Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:8094

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-08-2014
Datum publicatie
16-12-2014
Zaaknummer
13/846012-11 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

‘Fair trial’ ex art. 6 EVRM geschonden door beweerdelijk onthouden van dierenarts bij doorzoeking?

Feitelijke vaststelling van onthouden van nodige zorg aan dieren ex art. 37 Wet Gezondheid- en Welzijn Dieren.

Ontbreken van wetenschap voor het voorhanden hebben van professioneel vuurwerk in loods?

Bewijswaarde van NFI rapportage over vuurwerksoorten in het algemeen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer : 13/846012-11 (Promis)

Datum uitspraak : 28 augustus 2014

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres 1].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 augustus 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. E.C. Visser en van wat verdachte en zijn raadsman mr. P.J. Hoogendam naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – kort samengevat ten laste gelegd dat hij zich op 29 november 2011 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van professioneel vuurwerk (feit 1), aan het medeplegen van het voorhanden hebben van vuurwerk buiten een daarvoor bestemde inrichting (feit 2), aan het voorhanden hebben van twee vuurwapens en munitie (feit 3) en aan het onthouden van de nodige verzorging aan dieren (feit 4). De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan onderdeel uit.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

3.1

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich namens verdachte ten aanzien van het onder feit 4 ten laste gelegde op het volgende standpunt gesteld.

Tussen verdachte en [persoon 1], de dierenarts die de situatie ter plaatse heeft beoordeeld, bestaat een verschil van inzicht met betrekking tot het welzijn van de dieren. Nadat verdachte werd meegenomen door politieagenten vroegen zijn vrouw en broer namens hem ter plaatse om een contra expertise uit te voeren. Door de aldaar aanwezige personen werd op dat verzoek afwijzend of in het geheel niet gereageerd. Nu de conclusie, dat sprake is van benadeling van het dierenwelzijn in overmatige mate, leunt, zo niet uitsluitend leunt op het dierkwellingsrapport van de Algemene Inspectiedienst, bestond voor verdachte een evident belang bij een contra expertise, temeer nu daar expliciet en tijdig om is verzocht. Aan verdachte is die mogelijkheid onthouden. Daarmee is hij ernstig in zijn verdedigingsrechten geschaad. Deze schade is niet herstelbaar en compensabel en een effectieve verdediging is derhalve niet meer mogelijk. Dit dient ertoe te leiden dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging van verdachte.

3.1.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het volgende standpunt ingenomen.

Door de verdediging is op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat een onderzoek van een andere dierenarts zou hebben geleid tot een andere conclusie. De bewijsmiddelen wijzen zelfs in de richting van het tegendeel. De door de rechter-commissaris aangewezen deskundige heeft de conclusies van dierenarts [persoon 1] immers op grote lijnen onderschreven. Er kan niet worden gesteld dat de politie een in te schakelen dierenarts heeft geweigerd, maar dat de politie slechts heeft geweigerd een tweede dierenarts in te schakelen. De verplichting om een tweede dierenarts in te schakelen bestaat ook niet. Er is geen sprake van een verzuim. Van niet-ontvankelijkheid kan geen sprake zijn.

3.1.3

Oordeel van de rechtbank

Het fair trial beginsel dat volgt uit artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) brengt in beginsel met zich mee dat een verzoek van de verdachte tot contra-expertise moet worden gehonoreerd. De verdachte dient gemotiveerd en expliciet aan te geven waarom hij dit wil en daarnaast moet dat onderzoek, gezien het tijdstip waarop het wordt gedaan, nog mogelijk zijn. Zoals tevens door de raadsman is aangehaald, is voor de vraag of contra-expertise moet worden toegelaten van belang, welk overig bewijsmateriaal aanwezig is en welk gewicht daaraan dient te worden toegekend.

Aan weging van laatstgenoemde criteria komt de rechtbank niet toe. De vrouw en broer van verdachte hebben bij de rechter-commissaris aangegeven dat zij op de dag van de doorzoeking hebben gevraagd om een andere dierenarts. De ook door de rechter-commissaris gehoorde ambtenaren van de AID [persoon 2] en [persoon 3] en dierenarts [persoon 1] hebben aangegeven zich niet een dergelijk verzoek te kunnen herinneren. Omdat ook een schriftelijk verzoek tot een contra-expertise ontbreekt is daarmee naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat een uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoek tot het houden van een contra-expertise door of namens verdachte is gedaan. Verder ziet de rechtbank niet in waarom de vrouw en broer van verdachte niet uit eigen beweging hun dierenarts hadden kunnen laten komen op de dag van de doorzoeking, die van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat heeft geduurd.

Er is mitsdien geen sprake van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, zodat de rechtbank aan beoordeling van de ontvankelijkheid van de officier van justitie op dat punt niet toe komt. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

De officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

Naar aanleiding van een onderzoek naar illegaal vuurwerk vallen politieagenten op 29 november 2011 de woning aan [adres 1] te Ouderkerk aan de Amstel binnen, de woning waar verdachte samen met zijn zoon [persoon 4] (hierna: [persoon 4]) en de rest van de gezinsleden woont. In een loods op het terrein aan de overkant, eigendom van verdachte, wordt een grote hoeveelheid – naar later blijkt – professioneel vuurwerk aangetroffen. Het gaat om 317 kilo vuurwerk. Het vuurwerk wordt in beslag genomen. Daarnaast wordt een zeer groot aantal dieren op het terrein aangetroffen. De dieren bevinden zich in de loods, op het terrein en in containers. Naar aanleiding daarvan schakelen controleurs van de Algemene Inspectiedienst dierenarts [persoon 1] in. Zij komt tot de conclusie dat ten aanzien van de dieren sprake is van het onthouden van de nodige zorg. De dieren worden in beslag genomen.

