Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:8081

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
09-12-2014
Zaaknummer
C-13-557361 - HA ZA 14-47
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Toepasselijkheid van overeenkomst tot arbitrage buiten Nederland op een gestelde overdracht tot zekerheid. Artikel 1020 Rv niet van toepassing. Ook zonder overeenkomst tot arbitrage is de Nederlandse rechter voor dit deel van het geschil niet bevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvA 2015/32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken

zaaknummer / rolnummer: C/13/557361 / HA ZA 14-47

Vonnis in incident en in de hoofdzaak van 3 december 2014

in de zaak van

de rechtspersoon naar Cypriotisch recht

BRENDORA LIMITED,

gevestigd te Nicosia, Cyprus,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. P.E. van den Berg te Den Haag,

tegen

1. de rechtspersoon naar Russisch recht

STATE CORPORATION “BANK FOR DEVELOPMENT AND FOREIGN ECONOMIC AFFAIRS” (VNESHECONOMBANK),

gevestigd te Moskou, Russische Federatie,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. D.A.M.H.W. Strik te Amsterdam,

2. de naamloze vennootschap

MACHINERY & INDUSTRIAL GROUP N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

niet verschenen,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat: mr. D.A.M.H.W. Strik te Amsterdam,

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat: mr. D.A.M.H.W. Strik te Amsterdam.

Partijen in het incident zullen hierna Brendora respectievelijk VEB c.s. (afzonderlijk: VEB, [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4]) worden genoemd. Gedaagde 2 in de hoofdzaak zal hierna MIG worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de twee gelijkluidende dagvaardingen van 30 september 2013,
    - de akte overlegging producties van 15 januari 2014, zijdens Brendora,

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid tevens verzoek tot aanhouding met producties van 9 april 2014, zijdens VEB c.s.,
    - de akte van antwoord in het incident van 21 mei 2014, zijdens Brendora,

  • -

    het proces-verbaal van pleidooi in het incident van 16 oktober 2014 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten

2.1.

Ten behoeve van de beoordeling van het geschil in het incident wordt uitgegaan van de volgende feiten.

2.2.

Brendora was enig houder van de aandelen in MIG.

2.3.

MIG is aandeelhouder van de vennootschap naar Russisch recht OOO Corporate Management Company of Concern “Tractor Plants” (hierna: Management Company).

2.4.

VEB heeft een geldlening verstrekt aan Management Company.

2.5.

Brendora heeft de aandelen MIG verkocht aan VEB. Daarnaast zijn Brendora en VEB met betrekking tot de aandelen MIG een terug(ver)koopoptie overeengekomen voor de situatie waarin de aan Management Company verstrekte geldlening aan VEB zal zijn terugbetaald. Brendora en VEB zijn de aandelen(ver)koop en de terug(ver)koopoptie schriftelijk overeengekomen in een Share Purchase Agreement (hierna: SPA) respectievelijk een Put and Call Option Agreement, beide gesloten op 2 november 2010.

2.6.

In de SPA is een geschillenregeling alsmede een bepaling over het toepasselijk recht opgenomen, als volgt:

(…)

1. DEFINITIONS AND INTERPRETATION

(…)

Dispute” means a dispute between any of the Parties under, arising out of or in connection with this Agreement, including any question regarding its existence, validity, modification, interpretation or termination.

(…)

3. SALE AND PURCHASE

3.1

Obligation to sell and purchase

Subject to the terms of this Agreement, the Seller shall sell the Shares free from all Encumbrances and claims whatsoever and the Purchaser (relying on the Warranties and other obligations of the Seller and the Warrantors under this Agreement) shall purchase the Shares together with all rights now or in the future attaching to them.

(…)

16. MISCELLANEOUS

(…)

16.7

Severability

(a) Each of the provision of this Agreement is severable. If any such provision is or becomes illegal, invalid or unenforceable in any respect under the law of any jurisdiction, the legality, validity or enforceability in that jurisdiction of the remaining

provisions of this Agreement shall not in any way be affected or impaired thereby.

(b) The Parties agree that if any provision of this Agreement should for any reason be

held to be invalid or unenforceable in any respect under the law of any jurisdiction they will negotiate in good faith to seek to agree for the purposes of the operation of this Agreement in that jurisdiction a valid or enforceable provision in substitution for the invalid or unenforceable provision which achieves to the greatest extent possible the same effect as would have been achieved by the invalid or unenforceable provision.

