Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:8023

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-11-2014
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
13-676703-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk.

Verdachte heeft in een pand een hennepplantage bestaande uit 195 hennepplanten gehouden en hiermee hennep geteeld. Ook is sprake geweest van in ieder geval twee eerdere oogsten. Verdachte heeft hierdoor een bijdrage aan de handel in en verspreiding van voor de gezondheid schadelijke softdrugs en aan de daarmee gepaarde gaande vermogens- en andere (zware) criminaliteit geleverd. Daarnaast heeft verdachte ten behoeve van de hennepplantage gedurende een aantal maanden illegaal stroom afgetapt, hetgeen niet alleen naar de ervaring leert groot brandgevaar oplevert, maar waardoor hij ook de energiemaatschappij Liander N.V. heeft benadeeld. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij deze strafbare feiten heeft gepleegd ten behoeve van eigen geldelijk gewin en daarbij de kwalijke gevolgen van zijn handelen voor lief heeft genomen. Dit geldt te meer nu verdachte sinds 2006 een uitkering van de Staat geniet, terwijl hij op andere (illegale) manieren geld heeft verdiend. Dit is ook gebleken uit het feit dat verdachte grote geldbedragen in Turkije wegzet. Hij heeft zich hierdoor schuldig gemaakt aan het witwassen van vier grote geldbedragen, door deze in contanten op zijn eigen Turkse bankrekening te storten. Witwassen van uit misdrijf afkomstige gelden vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Bovendien heeft het in omloop zijn van witgewassen geldbedragen een sterk corrumperende werking en faciliteert dit veelal ander strafbaar handelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/676703-11 (Promis)

Datum uitspraak: 27 november 2014

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres 1, te plaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 november 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.A.M. Brok en van wat verdachte en zijn raadsman mr. R.P. van der Graaf naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging - tenlastegelegd dat

ten aanzien van feit 1:

hij op of omstreeks 15 maart 2011 en/of op of omstreeks 25 augustus 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk heeft geteeld en of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2] en/of de [adres 3]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 35,2 gram (gedroogde) hennep(toppen) en/of 571 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen

daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die Wet;

Artikel 3 juncto artikel 11 lid 3 Opiumwet

ten aanzien van feit 2:

hij op een of meer tijdstippen in op of omstreeks de periode van 23 november 2009 tot en met 6 december 2012 te Amsterdam en/of Haarlem, in elk geval in Nederland, en/of Turkije, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans (meermalen) heeft witgewassen, immers heeft hij (van) een of meer voorwerpen, te weten een of meer geldbedrag(en) van Eur en/of TL 5.663,85 en/of Eur 31.000.- en/of Eur 800.000.- en/of Eur 21.883,78, in elk geval een of meer geldbedrag(en) en/of een of meer horloges (onder andere merk Breitling en/of Bulgari) (telkens):

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op die/dat voorwerp(en) was of wie die/dat voorwerp(en) voorhanden had en/of

- verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans van voornoemd(e) voorwerp(en) gebruik gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Artikel 420 bis, 420ter, 420quater Wetboek van Strafrecht

ten aanzien van feit 3:

hij op of omstreeks 06 december 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool (7.65 mm Browning), en/of munitie van categorie III, te weten 8, in elk geval een of meer, patro(o)n(en) (7.65 mm Browning volmantelrondneus), voorhanden heeft gehad;

Artikel 26 Wet Wapens en Munitie

ten aanzien van feit 4:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2010 tot en met 25 augustus 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een of meer bedrijfspand(en) (perceel [adres 3] en/of [adres 2]) heeft weggenomen 43.428 kWh en/of 42.410 kWh, in elk geval een hoeveelheid (kWh) electriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door braak op en/of verbreking van het/de zegel(s) van de hoofdaansluitkast en/of door aan de bovenzijde van de zekeringhouder(s) een (illegale) (electriciteits)aansluiting te (laten) maken en/of genoemde aansluiting buiten de electriciteitsmeter om te laten lopen.

Artikel 311 Wetboek van Strafrecht

3 Voorvragen

3.1

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 2

De verdediging heeft betoogd dat Nederland op grond van artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht geen rechtsmacht heeft en dat om die reden het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard ten aanzien van de beschuldiging van het (gewoonte)witwassen. De vier losse en afgeronde stortingen zijn immers gedaan in Turkije en hebben geen enkele link met witwashandelingen in Nederland en daarmee is het witwassen in de onderhavige zaak geen voortdurend delict. De Nederlandse strafwet is in dat geval niet van toepassing in Turkije.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat Nederland wel rechtsmacht heeft en het Openbaar Ministerie derhalve ontvankelijk is in de vervolging. De stortingshandelingen in Turkije moeten immers worden gezien als een onderdeel van een groter geheel dat deels in Turkije en deels in Nederland is gepleegd. Verdachte is woonachtig in Nederland, verdient hier geld met criminele activiteiten, brengt dat geld vervolgens naar Turkije en stort het daar contant op een rekening. Daarnaast heeft Nederland op grond van artikel 7 lid 1 (oud artikel 5 lid 1 sub 2) van het Wetboek van Strafrecht originaire rechtsmacht indien het feit uitsluitend in Turkije is gepleegd. Verdachte bezit immers naast de Turkse ook de Nederlandse nationaliteit en het delict ‘witwassen’ is ook in Turkije strafbaar gesteld.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe het volgende. Uit een uitdraai van de politiesystemen blijkt dat verdachte zowel de Turkse als de Nederlandse nationaliteit heeft, wat betekent dat verdachte ook Nederlander is. Ingevolge artikel 5 lid 1 sub 2 (oud) van het Wetboek van Strafrecht is de Nederlandse strafwet toepasselijk op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit hetwelk door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het is begaan, straf is gesteld. Nu op grond van de Turkish criminal code onder de noemer laundering of assets acquired as a result of offence witwassen ten tijde van de tenlastegelegde feiten strafbaar was gesteld in Turkije, is de rechtbank van oordeel dat Nederland rechtsmacht heeft.

De officier van justitie is derhalve ontvankelijk in haar vervolging.

3.2.

Verder is de dagvaarding geldig, is deze rechtbank bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en zijn er geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

Op 15 maart 2011 ontstond bij verbalisanten het vermoeden dat er was ingebroken in het pand gelegen aan de [adres 2] te Amsterdam nu het onderste deel van de toegangsdeur van voornoemd pand kapot was. Hierop traden de verbalisanten binnen en troffen vervolgens een hennepplantage aan. Daarnaast werd geconstateerd dat de zegels in de meterkast waren verbroken.

In juni 2011 kwamen er regelmatig klachten binnen van passanten over een henneplucht ter hoogte van de [adres 3] te Amsterdam. Deze lucht werd ook door verbalisanten geroken. Bovendien kwamen er opmerkingen binnen over een opvallend bezoekersbeeld nu een persoon het pand bijna dagelijks bezocht en op 25 augustus 2011 klaagde een ondernemer van de [adres 4] over zeer warme muren. Op grond van voornoemde indicaties, bestond het vermoeden dat in [adres 3] een hennepkwekerij aanwezig was en werd het pand binnengetreden. Op de benedenverdieping werd een hennepplantage aangetroffen. Liander stelde vast dat ten behoeve van de hennepplantage elektriciteit buiten de meter was omgeleid zodat kosteloos elektriciteit kon worden gebruikt.

Uit observaties en overig onderzoek kwam naar voren dat verdachte mogelijk betrokken zou zijn bij beide hennepplantages. Hierom is hij op 6 december 2011 aangehouden in zijn woning aan de [adres 1, te plaats]. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte weet had van beide hennepplantages en deze heeft geëxploiteerd en of hij ten behoeve van deze plantages elektriciteit heeft gestolen.

Bij de doorzoeking in de woning aan de [adres 1] werd een geladen vuurwapen aangetroffen wat maakt dat verdachte thans mede wordt vervolgd voor wapenbezit. Verdachte heeft hieromtrent een bekennende verklaring afgelegd. Daarnaast zijn er die dag stortingsbewijzen in de woning gevonden van grote contante geldbedragen, gedaan bij een Turkse bank, onder andere op een Turkse bankrekening op naam van verdachte. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen nu hij in die periode, anders dan een uitkering, geen legale inkomsten had.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Onder verwijzing naar het schriftelijk requisitoir heeft de officier van justitie samengevat naar voren gebracht dat feit 1, te weten de hennepteelt op zowel het adres [adres 3] als op het adres [adres 2], en daarmee ook feit 4, de diefstal van elektriciteit, kunnen worden bewezen.

Voorts kan ook feit 2 worden bewezen. Verdachte heeft geen andere bron van inkomsten dan een uitkering van € 900,- per maand. Tegelijkertijd zet hij enorme geldbedragen weg op Turkse bankrekeningen. Hiervoor geeft hij geen verifieerbare verklaring en ook de ter zitting overgelegde stukken kunnen niet als zodanig worden beschouwd. Deze stukken zijn immers niet gedateerd en geven geen informatie over onder andere het vermeende bouwproject waarvoor verdachte van ene [persoon 1] (hierna: [persoon 1]) € 800.000,- in contanten ontving, over afspraken omtrent de terugbetaling en de verschuldigde rente. Dat [Holding A] een bank zou zijn blijkt ook niet. Als hierover concrete vragen aan verdachte worden gesteld, blijven de antwoorden uit. Zo blijft het onduidelijk waarom verdachte vanuit Nederland naar Turkije moest reizen om het geld van [persoon 1] cash in ontvangst te nemen om dit vervolgens aldaar op zijn eigen rekening te storten. Dit had immers ook kunnen worden overgemaakt. Ook blijft onduidelijk waarom een bank een lening in contanten zou hebben verstrekt. Verdachte kan daarnaast onder meer niet uitleggen hoe het kan dat een geldbedrag op 24 november 2009 aan hem is geleend, terwijl hij dit op 23 november 2009 al op zijn Turkse bankrekening had gestort. Verdachte dient te worden vrijgesproken van het witwassen van de horloges nu uit een taxatie is gebleken dat dit imitaties betroffen.

Tot slot kan ook feit 3 worden bewezen. Het wapen met bijbehorende munitie is tijdens een doorzoeking in de slaapkamer van verdachte inbeslaggenomen. Verdachte heeft bekend dat het wapen van hem is.

4.3

Het standpunt van de verdediging

Onder verwijzing naar de pleitnota heeft de raadsman samengevat naar voren gebracht dat feit 1, te weten de hennepteelt op zowel het adres [adres 3] als op het adres [adres 2], en daarmee ook feit 4, niet kunnen worden bewezen. Er zijn wellicht verdenkingen die richting verdachte wijzen, maar dat is allemaal aan te wijzen als circumstantial evidence. Er valt op indirecte wijze, met veel omwegen, een link te leggen tussen verdachte en de [adres 3], maar daar is alles mee gezegd. De bewijsmiddelen in het dossier zijn niet overtuigend waardoor verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1 ten aanzien van de [adres 3]. Dit geldt ook voor de [adres 2] nu de omstandigheden die in het dossier worden geschetst niets zeggen over de betrokkenheid van verdachte bij de aangetroffen hennepkwekerij.

Verdachte dient voorts te worden vrijgesproken van het witwassen van een viertal geldbedragen zoals onder feit 2 tenlastegelegd. Verdachte geeft een verklaring voor de aanwezigheid en stortingen van de geldbedragen. Deze verklaring is niet volstrekt ongeloofwaardig en wordt bovendien ondersteund door de bescheiden die ter zitting zijn overgelegd. Hier doet zich dan ook niet de situatie voor dat het niet anders kan dan dat de gelden uit enig misdrijf afkomstig moeten zijn. Mocht ervan uit worden gegaan dat de bedragen uit eigen misdrijf afkomstig zijn dan dienen de handelingen van verdachte meer te omvatten dan het enkel voorhanden hebben van deze bedragen. Door het storten van geldbedragen op een bankrekening in Turkije worden deze bedragen inzichtelijk waardoor niet kan worden gesproken van verbergen of verhullen. Daarnaast dient verdachte ook te worden vrijgesproken van het witwassen van de horloges nu uit het dossier niet volgt dat deze horloges een relevante waarde vertegenwoordigen. Mocht het witwassen wel bewezen worden verklaard dan dient verdachte te worden vrijgesproken van het strafverzwarende onderdeel “gewoonte maken” nu geen sprake is van een patroon, een veelheid dan wel herhaaldelijk plegen van het misdrijf witwassen.

Ten aanzien van feit 3 refereert de verdediging zich wat betreft de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1

Vrijspraken

[adres 2] ten aanzien van de feiten 1 en 4

De enige aanwijzingen in het dossier van betrokkenheid van verdachte bij deze hennepplantage zijn de volgende. Sinds 2009 is [persoon 2] de eigenaar van het pand aan de [adres 2] te Amsterdam. [persoon 2] kreeg het pand niet verhuurd en werd daarom door de hem bekende verdachte benaderd want hij wist wel iemand. Verdachte bracht [persoon 2] hierop in contact met [persoon 3] die het pand vervolgens heeft gehuurd. Verdachte regelde hiervoor het papierwerk op de [adres 5] te Amsterdam. [persoon 3] hield kantoor op de [adres 6] te Amsterdam. Tijdens de doorzoeking in de woning aan de [adres 2] zou een legitimatiebewijs zijn gevonden op naam van [persoon 4], hoewel onduidelijk is gebleven waar dit aangetroffen is en onvoldoende is gebleken dat er een verband is met bedoelde huurovereenkomst. [persoon 4] is door de politie verhoord en heeft verklaard dat hij voor verdachte heeft gewerkt aan de [adres 6]. Hij moest als chauffeur mensen op verschillende adressen afzetten. Ook geeft hij aan dat het zou kunnen dat verdachte een kopie van zijn legitimatiebewijs heeft achtergelaten in het pand want verdachte had daarvan een kopie. Tot slot geeft hij aan dat het best zou kunnen dat verdachte zich bezighield met hennepplantages.

De rechtbank acht echter al deze omstandigheden bij elkaar genomen onvoldoende om daaruit af te leiden dat verdachte zodanige betrokkenheid bij deze hennepplantage heeft gehad dat hij daarvoor strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden. Gelet daarop wordt verdachte vrijgesproken van de exploitatie van deze hennepplantage en met de in dat verband tenlastegelegde diefstal van elektriciteit.

Witwassen horloges ten aanzien van feit 2

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het witwassen van de horloges nu is gebleken dat het om imitaties ging die geen enkele waarde vertegenwoordigden.

4.4.2

Bewezenverklaringen

[adres 3], ten aanzien van de feiten 1 en 4

Op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage I zijn vervat is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het telen, en daarmee aanwezig hebben, van een hennepplantage in het pand aan de [adres 3] te Amsterdam en dat hij ten behoeve hiervan elektra heeft afgetapt.

Op 25 augustus 2011 wordt in het pand gelegen aan de [adres 3] te Amsterdam een hennepplantage aangetroffen, onder meer bestaande uit 195 planten en 35,2 gram gedroogde plantendelen. Bij de ontmanteling wordt gezien dat bij [adres 4] twee camera’s zijn geplaatst die zicht hebben op de oprit van [adres 3]. Op de beelden is te zien dat in de weken voor 25 augustus 2011 regelmatig (ongeveer zes keer) een Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken] en met een logo op de zijkant van de auto, zeggende [naam 1], bij [adres 3] parkeert. Er wordt gezien dat iedere keer dezelfde persoon uit voornoemde auto stapt en vervolgens het [adres 3] met de sleutel betreedt. Soms komt deze persoon met vuilniszakken naar buiten. De politie geeft aan dat de persoon gelijkenis vertoont met verdachte. Verdachte verklaart bij de politie dat hij sinds april 2011 in de Volkswagen Caddy met voornoemd kenteken rijdt en dat alleen hij daarin rijdt. Gelet op deze verklaring en hetgeen op de camerabeelden is te zien, is de verklaring die verdachte ter zitting heeft afgelegd, inhoudende dat meerdere - door verdachte ook desgevraagd niet nader genoemde - mensen in deze auto reden, niet aannemelijk. Zowel bij de politie als ter zitting geeft verdachte aan dat hij een aantal keer in het pand gelegen aan de [adres 3] is geweest. Wat hij daar deed licht verdachte niet afdoende toe.

Op 28 september 2011 heeft een aanvullende zoeking plaatsgevonden op de [adres 3]. Tijdens deze zoeking werden diverse poststukken aangetroffen onder meer gericht aan[bedrijf 1] gevestigd aan het adres [adres 6] te Amsterdam en [bedrijf 2] gevestigd aan het adres [adres 5] te Amsterdam. Tijdens diverse observaties van de politie is waargenomen dat eerder genoemde Volkswagen Caddy geparkeerd stond bij het pand gevestigd aan de [adres 5], dat verdachte daar aanwezig was, dat hij het pand opende met een sleutel en dat hij daar kennelijk werkzaam was achter een computerscherm. Daarnaast is verdachte tijdens observaties vaak gezien bij het adres [adres 6] te Amsterdam, waar hij de post ophaalde. Verdachtes gegevens vormen het zogenaamde waarschuwingsadres voor dit pand en bij de doorzoeking in het pand aan de [adres 1, te plaats], het toenmalige verblijfadres van verdachte, werd een visitekaartje aangetroffen met daarop de volgende tekst: Manager [verdachte] [adres 6]. Ter zitting geeft verdachte aan dat het kan kloppen dat hij bij beide panden is gezien nu deze panden naast elkaar zijn gelegen en hij daar regelmatig post ophaalde. In 2005 en 2006 is hij daar volgens zijn eigen verklaring werkzaam geweest.

De huur en de stroom van het pand aan de [adres 3] werden op 27 mei 2011 en 2 en 3 augustus 2011 betaald door [Uitzendbureau A] gevestigd aan het adres [adres 6], met het rekeningnummer [rekeningnummer 1]. Dit rekeningnummer is in 2006 geopend door [persoon 5], thans geëmigreerd naar België. Voornoemd ING-pasje is op 6 december 2011 tijdens een doorzoeking in de [adres 1, te plaats], het toenmalige verblijfadres van verdachte, aangetroffen in een portemonnee die in een blouse van verdachte zat en op zijn slaapkamer werd aangetroffen. Bij de politie geeft verdachte aan dat hij geld pakte van voornoemde rekening zodra er geld op stond. Dit wordt op de zitting in andere woorden door verdachte bevestigd, namelijk dat hij het betaalpasje in zijn bezit had en dat hij er met toestemming van en in opdracht van [persoon 5] geld mee opnam. Dit laatste is echter niet aannemelijk nu [persoon 5] in de veronderstelling verkeerde dat de rekening niet meer op zijn naam stond en verdachte ook overigens niet heeft toegelicht op grond waarvan hij, na kennelijke beëindiging van zijn dienstverband met [Uitzendbureau A] in 2006, in 2011 nog geld zou mogen opnemen van de betreffende rekening van [Uitzendbureau A].

Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat verdachte op allerlei manieren is verbonden aan de [adres 3].

Op 6 december 2011 is onderzoek gedaan in de kelderbox behorende bij de woning gelegen aan de [adres 7] te Haarlem, het adres waar verdachte toen stond ingeschreven. In deze box zijn goederen aangetroffen – onder meer plantenbakken, droogrekken, groepenkasten, koolstoffilters, lampenkappen en voorschakelapparaten - waarmee een hennepplantage zou kunnen worden opgezet. Ter zitting verklaart verdachte dat ook andere mensen, niet bij naam genoemd, in zijn box kwamen om daar spullen op te slaan. Dit is niet aannemelijk gezien zijn eerdere verklaring bij de politie inhoudende dat hij de enige was die van de kelderbox gebruik maakte. Ook is de Volkswagen Caddy doorzocht waarbij onderdelen van een afzuiginstallatie zijn aangetroffen, alsmede zekeringen, een elektriciteitssnoer en een stoppenkast. Materialen die geschikt zijn voor het omleggen van elektriciteit.

Op grond van al het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte de persoon is die de hennepplantage aan de [adres 3] exploiteerde. De rechtbank acht niet aannemelijk dat verdachte, zoals hij zelf stelt, niet wist van het bestaan van de hennepplantage en überhaupt niets met hennep te maken heeft. Dit geldt te meer nu is gebleken dat verdachte op 22 juli 2011 heeft getelefoneerd met een growshop, zijnde een leverancier voor kweekbenodigdheden.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat het voor het bestaan van een hennepplantage noodzakelijk is dat er gebruik wordt gemaakt van (grote hoeveelheden) elektriciteit. Om die reden, in samenhang met de feitelijke toestand waarin de elektriciteitskast werd aangetroffen, kan de tenlastegelegde diefstal van elektriciteit (feit 4) worden bewezen. Te meer nu, zoals opgemerkt, in de auto waarin verdachte reed materialen zijn aangetroffen die geschikt zijn voor het omleggen van elektriciteit.

Ten aanzien van feit 2

Voorts is de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage I zijn vervat van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen.

Verdachte heeft in de tenlastegelegde periode geen legaal inkomen gehad, buiten een uitkering van ongeveer € 900,- per maand. Dit wordt door verdachte bevestigd en bovendien verklaart hij desgevraagd dat hij sinds 2006, nadat zijn bedrijf failliet was gegaan, niet meer heeft gewerkt. Er zijn echter tijdens de doorzoeking in de woning aan de [adres 1, te plaats] vier stortingsbewijzen gevonden van de AKbank in Turkije. Het gaat om de volgende geldbedragen: € 800.000,-, € 5.633,84, € 31.000,- en € 21.883,78. Verdachte bekent dat hij deze bedragen in contanten heeft ontvangen en in Turkije op zijn rekening heeft gestort. Dusdanig grote geldbedragen vragen in het licht van de omstandigheden om een verifieerbare en aannemelijke verklaring van verdachte.

€ 800.000,-

Hoewel verdachte een verklaring heeft afgelegd die wordt ondersteund door een ter zitting overgelegd schriftelijk stuk, te weten een verklaring van [persoon 1] waarin hij aangeeft dat hij in 2010 € 800.000,- aan verdachte heeft gegeven voor een gezamenlijk bouwproject en dat hij dat bedrag ook in 2010 weer van verdachte heeft teruggekregen, acht de rechtbank deze verklaring ongeloofwaardig. Los van het feit dat dit schriftelijk stuk drie jaar na zijn aanhouding en dus betrekkelijk laat in het geding is gebracht, betreft het gebrekkige documentatie. Het schriftelijk bescheid is immers niet gedateerd en het laat veel vragen onbeantwoord. Zo wilde verdachte naar eigen zeggen een bouwproject opstarten samen met een ander, genaamd [persoon 1]. Verdachte heeft deze plannen echter op geen enkele wijze kunnen onderbouwen.

Om er zeker van te zijn dat [persoon 1] beschikte over voldoende financiële middelen om hieraan deel te nemen, vroeg verdachte aan [persoon 1] een borgstelling, die hierin bestond dat [persoon 1] hem € 800.000,- in contanten gaf, aldus verdachte. Om dit in ontvangst te nemen moest verdachte vanuit Nederland naar Turkije reizen, want daar woonde [persoon 1]. Verdachte is vervolgens met dit grote bedrag aan contanten over straat naar de AKbank gegaan. Het is de rechtbank onduidelijk gebleven waarom er is gehandeld zoals er is gehandeld. Waarom kon het bedrag bijvoorbeeld niet worden overgemaakt, wat een stuk makkelijker zou zijn geweest. Hoe kan er voorts van een borgstelling worden gesproken als het bedrag zonder enige zekerheid volledig in de macht van verdachte wordt gebracht? Verdachte heeft dit bedrag immers op zijn Turkse – naar eigen zeggen - geblokkeerde privé rekening gestort. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat dit betekende dat hij de enige was die het geldbedrag op de rekening kon zetten en er weer af kon halen. Op deze punten ter zitting gestelde vragen aan verdachte leveren geen concrete antwoorden op.

Drie maanden na de storting zou verdachte naar eigen zeggen het geldbedrag hebben terugbetaald, zonder dat het bouwproject enige vorm had gekregen. Van een voorafgaande opname dan wel van een overschrijving van deze terugbetaling kan verdachte geen bewijs overleggen.

Overige geldbedragen

Ook ten aanzien van deze geldbedragen geldt dat verdachte ter zitting een verklaring heeft afgelegd die wordt ondersteund door een overgelegd schriftelijk stuk, te weten een verklaring van [Holding A] waaruit zou blijken dat verdachte € 5.633,84, € 31.000,- en

€ 21.883,78 van [Holding A] heeft geleend en deze bedragen ook weer aan [Holding A] heeft terugbetaald. Ook deze verklaring acht de rechtbank ongeloofwaardig. Los van het feit dat ook dit schriftelijk stuk drie jaar na de aanhouding van verdachte en dus betrekkelijk laat in het geding is gebracht, betreft het ook hier gebrekkige documentatie. Het schriftelijk bescheid is niet gedateerd en geeft geen antwoord op de vraag waarom de leningen zijn verstrekt. Ter zitting gestelde vragen aan verdachte daarover leveren geen concreet antwoord op. Bovendien blijkt nergens uit dat [Holding A] een bank is, zoals verdachte beweert, en als dit al zo is, is niet aannemelijk dat een bank een lening in contanten zonder onderliggend contract zou verstrekken. Bovendien legt verdachte een wisselende en aantoonbaar onjuiste verklaring af met betrekking tot het geldbedrag van € 31.000,-. Zo verklaarde verdachte bij de politie dat dit geldbedrag tot de erfenis van zijn moeder behoorde terwijl het nu – zo blijkt uit de schriftelijke verklaring – om een lening zou gaan. Daarnaast zou verdachte volgens de verklaring van [Holding A] voornoemd geldbedrag op 24 november 2009 hebben geleend, terwijl verdachte dit bedrag volgens het stortingsbewijs al op 23 november 2009 op zijn rekening had gestort.

Tot slot is er geen bewijs, anders dan de verklaring van [Holding A] waarin staat dat verdachte ‘na een tijdje’ heeft terugbetaald, waaruit blijkt dat verdachte de geldbedragen daadwerkelijk heeft terugbetaald.

Conclusie

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de verklaring van verdachte omtrent de herkomst van alle geldbedragen onvoldoende concreet, niet verifieerbaar en op voorhand als onwaarschijnlijk is aan te merken. Nu aldus een aannemelijke en geloofwaardige verklaring van verdachte omtrent de herkomst van alle geldbedragen is uitgebleven, terwijl sprake is van (deels zeer) grote geldbedragen die verdachte contant voorhanden heeft gehad en over straat vervoerde, komt de rechtbank tot het oordeel dat het niet anders kan dan dat deze geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Er kan immers geen direct verband worden gelegd tussen de geldbedragen en de betrokkenheid van verdachte bij de hennepplantage aan de [adres 3] nu de geldbedragen zijn gestort ruim vóórdat deze hennepplantage werd aangetroffen.

Nu verdachte gedurende een langere tijd meerdere transacties als voor omschreven heeft uitgevoerd is er naar het oordeel sprake van gewoontewitwassen.

Ten aanzien van feit 3

Op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage I zijn vervat is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte een wapen met daarbij behorende munitie voorhanden heeft gehad.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage I vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

op of omstreeks 25 augustus 2011 te Amsterdam, opzettelijk heeft geteeld en opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [adres 3] een hoeveelheid van 35,2 gram gedroogde hennep en 195 hennepplanten;

ten aanzien van feit 2:

op tijdstippen in de periode van 23 november 2009 tot en met 6 december 2011 in Nederland en Turkije, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij geldbedragen van Eur 5.663,85, Eur 31.000.-, Eur 800.000.- en Eur 21.883,78, telkens voorhanden gehad en omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

ten aanzien van feit 3:

op 6 december 2011 te Amsterdam, een wapen van categorie III, te weten een pistool, 7.65 mm Browning, en munitie van categorie III, te weten 8 patronen, 7.65 mm Browning volmantelrondneus, voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van feit 4:

in de periode van maart 2011 tot en met 25 augustus 2011 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand, perceel [adres 3], heeft weggenomen 43.428 kWh elektriciteit, toebehorende aan Liander N.V., waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door verbreking van de zegels van de hoofdaansluitkast en door aan de bovenzijde van de zekeringhouders een illegale elektriciteitsaansluiting te laten maken en genoemde aansluiting buiten de elektriciteitsmeter om te laten lopen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en de maatregel

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen.

De inbeslaggenomen horloges onder de punten 1 tot en met 4 op de beslaglijst dienen te worden geretourneerd aan verdachte. Dit geldt ook voor de nummers 6, één van de bankpassen onder 7 en nummer 8 op de beslaglijst. De overige bankpassen onder nummer 7 op de beslaglijst dienen te worden geretourneerd aan de rechthebbende, net als hetgeen onder nummer 5 is inbeslaggenomen. De gelden onder de nummers 9 tot en met 16 dienen te worden verbeurdverklaard en op de gelden onder de nummers 17 tot en met 21 is conservatoir beslag gelegd waardoor daarop niet kan worden beslist.

Bij het formuleren van de strafeis heeft de officier van justitie niet alleen rekening gehouden met de ernst van de feiten, maar ook met het feit dat verdachte leefde van een uitkering van de Staat terwijl hij ondertussen op andere manieren geld verdiende en grote geldbedragen naar Turkije sluisde. In strafmatigende zin heeft de officier van justitie rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn, dat verdachte een first offender is en reeds zes maanden in voorarrest heeft doorgebracht.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht bij de strafmaat rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.

De vordering van de benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard nu ten aanzien van feit 4 vrijspraak is bepleit. Subsidiair dient de vordering te worden gematigd omdat de tenlastegelegde periode ten aanzien van feit 4 niet overeenkomt met de tenlastegelegde periode ten aanzien van feit 1.

Alle inbeslaggenomen goederen dienen te worden geretourneerd aan verdachte.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft in een pand aan de [adres 3] gedurende een bepaalde periode een hennepplantage gehouden en hennep geteeld. Op 25 augustus 2011 zijn 195 hennepplanten aangetroffen. Ook is er sprake geweest van in ieder geval twee eerdere oogsten. Verdachte heeft hierdoor een bijdrage aan de handel in en verspreiding van voor de gezondheid schadelijke softdrugs en aan de daarmee gepaarde gaande vermogens- en andere (zware) criminaliteit geleverd. Daarnaast heeft verdachte ten behoeve van de hennepplantage gedurende een aantal maanden illegaal stroom afgetapt, hetgeen niet alleen naar de ervaring leert groot brandgevaar oplevert, maar waardoor hij ook de energiemaatschappij Liander N.V. heeft benadeeld. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij deze strafbare feiten heeft gepleegd ten behoeve van eigen geldelijk gewin en daarbij de kwalijke gevolgen van zijn handelen voor lief heeft genomen. Dit geldt te meer nu verdachte sinds 2006 een uitkering van de Staat geniet, terwijl hij op andere (illegale) manieren geld heeft verdiend. Dit is ook gebleken uit het feit dat verdachte grote geldbedragen in Turkije wegzet. Hij heeft zich hierdoor schuldig gemaakt aan het witwassen van vier grote geldbedragen, door deze in contanten op zijn eigen Turkse bankrekening te storten. Witwassen van uit misdrijf afkomstige gelden vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Bovendien heeft het in omloop zijn van witgewassen geldbedragen een sterk corrumperende werking en faciliteert dit veelal ander strafbaar handelen.

Tot slot heeft verdachte een vuurwapen voorhanden gehad. Het onbevoegd voorhanden hebben van een vuurwapen is maatschappelijk onaanvaardbaar vanwege de grote dreiging die daarvan uitgaat voor de veiligheid van anderen. In dit geval heeft verdachte niet alleen een vuurwapen voorhanden gehad, maar was het vuurwapen bovendien geladen met munitie, wat een extra risico met zich heeft gebracht.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 22 oktober 2014, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank houdt in strafmatigende zin rekening met de omstandigheid dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, waarbinnen de berechting dient plaats te vinden, is overschreden. De rechtbank zal ter compensatie van deze overschrijding van de redelijke termijn een gedeelte van de straf in voorwaardelijke vorm opleggen.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de geldende oriëntatiepunten van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) voor dergelijke feiten. Een straf van na te noemen duur is, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden en gelet op de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, op zijn plaats.

Beslag

Onder verdachte zijn volgende voorwerpen in beslag genomen:

1. Horloge (2x) (4193176)

2. Horloge BULGARI (4193181)

3. Horloge BREITLING (4193182)

4. Horloge BREITLING (4193183)

5. Creditcard 5890044211500269 (4193319)

6. Bankbescheiden SNS BANK (4193337)

7. Bankbescheiden (5 stuks) (4193190)

8. Portemonnee (4193187)

9. Vorderingen, deposito rekening [nummer 1] (Balgat/Ankara)

10. Vorderingen, depositorekening [nummer 2] (Karabaglar/Izmir)

11. Vorderingen, depositorekening [nummer 3] (Ovecler) [verdachte]

12. Vorderingen, depositorekening [nummer 4] (Sorgun) [verdachte]

13. Vorderingen, depositorekening [nummer 5] (Sorgun) [verdachte]

14. Vorderingen, depositorekening [nummer 6] (Sorgun) [persoon 6]

15. Vorderingen, depositorekening [nummer 7] (Sorgun) [persoon 6]

16. Vorderingen, depositorekening [nummer 8] (Sorgun) [persoon 7]

17. Geld Euro (4193194)

18. Geld Euro (4193198)

19. Geld Euro (4193188)

20. Geld buitenlands (4200291) (3x100/1x20/1x10/1x5)

21. Geld buitenlands (4193193) (1x100/5x20/1x10/1x5)

Teruggave aan verdachte

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten de horloges (1 tot en met 4), de bankbescheiden (nummer 6), het bankbescheid van verdachte (nummer 7) en de portemonnee (nummer 8) worden teruggegeven aan verdachte.

Teruggave aan de rechthebbende

De rechtbank zal de teruggave van de volgende voorwerpen aan de rechthebbende bevelen: de creditcard (nummer 5) en de bankbescheiden, met uitzondering van het bankbescheid van verdachte (nummer 7).

Verbeurdverklaring

De gelden onder de nummers 9 tot en met 16 op de beslaglijst behoren aan verdachte toe. Nu deze gelden door middel van enig misdrijf zijn verkregen, worden deze gelden verbeurdverklaard.

Conservatoir beslag

Op de gelden onder de nummers 17 tot en met 21 op de beslaglijst is conservatoir beslag gelegd. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat zij daarom geen beslissing kan nemen ten aanzien van deze voorwerpen.

Ten aanzien van de benadeelde partij Liander en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat slechts de behandeling van een deel van de vordering van Liander N.V. ontvankelijk is. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder feit 4 bewezen geachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert dit deel op € 6.670,34 (zesduizendzeshonderdzeventig euro en vierendertig cent). Dit betreft materiele schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het restant van de vordering wordt niet-ontvankelijk verklaard nu aan verdachte ten aanzien van de aangetroffen hennepkwekerij op het adres [adres 2] - zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht - geen straf of maatregel is opgelegd. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal in het belang van Liander N.V., als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opleggen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en de maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 57, 311 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B en C, van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 2:

gewoontewitwassen;

ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

ten aanzien van feit 4:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 (twintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 5 (vijf) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Gelast de teruggave aan verdachte van: de horloges (1 tot en met 4), de bankbescheiden (nummer 6), het bankbescheid van verdachte (nummer 7) en de portemonnee (nummer 8).

Gelast de teruggave aan de rechthebbende van: de creditcard (nummer 5) en de bankbescheiden, met uitzondering van het bankbescheid van verdachte (nummer 7).

Verklaart verbeurd de gelden onder de nummers 9 tot en met 16 van de beslaglijst.

Wijst de vordering van Liander N.V, postbus 1101, 8200 BC Lelystad, toe tot

€ 6.670,34 (zesduizendzeshonderdzeventig euro en vierendertig cent). Dit betreft materiële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan Liander N.V. voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van Liander N.V., € 6.670,34 (zesduizendzeshonderdzeventig euro en vierendertig cent) aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 68 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door
mr. C.W. Inden, voorzitter,

mrs. E.F.A. van Buitenen en R.H. Mulderije, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.S. Janse van Mantgem, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 november 2014.

Bijlage I

Bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 1 en feit 4

1.Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2011217409-6 van 29 augustus 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. A1 2 t/m 4).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:

Op 25 augustus 2011 stelden wij een onderzoek in naar het bedrijfspand [adres 3] te Amsterdam. Wij kwamen op 25 augustus 2011 ter plaatse samen met SEON en Liander. Wij zagen diverse potten met hennepplanten. Tevens zagen wij dat er meerdere lampen waren opgehangen kennelijk bedoeld om de hennepplanten sneller te laten groeien. [persoon 8], werkzaam bij de dienst Liander, verklaarde na een kort onderzoek aan de meterkast het volgende: de meterkast is doorgelust. De originele zegels zijn doorgeknipt in het midden. Daarna heeft iemand aan de meterkast gerommeld. De medewerkers van het SEON verklaarde mij na een kort onderzoek van voornoemd pand het volgende: de plantage bestaat uit 195 planten in een pot.

2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2011217409-12 van 27 september 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde pag. A1 6).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:

Nadat ik het pand aan de [adres 3] te Amsterdam op 25 augustus 2011 had betreden, zag ik in de meterkast dat de bedrading van elektriciteit buiten de meter om werd geleid hetgeen gebruikelijk is bij hennepplantages waardoor kosteloos stroom wordt gebruikt.

3. Een verslag van 2 september 2011, laboratoriumnummer 1140N11 van dr. P. Hommerson, forensisch expert, in de zaak tegen de verdachte NN [adres 3] (doorgenummerde pag. A1 9).

Dit verslag houdt onder meer in als verklaring van voornoemde deskundige, zakelijk weergegeven:

1. zakje met 35,2 gr gedroogde plantendelen: is hennep

4. Een geschrift, zijnde een aangifte met nummer 2011-217409 van 30 augustus 2011, opgemaakt door de daartoe bevoegde [persoon 9], namens Liander N.V. (doorgenummerde pag. 11 t/m 13).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 9], zakelijk weergegeven:

De fraudespecialist constateerde op 25 augustus 2011 verboden handelingen aan de elektriciteitsinstallatie en trof het volgende aan. De zegels van de hoofdaansluitkast waren verbroken. Door de manipulatie werd de afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage niet via de elektriciteitsmeter geregistreerd. Uit het door Liander N.V. ingestelde onderzoek is gebleken dat er een hennepplantage was ingericht in ieder geval in de periode maart 2011 tot en met 25 augustus 2011. Dit betekent dat er in deze periode vermoedelijk sprake is geweest van tenminste twee oogsten. Naar aanleiding van dit onderzoek is door mij een berekening gemaakt waaruit blijkt dat dat er minimaal 43.428 kWh illegaal is afgenomen ten behoeve van de hennepplantage.

5. Een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming met nummer 2011217409 van 28 september 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (doorgenummerde pag. A1 34 met foto’s van poststukken op pag. A1 37-45).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:

Op 28 september 2011 werd binnengetreden in het pand, [adres 3] te Amsterdam. Deze doorzoeking betrof een aanvullende zoeking. Tijdens deze tactische doorzoeking werden ten behoeve van het onderzoek foto’s genomen van de aangetroffen goederen waaronder poststukken van onder andere [bedrijf 2] gevestigd aan de [adres 5] te Amsterdam en [bedrijf 1] gevestigd aan de [adres 6] te Amsterdam.

6. Een proces-verbaal van bevindingen [adres 3] met nummer 2011217409 van 19 september 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (doorgenummerde pag. A1 54).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:

Op 19 september 2011 heb ik een bezoek gebracht aan de [persoon 10] van [beheermaatschappij A]. [beheermaatschappij A] is de beheermaatschappij en eigenaar van diverse panden waaronder het perceel [adres 3] in Amsterdam. [persoon 10] verklaarde mij het volgende: ‘Per maand wordt het huurbedrag, zijnde € 1630,13, van het pand betaald via de bank. Ik overhandig u hierbij kopieën van bankafschriften waaruit het volgende volgt:

2 augustus 2011 betaling van 1630,13 euro

[Uitzendbureau A], gevestigd aan de [adres 6] te Amsterdam. Tegenrekening betreft giro [rekeningnummer 1].’

7. Een proces-verbaal stroombetaling [adres 3] met nummer 2011217409 van 19 september 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] (doorgenummerde pag. A1 85).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:

Uit de opgevraagde gegevens blijkt dat de stroom op het adres [adres 3] te Amsterdam is betaald met onder andere onderstaand rekeningnummer:

3-8-2011 [rekeningnummer 1] [Uitzendbureau A] [adres 6] Amsterdam

25-5-2011 [rekeningnummer 1] [Uitzendbureau A] [adres 6] Amsterdam

8. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2011217409 van 29 september 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (doorgenummerde pag. A1 89A t/m 105).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:

Gedurende de ontmanteling in perceel [adres 3] te Amsterdam op 25 augustus 2011 zag ik dat er twee camera’s waren geplaatst op de oprit van [adres 4]. De beelden zijn direct bekeken.

12 augustus 2011, 11:45:05: Volkswagen Caddy komt aanrijden en parkeert met de achterzijde van het voertuig voor [adres 3]. De bestuurder stapt uit. Op de zijkant van de Caddy staat het logo [naam 1]. De persoon opent met de sleutel de voordeur van de [adres 3] en gaat naar binnen. Het kenteken van het voertuig is [kenteken].

12 augustus, 14:05:21: Volkswagen Caddy, kenteken [kenteken] arriveert en parkeert bij [adres 3]. Wederom met logo [naam 1] aan de zijkant aangebracht. Zelfde persoon als eerder vandaag stapt uit en opent de voordeur met de sleutel.

13 augustus 2011, 12:06:13: Volkswagen Caddy, met logo [naam 1] op de zijkant, arriveert en parkeert bij de [adres 3]. Het is dezelfde man als gisteren. Hij pakt een donkerkleurige tas/vuilniszak uit de auto en neemt deze mee naar binnen.

15 augustus 2011, 12:16:32: Volkswagen Caddy met logo [naam 1] arriveert en parkeert bij de [adres 3]. Hij opent de achterdeur van de Caddy en draagt in zijn hand een vuilniszak. Het lijkt dezelfde persoon als de vorige keren met de Caddy. Hij opent de voordeur van de [adres 3] en gaat naar binnen. Om 13:08 komt dezelfde persoon weer naar buiten. Hij heeft een volle vuilniszak bij zich.

17 augustus 2011, 12:11:03: De Volkswagen Caddy met het logo [naam 1] op de zijkant arriveert en parkeert bij de [adres 3]. De persoon lijkt dezelfde bestuurder te zijn die eerder reeds meerdere keren bij het pand arriveerde met deze VW Caddy. Hij kijkt omhoog naar de eerste verdieping voordat hij de voordeur van dit pand binnen gaat.

19 augustus 2011, 12:37:42: De Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken] met het logo [naam 1] op de zijkant arriveert en parkeert bij de [adres 3]. De bestuurder haalt uit de Caddy een tweetal gevulde plastic zakken, vermoedelijk een vuilniszak en een gewone plastic zak, en draagt deze in de richting van het pand. Vervolgens haalt hij uit zijn zak een bos met sleutels en brengt deze in de richting van de deur. Vervolgens gaat hij met de tassen naar binnen.

9. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2011217409 van 29 september 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (doorgenummerde pag. A1 105).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:

De bestuurder van de Volkswagen Caddy die regelmatig verschijnt bij de [adres 3] en daar ook naar binnen gaat, vertoont op de videobeelden gelijkenis met de persoon die is afgebeeld op de pasfoto van [verdachte]. De lengte, haardracht, kleur en ontbreken van gezichtsbeharing zijn sterk gelijkend.

10. Een proces-verbaal ter inbeslagneming met nummer 20111217409 van 7 december 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] (doorgenummerde pag. A1 266-269).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:

Tijdens de doorzoeking in de [adres 1, te plaats] op 6 december 2011 werd administratie inbeslaggenomen zoals vermeld op de beslaglijst:

In de slaapkamer een portemonnee met onder andere een ING bankpas van [Uitzendbureau A], tnv [persoon 5], rek.nummer: [rekeningnummer 1], afkomstig uit de blouse van verdachte.

11. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte met nummer 2011217409 van 22 november 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 8] (doorgenummerde pag. A1 277, 278, 283).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik woon op de [adres 7] te Haarlem. Sinds vijf maanden ben ik elke dag in de [adres 1, te plaats]. Meestal maak alleen ik gebruik van de box aan de [adres 7].

Vanaf half april 2011 rijd ik 100% zelf in de Volkswagen Caddy, voorzien van kenteken [kenteken]. Ik ben sinds april 2011 de enige bestuurder.

Ik kwam wel eens op de [adres 3] te Amsterdam.

12. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte met nummer 2011217409 van 8 december 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 11] (doorgenummerde pag. A1 302).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik ben bekend met het rekeningnummer [rekeningnummer 1]. De pas staat op naam van [Uitzendbureau A]. [persoon 5] heeft de rekening geopend. De pas heb ik in mijn bezit. Ik kan ermee pinnen. Als er geld op die rekening binnenkomt dan pak ik dat.

13. Een proces-verbaal van 18 oktober 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar Aml32726 en Aml35353 (doorgenummerde pag. A1 173 en 174).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:

Op 13 oktober 2011 zijn observatiewerkzaamheden verricht. Uit technische acties blijkt dat het subject zich mogelijk bevindt in de [adres 6] te Amsterdam. De observaties worden op dit adres gestart. De Volkswagen Caddy, voorzien van kenteken [kenteken], staat geparkeerd in de [adres 6]. Aml32726 ziet [verdachte] lopen naar de Volkswagen Caddy en opent de voordeur met de sleutel. Hij steekt zijn arm naar binnen en haalt hem er weer uit. Vervolgens loopt [verdachte] naar NN1 en zij lopen samen naar binnen in de [adres 5]. Deze handelingen worden een paar keer herhaald en dan rijdt hij in de Volkswagen Caddy weg.

14. Een proces-verbaal observeren 3 november 2011 met nummer 2011217409 van 7 november 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 8], [verbalisant 9], [verbalisant 6], [verbalisant 10] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. A1 184-185).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:

[verbalisant 8] en [verbalisant 9] zien dat [verdachte] en NN1 uit het adres [adres 5] komen en in de Volkswagen Caddy, voorzien van kenteken [kenteken] stappen. Na een korte rit wordt de Volkswagen Caddy weer geparkeerd in de nabijheid van de [adres 5]. [verdachte] gaat naar binnen. Ook NN1 en NN2 gaan dit pand naar binnen. Even later gaat [verdachte] naar binnen bij de [adres 6] waarna hij met post in zijn handen weer naar binnen gaat bij de [adres 5]. Daarna stapt [verdachte] in de Caddy en rijdt weg. [verdachte] gaat naar binnen op het adres [adres 1, te plaats].

15. De verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik wel eens op de adressen [adres 6] en [adres 5] te Amsterdam kom. De panden zijn naast elkaar gelegen. Ik breng en haal af en toe de post.

16. Een geschrift, zijnde een kopie van een visitekaartje in samenhang bezien met het proces-verbaal van relaas (doorgenummerde pagina 6 en A1 289).

Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Tijdens de doorzoeking in de [adres 1, te plaats] is een visitekaartje inbeslaggenomen met daarop de tekst: [bedrijf 1], Manager [verdachte]. [adres 6] te Amsterdam.

17. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2011217409 van 19 oktober 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 16] (doorgenummerde pag. A1 88).

Ik zag in het bevragingssysteem van de politie het volgende staan.

Waarschuwingsadres

Naam [verdachte]

Adres [adres 6]

[adres 6]

18. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2011217409 van 7 december 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 11] en [verbalisant 12] (doorgenummerde pag. A1 290-291).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:

Op 6 december 2011 hebben wij onderzoek gedaan naar het volgende voertuig: Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken]. In de laadruimte van het voertuig zagen wij plastic zakken liggen met materialen. Wij zagen dat er in één van de tassen een elektriciteitssnoer zat. In een anders tas zagen wij dat er verschillende bussen zaten met pur-schuim en kitmiddelen. In een stoffen tas zagen wij dat er delen van een stoppenkast zaten. Tevens zagen wij in een blauwe/groene stoffen zak een vierkanten afzuiginstallatie. Deze afzuigers kunnen mogelijk worden gebruikt in de hennepteelt. Ook zagen wij in de laadruimte enkele kartonnen doosjes liggen. Na deze geopend te hebben bleek het om zekeringen te gaan. Al deze middelen kunnen worden gebruikt bij het aan/omleggen van elektriciteit.

19. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL136D 2011217409-28 van 6 december 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 13] en [verbalisant 14] (doorgenummerde pag. A1 237).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:

Op 6 december 2011 vond in een kelderbox van perceel [adres 7] te Haarlem een zoeking plaats. Wij hebben een inventarisatie gemaakt van de aangetroffen goederen:

2 droogrekken

2 groepenkasten

7 koolstoffilters

1. lucht afzuiger

22 lampenkampen

351 plantenbakken

6 voorschakelapparaten

Deze goederen werden door ons herkend als zijnde voorwerpen die gebruikt worden als gereedschap voor een hennepkwekerij.

Ten aanzien van feit 2

20. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2011217409 van 7 februari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pag. A4 159).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:

Onderstaande goederen zijn aangetroffen op het adres [adres 1, te plaats]:

Banktransacties

[verdachte] KB Haarlem 800.000 euro

[verdachte] KB Haarlem 31.000 euro

[verdachte] KB Haarlem 5.665,85

21. Een geschrift, zijnde een kopie van een bankafschrift van de Akbank van 23 november 2009 (doorgenummerde pag. A4 175).

Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Datum: 23-11-2011

Storting van € 5.663,85

Ondertekend door verdachte.

22. Een geschrift, zijnde een kopie van een bankafschrift van de Akbank van 23 november 2009 (doorgenummerde pag. A4 175).

Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Datum: 23-11-2011

Contante storting van € 31.000,-

Ondertekend door verdachte.

23. Een geschrift, zijnde een kopie van een bankafschrift van de Akbank van 6 juli 2010 (doorgenummerde pag. A4 174).

Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Datum: 06-07-2010

Contante storting van € 800.000,-

Ondertekend door verdachte.

24. Een geschrift, zijnde een kopie van een bankafschrift van de Akbank van 3 mei 2011 (doorgenummerde pag. A4 232).

Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Datum: 04-05-2011

Contante storting van € 21.883,78

Ondertekend door verdachte.

25. De verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb de geldbedragen zoals tenlastegelegd zelf in contanten gestort op mijn eigen Turkse privérekening in Turkije.

26. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte met nummer 2011217409 van 6 december 2011 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 8] (doorgenummerde pag. A1 275).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik en mijn vrouw krijgen een bijstandsuitkering sinds het moment dat mijn bedrijf failliet is gegaan. Ik krijg netto per maand 1.005 euro. Daar gaat 65 euro en 66 euro vanaf. Ik heb geen schenkingen of giften ontvangen. Van de erfenis is niets over. Ik heb nooit geld gewonnen.

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezen geachte feit sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verklaring van verdachte alle onderdelen van de bewezenverklaring betreft.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de hierna opgegeven bewijsmiddelen.

27 De bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd.

28. Een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming met nummer 20111217409 van 7 december 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] (doorgenummerde pag. A1 266-267).

29. Een proces-verbaal wapenonderzoek met nummer 2011217409 van 7 december 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 15] (doorgenummerde pag. A5 1 t/m 3).