Medeverdachte [persoon 4] heeft ter terechtzitting verklaard dat het vuurwerk van hem was en dat zijn vader zich daarbuiten hield. De rechtbank ziet zich ten aanzien van het aangetroffen vuurwerk voor de vraag gesteld of verdachte als medepleger verantwoordelijk gehouden dient te worden gehouden voor de aanwezigheid van de illegale vuurwerk.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich – blijkens zijn op schrift gestelde requisitoir – op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

Feiten 1 en 2

Verdachte was niet alleen op de hoogte van de aanwezigheid van het vuurwerk, het vuurwerk lag bovendien opgeslagen op zijn terrein. Met die kennis en wetenschap dient verdachte als medepleger van beide feiten strafrechtelijk verantwoordelijk te worden gehouden. Uit onderzoek is gebleken dat het illegaal (professioneel) vuurwerk betreft.

Feit 3

Verdachte heeft bekend dat hij in het bezit was van twee vuurwapens en munitie. Een vergunning voor het bezit daarvan ontbrak zodat verdachte strafbaar is voor het aanwezig hebben van de wapens en de munitie. Het ten laste gelegde kan bewezen worden verklaard.

Feit 4

Aan de hand van de conclusies uit het rapport van dierenarts [persoon 1] in combinatie met het proces-verbaal van het aantreffen van de dieren, de foto’s en de daarover afgelegde verklaringen kan worden bewezen dat verdachte aan de dieren de nodige verzorging heeft onthouden. Het rapport van de dierenarts wordt in grote lijnen onderschreven door de door de rechter-commissaris aangewezen deskundige Hopster.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich namens hem op het standpunt gesteld dat geen van de aan hem ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard. Ter motivering daarvan heeft hij – samengevat – het volgende aangevoerd.

Feit 1

Verdachte heeft aangegeven zich niet met het vuurwerk van zijn zoon te hebben bemoeid. Dat beeld wordt versterkt door de observaties, tapgesprekken en getuigenverklaringen. Verdachte heeft een uiterst passieve rol ingenomen en die rol is onvoldoende voor een bewezenverklaring van het medeplegen voor het onder 1 ten laste gelegde.

Voorts is onvoldoende bewijs aanwezig om te kunnen concluderen dat bij verdachte enige wetenschap aanwezig was dat het om professioneel vuurwerk ging. Op basis van teksten op de dozen kan niet worden gesteld dat bij verdachte, gelet op de uiterlijke verschijningsvormen, bellen moesten gaan rinkelen omdat het hier om professioneel vuurwerk zou gaan. Niet bewezen kan worden dat verdachte wist dat zich professioneel vuurwerk op de bovenverdieping van de loods bevond dan wel dat hij deze kans willens en wetens heeft aanvaard. Vrijspraak dient te volgen.

Subsidiair betwist ik of daadwerkelijk bewezen kan worden verklaard dat het om professioneel vuurwerk ging. Het proces-verbaal van onderzoek aan het in beslag genomen vuurwerk is onduidelijk en bovendien is niet al het vuurwerk onderzocht, zodat niet geconcludeerd kan worden dat het in de tenlastelegging opgenomen vuurwerk als professioneel vuurwerk kan worden beschouwd. Ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde Chinese rol geldt bovendien dat de onderbouwing waaruit blijkt dat het vuurwerk als professioneel dient te worden aangemerkt, geen stand kan houden omdat de regeling is vervallen waarnaar die onderbouwing verwijst. Dat getuigt bovendien van een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van het feit.

Voorts dient vrijspraak te volgen omdat niet al het vuurwerk door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is onderzocht. Aan de rapporten van het NFI waarnaar wordt verwezen als naar onderzoeken naar bepaald soort vuurwerk in het algemeen kan in de onderhavige zaak geen bewijswaarde worden toegekend.

Feit 2

Voor het onder 2 ten laste gelegde geldt met betrekking tot het medeplegen hetzelfde als voor het onder 1 ten laste gelegde. Verdachte heeft een uiterst passieve rol ingenomen.

Opzet op het voorhanden hebben van de 317 kilo vuurwerk kan niet zodanig in voorwaardelijke zin opgerekt worden dat gesteld kan worden dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zich 317 kilo vuurwerk op de bovenverdieping bevond. Verdachte heeft immers verklaard niet te hebben geweten hoeveel vuurwerk er daadwerkelijk lag.

Er is sprake van eendaadse samenloop met het onder 1 ten laste gelegde feit. In dat geval zou uw rechtbank ervoor kunnen kiezen slechts één feit te kwalificeren.

Feit 3

Eén van de aangetroffen geweren, de Rodacciai, is een opvouwbaar hagelgeweer. Omdat het wapen opvouwbaar is dient het te vallen in categorie II onder 3 als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en niet in categorie III, zoals wel ten laste is gelegd. Dat het wapen wel in onder categorie III ten laste is gelegd, dient te betekenen dat verdachte partieel van het ten laste gelegde feit 3 moet worden vrijgesproken.

Feit 4

Doordat aan verdachte de mogelijkheid is onthouden een contra-expertise uit te laten voeren met betrekking tot de status van het welzijn van de dieren, dient te worden gekomen tot bewijsuitsluiting van het rapport dierkwelling en de diergeneeskundige verklaring van dierenarts [persoon 1]. Deze stukken kunnen immers niet effectief worden betwist. Op basis van enkel de foto’s en het rapport van de deskundige aangewezen door de rechter-commissaris kan niet tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde worden gekomen. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken.

