt in haar overwegingen, voor zover relevant en van toepassing, de door de raadsman aangevoerde standpunten.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt. Zoals uit de hierna weergegeven inhoud van de processen-verbaal en geschriften volgt, hebben aangever, verbalisant [verbalisant 1] en getuigen [persoon 2], [persoon 3] en [persoon 4] waargenomen dat de persoon die zij later herkennen als verdachte, aangever met een doorgeladen vuurwapen heeft bedreigd door het vuurwapen op het hoofd van aangever te richten. De rechtbank oordeelt, anders dan de raadsman, dat geen grond bestaat om aan te nemen dat de aangever en zijn vrienden [persoon 2] en [persoon 3] leugenachtig en ongeloofwaardig hebben verklaard over het incident, nu hun verklaringen worden ondersteund door de camerabeelden, de verklaringen van verbalisant [verbalisant 1], die in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal zijn opgenomen, en de verklaringen van getuige [persoon 4]. Ten aanzien van het verweer dat verdachte niet in verband kan worden gebracht met het aangetroffen vuurwapen, acht de rechtbank, met de officier van justitie, voorts van belang dat verdachte bij de aanhouding weliswaar geen vuurwapen meer in bezit had, echter dat op de vluchtroute van verdachte kort daarna een vuurwapen is aangetroffen, dat dit vuurwapen doorgeladen bleek te zijn terwijl de aangever en getuige [persoon 2] hebben waargenomen dat verdachte het vuurwapen dat hij daarvoor in zijn handen had heeft doorgeladen en dat getuigen tijdens de vlucht van verdachte een knal hebben waargenomen terwijl uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut blijkt dat die knal kan zijn veroorzaakt door het vallen of gooien van het gevonden vuurwapen. De rechtbank gaat er gelet op het voorgaande vanuit dat verdachte het vuurwapen tijdens zijn vlucht heeft weggegooid en het bezit en het gebruik van dit vuurwapen hem dus kan worden verweten. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.

Ten aanzien van het derde ten laste gelegde feit overweegt de rechtbank dat, daargelaten de vraag of de publicatie van de beschikking in de Staatscourant, inhoudende het inreisverbod, als een kennisgeving kan worden aangemerkt, uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 september 2014 blijkt dat verdachte op 26 maart 2014 een rechtsmiddel heeft aangewend tegen een veroordeling wegens overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, gewezen op 19 maart 2014. De rechtbank is van oordeel dat hieruit is af te leiden dat verdachte op 25 juli 2014, vier maanden nadat hij het rechtsmiddel tegen de eerdere veroordeling instelde, wist dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd.

Uit de hieronder weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen volgen de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank heeft beslist dat verdachte alle drie de ten laste gelegde en hierna bewezen verklaarde feiten heeft begaan.

4.4

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het onder 1 en 2 ten laste gelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1309-2014182024-1 van 25 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], doorgenummerde pag. 0006-0009.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 1], aangever, zakelijk weergegeven:

Op 24 juli 2014 kwam ik met twee vrienden, [persoon 2] (de rechtbank begrijpt: [persoon 2]) en [persoon 3] (de rechtbank begrijpt: [persoon 3]), aan in Amsterdam. Hierop zijn wij naar [café A] gegaan, [adres 1] te Amsterdam.

Vervolgens mengde een persoon zich in het gesprek: 175cm, getinte huidskleur, Arabisch uiterlijk, kort zwart haar, geschoren tot lichte stoppelbaard, zwart shirt, spijkerbroek. Deze man is de man die later door uw collega is aangehouden op mijn aanwijzen.

Rond sluitingstijd liep ik met mijn twee vrienden naar buiten, dit was op 25 juli 2014 rond 00.45 of 1.00 uur. Vanaf een paar deuren verderop zag ik dezelfde man op mij af komen rennen. Ik zag gelijk dat hij een pistool in zijn hand hield, ik denk in zijn rechterhand. Het betrof een zwart pistool, het leek op een Walther zoals jullie hebben, gewoon 9mm. Vanaf het moment dat de man [café A] verliet tot het moment dat hij op mij af kwam rennen zit ongeveer 1 minuut tijd.

Ik zag dat de man mij wilde slaan met de onderkant van het pistool. Ik zag dat hij met het pistool in zijn hand in een horizontale beweging met kennelijke kracht van meer dan geringe betekenis uithaalde in de richting van mijn gezicht. Ik zag de onderkant van het pistool met grote snelheid op mij afkomen. Ik heb de klap kunnen ontwijken. Vervolgens richtte de man het pistool in de richting van mijn hoofd.