(…)

18. GOVERNING LAW, JURISDICTION (…)

18.1

English law

This Agreement shall be governed by and construed in accordance with English law (…)

18.2

Submission to Arbitration

( a) The Parties shall endeavour in good faith to resolve any Dispute promptly and

amicably through negotiations.

(b) All Disputes arising out of the Agreement which the Parties have failed to settle amicably after thirty (30) days from the date the Dispute arose shall be finally settled by arbitration in accordance with the Rules of the London Court of International Arbitration (…)”.

2.7.

Op 16 december 2010 heeft Brendora de aandelen MIG aan VEB geleverd (hierna wordt in dit verband gesproken van: de Aandelen en: de Levering).

2.8.

[gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] fungeren als bestuurder van MIG. Zij zijn als zodanig benoemd door VEB in haar hoedanigheid van aandeelhouder.

3 Het geschil

in de hoofdzaak

3.1.

Samengevat vordert Brendora in de hoofdzaak het volgende:

Primair:

I verklaring voor recht dat de Levering, vanwege het ontbreken van een geldige titel, niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden c.q. nietig is en dat Brendora derhalve (nog steeds) het eigendom van de Aandelen heeft,

II veroordeling van MIG om het aandeelhouderschap van Brendora op te nemen in haar aandeelhoudersregister,

III veroordeling van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] tot medewerking aan het voldoen aan de veroordeling onder II,

Subsidiair:

IV verklaring voor recht dat de Levering ex artikel 3:42 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is geconverteerd in een pandrecht ten gunste van VEB als bedoeld in artikel 3:236 BW,

V veroordeling van MIG om het aandeelhouderschap van Brendora en het pandhouderschap van VEB op te nemen in haar aandeelhoudersregister,

VI veroordeling van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] tot medewerking aan het voldoen aan de veroordeling onder V,

Zowel primair als subsidiair:

VII verklaring voor recht dat de benoeming van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] als bestuurder van MIG non-existent c.q. nietig is,

VIII veroordeling van MIG tot ongedaanmaking van de inschrijving in het handelsregister van het bestuurderschap van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4],

IX een verbod aan [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] om aan het vermogen van MIG rakende (rechts)handelingen te verrichten alsmede een verbod om zich intern en extern te presenteren als bestuurder van MIG,

X gelasting van de doorhaling in het handelsregister van het aandeelhouderschap van VEB en van het bestuurderschap van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4], alsmede gelasting van de (hernieuwde) inschrijving van het aandeelhouderschap van Brendora,

XI veroordeling van VEB, [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] in de kosten van het geding.

3.2.

Samengevat legt Brendora het volgende aan de vordering ten grondslag. Op de overdracht van de Aandelen is Nederlands recht van toepassing. Ingevolge artikel 3:84 lid 3 BW is een rechtshandeling die tot doel heeft een goed over te dragen tot zekerheid geen geldige titel voor de overdracht. Hiervan is in het onderhavige geval sprake. De achtergrond van de overdracht van de Aandelen was immers het aan VEB verstrekken van zekerheid tot verhaal voor de door VEB verstrekte geldlening aan Management Company, een dochtervennootschap van MIG. De Aandelen zijn derhalve niet rechtsgeldig aan VEB overgedragen, zodat Brendora de eigendom van de Aandelen heeft behouden. Aldus Brendora.

3.3.

VEB c.s. heeft nog niet voor antwoord geconcludeerd.

in het incident

3.4.

Samengevat vordert VEB c.s. in het incident dat de rechtbank:

i zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen van

Brendora tegen VEB c.s., althans tegen VEB,

ii de zaak, voor zover die niet door de onbevoegdverklaring wordt

geraakt, aanhoudt in afwachting van een met gezag van gewijsde behepte arbitrale beslissing over de geldigheid van de SPA als titel voor de overdracht van de Aandelen en over de vraag of de overdracht van de Aandelen een fiduciaire overdracht in de zin van artikel 3:84 lid 3 BW is,

iii Brendora veroordeelt in de kosten van het geding, waaronder ook de nakosten, te

voldoen binnen veertien dagen na vonniswijzing en nadien te vermeerderen met de

wettelijke rente.

3.5.

Samengevat beroept VEB c.s. zich op de in artikel 18.2 van de SPA opgenomen arbitrageovereenkomst (hiervoor aangehaald onder 2.6.) , waaraan zij het volgende ten grondslag legt.

3.5.1.