Subsidiair is in het algemeen onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig om tot een bewezenverklaring te komen van het ten laste gelegde. Slechts enkele dieren zijn klinisch onderzocht en het aantreffen van de dieren in bepaalde omstandigheden betreft een momentopname. Dat een aantal dieren dood zijn of er wat slechter aan toe zijn zegt niet dat deze dieren de zorg werd onthouden. Verdachte gaf zijn dieren tweemaal per dag voer en water. Dat de dieren die los liepen geen beschikking hadden over schoon drinkwater klopt niet. Zij konden drinken uit een sloot met stromend water. De aanwezigheid van een kadaver maakt niet dat het water niet meer volstaat als drinkwater. Voor de onthouding van de nodige zorg ten aanzien van de hoeven van de pony’s en de ezel bestaat geen enkel bewijs. Ook de dierenarts zei daarover zelfs dat geen sprake was van een situatie waarop direct moest worden ingegrepen. Van dit onderdeel dient verdachte in ieder geval te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onderdeel in de tenlastelegging dat ziet op de hoeven van de pony’s en de ezel doet de raadsman een voorwaardelijk verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak zodat de bevindingen van de klauwbekapper en het rapport van hercontrole aan het dossier kunnen worden toegevoegd.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1

Vrijspraak feit 1

Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte wist dat zijn zoon [persoon 4] vuurwerk op de zolderverdieping van de loods bewaarde. Hij heeft daar verder over verklaard dat hij zich daarvan afzijdig hield. Daarmee kan worden vastgesteld dat verdachte wel opzet had – in voorwaardelijke vorm – op het aanwezig hebben van vuurwerk op de zolderverdieping van zijn loods, maar kan niet worden gesteld dat verdachte opzet had op het aanwezig hebben van illegaal vuurwerk. Niet kan worden gesteld dat verdachte, na het zien van een doos met opschriften in combinatie met de wetenschap dat zijn zoon vuurwerk op zolder hield, had moeten weten dat het zogenoemd illegaal en bovenal professioneel vuurwerk betrof, nog daargelaten het feit dat verdachte analfabeet is. Verdachte kan niet als medepleger strafrechtelijk verantwoordelijk gehouden worden voor het onder 1 ten laste gelegde feit. De rechtbank spreekt hem daarvan vrij.

De overige verweren van de raadsman terzake van dit feit behoeven geen nadere bespreking.

4.4.2

Partiele vrijspraak feit 3

Naar de rechtbank aanneemt is het door de raadsman gevoerde verweer met betrekking tot de categorie waartoe het Rodacciai vuurwapen behoort – ingegeven vanuit de gedachte dat wegens de opvouwbaarheid van het vuurwapen, het dragen van het wapen minder zichtbaar zou zijn, dan wel dat de aanvalskracht daarvan zou worden verhoogd. Die gedachte wordt ondersteund door het wapenrapport waarin de onderzoeker van het wapen de conclusie trekt dat het hagelgeweer zodanig is vervaardigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is omdat het opvouwbaar is zoals beschreven. Daaruit zou de conclusie moeten volgen dat sprake is van een wapen dat behoort te vallen in categorie II en niet in categorie III zoals ten laste is gelegd. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het voorhanden hebben van de Rodaciai.

4.4.3

Medeplegen feit 2

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het medeplegen van het voorhanden hebben van 317 kilo vuurwerk in de loods bij de woning van verdachte, niet zijnde een daarvoor bestemde inrichting, bewezen kan worden verklaard. Verdachte wist immers dat zijn zoon vuurwerk op zolder hield. Hij had wel eens een doos zien staan. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard niet te hebben geweten hoeveel vuurwerk zijn zoon op zolder hield, maar met de wetenschap dat zijn zoon vuurwerk op de zolderverdieping van zijn loods hield heeft verdachte minstens de aanmerkelijke kans genomen dat zijn zoon meer dan een gebruikelijke hoeveelheid aanwezig had, te weten 317 kilo. Door niet in te grijpen en de andere kant op te kijken heeft verdachte deze kans bewust aanvaard. Het enkele feit dat verdachte zich van het vuurwerk afzijdig hield, kan in dit geval niet leiden tot uitsluiting van zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid. Middels de weg van het voorwaardelijke opzet kan het onder 2 ten laste gelegde dan ook bewezen worden verklaard.

4.4.4

Onthouden van de nodige verzorging voor dieren

Voor wat betreft het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting wegens het onthouden van contra-expertise aan de verdediging verwijst de rechtbank naar rubriek 3.1 waarin dit verweer is verworpen.

Verder heeft de raadsman – samengevat – aangevoerd dat ten tijde van het aantreffen van de dieren op 29 november 2011 sprake was van een momentopname zodat het aantreffen van de dieren in die toestand niet tot het oordeel kan leiden dat sprake is van het onthouden van de nodige verzorging aan de dieren.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Zoals de deskundige dr ing H. Hopster in zijn rapport Beoordeling dierenwelzijn van 12 augustus 2014 heeft aangegeven zijn er in dit geval een aantal methodische beperkingen bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van het onthouden van de nodige verzorging aan de dieren. Zo is er sprake van een momentopname, heeft hij de dieren niet zelf kunnen onderzoeken en is slechts 5% van de dieren destijds klinisch onderzocht. Verder is niet duidelijk hoe lang alle dieren zich op het erf dan wel in bepaalde hokken of kooien bevonden. Dit betekent evenwel niet dat in het geheel geen oordeel mogelijk is over die vraag. Genoemde deskundige is aan de hand van de diergeneeskundige verklaring, het rapport natuur dierkwelling, de ter plaatse gemaakte foto’s, het klinisch onderzoek van een aantal eenden en de overige stukken in het dossier tot het oordeel gekomen dat, gelet op de toestand waarin de dieren zijn aangetroffen, aannemelijk is dat de verzorging structureel tekort is geschoten en dat er klinische indicaties zijn dat de verzorging ontoereikend was om de dieren gezond en in een goede conditie te houden, te weten dat het merendeel van de eenden in een (te) magere lichaamsconditie verkeerde en dat een substantieel deel verwondingen had aan de zwemvliezen.