Ik hoorde dat de man zei in de Arabische taal: “Ik ga je dood schieten als je geen sorry zegt. Ik schiet je nu gewoon dood waar al je vrienden bij zijn als je geen sorry zegt”. Ik hoorde dat de man dit meermalen herhaalde.
Vervolgens zag ik dat de man het bovenste gedeelte van het pistool in een trekkende beweging naar achteren trok om het pistool door te laden. Ik was bang dat hij zou schieten.

Even later zag ik dat de man werd aangehouden.

2. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL136D-2014182024-5 van 25 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4], doorgenummerde pag. 0010-0012.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 2], getuige, zakelijk weergegeven:

Op 25 juli 2014 was ik met [persoon 1] (de rechtbank begrijpt: [persoon 1]) en [persoon 3] (de rechtbank begrijpt: [persoon 3]) aan het stappen in Amsterdam. Ik zag dat [persoon 1] en [persoon 3] in de kroeg waar we waren ruzie kregen met een oudere man.

Opeens rende de man weg, de kroeg uit. We gingen net naar buiten om even een sigaret te roken toen dezelfde man weer aan kwam rennen. De kroeg was in een steeg tussen Centraal Station en de Dam/ Nieuwezijds Voorburgwal. Ik stond met mijn rug naar de kroeg en zag de man vanaf mijn linkerzijde aan komen rennen.

Ik zag dat hij [persoon 1] duwde.

Ik zag dat de man een vuurwapen in zijn hand had en hiermee zwaaide in de richting van [persoon 1]. Ik heb niet kunnen zien waar hij dat wapen vandaan haalde en heb hem niet iets anders zien doen dan zwaaien naar [persoon 1]. Ik herkende wat de man vasthield als een pistool. Ik heb er in het buitenland wel eens mee geschoten en daarom wist ik wel een beetje hoe een vuurwapen er uit zag. Terwijl de man zwaaide met het wapen naar [persoon 1], zag ik dat hij het doorlaadde. Ik zag dat hij de bovenkant naar achteren trok met de ene hand terwijl hij de rest vasthield met de andere hand. Ik zag dat hij vervolgens nog wat ging zwaaien ermee en toen weer doorlaadde.

Opeens zag ik een politieman op een fiets aan komen, onze kant op. De man met het wapen rende weg toen de politieman er aan kwam. Ik zag dat de politieman achter de man met het wapen aan fietste.

Toen ik bij het paleis kwam was de man die met het wapen had gezwaaid al in de handboeien geplaatst door de politieman op de fiets.

3. Een proces-verbaal van verhoor van getuige d.d. 16 oktober 2014 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van getuige [persoon 3], zakelijk weergegeven:

Wij gingen met z’n drieën naar [café A]. Toen kwam die man binnenlopen. Hij begon tegen [persoon 1] (de rechtbank begrijpt: [persoon 1]) te praten. Er ontstond een discussie over oorlog. Die jongen werd boos en liep weg. Wij werden naar buiten gestuurd. Toen kwam die man terug met een wapen. Hij richtte het rechtstreeks op [persoon 1] zijn hoofd. Hij stond niet heel dichtbij [persoon 1]. Hij had hem wel met zijn hand aan kunnen raken. Toen kwam een politieagent op de fiets. De man rende weg en ik hoorde een knal. Wij liepen er achteraan. Wij zagen dat de juiste man was gearresteerd.

4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1309-2014182024-8 van 25 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], doorgenummerde pag. 0016.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Ik bevond mij op 25 juli 2014 met fietssurveillance belast op het Damrak te Amsterdam en fietste voorbij de [adres 1]. Ik zag dat er een groepje mannen tegen over elkaar stond in de [adres 1] ter hoogte van perceel [A]. Ik hoorde dat ze veel lawaai maakten en schreeuwden naar elkaar. Ik ben de [adres 1] ingefietst. Ik zag dat 1 van de mannen een zwart vuurwapen in zijn hand vasthield. Ik zal deze man verder NN noemen. Ik zag dat NN het vuurwapen boven zijn hoofd hield en dat hij plotseling in mijn richting keek. Ik zag dat hij zich omdraaide en hard begon te rennen in de richting van de Nieuwendijk. Ik ben achter NN aan gefietst. NN: Latino uiterlijk, zwart t-shirt.