Het geschil in de hoofdzaak draait om de vraag of de overdracht van de Aandelen al dan niet een fiduciaire overdracht is geweest. Om die vraag te beantwoorden dient, gelet op het bepaalde in artikel 3:84 lid 3 BW, te worden beoordeeld of de titel krachtens welke de overdracht plaatsvond een fiduciair karakter heeft. De titel krachtens welke de overdracht plaatsvond, is in casu de met betrekking tot de Aandelen gesloten (ver)koopovereenkomst, zoals neergelegd in artikel 3.1 van de SPA. Nu Brendora stelt dat de titel, de SPA, niet geldig is, is sprake van een Dispute zoals bedoeld in de SPA, voor welk soort geschil de SPA regelt dat het moet worden beslecht door de arbiter te Londen (hierna: de Arbiter). Brendora was derhalve verplicht om het onderhavige geschil met VEB, na onderhandelingen ex artikel 18.2 (a) van de SPA, voor te leggen aan de Arbiter en de rechtbank Amsterdam heeft in de zaak tegen VEB geen rechtsmacht op grond van artikel 1074 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Ook de vordering inzake conversie in een pandrecht, waarvoor het bepaalde in artikel 16.7 (b) van de SPA van belang is, valt onder het bereik van de arbitrageovereenkomst. Om deze vordering te kunnen beoordelen, moet immers worden vastgesteld:

  • -

    wat doel en strekking zijn van de gesteld nietige rechtshandeling,

  • -

    in hoeverre de gesteld nietige rechtshandeling voldoet aan een andere, geldige, rechtshandeling,

  • -

    of moet worden aangenomen dat die andere rechtshandeling zou zijn gepleegd indien was afgezien van het plegen van de ongeldige rechtshandeling.

Bij de conversievordering gaat het dus wederom om de SPA. Niet alleen als de titel van de overdracht, maar ook als object van interpretatie en kwalificatie ten behoeve van de vaststelling van de inhoud van de alternatieve rechtshandeling. Verder betreft de conversievordering modification van de SPA, zijnde een geschilpunt dat binnen het bereik van Disputes valt en dus ook onder de arbitrageovereenkomst valt.

Aldus nog steeds VEB c.s.

3.5.2.

De zaken tegen [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] zijn gebaseerd op de vermeende ongeldigheid van de SPA. Zo is in artikel 2.1 (a) van de SPA onder meer opgenomen dat Brendora als verkoper alle besluiten moet nemen die nodig zijn ter uitvoering van alle met de uitvoering van de SPA beoogde overeenkomst. Verder zijn in Schedule 9 behorende bij de SPA alsook in artikel 2.1 (f) van de SPA afspraken omtrent bestuurdersbenoemingen opgenomen. De benoemingen van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] als bestuurders vloeien uit die afspraken voort. De vorderingen tegen [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] betreffen derhalve ook Disputes in de zin van de SPA, zodat ook voor die vorderingen geldt dat de Arbiter bevoegd is, terwijl de rechtbank Amsterdam dienaangaande op grond van artikel 1074 lid 1 Rv geen rechtsmacht heeft.

3.6.

Brendora voert verweer. Hierop wordt hierna voor zover van belang nader ingegaan.

4 De beoordeling

in het incident

met betrekking tot partij MIG

4.1.

MIG is geen partij in dit incident. Ambtshalve wordt overwogen dat de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen tegen MIG op grond van artikel 1 lid 1 en artikel 2 van de EEX-Verordening (nr 44/2001). De hoofdzaak betreft immers een handelszaak in de zin van de EEX-Verordening en MIG is gevestigd op het grondgebied van de lidstaat Nederland, namelijk te Amsterdam.

Dat neemt niet weg, dat het lot van de tegen MIG gerichte vorderingen in de hoofdzaak afhankelijk is van de beslissingen op de tegen VEB gerichte vorderingen.

met betrekking tot partij VEB

4.2.

In de zaak van Brendora tegen VEB, die geen woonplaats heeft in een EEX-lidstaat, is volgens artikel 4 van de EEX-Verordening niet die Verordening maar de Nederlandse wetgeving van toepassing voor de vraag of deze rechtbank rechtsmacht heeft.

4.3.

Op de volgende gronden slaagt het beroep van VEB op de arbitrageovereenkomst.

4.3.1.

Brendora heeft allereerst aangevoerd, dat de arbitrageovereenkomst niet van toepassing is op de vorderingen tegen VEB, omdat die vorderingen niet gaan over de geldigheid van de SPA zelf, maar over de geldigheid van de SPA als titel van overdracht, dat wil zeggen over de vraag of de Levering van de Aandelen al dan niet in strijd is met het fiduciaverbod van artikel 3:84 lid 3 BW. Dat is een goederenrechtelijke vraag die naar Nederlands recht moet worden beantwoord en het is - aldus nog steeds Brendora - geen geschil uit hoofde van, voortvloeiende uit of verband houdende met de SPA.