De door de Algemene Inspectiedienst ingeschakelde dierenarts [persoon 1] heeft in haar diergeneeskundige verklaring geconcludeerd dat sprake is van het onthouden van de nodige verzorging van de dieren. In het algemeen was er een gebrek aan voeding en water, de huisvesting was onhygiënisch en aan de dieren werd de nodige zorg onttrokken.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat sprake is geweest van het onthouden van de nodige zorg aan de dieren.

Met uitzondering van het onder het eerste gedachtestreepje opgenomen deel dat de konijnen te weinig bewegingsruimte hadden omdat dit een subjectieve waarneming is en het in het 6e gedachtestreepje opgenomen deel dat de hoeven van de pony’s en een ezel waren vergroeid of niet onderhouden waren, voor welke punten verdachte partieel zal worden vrijgesproken, kan aan de hand van het rapport natuur dierkwelling worden vastgesteld dat de overige feitelijkheden genoemd in de gedachtestreepjes door de inspecteurs van de AID en de dierenarts zijn geconstateerd.

De raadsman heeft samen met verdachte ten aanzien van het houden van de konijnen in een kist zonder water, genoemd onder gedachtestreepje 1 – nog specifiek aangevoerd dat de konijnen zouden worden vervoerd naar de poelier en dat ze maar even zonder water zaten. Verdachte heeft echter ook verklaard dat de konijnen de dag daarvoor op zijn erf waren gezet. Gelet op het feit dat de konijnen door de inspectiedienst pas de volgende ochtend werden aangetroffen en de verdachte op dat moment zijn ronde voor voer en drinken al had gemaakt, kan in dit geval niet worden gesproken van een momentopname.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het feit bewezen.

Het voorwaardelijke verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak met betrekking tot de hoeven van de pony’s en de ezel, behoeft – gezien de partiele vrijspraak daarvoor – geen bespreking.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage I vervatte bewijsmiddelen en op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

hij op 29 november 2011 te Ouderkerk aan de Amstel, tezamen en in vereniging met een ander,

317 kilogram vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, voorhanden heeft gehad in een loods, niet zijnde een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 4., 2.2.1., 2.2.2. of 3.2.1 of 3A.2.1 van het Vuurwerkbesluit.

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

op 29 november 2011 te Ouderkerk aan de Amstel, in een loods bij [adres 1] een, vuurwapen van categorie III, te weten een flobertgeweer (merk J.G. Anschutz, 9 mm Flobert) en munitie van categorie III, te weten 193 hagelpatronen (kaliber 20 hagel) voorhanden heeft gehad.

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

op 29 november 2011 te Ouderkerk aan de Amstel,, als houder van dieren, op een terrein gelegen aan de [adres 1] aldaar, aan die dieren de nodige verzorging heeft onthouden, immers

  • -

    waren in twee kratten een aantal grote konijnen aanwezig die niet waren voorzien van voedsel en drinkwater en

  • -

    was er een dood konijn aanwezig bij de levende konijnen in een krat en

  • -

    lag er een dode duif in een kooi met sierduiven en

  • -

    liepen er ganzen en/of kippen en/of eenden op een stuk grond waarop een grote hoeveelheid gebroken glas lag en waarop zich voorwerpen met scherpe punten en/of randen bevonden en

  • -

    was er voor die ganzen en/of kippen en/of eenden geen, althans onvoldoende voedsel en (schoon) drinkwater aanwezig en

  • -

    waren cavia's die in een metalen container zaten niet voorzien van (schoon) drinkwater en

  • -

    waren schapen, die zich in een metalen container bevonden niet voorzien van schoon drinkwater en

  • -

    was een zwarthalszwaan die zich in een metalen container bevonden niet voorzien van schoon drinkwater en

  • -

    bevonden zich een dode vogels tussen duiven en/of kippen in een houten hok (blz. 1360) en

  • -

    was in een vijftal hokken waarin zich konijnen en/of kippen bevonden geen voer en/of geen schoon drinkwater aanwezig en

  • -

    was in een ren waarin zich eenden en ganzen bevonden geen voer en geen (schoon) drinkwater aanwezig en

  • -

    waren dierverblijven ernstig vervuild en/of gevuld met zeer veel uitwerpselen

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1, 2, 3 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast heeft hij gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen, waarvan 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens verdachte aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden en dat deze overschrijding niet valt te wijten aan de verdediging. De verdediging heeft immers al in een vroeg stadium onderzoekswensen ingediend.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid vuurwerk, te weten 317 kilo, in een inrichting die daarvoor niet geschikt is volgens de regelgeving van het Vuurwerkbesluit. Het vuurwerk lag opgeslagen op de zolderverdieping van een loods die zich midden in een woonwijk bevond. Door te gedogen dat zijn zoon een dergelijke hoeveelheid vuurwerk op zolder had opgeslagen heeft verdachte gevaar zettend gehandeld. Niet alleen bestaat brandgevaarlijkheid bij de opslag van het vuurwerk, maar ook bestaat het gevaar van ontbranding en de risico’s daarvan voor omwonenden.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan verboden wapenbezit. Hoewel verdachte heeft verklaard dat hij zijn wapen lang niet meer heeft gebruikt wist hij wel van de aanwezigheid daarvan. Gelet op het gevaarlijke aspect van vuurwapens en munitie is het zeer onwenselijk dat dergelijke goederen in omloop zijn.

Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het onthouden van de nodige zorg voor zijn dieren. De rechtbank ziet in dat verdachte niet met kwade intenties heeft gehandeld, maar dat neemt zijn verantwoordelijkheid met betrekking tot de voor de zorg van zijn dieren voorgeschreven regels, niet weg. Zo heeft verdachte toegestaan dat het aantal dieren zo groot was geworden (minimaal 1300) dat het aannemelijk is dat de zorg voor de dieren en het schoonmaken van de hokken hem boven het hoofd is gegroeid. Verder is van belang dat verdachte inziet dat hij zijn dieren mede daardoor de nodige zorg onthield en dat hij zich beter had moet laten informeren over de juiste verzorging van zijn dieren en de regels die daaraan zijn gesteld.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die zijn gebleken ter terechtzitting en zoals blijkt uit het reclasseringsrapport van 18 juni 2013 van reclassering Nederland. Verdachte is afgekeurd wegens rugklachten. Thuis heeft hij veel stress van deze strafzaak ervaren. De reclassering schat de kans dat verdachte opnieuw in de fout zal gaan in als klein. Er worden geen interventies geïndiceerd.

Blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 25 juli 2014 heeft verdachte slechts eenmaal een boete voor een overtreding voldaan. Hij heeft zich niet eerder schuldig gemaakt aan een misdrijf.

Naast de persoonlijke omstandigheden van verdachte die de rechtbank bij de strafmaat zal meewegen zal zij ook rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Uit artikel 6 van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens volgt dat in beginsel binnen twee jaar in eerste aanleg een vonnis dient te volgen. In deze zaak is die termijn overschreden, kennelijk omdat het Openbaar Ministerie de bestuursrechtelijke zaak van verdachte wilde afwachten. Dat was ook in het belang van verdachte, maar dient niet voor zijn rekening te komen. Derhalve zal de rechtbank een strafkorting toepassen.

In een zaak zoals deze is het uitgangspunt het opleggen van een gevangenisstraf naast een eventuele taakstraf. De rechtbank zal dan ook overgaan tot de oplegging van een gevangenisstraf, maar zal – gelet op de afwijkende bewezenverklaring ten opzichte van de officier van justitie met betrekking tot feit 1 en deels met betrekking tot feit 3, gelet op de termijnoverschrijding en in acht nemende de straffen die in gelijke gevallen plegen te worden opgelegd – deze straf opleggen in geheel voorwaardelijke vorm. Recht doende aan de ernst van de feiten, zal de rechtbank daarnaast een taakstraf opleggen. De rechtbank zal hiermee afwijken van de eis van de officier van justitie.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer, de artikelen 1.2.2 en 1.2.4 van het Vuurwerkbesluit, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, artikel 37 en 122 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde:

Handelen in strijd met het in artikel 37 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte]

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 120 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Knol, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en B.T. Beuving, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Flikkenschild, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 augustus 2014.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Volledige tekst van de tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat

Feit 1

hij op of omstreeks hij op of omstreeks 29 november 2011 te Ouderkerk aan de Amstel, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, (in een loods schuin tegenover [adres 1])

professioneel vuurwerk, te weten

  • -

    138, althans een aantal stuks knalvuurwerk (Super Cobra 6) (blz. 1134) en/of

  • -

    119, althans een aantal stuks lawinepijlen (Zink 901) (blz. 1138) en/of

  • -

    30, althans een aantal stuks vuurpijlen (Joker) (blz. 1138) en/of

  • -

    een flowerbed (TXB 868, 300 schots, gewicht ongeveer 58 kg) (blz. 1141) en/of

  • -

    twee, althans één flowerbed(s) ( TXB 869, 600 schots, gewicht ongeveer 85 kg) (blz. 1141)

  • -

    8, althans een aantal stuks knalvuurwerk (Green Light Cracker) (blz. 1134) en/of

  • -

    505, althans een aantal stuks knalvuurwerk (Thumping Thunder Pyrotechnics) (blz. 1134) en/of

  • -

    4, althans een aantal stuks Chinese rol (T809) (blz. 1134)

heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad

terwijl dat professionele vuurwerk bestemd was voor particulier gebruik.

Feit 2

hij op of omstreeks 29 november 2011 te Ouderkerk aan de Amstel, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen,

al dan niet opzettelijk,

(ongeveer)

317 kilogram (blz. 1131) vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik,

voorhanden heeft gehad in een loods (schuin tegenover [adres 1]), althans buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 4., 2.2.1., 2.2.2. of 3.2.1 of 3A.2.1 van het Vuurwerkbesluit,

Feit 3

Dat hij op of omstreeks 29 november 2011 te Ouderkerk aan de Amstel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, (in een loods bij [adres 1]) twee, althans één vuurwapen(s) van categorie III, te weten een opvouwbaar hagelgeweer (merk Rodacciai, kaliber 20 hagel) en/of (blz. 1345) een flobertgeweer (merk J.G. Anschutz, 9 mm Flobert) (blz. 1346) en/of munitie van categorie III, te weten 193, althans een aantal hagelpatronen (kaliber 20 hagel) (blz. 1349) voorhanden heeft gehad.