Ik hoorde verder in de Gravenstraat in de richting van de Nieuwezijds Voorburgwal, een harde knal.

Ik hoorde portofonisch van collega’s dat ze een verdachte hadden aangehouden op de Paleisstraat. Ik begaf mij naar deze locatie en herkende de aangehouden verdachte als NN.

5. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1305-2014182024-6 van 25 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6], doorgenummerde pag. 0017-0018.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Wij bevonden ons op 25 juli 2014 op de Leidsestraat te Amsterdam. Wij hoorden middels de portofoon dat er schoten waren gelost in de Gravenstraat te Amsterdam. Wij zijn in de richting van de Gravenstraat gereden. Wij hoorde ter hoogte van het Paleis op de Dam een signalement via de portofoon, een man met een Latino uiterlijk met een zwart shirt, spijkerbroek en gympen. Ik, verbalisant [verbalisant 6], zag op dat moment ter hoogte van het Paleis aan de kant van de Nieuwezijds Voorburgwal een man lopen die voldeed aan het opgegeven signalement. Ik zag ook dat de man bezweet was in zijn gezicht en schichtig om zich heen keek.

Ik heb de man gesommeerd op zijn knieën te gaan. Hier voldeed de man aan. Wij zagen dat de man buiten adem was en hevig bezweet was. Op het moment dat de man op zijn knieën zat kwam er een andere man aanlopen. De man schreeuwde: ‘ga je me nou bedreigen met een pistool? Dit is de man die mij zojuist heeft bedreigd met een pistool!’

Op het moment dat we de handboeien hadden omgedaan, kwam er een taxi langsrijden. De bestuurder die zijn naam niet wilde zeggen verklaarde: ‘de man die jullie hebben aangehouden is de juiste persoon. Hij heeft net geschoten in dat straatje achter de Burger King. Ik heb klanten en die wilden wat te eten bij de Burger King. Toen ik daar was zag ik deze man lopen. Ik zag dat hij een wapen in zijn hand had. Op dat moment kwam er een politieagent op de fiets langs daar schrok de man van en hij is toen weggerend. Ik zag dat hij het wapen in zijn broeksband wilde stoppen. Ik hoorde toen dat er een schot afging.’

6. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1309-2014182024-11 van 25 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7], doorgenummerde pag. 0019.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 25 juli 2014 werd ik bij het afzetlint aangesproken door een man die opgaf te zijn [persoon 4], die mij het volgende verklaarde:

‘Ik zag in een steegje een man staan die een zwart vuurwapen op het hoofd had gezet van een man met grijs t-shirt. Ik zag in de verte een politieagent op de fiets aankomen. Ik zag dat de man met het vuurwapen dit ook zag en wegrende. Ik zag dat de man met het vuurwapen recht op mij afkwam rennen. Ik zag dat hij doorrende in de richting van de Nieuwezijds Voorburgwal. Ik zag dat de man een zwart vuurwapen in zijn hand had. Ik ben achter de man aan gegaan. Toen de man ter hoogte van dat pleintje achter de kerk liep hoorde ik een schot. Ik zag dat de man op de Nieuwezijds Voorburgwal richting de Dam rende.

Ik ben weer terug gegaan naar mijn taxi en kreeg een klant. Op de Dam zag ik dat de politie een aanhouding had verricht. Ik zag dat de politie de man had aangehouden waarover ik u verklaarde. Ik weet zeker dat de politie de man met het vuurwapen had aangehouden.’

7. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1306-2014182024-9 van 25 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 8] en [verbalisant 9], doorgenummerde pag. 0020.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Wij bevonden ons op 25 juli 2014 met fietssurveillance belast te Amsterdam. Daar hoorden wij via de portofoon dat een collega met spoed een post bij vroeg. Wij begaven ons onmiddellijk in de richting van de Gravenstraat. Op het moment dat wij ons ter hoogte van de Dam bevonden, hoorden wij middels de portofoon dat de verdachte werd aangehouden op de Nieuwezijds Voorburgwal en dat de verdachte het vuurwapen niet meer bij zich droeg. Deze had hij vermoedelijk weggegooid tijdens zijn vlucht. Wij zijn naar de Gravenstraat gereden om te zoeken naar het vuurwapen dat verdachte bij zich had. Wij zagen op de Gravenstraat een groot hek. Achter dit hek zagen wij een zwart voorwerp liggen op de straat. Wij zagen dat dit voorwerp een vuurwapen betrof. Nadat het hek was geopend, zagen wij dat het een zwartkleurig pistool betrof.