4.3.2.

Dit standpunt gaat niet op.

Niet in te zien is waarom het geschil, ondanks hetgeen Brendora blijkens het voorgaande heeft aangevoerd, niet moet worden aangemerkt als een geschil dat op zijn minst verband houdt met de SPA. Daarmee is het een geschil “in connection with” de SPA (artikel 1 van de SPA) dat ingevolge artikel 18.2 volgens arbitrage moet worden beslecht.

Dat de vraag of al dan niet sprake is van fiduciaire overdracht beantwoord moet worden volgens Nederlands recht, zoals Brendora stelt, maakt dit niet anders. Brendora heeft niet aangevoerd dat - laat staan toegelicht waarom - Arbiter deze vraag niet met toepassing van Nederlands recht zou kunnen beantwoorden.

4.3.3.

Uit het voorgaande volgt, dat de arbitrageovereenkomst op de vorderingen tegen VEB toepasselijk is.

Nu het hier gaat om een arbitrageovereenkomst die bepaalt dat arbitrage buiten Nederland plaatsvindt en dat op deze overeenkomst Engels recht van toepassing is, gaat derhalve het beroep van VEB op onbevoegdheid ingevolge het bepaalde in artikel 1074 lid 1 Rv op, tenzij de arbitrageovereenkomst volgens Engels recht ongeldig is. Dat laatste is echter gesteld noch gebleken.

4.3.4.

Ten slotte beroept Brendora zich in dit verband op artikel 1020 lid 3 Rv, dat bepaalt dat de overeenkomst tot arbitrage niet mag leiden tot de vaststelling van rechtsgevolgen die niet ter vrije bepaling van partijen staan. Daarvan is in het onderhavige geval sprake, aldus Brendora, omdat de tegen VEB gerichte vorderingen betrekking hebben op de vraag of al dan niet sprake is van levering in strijd met het fiduciaverbod van artikel 3:84 lid 3 BW. Partijen kunnen niet zelf bepalen of de Levering wel of niet in strijd is met het fiduciaverbod, gelet op het gesloten systeem van beperkte rechten en het dwingendrechtelijk karakter van artikel 3:84 lid 3 BW, aldus Brendora.

4.3.5.

Met VEB is de rechtbank van oordeel dat artikel 1020 Rv toepassing mist, nu het deel uit maakt van de Eerste Titel van het Vierde Boek vanRv, welke titel blijkens haar opschrift slechts betrekking heeft op arbitrage in Nederland. De onderhavige arbitrageovereenkomst heeft betrekking op arbitrage in Engeland, waarbij opmerking verdient dat het hiervoor onder 4.3.3. genoemde artikel 1074 Rv zich bevindt in de Tweede Titel van het Vierde Boek van Rv, welke titel blijkens haar opschrift betrekking heeft op arbitrage buiten Nederland.

4.3.6.

De conclusie is, dat VEB zich terecht op de arbitrageovereenkomst beroept en dat de rechtbank in zoverre onbevoegd is.

4.4.

Ook indien het voorgaande anders zou zijn en dus als uitgangspunt wordt genomen dat geen arbitrageovereenkomst van toepassing is, levert het navolgende een zelfstandige grond voor de rechtbank op om zich onbevoegd te verklaren, namelijk omdat haar geen rechtsmacht toekomt.

4.4.1.

Nu VEB geen woonplaats heeft in Nederland, levert de hoofdregel van artikel 2 Rv geen rechtsmacht op.

4.4.2.

Brendora doet een beroep op artikel 7 lid 1 Rv. Uit dit artikel volgt dat ook rechtsmacht bestaat indien tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Dit artikel moet worden begrepen in het licht van de (Europese) jurisprudentie die eraan ten grondslag ligt en waaruit volgt dat tussen de verschillende vorderingen een zodanige band moet bestaan dat het van belang is ze tezamen te berechten teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare uitspraken worden gegeven (Kamerstukken II, nr. 26855, nr. 3, p. 7). In dat licht bezien kan weliswaar worden gezegd dat de diverse in de hoofdzaak ingestelde vorderingen duidelijk met elkaar samenhangen, maar is geen sprake van een gevaar van tegenstrijdige beslissingen. De tegen MIG, [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] ingestelde vorderingen zijn immers niet gelijk(soortig) aan de vorderingen ten aanzien waarvan VEB de wederpartij is. Zij zijn daaraan ondergeschikt en weliswaar afhankelijk van het lot daarvan, maar daarmee inhoudelijk nog steeds geenszins gelijk(soortig). Aan artikel 7 lid 1 Rv ontleent deze rechtbank derhalve geen rechtsmacht in de zaak van Brendora tegen VEB.