Feit 4

hij op of omstreeks 29 november 2011 te Ouderkerk aan de Amstel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als houder van dieren, op een terrein gelegen aan de [adres 1] aldaar, aan die dieren de nodige verzorging heeft onthouden, immers -

  • -

    waren in twee kratten een aantal grote konijnen aanwezig die geen, althans onvoldoende bewegingsvrijheid hadden en/of niet waren voorzien van voedsel en/of drinkwater (blz. 1128, 1359) en/of

  • -

    was er een dood konijn aanwezig bij de levende konijnen in dat/een krat (blz. 1128) en/of

  • -

    lag er een dode duif in een kooi met sierduiven (blz. 1359) en/of

  • -

    liepen er ganzen en/of kippen en/of eenden op een stuk grond waarop een grote hoeveelheid gebroken glas lag en/of waarop zich voorwerpen met scherpe punten en/of randen bevonden (blz. 1359) en/of

  • -

    was er voor die ganzen en/of kippen en/of eenden geen, althans onvoldoende voedsel en/of (schoon) drinkwater aanwezig (blz. 1359) en/of

  • -

    waren de hoeven van vijf, althans één of meer pony 's en/of van een ezel vergroeid en/of niet onderhouden (blz. 1359) en/of

  • -

    waren cavia's die in een metalen container zaten niet voorzien van (schoon) drinkwater (blz. 1359) en/of

  • -

    waren schapen, die zich in een metalen container bevonden niet voorzien van (schoon) drinkwater (blz. 1359) en/of

  • -

    waren twee, althans één zwarthalszwa(a)n(en) die zich in een metalen container bevonden niet voorzien van (schoon) drinkwater (blz. 1359) en/of

  • -

    bevonden zich dode vogels tussen duiven en/of kippen in een houten hok (blz. 1360) en/of

  • -

    was in een vijftal hokken waarin zich konijnen en/of kippen bevonden geen voer en/of geen (schoon) drinkwater aanwezig (blz. 1360) en/of

  • -

    was in een ren waarin zich eenden en ganzen bevonden geen voer en/of geen (schoon) drinkwater aanwezig (blz. 1360) en/of

  • -

    waren dierverblijven ernstig vervuild en/of gevuld met zeer veel uitwerpselen (blz. 1360)

Bijlage II

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

1. De verklaring die verdachte ter terechtzitting d.d. 14 augustus 2014 heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb me er nooit mee bemoeid. Ik wist niet of er 1, 10 of 20 lagen. Als ik had geweten dat het geen huis tuin en keuken vuurwerk was, dan had ik het nooit goed gevonden.

2. Een proces-verbaal van doorzoeking ter in beslagneming met nummer 2011214863 van 9 december 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], doorgenummerde pagina’s 1127-1130.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 29 november 2011 doorzochten wij het terrein en de loods van [verdachte] te Ouder Amstel. De loods is gelegen schuin tegenover de woning van [verdachte] aan de [adres 1], gemeente Ouder-Amstel.

Door de officier van justitie is aan de heer [verdachte] gevaagd of vuurwerk of andere gevaarlijke zaken in de loods aanwezig waren. Hierop antwoordde [verdachte] dat er volgens hem wel wat vuurwerk aanwezig was in de loods, maar dat dit van zijn zoon was. Op de bovenverdieping van de loods zagen wij dozen met vuurwerk. Het vuurwerk lag onbeschermd opgeslagen en er waren geen veiligheidsmaatregelen aanwezig om in geval van een calamiteit bescherming te bieden voor de omgeving.

3. Een proces-verbaal van onderzoek aan in beslag genomen vuurwerk met nummer 2011214863 van 30 november 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], doorgenummerde pagina’s 1131-1143, met daarbij behorende bijlagen (foto’s) op pagina’s 1144-1161.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Totaal gewicht van de onderzochte partij vuurwerk betreft na onderzoek 317 kilogram.

4. Een proces-verbaal met nummer 2011214863 van 14 mei 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4], ongenummerd, opgenomen in bijlage 3 in aanvullende stukken, met daarbij behorende bijlagen (foto’s).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Bij de actie op 29 november 2011 op het terrein gelegen aan de overzijde van [adres 1] te Ouderkerk aan de Amstel zijn door verschillende organisaties foto’s gemaakt. Alle foto’s die zijn gemaakt zijn opgeslagen. Door mij zijn alle foto’s afgedrukt.

De bijlagen bevatten foto’s van dozen vuurwerk.

5. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte met nummer 2011214863, van 30 november 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6], doorgenummerde pagina’s 1503-1509.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [verdachte], zakelijk weergegeven:

Het vuurwerk doet me niks. Ik wist het wel, het zou stom wezen als ik het niet wist, maar ik wist niet wat er lag en hoeveel. Ik heb een paar dagen geleden tegen hem gezegd dat het weg moest. Ik zag wel dat die teringzooi er nog lag. Ik keek er maar langsheen.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

6. De verklaring die verdachte ter terechtzitting d.d. 14 augustus 2014 heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Die jachtgeweren en munitie zijn van mij, maar die had ik al heel lang niet meer gebruikt.

7. Een proces-verbaal van doorzoeking ter in beslagneming met nummer 2011214863 van 9 december 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], doorgenummerde pagina’s 1127-1130.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 29 november 2011 doorzochten wij het terrein en de loods van [verdachte] te Ouder Amstel. De loods is gelegen schuin tegenover de woning van [verdachte] aan de [adres 1], gemeente Ouder-Amstel.

Door de officier van justitie is aan de heer [verdachte] gevaagd of vuurwerk of andere gevaarlijke zaken in de loods aanwezig waren. Hierop antwoordde [verdachte] dat er volgens hem wel wat vuurwerk aanwezig was in de loods. Tevens gaf de heer [verdachte] aan dat er nog 2 oude jachtgeweren in de loods lagen. Hierop hebben wij de loods betreden en heeft de heer [verdachte] de jachtgeweren tevoorschijn gehaald en aan ons overhandigd.