8. Een proces-verbaal van onderzoek met nummer 2014182024 van 25 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 10], doorgenummerde pag. 0043-0047.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, inspecteur van de Politie Amsterdam, materiedeskundige Vuurwapens, zakelijk weergegeven:

Datum aantreffen: 25 juli 2014.

Tijdens het onderzoek in de omgeving van de Gravenstraat werd in de Blaeustraat een vuurwapen met munitie en munitiedelen aangetroffen en in beslag genomen. De hamer was gespannen, in de kamer zat een patroon, er zaten twee patronen in het uitneembare patroonmagazijn, de vuurregelaar stond op ‘vuren’. Het vuurwapen was doorgeladen en voor onmiddellijk gebruik gereed. Pistool, merk Crvena Zastava, model 70, kaliber 7,65mm. Dit pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3e, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III onder 1e van de Wet Wapens en Munitie.

Munitie: patroon, 7,65mm. De patronen zijn munitie in de zin van artikel 1, lid 1 onder 4e, gelet op artikel 2 lid 2, categorie III van de Wet Wapens en Munitie.

9. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1303-2014182024-23 van 26 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 11], doorgenummerde pag. 0048-0057.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 26 juli 2014 heb ik een onderzoek naar de aangeleverde camerabeelden van coffeeshop [café A], [adres 1] Amsterdam, ingesteld. Op de camerabeelden was het incident duidelijk te zien.

00.45.31: Verdachte begint met slachtoffer te praten.

00.52.30: Verdachte loopt weg in de richting van de uitgang.

00.53.23: Slachtoffer loopt met twee mannen naar uitgang coffeeshop.

00.55.03: Slachtoffer en twee mannen wachten voor ingang [café A]. Slachtoffer kijkt ineens in de richting van de Nieuwendijk. Verdachte (donker shirt met korte mouwen, spijkerbroek) komt aanlopen uit de richting van de Nieuwendijk.

00.55.09: Verdachte loopt direct op slachtoffer (licht shirt met korte mouwen, spijkerbroek) af, duwt slachtoffer voor zich uit en in zijn rechterhand heeft verdachte een zwart voorwerp gelijkend op een vuurwapen.

00.55.10: Slachtoffer weert verdachte van zich af. Verdachte houdt het zwarte voorwerp gericht op slachtoffer.

00.55.13: Na een korte worsteling staat verdachte met de rug naar de camera.

00.55.20: Verdachte kijkt naar het zwarte voorwerp in zijn rechterhand, gaat met zijn linkerhand naar dit voorwerp.

00.55.20: V maakt met zijn linkerhand een trekkende beweging aan het voorwerp en kijkt hierbij slachtoffer weer aan.

00.55.21: Slachtoffer loopt weg bij verdachte, verdachte richt het zwarte voorwerp op het slachtoffer.

00.55.29: Slachtoffer loopt weer in de richting van verdachte, verdachte loopt langzaam achteruit in de richting van de Nieuwendijk en heeft zijn zwarte voorwerp naar de grond gericht.

00.55.32: Verdachte draait zich om en rent weg in de richting van de Nieuwendijk.

00.55.40: Een agent op de fiets rijdt in de richting waarin verdachte is weggerend.

10. Een geschrift, zijnde een rapport Wapen- en munitieonderzoek van 15 oktober 2014, opgesteld door het Nederlands Forensisch Instituut, niet doorgenummerd.

Dit geschrift bevat onder meer de volgende verklaring van ing. P.J.M. Pauw-Vugts, zakelijk weergegeven:

Schade op het pistool en kraslijnen op het kogelmanteldeel passen bij een bepaalde stand van het pistool waarbij deze door een stoot af kan gaan zonder de trekker te bedienen. Dit ondersteunt de mogelijkheid van het afgaan van het pistool bij een val van circa 2 meter op een harde ondergrond.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het onder 3 ten laste gelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

11. Een geschrift, zijnde een beschikking betreffende [verdachte], geboren [geboortedatum], van Israëlische nationaliteit, uitgevaardigd door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie op 15 april 2013, doorgenummerde pag. 0068-0073.

In dit geschrift staat onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, vermeld:

Betrokkene moet Nederland onmiddellijk verlaten. Deze kennisgeving geldt op grond van artikel 62a, tweede lid, van de Vreemdelingenwet als terugkeerbesluit.

Tegen betrokkene wordt ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van 10 jaren. Het inreisverbod wordt uitgevaardigd met toepassing van artikel 6.5a, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.

Gebleken is dat betrokkene bij onherroepelijk geworden vonnis van 14 december 2012 door de politierechter te Amsterdam is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden wegens voorgezette handeling van mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft en poging tot zware mishandeling en mishandeling.

Betrokkene is met betrekking tot het voorstel tot uitvaardiging van het inreisverbod op 30 januari 2013 door de korpschef van politiekorps [naam] gehoord. Betrokkene stelt dat hij in het bezit is van een Franse verblijfsvergunning. Gebleken is dat betrokkene niet in het bezit is van een Franse verblijfsvergunning. Het wordt er voor gehouden dat hij naar Israël terug kan.

12. Een geschrift, zijnde een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 september 2014 betreffende verdachte.

In dit geschrift staat onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, vermeld:

Verdachte is op 19 maart 2014 door de Politierechter Amsterdam veroordeeld tot 2 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren wegens het als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling is verklaard. Verdachte heeft op 26 maart 2014 een rechtsmiddel tegen deze uitspraak ingesteld.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

op 25 juli 2014 te Amsterdam [persoon 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers is hij met een pistool in zijn hand op die [persoon 1] afgerend en heeft hij met dat pistool in zijn hand in een horizontale beweging uitgehaald in de richting van diens

gezicht en dat pistool in de richting van diens hoofd gericht en tegen die [persoon 1] gezegd; "Ik ga je dood schieten als je geen sorry zegt. Ik schiet je nu gewoon dood waar al je vrienden bij zijn als je geen sorry zegt", en dat pistool doorgeladen;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

op 25 juli 2014 te Amsterdam een wapen van categorie III, te weten een pistool merk Crvena Zastava, model 70, en munitie van categorie III, te weten 2 patronen kaliber 7.65 mm, voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

op 25 juli 2014 te Amsterdam als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1., 2. en 3. bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 (negen) maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat, nu verdachte zou moeten worden vrijgesproken van de eerste twee ten laste gelegde feiten, ten aanzien van het derde ten laste gelegde feit kan worden volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Met de officier van justitie overweegt de rechtbank dat de wijze waarop verdachte met een doorgeladen vuurwapen de aangever heeft bedreigd, ongeacht de aanleiding van de woordenwisseling tussen hen beiden, een zeer ernstig strafbaar feit betreft. Daar komt nog eens bij dat het voorval ’s nachts op de openbare weg plaatsvond. De actie van verdachte heeft niet alleen voor de aangever maar ook voor omstanders tot veel angst geleid. Het antwoord op de vraag wat er zou zijn gebeurd als een verbalisant op de fiets niet per toeval op deze situatie stuitte, blijft in het midden liggen. Dat de situatie naar omstandigheden goed is afgelopen, is echter niet aan verdachte te danken. De rechtbank rekent hem dat ernstig aan. Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een andere dan een forse vrijheidsbenemende straf. De rechtbank weegt daarbij in het nadeel van verdachte mee dat hij eerder is veroordeeld voor een geweldsmisdrijf.

Voorts acht de rechtbank relevant dat niets verdachte belet om Nederland te verlaten, nu hij in bezit is van een geldig paspoort (zie pagina 75 van het dossier), er geen twijfel bestaat over zijn identiteit en nationaliteit en ook anderszins niets is aangevoerd op grond waarvan verdachte niet zelfstandig terug zou kunnen keren naar Israël. Bovendien blijkt uit de beschikking van 15 april 2013 dat hij op 13 maart 2013 is uitgezet. De rechtbank overweegt dan ook dat er vanuit kan worden gegaan dat de Nederlandse overheid al hetgeen heeft gedaan wat van haar mag worden verwacht om verdachte uit Nederland te doen vertrekken. Daarmee kan worden geconcludeerd dat het doorlopen van de terugkeerprocedure is voltooid zodat er geen omstandigheden zijn die een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de weg staan.

De rechtbank ziet gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen geen aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 197 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

1. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

2. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

3. als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van art. 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.E.B. Nyman, voorzitter,

mrs. C.F. de Lemos Benvindo en H.M. van Niftrik, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.E. van Diepen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 november 2014.