4.4.3.

Brendora doet voorts een beroep op artikel 9 sub c Rv. Uit dit artikel volgt dat rechtsmacht bestaat indien de zaak voldoende met de rechtssfeer van Nederland is verbonden en het onaanvaardbaar is van de eisende partij te vergen dat hij de zaak aan het oordeel van een rechter van een vreemde staat onderwerpt. Het begrip ‘onaanvaardbaar’ in de zin van dit artikel moet restrictief worden uitgelegd en heeft betrekking op gevallen waarin voor de eisende partij geen behoorlijke rechtsgang beschikbaar is in de vreemde staat. Toegespitst op de onderhavige zaak kan aan Brendora worden toegegeven dat de zaak tegen VEB verbonden is met de Nederlandse rechtssfeer nu het hier gaat om de eigendom van aandelen in een Nederlandse vennootschap. Gesteld noch gebleken is echter dat het onaanvaardbaar is van Brendora te vergen dat zij de zaak aan het oordeel van een rechter van een vreemde staat onderwerpt. Brendora stelt hierover immers slechts dat de onaanvaarbaarheid eruit voortvloeit dat het in de hoofdzaak gaat om de vraag of met de Levering een inbreuk is gemaakt op het Nederlands-rechtelijk gesloten systeem van zakelijke-zekerheidsechten en dat deze vraag naar Nederlands recht moet worden beantwoord, maar met deze stelling is nog niet gezegd dat voor Brendora geen behoorlijke rechtsgang openstaat bij de vreemde rechter (bijvoorbeeld - gelet op plaats van vestiging van VEB als gedaagde partij - de Russische rechter); dat die vreemde rechter mogelijk Nederlands (dwingend) recht moet toepassen, maakt dit niet anders. Artikel 9 sub c Rv geeft deze rechtbank derhalve geen rechtsmacht.

4.4.4.

De wet biedt geen ander aanknopingspunt voor rechtsmacht.

4.5.

De conclusie is dat de rechtbank zich op voornoemde twee zelfstandige gronden onbevoegd dient te verklaren in de zaak tegen VEB.

met betrekking tot partijen [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4]

4.6.

Het standpunt van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] dat ook voor de tegen hen ingestelde vorderingen geldt dat de Arbiter bevoegd is, wordt niet gevolgd. [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] zijn immers geen partij bij de SPA en dus ook niet bij de daarin opgenomen arbitrageovereenkomst.

4.7.

Overwogen wordt dat de rechtbank rechtsmacht heeft over de tegen MIG ingestelde vorderingen II en V (veroordeling van MIG om het aandeelhoudersregister bij te werken). Dit betekent dat de rechtbank op grond van het al eerdergenoemde artikel 7 lid 1 Rv óók rechtsmacht heeft over de tegen [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] gerichte vorderingen III en VI (veroordeling om mede te werken aan de bijwerking van het aandeelhoudersregister). Deze vorderingen zijn immers gericht op hetzelfde rechtsgevolg als de tegen MIG ingestelde vorderingen II en V, terwijl ze zijn gericht tegen de bestuurders van diezelfde vennootschap.

4.8.

Onder VII wordt gevorderd een verklaring voor recht dat de benoeming van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] als bestuurder van MIG non-existent c.q. nietig is. Het gaat hier dus om de geldigheid c.q. nietigheid van een besluit van een in Nederland gevestigde vennootschap. Voor dat geval regelt artikel 22 lid 2 EEX-Verordening dat de Nederlandse rechter bij uitsluiting bevoegd is, ook al hebben [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] geen woonplaats in Nederland of een andere EEX-lidstaat.

4.9.

Onder IX wordt gevorderd een verbod aan [gedaagde sub 3] aan [gedaagde sub 4] om - kort gezegd - zich als bestuurder te gedragen. De EEX-Verordening geeft voor deze vordering, die is gericht tegen in [woonplaats] wonende gedaagden, geen bevoegdheid aan de Nederlandse rechter en de volgens de Nederlandse wet geldende hoofdregel van artikel 2 Rv geeft de rechtbank geen rechtsmacht. De rechtbank ontleent voor vordering IX echter wel rechtsmacht aan artikel 7 lid 1 Rv, namelijk vanwege de samenhang met vordering VII. Het betreft hier immers vorderingen tegen dezelfde partijen en die dezelfde materie betreffen terwijl de Nederlandse rechter voor vordering VII bij uitsluiting bevoegd is.