Halverwege de loods stond in een bak een metalen kistje met daarin een groot aantal jachtpatronen. Gezien het aantreffen van de jachtgeweren en de munitie heeft een collega telefonisch navraag gedaan bij de afdeling Bestuurlijke Politiezorg. Hieruit bleek dat de heer [verdachte] niet in het bezit was van een jachtakte of anderszins toestemming had een jachtgeweer of munitie voorhanden te hebben.

8. Een proces-verbaal van technisch onderzoek met nummer 2011214863 van 3 januari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7], dienstdoende bij de Dienst Executieve Ondersteuning, bureau Conflict en Crisisbeheersing, Taakveld Explosievenveiligheid en Wapens, Materiedeskundige Vuurwapens, doorgenummerde pagina’s 1344-1347.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van vuurwerk in [adres 1] te Ouderkerk aan de Amstel op 29 november 2011, waar een geweer en een aantal patronen werden aangetroffen.

Naam: [verdachte].

Aantreffen vuurwapen: Enkelloops grendel flobertgeweer

Merk: J.G. Anschutz

Kaliber: 9 millimeter Flobert

Dit geweer is een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3e, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III onder 1e van de Wet wapens en munitie.

Tevens werd een kist met patronen aangetroffen.

Aantal patronen: 193

Kaliber: 20 hagel.

Deze patronen zijn munitie in de zin van artikel 1, lid 1, onder 4e gelet op artikel 2 lid 2, categorie III van de Wet wapens en Munitie.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

9. Een geschrift, te weten een controleverslag Natuur Dierkwelling met rapportnummer 157/11/0062, van 7 december 2011, opgemaakt door [persoon 3] en [persoon 2], ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst, doorgenummerde pagina’s 1358-1363.

Dit geschrift houdt onder meer in als verklaring van voornoemde ambtenaren, zakelijk weergegeven:

Op 29 november 2011 was ik [persoon 3], aanwezig op het stuk grond schuin tegenover [adres 1]. Ik zag dat er in de loods onder meer twee kratten met konijnen stonden. [verbalisant 1] vertelde mij dat de eigenaar een dood konijn uit deze krat had gehaald. Ik zag dat er geen eten en drinken in de krat aanwezig was. Ook in het andere krat was geen water en voedsel aanwezig.

Verder zag ik in de loods een kooi met sierduiven. Op de bodem van deze kooi zag ik een dode duif liggen.

In een andere kooi in deze loods zag ik kleine volièrevogels en twee grote parkieten zitten. ook hier lagen dode dieren op de bodem van de kooi.

Vervolgens zag ik dat er zich naast de loods een braakliggend stuk grond bevond, waarop ik veel ganzen, kippen en eenden zag lopen. Op hetzelfde stuk grond zag ik gebroken, glazen ruiten liggen. Verder zag ik veel metalen en houten voorwerpen met scherpe punten en randen op het stuk grond liggen.

Ik zag dat er geen voedsel en drinkwater voor de ganzen, kippen en eenden aanwezig was.

Achter het braakliggende stuk grond zag ik een afgezet terrein. Voor het terrein lag een sloot welke bestond uit vervuild, grijsbruin water. De sloot lag dwars voor het terrein zodat de dieren daar in konden zwemmen. Ik zag in die sloot één dode eend en één dode zwaan drijven. Ik heb gecontroleerd of er in de aanwezige voedersilo’s voedsel aanwezig was. Ik zag dat dit niet het geval was. Ook heb ik geen drinkwatervoorzieningen op het afgesloten terrein gezien.

Omstreeks 11.45 uur heb ik mij, [persoon 2], gevoegd bij mijn collega [persoon 3]. De bevindingen zoals vastgesteld door [persoon 3] heb ik ook zelf vastgesteld.

In afwachting van dierenarts [persoon 1] hebben wij de rest gecontroleerd.

Wij zagen, dat zich naast de loods een soort stallen bevonden. Deze “stallen” waren gemaakt van metalen containers. In de eerste “stal’ zagen wij duiven zitten. Wij zagen dat er geen schoon drinkwater stond. In de tweede “stal” zaten cavia’s. Wij zagen, dat de dieren geen drinkwater hadden. In de derde “stal” zaten drie schapen in een hok. Wij zagen, dat de schapen geen oormerken hadden en dat er geen schoon drinkwater aanwezig was. Ook zagen wij twee zwarthalszwanen in diezelfde “stal”. Deze zaten in een apart hok en wij zagen dat de zwanen geen schoon drinkwater hadden. In de vierde “stal” zaten cavia’s, verdeeld over diverse hokken. Ook zagen wij, dat er konijnen in de “stal” losliepen. In een container, gelegen schuin tegenover de “stallen” zagen wij, [persoon 3] en [persoon 2], tientallen duiven. Deze hadden geen beschikking over voer of drinkwater.

Naast de voornoemde container zagen wij, [persoon 3] en [persoon 2], een houten hok. In dit hok zaten duiven en kippen. In dit hok zagen wij, tussen de levende dieren, ook dode. Wij zagen geen voer en geen drinkwater. Achter de voornoemde container zagen wij, [persoon 3] en [persoon 2], een gazen kooi staan. In deze kooi zagen wij twee verdiepingen met duiven. De duiven op de bovenste verdieping zaten op een gazen vloer. Wij zagen, dat de duiven op de onderste verdieping groen waren van de ontlasting van de duiven op de bovenste verdieping. Ook zagen wij op de onderste verdieping een dode duif liggen. Vervolgens zagen wij, dat er geen schoon drinkwater in deze kooi aanwezig was. Naast de voornoemde kooi stond een container. Deze container was slecht toegankelijk vanwege de grote hoeveelheid materialen op de grond en voor de container. De container was erg donker van binnen. Er stond een kooi in met duiven. Wij, [persoon 3] en [persoon 2], hebben geen voer en geen schoon drinkwater gezien.

Naast deze container zagen wij, [persoon 3] en [persoon 2], een andere container staan. Ook hierin stond een kooi met duiven. Wij hebben geen voer en geen schoon drinkwater gezien.

Wij, [persoon 3] en [persoon 2], zagen, dat er achter de loods, een stukje grond was afgezet.

Op dit stukje grond zaten loopeenden. Wij zagen, dat er geen voederplaats en/of voer aanwezig was. Ook zagen wij, dat er geen schoon drinkwater aanwezig was. De dieren moesten uit de sloot drinken.

Wij, [persoon 3] en [persoon 2], zagen enkele houten hokken staan, waarin zich onder meer konijnen en duiven bevonden. Wij zagen geen ‘voer en geen schoon drinkwater in de hokken.

Wij zagen bij de ingang van het terrein, een waterpartij (een soort slootje) met enkele rennen. Hierin zaten eenden, ganzen, zwanen en kalkoenen. Wij zagen, dat er geen voer en geen schoon drinkwater aanwezig was.

Wij zagen bij de ingang van het terrein een ren met een waterpartij. Hierin zagen wij eenden en ganzen. Wij zagen, dat er geen voer aanwezig was. Ook zagen wij, dat er geen schoon drinkwater aanwezig was.

Wij zagen naast de laatst genoemde ren enkele hokken. In deze hokken zagen wij eenden, duiven en bosfazanten. Ook zagen wij, dat niet alle dieren voer en water hadden.

Wij zagen dat alle hiervoor genoemde dierenverblijven ernstig vervuild waren. Wij

zagen, dat er zeer veel uitwerpselen in de verblijven liggen.

Mij, [persoon 2], is door [hoofdagent 1] van de Politie [naam] verteld, dat zij omstreeks 08.00 uur met de heer [verdachte] is meegelopen, om de dieren

van voer en, gedeeltelijk van water te voorzien. Locatie 1 is de loods. Daarin stond een hoge ijzeren krat met daarin konijnen, waarvan een dood konijn. Tijdens het voeren is het dode konijn door de eigenaar uit de krat gehaald en apart neergelegd.

10. Een geschrift, te weten een diergeneeskundige verklaring van 2 december 2011, opgemaakt door dierenarts [persoon 1], toezichthouder/dierenarts nVWA, doorgenummerde pagina’s 1364-1396.

Dit geschrift houdt onder meer in als verklaring van [persoon 1], zakelijk weergegeven:

De aangetroffen toestand is ontstaan door

  • -

    Ontoereikende verzorging van de dieren met voer en drinkwater, ontoereikende hygiëne van de verblijven en plaatsen waar dieren kunnen komen: de verblijven van de dieren werden niet regelmatig en naar noodzaak schoongemaakt. levens werden de dieren niet regelmatig en naar noodzaak gevoerd en het drinkwater ververst. Kadavers werden niet opgeruimd en ter destructie aangeboden.

  • -

    Zieke dieren en de slechte algemene indruk van de gezondheidstoestand van alle dieren: door de slechte verzorging van de dieren daalt de weerstand van de dieren. De ontoereikende hygiënische omstandigheden verhogen echter de infectiedruk. Beide factoren samen leiden tot een slechte algemene gezondheidstoestand van de dieren met een verhoogde sterfte

Er is sprake van het onthouden van de nodige verzorging van de dieren omdat

  • -

    Dieren niet in toereikende hoeveelheid gezond voer en water ter beschikking hadden zodat de dieren in goede gezondheid blijven en aan hun voedingsbehoeften wordt voldaan

  • -

    De huisvesting van de dieren in een onacceptabel hygiënische en bouwtechnische toestand was, wat de gezondheid en het welzijn van de dieren benadeeld

  • -

    Dieren de nodige zorg onttrokken werd, zoals zieke dieren apart huisvesten en behandelen.

11. Een geschrift, te weten een rapport beoordeling dierenwelzijn opgesteld als reactie op de schriftelijke opdracht van de Rechtbank Amsterdam d.d. 10 juni 2014, opgemaakt door dr. Ing. H. Hopster, ongenummerd.

Dit geschrift houdt onder meer in als verklaring van voornoemde H. Hopster, zakelijk weergegeven:

Gelet op de toestand waarin dieren werden aangetroffen is het aannemelijk dat de verzorging structureel tekort is geschoten. Er zijn belangrijke klinische indicaties dat de verzorging ontoereikend was om de dieren gezond en in goede conditie te houden. Dit blijkt onder andere uit het feit dat de (klinisch) onderzochte) eenden – zeker gelet op de winter die nog moest komen – in een (te) magere lichaamsconditie verkeerden. Een magere conditie is het gevolg van suboptimale voeding of van gezondheidsproblemen. Bovendien vertoonde een substantieel deel (17 %) van de onderzochte eenden verwondingen aan de zwemvliezen. Ook de aanwezigheid van meer dan tien kadavers, enkelen in het water dat voor de dieren tevens als drinkwater diende, duidt niet op een gedisciplineerde en voldoende frequente controle van dieren. Dit wordt bevestigd door de slechte staat van onderhoud van dierverblijven en voorzieningen. Mijn conclusie is dat aan de dieren de nodige verzorging is onthouden. Die conclusies laten onverlet dat op basis van het aangereikte materiaal, naast een kwalitatieve beoordeling slechts in beperkte mate een kwantitatieve onderbouwing van de gezondheids- en welzijnsschade mogelijk is. Minder dan 5% van het totaal aantal aangetroffen dieren is klinisch onderzocht. De kwantitatieve onderbouwing van de conclusies in dit soort situaties a priori beperkingen.