4.10.

Onder X wordt gelasting tot het bijwerken van het handelsregister, MIG aangaande, gevorderd. Het gaat hier dus om de geldigheid van inschrijving in openbare registers. Voor dat geval regelt artikel 22 lid 3 EEX-Verordening dat de Nederlandse rechter bij uitsluiting bevoegd is.

4.11.

Op grond van de Nederlandse wet en de EEX-Verordening heeft de rechtbank derhalve rechtsmacht en is zij bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen tegen [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4].

Conclusie

4.12.

Het incidenteel gevorderde zal deels worden toegewezen, in die zin dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren om kennis te nemen van de vorderingen tegen VEB oftewel de vorderingen I en IV. Ten aanzien van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] wordt het gevorderde afgewezen.

4.13.

In de zaak van Brendora tegen VEB zal Brendora als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in het incident, aan de zijde van VEB begroot op € 904,00 aan salaris advocaat (2 punten, tarief II) tot heden, terwijl de na het vonnis te ontstane kosten worden begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, in geval van betekening nog te vermeerderen met € 68,00 en de kosten van betekening, een en ander nog te vermeerderen met wettelijke rente, een en ander uitvoerbaar bij voorraad, een en ander zoals nader uitgewerkt in de beslissing.

4.14.

In de zaak van Brendora tegen [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] zullen laatstgenoemden als de in het ongelijk gestelden worden veroordeeld in de kosten van het geding in het incident, aan de zijde van Brendora begroot op € 904,00 aan salaris advocaat (2 punten, tarief II), te voldoen binnen veertien dagen na vonniswijzing, deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, een en ander conform de vordering daartoe van Brendora.

in de hoofdzaak

4.15.

Op grond van de beoordeling in het incident zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren om kennis te nemen van de vorderingen tegen VEB oftewel de vorderingen I en IV. Het geding tussen Brendora en VEB neemt daarmee een einde. Brendora zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in de hoofdzaak, aan de zijde van VEB tot heden begroot op € 608,00 aan griffierecht. De door VEB gevorderde wettelijke rente en nakosten zullen, zoals gevorderd, ook worden toegewezen met betrekking tot de kostenveroordeling in de hoofdzaak, zoals nader uitgewerkt in de beslissing.

4.16.

De zaak zal ten aanzien van MIG, [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] in afwachting van de beslissing omtrent de geldigheid van de Levering naar de parkeerrol worden verwezen voor akte aan de zijde van Brendora, waarin zij gemotiveerd te kennen kan geven in hoeverre zij nog een beslissing verlangt, dan wel voor royement.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident en in de hoofdzaak

5.1.

verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de tegen VEB gerichte vorderingen, namelijk de vorderingen sub I en IV,

5.2.

veroordeelt Brendora in de aan de zijde van VEB gevallen kosten van het incident en van de hoofdzaak, aan de zijde van VEB begroot op € 1.512,00 tot heden, terwijl de na het vonnis te ontstane kosten worden begroot op € 131,00, welk bedrag nog moet worden vermeerderd met € 68,00 en met de kosten van betekening indien het vonnis is moeten worden betekend nadat Brendora niet binnen veertien dagen vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan na daartoe te zijn aangeschreven, voormelde bedragen van € 1.512,00 en € 131,00 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na vonniswijzing tot de dag der algehele voldoening, voormeld bedrag van € 68,00 alsmede de kosten van betekening te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening tot de dag der algehele voldoening,

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in het incident voorts

5.4.

wijst het door [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] gevorderde af,

5.5.

veroordeelt [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] in de kosten van het geding, aan de zijde van Brendora begroot op € 904,00 tot heden, te voldoen binnen veertien dagen na vonniswijzing,

5.6.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorrraad,

in de hoofdzaak voorts

5.7.

verwijst de zaak ten aanzien van MIG, [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] naar de parkeerrol van woensdag 1 april 2015 voor akte aan de zijde van Brendora tot het hiervoor onder 4.16. vermelde doel, dan wel royement,

5.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.K. van der Valk Bouman, rechter, bijgestaan door mr. B. van Bremen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2014.

type: BvB

coll: