Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:7996

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
02-12-2014
Zaaknummer
C-13-556865 - HA ZA 14-14
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een man heeft een overlijdensrisicoverzekering afgesloten waarbij hij niet vermelde dat hij – onder meer – medicatie slikte na een hartoperatie. De man is overleden en de verzekeraar weigert nu uitkering aan de echtgenote van de man omdat de man relevante informatie heeft verzwegen. Dat beroep slaagt. De tussenpersoon die bemiddelde is wel tekortgeschoten jegens de man en de vrouw, maar hoeft geen schade te vergoeden omdat de vrouw de betaalde premie al heeft teruggekregen van de verzekeraar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2015, afl. 1, p. 38
NJF 2015/34

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/556865 / HA ZA 14-14

Vonnis van 26 november 2014

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. R. van den Berg,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JUBILEE EUROPE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. M.T. Spronck,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RENTEKORTING.NL B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagde,

advocaat mr. M. Jongkind.

Partijen zullen hierna [eiseres], Jubilee en Rentekorting genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de gelijkluidende dagvaardingen van 10 december 2013, met producties,

- het herstelexploot van 16 december 2013,

- de conclusie van antwoord van Jubilee, met producties,

- de conclusie van antwoord van Rentekorting, met een productie,

  • -

    het tussenvonnis van 5 maart 2014, waarin een comparitie van partijen is bevolen,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 23 september 2014, met de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 6 januari 2009 hebben [eiseres] en wijlen haar echtgenoot de heer [echtgenoot] (hierna: [echtgenoot]) door bemiddeling van Rentekorting (voorheen: Holland Financials B.V.) een geldlening afgesloten met NVF Voorschotbank B.V. en, gelijktijdig, een overlijdensrisicoverzekering met Jubilee (hierna ook: de krediet protector). De verzekering verleent dekking bij overlijden van één van de verzekerden. NVF Voorschotbank B.V. is de begunstigde onder de polis. De koopsompremie bedraagt per verzekerde € 2.816,00. Het maximum verzekerde bedrag is € 20.000,00. De looptijd van de verzekering is 96 maanden.

2.2.

Het polisblad van de verzekering houdt, voor zover hier van belang, voorts het volgende in:

Ondergetekende(n) verkla(a)r(t)en:

- de algemene voorwaarden KPOR 01/2007 te hebben ontvangen […] en hiermee akkoord te gaan;

- momenteel een goede gezondheid te bezitten en niet jonger dan 18 jaar en niet ouder dan 72 jaar te zijn;

- momenteel geen aandoeningen te hebben die medische behandeling vereisen;

- akkoord te gaan met de mededelingsplicht zoals hieronder vermeld.

Mededelingsplicht

Als verzekerde bent u verplicht de gestelde vragen en verklaringen zo volledig mogelijk te beantwoorden. […] Indien u niet of [de rechtbank begrijpt: niet] volledig aan uw mededelingsplicht heeft voldaan, kan zulks ertoe leiden dat het recht op uitkering wordt beperkt of zelfs vervalt. […]

[…]

Indien u de voorgaande verklaring niet zondermeer kunt ondertekenen dient u het formulier met aanvullende vragen in te vullen en te ondertekenen. De verzekeraar kan dan aan de hand van de aanvullende informatie de acceptatie van het risico beoordelen.

Het polisblad is zonder commentaar door [eiseres] en [echtgenoot] ondertekend.

2.3.

Op [datum] is [echtgenoot] overleden.

2.4.

Naar aanleiding van het verzoek van [eiseres] om tot uitkering uit hoofde van de krediet protector over te gaan, heeft Jubilee informatie ingewonnen bij haar medisch adviseur. Die medisch adviseur schreef op 16 november 2011 aan Jubilee onder meer:

Ad l De oorzaak van overlijden is een hartstilstand.

Ad 2 De medische voorgeschiedenis laat een lange lijst met ziekten zien waaronder aortaklep vervanging, boezemfibrilleren, aortakleplijden en obesitas.

Ad 3 De oorzaak van overlijden houdt geen verband met enige aandoening / ziekte die zich heeft geopenbaard of waar medische behandeling voor kreeg voor of op de ingangsdatum van de verzekering.

Ad 4 Cliënt verkeerde op de ingangsdatum van de verzekering in een matige gezondheid en was bekend met meerdere hierboven genoemde aandoeningen die intensieve medische behandeling vereisten.

2.5.

Bij brief van 7 december 2011 schreef Jubilee aan [eiseres], voor zover van belang:

Uit het ontvangen advies [van onze medisch adviseur, rechtbank] blijkt dat wijlen de heer [echtgenoot] bekend was met meerdere aandoeningen die intensieve medische behandeling vereisten ten tijde van het aangaan van de verzekering. Op de ingangsdatum van de verzekering verkeerde wijlen de heer [echtgenoot] in een matige gezondheid.

Dit betekent dat de heer [echtgenoot] bij het invullen en/of ondertekenen van het aanvraagformulier/polisblad […] niet heeft voldaan aan de mededelingsplicht.

[…]

Gelet op voornoemde feiten dienen wij uw verzoek om over te gaan tot uitkering uit hoofde van de Krediet Protector helaas af te wijzen.

2.6.

Bij brief van 20 juli 2012 schreef de raadsman van [eiseres] aan Rentekorting onder meer:

Cliënte heeft in het verleden, samen met haar echtgenoot, via bemiddeling van uw rechtsvoorganger Holland Financials BV, een krediet afgesloten bij de NVF Voorschotbank BV. Het [contractnummer]. Tevens hebben cliënte en wijlen haar echtgenoot een overlijdensrisicoverzekering afgesloten via bemiddeling van uw kantoor. Dit is de Kredietprotector met [polisnummer].

In 2011 is de echtgenoot van cliënte overleden. Er is een beroep gedaan op de Kredietprotector, maar de verzekeraar heeft uitkering geweigerd, omdat er sprake zou zijn van verzwijging. Ondergetekende is door cliënte verzocht om te onderzoeken of het beroep op verzwijging gegrond is. Daarnaast moet worden onderzocht in hoeverre uw bedrijf, als zijnde de tussenpersoon van cliënte, aan zijn zorgplicht heeft voldaan.

Daartoe dien ik over het volledige dossier van wijlen de heer [echtgenoot] en mevrouw [eiseres] te beschikken. Ik heb hierover met uw kantoor reeds meermalen telefonisch contact gehad en e-mailverkeer gevoerd. Tot op heden heb ik de gevraagde stukken nog niet ontvangen.

2.7.

Bij brief van 20 juli 2012 schreef de raadsman van [eiseres] aan Jubilee, voor zover van belang:

Gesteld dat uw beroep op verzwijging gegrond is, dan heeft wijlen de heer [echtgenoot], ten onrechte premie betaald. Deze premie dient daarom als zijnde onverschuldigd betaald, te worden gerestitueerd.

2.8.

Bij brief van 27 juli 2012 schreef Jubilee aan de raadsman van [eiseres] onder meer:

Hiermee komen wij terug op uw brief van 20 juli jl. […]

Overeenkomstig uw verzoek zijn wij coulancehalve, dus geheel onverplicht bereid, tot terugbetaling van de door wijlen [echtgenoot] betaalde koopsom, te weten € 2.816,00 onder aftrek van de gemaakte administratiekosten van € 97,50.

[…]

De Krediet Protector zal voor mevrouw [eiseres] van kracht blijven. Een wijzigingsaanhangsel kan uw cliënte binnenkort tegemoet zien.

2.9.

Het bedrag van € 2.718,50 (€ 2.816,00 - € 97,50) is op 30 juli 2012 door Jubilee aan [eiseres] voldaan.

2.10.

Bij brief van 21 november 2012 heeft de raadsman van [eiseres] Jubilee gesommeerd om alsnog over te gaan tot uitkering van (onder meer) het maximaal verzekerde bedrag minus het reeds betaalde bedrag.

2.11.

Bij brief van 13 december 2012 heeft Jubilee dit van de hand gewezen en zich op het standpunt gesteld dat tussen [eiseres] en Jubilee een minnelijke regeling tot stand is gekomen, zodat [eiseres] geen aanspraak meer kan maken op uitkering van het betreffende bedrag. Als bijlage heeft Jubilee een kopie van het beëindigingsaanhangsel meegestuurd.

2.12.

Bij brief van 17 december 2012 schreef de raadsman van [eiseres] aan Jubilee dat er geen minnelijke regeling was getroffen en dat [eiseres] haar recht op nakoming voorbehoudt. Nadien hebben de raadsman van [eiseres] en Jubilee nog nader met elkaar gecorrespondeerd. Jubilee heeft het bedrag van (€ 20.000,00 minus € 2.718,50 =) € 17.281,50 niet aan [eiseres] voldaan.

2.13.

Bij faxbrief van 2 december 2013 heeft [eiseres] Rentekorting aansprakelijk gesteld voor de door [eiseres] geleden schade als gevolg van schending van de op Rentekorting rustende zorgplicht.

2.14.

In aanvulling op hetgeen hiervoor onder 2.4 is weergegeven, schreef de medisch adviseur van Jubilee, naar aanleiding van vragen van de raadsvrouw van Jubilee, bij brief van 5 februari 2014 onder meer het volgende aan de raadsvrouw van Jubilee:

Ad 1

De medische stukken waarop ik het medisch advies heb gebaseerd zijn:

[…]

Ad 2

De intensieve medische behandeling bestond uit medicatie en medische ingrepen. De periode waarin de medische behandeling begon ligt ver voor de ingangsdatum van verzekering en liep door tot op de dag van overlijden.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

3.1.1.

veroordeling van Jubilee tot betaling van € 17.281,50 aan de Intermediaire Voorschotbank B.V., ten behoeve van [eiseres], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 september 2011, veroordeling van Jubilee in de extra rente kosten die [eiseres] teveel heeft betaald wegens het niet uitkeren van de verzekeringspenningen aan de Voorschotbank, begroot op € 4.565,50, een en ander te vermeerderen met de buitengerechtelijke, proces- en nakosten.

3.1.2.

een verklaring voor recht dat Rentekorting toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen (zorgplicht) jegens [eiseres], veroordeling van Rentekorting tot betaling van € 17.281,50 aan primair [eiseres] en subsidiair de Intermediaire Voorschotbank B.V., ten behoeve van [eiseres], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis, veroordeling van Rentekorting in de extra rente kosten die [eiseres] teveel heeft betaald wegens het niet uitkeren van de verzekeringspenningen, begroot op € 4.565,50, een en ander te vermeerderen met de buitengerechtelijke, proces- en nakosten en voor zover [eiseres] in de proceskosten van Jubilee wordt veroordeeld, veroordeling van Rentekorting om die proceskosten aan [eiseres] te vergoeden.

3.2.

Jubilee en Rentekorting voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in het geschil tussen [eiseres] en Jubilee

4.1.

[eiseres] legt aan de door haar jegens Jubilee ingestelde vordering ten grondslag dat Jubilee gehouden is tot uitkering onder de verzekeringsovereenkomst van de maximaal verzekerde som van € 20.000,00 minus het reeds betaalde bedrag van € 2.718,50. Jubilee heeft hiertegen verweer gevoerd. Hierna zal de rechtbank de verschillende verweren van Jubilee – voor zover relevant – achtereenvolgens beoordelen.

schikking

4.2.

Jubilee beroept zich ter afwering van de vordering van [eiseres] er onder meer op dat tussen haar en [eiseres] een schikking is bereikt waarbij met terugwerkende kracht de verzekering tussen [echtgenoot] en Jubilee is beëindigd en dat [eiseres] daarom thans geen aanspraak meer kan maken op de gevorderde uitkering onder de polis. De rechtbank overweegt ten aanzien van dit – door [eiseres] gemotiveerd weersproken – verweer als volgt. In de brief van 20 juli 2012 waarop Jubilee zich ter onderbouwing van de door haar gestelde schikking beroept, schrijft de raadsman van [eiseres] aan Jubilee het volgende (zie hiervoor onder 2.7): “Gesteld dat uw beroep op verzwijging gegrond is, dan heeft wijlen de heer [echtgenoot], ten onrechte premie betaald. Deze premie dient daarom als zijnde onverschuldigd betaald, te worden gerestitueerd.” Jubilee heeft daarop bij brief van 27 juli 2012 (zie hiervoor onder 2.8) als volgt gereageerd: “Overeenkomstig uw verzoek zijn wij coulancehalve, dus geheel onverplicht bereid, tot terugbetaling van de door wijlen [echtgenoot] betaalde koopsom, te weten € 2.816,00 onder aftrek van de gemaakte administratiekosten van € 97,50.” Jubilee heeft het bedrag van € 2.718,50 vervolgens ook overgemaakt. Dat Jubilee daarbij finale kwijting heeft bedongen of dat zij dat toegezegd heeft gekregen, kan uit de overgelegde correspondentie en de stellingen van partijen evenwel niet worden opgemaakt. Ditzelfde geldt voor de stelling van Jubilee dat [eiseres] – met prijsgeving van de rechten daaruit – instemde met beëindiging van de verzekering van [echtgenoot] met terugwerkende kracht. De rechtbank is dan ook met [eiseres] van oordeel dat reeds daarom geen sprake is van een overeenkomst tussen partijen waarbij zij het geschil finaal beëindigd hebben. Het verweer van Jubilee dat [eiseres] thans geen aanspraak meer kan maken op het door haar gevorderde bedrag vanwege een tussen partijen getroffen minnelijke regeling, wordt dan ook verworpen.

verjaring

4.3.

Nu Jubilee haar beroep op verjaring ter comparitie heeft ingetrokken, behoeft dat verweer geen beoordeling.

schending van de mededelingsplicht

4.4.

Ingevolge artikel 7:928 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) is een verzekeringnemer verplicht vóór het sluiten van de overeenkomst alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar, of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen afsluiten afhangt of kan afhangen. Jubilee beroept zich erop dat er aan de zijde van [echtgenoot] sprake is geweest van verzwijging (met andere woorden dat hij niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 7:928 lid 1 BW) en dat [eiseres] daarom – ingevolge het bepaalde in artikel 7:930 leden 1 en 4 BW – geen recht heeft op uitkering van het verzekerde bedrag. Gelet op het bepaalde in artikel 7:928 lid 6 BW is voor de beoordeling van het beroep op verzwijging van belang of bij het aangaan van de verzekering door de verzekeraar gebruik is gemaakt van een door haar opgestelde vragenlijst. Indien gebruik is gemaakt van een vragenlijst, kan de verzekeraar (in dit geval Jubilee) ingevolge het bepaalde in artikel 7:928 lid 6 BW er in beginsel immers geen beroep op doen dat een in algemene termen vervatte vraag onvolledig door de verzekerde (in dit geval [echtgenoot]) is beantwoord.

4.5.

Met Jubilee is de rechtbank van oordeel dat de twee verklaringen op het polisblad die betrekking hebben op de gezondheid van de verzekerde (zie hiervoor onder 2.2) niet vallen aan te merken als een vragenlijst als bedoeld in het zesde lid van artikel 7:928 BW. In de toelichting onder de mededelingsplicht op het polisblad wordt vermeld dat indien het voorgaande “niet zondermeer” kan worden verklaard een formulier met aanvullende vragen moet worden ingevuld, zodat de verzekeraar aan de hand van aanvullende informatie de acceptatie van het risico kan beoordelen. Daaraan doet niet af dat in de toelichting is vermeld dat een formulier met “aanvullende vragen” moet worden beantwoord. Aan het enkele gebruik van de woorden “aanvullende vragen” komt geen doorslaggevende betekenis toe. Daar komt bij dat ook uit het feit dat slechts twee verklaringen zijn opgenomen, afgeleid kan worden dat dit naar zijn aard geen vragenlijst is als bedoeld in het zesde lid van voornoemd artikel. Voor zover [eiseres] nog heeft aangevoerd dat door Jubilee nimmer van de aanvullende vragenlijst gebruik wordt gemaakt, kan dat haar hier niet baten. Nog daargelaten dat Jubilee die stelling gemotiveerd en onderbouwd heeft weersproken, rechtvaardigt die stelling – als de juistheid daarvan al zou worden aangenomen – immers nog niet de door [eiseres] daaraan verbonden conclusie dat in dat geval onverkort toepassing gegeven dient te worden aan artikel 7:928 lid 6 BW aangezien de verzekering in dat geval wel degelijk zou zijn gesloten op grond van een vragenlijst en dat het enkel de keuze van Jubilee is om die lijst niet mee te sturen. Hiermee miskent [eiseres] immers dat het hier (enkel) de vraag is of het aan [echtgenoot] verstrekte en door hem ondertekende aanvraagformulier/polisblad een vragenlijst is. De aanvullende vragenlijst speelt daarbij geen rol, nu die eerst aan de orde komt als het polisblad niet zonder meer ondertekend kan worden.

4.6.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of [echtgenoot] aan zijn mededelingsplicht als bedoeld in 7:928 lid 1 BW heeft voldaan. Hierbij stelt de rechtbank voorop dat nu is vastgesteld dat bij het sluiten van de overeenkomst geen gebruik is gemaakt van een door Jubilee opgestelde vragenlijst, de inhoud en omvang van de mededelingsplicht van [echtgenoot] wordt beperkt, in die zin dat het kenbaarheidsvereiste van artikel 7:928 lid 1 BW strikt moet worden uitgelegd. Vaststaat dat [echtgenoot] het polisblad zonder commentaar heeft ondertekend, terwijl hij wist dat hij (hart)medicatie slikte. De vraag is of [echtgenoot] deze informatie aan Jubilee had moeten melden. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Toen [echtgenoot] het polisblad ondertekende, moet hem duidelijk zijn geweest dat hij daarmee verklaarde “momenteel geen aandoeningen te hebben die medische behandeling vereisen”. Uit die tekst moest [echtgenoot] in redelijkheid begrijpen dat voor het sluiten van de overlijdensrisicoverzekering voor Jubilee van belang was of hij wel of geen aandoeningen had die medische behandeling vereisten. Dit volgt ook uit de passage onder het kopje “Mededelingsplicht”, waar staat: “Indien u de voorgaande verklaring niet zondermeer kunt ondertekenen dient u het formulier met aanvullende vragen in te vullen en te ondertekenen. De verzekeraar kan dan aan de hand van de aanvullende informatie de acceptatie van het risico beoordelen.” Van belang is bovendien dat [echtgenoot] bij het sluiten van de verzekering werd bijgestaan door een assurantietussenpersoon die bij uitstek bekend is met (de inhoud en omvang van) de mededelingsplicht van [echtgenoot] als aspirant-verzekerde. Dat [echtgenoot] de (hart)medicatie zuiver preventief en niet als behandeling slikte (vgl. Hof Amsterdam 24 juni 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2448), kan op basis van de stellingen van partijen niet worden aangenomen. In de brief met aanvullende informatie van de medische adviseur van Jubilee (zie hiervoor onder 2.14) is immers vermeld dat de intensieve medische behandeling van [echtgenoot] onder meer uit medicatiegebruik bestond, waaraan Jubilee – onbetwist – heeft toegevoegd dat haar medisch adviseur vanwege diens beroepsgeheim geen (nadere) informatie kan verstrekken over het medicijngebruik van [echtgenoot]. [eiseres] heeft hier niets tegen ingebracht. Integendeel, zij heeft – desgevraagd ter comparitie – geen (volledig) inzicht gegeven over welke medicatie [echtgenoot] slikte, zodat dit onduidelijk is gebleven. De rechtbank komt zodoende tot het oordeel dat [eiseres] in het licht van de stellingen van Jubilee onvoldoende heeft weersproken dat [echtgenoot] voor het sluiten van de overeenkomst tenminste het gebruik van zijn (hart)medicatie had moeten meedelen. Hierbij komt dat [echtgenoot] ten tijde van het sluiten van de verzekeringsovereenkomst een AOW-uitkering ontving. Door [eiseres] is geen inzicht verschaft in de reden van de arbeidsongeschiktheid van [echtgenoot]. Weliswaar is het niet zonder meer zo dat arbeidsongeschiktheid tot een hoger overlijdensrisico leidt, maar in de gegeven omstandigheden kon van [eiseres] gevergd worden dat zij ter weerlegging van de stellingen van Jubilee ten minste zou aanvoeren en onderbouwen dat de arbeidsongeschiktheid van [echtgenoot] geen verband hield met een aandoening die medische behandeling vereiste. Nu [eiseres] dit heeft nagelaten, ondersteunt dit eens te meer het oordeel dat [eiseres] de gemotiveerde stelling van Jubilee dat [echtgenoot] zijn mededelingsplicht heeft geschonden, onvoldoende heeft betwist.

4.7.

Onder de voornoemde omstandigheden kan [eiseres] niet worden gevolgd in haar – weersproken – stellingen dat Jubilee haar plicht om nadere informatie bij [echtgenoot] in te winnen (het zogenaamde verschoonbaarheidsvereiste) heeft geschonden, althans dat het beroep van Jubilee op schending van de mededelingsplicht in strijd met de redelijkheid en billijkheid is, althans dat sprake is van dwaling die voor rekening van Jubilee dient te blijven. Die stellingen worden dan ook verworpen.

gevolgen van de schending van de mededelingsplicht

4.8.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen welke gevolgen aan de schending van de mededelingsplicht moeten worden verbonden.

4.9.

Jubilee beroept zich op artikel 7:930 lid 4 BW, waarin is bepaald dat in afwijking van artikel 7:930 leden 2 en 3 BW geen uitkering verschuldigd is indien de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten. Volgens Jubilee zou zij bij de ware kennis van zaken de verzekering met [echtgenoot] niet hebben afgesloten. Alsdan zou [echtgenoot] immers de vragenlijst hebben ingevuld en was zijn medische status helder geworden. In dat geval zou de medisch adviseur van Jubilee hebben aangegeven dat er sprake was van een verhoogd risico, zodat de onderhavige overeenkomst niet tot stand was gekomen. Ter onderbouwing hiervan verwijst Jubilee naar een schriftelijke verklaring van [naam] (bestuurder van Jubilee) en naar een geanonimiseerd dossier van een volgens Jubilee vergelijkbaar geval (een 53-jarige man met hartfalen en dagelijks medicijngebruik) ten aanzien van wie het onderhavige product is geweigerd. Jubilee stelt dat zij een laagdrempelig product (met een lage premie en weinig administratieve handelingen) aanbiedt en niet varieert in prijs of voorwaarden. Zij biedt deze overlijdensrisicoverzekering alleen aan indien er geen sprake is van een verhoogd risico. Een redelijk handelend verzekeraar had met de gezondheidsstatus van [echtgenoot] in een vergelijkbaar geval met een vergelijkbaar product onderhavige verzekering evenmin afgesloten. Het feit dat op de verzekeringsmarkt doorgaans sprake is van andersoortige producten waarbij wel clausuleringen en premieverhogingen mogelijk zijn, doet daaraan niet af. Het gaat om Jubilee als redelijk handelend verzekeraar en het desbetreffende product zoals zij dat heeft aangeboden, aldus nog steeds Jubilee.

4.10.

De rechtbank overweegt dat het Jubilee in beginsel vrij staat om bij een verzekering als de onderhavige het door haar gestelde acceptatiebeleid te volgen, mits zij handelt zoals van een redelijk handelend verzekeraar mag worden verwacht. [eiseres] heeft, mede in het licht van de gemotiveerde stellingen van Jubilee zoals hiervoor weergegeven, onvoldoende gemotiveerd betwist dat ingeval Jubilee ten tijde van het sluiten van de overeenkomst op de hoogte was geweest van de ware medische toestand van [echtgenoot], zij tot het oordeel was gekomen dat er sprake was van een verhoogd risico en dat Jubilee in dat geval (dus) niet tot het sluiten van de overeenkomst met [echtgenoot] was overgegaan. Bij gebrek aan gestelde of gebleken omstandigheden die erop neerkomen dat Jubilee zich niet als een redelijk handelend verzekeraar heeft gedragen, dient te worden aangenomen dat Jubilee zich als redelijk handelend verzekeraar heeft gedragen, zowel ten aanzien van haar acceptatiebeleid als de beoordeling van het risico in dit geval. De conclusie luidt dan ook dat [eiseres] de stelling van Jubilee dat zij bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering met [echtgenoot] zou hebben afgesloten niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Voor zover [eiseres] – zonder nadere toelichting – heeft aangevoerd dat het mogelijk zou zijn geweest voor [echtgenoot] om onder andere voorwaarden een overlijdensrisicoverzekering af te sluiten, is dat in dit verband onvoldoende.

4.11.

Conclusie van het vorenstaande is dat [eiseres] geen recht heeft op uitkering onder de verzekering. De door [eiseres] jegens Jubilee ingestelde vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.

4.12.

[eiseres] zal in het geschil met Jubilee als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Jubilee worden tot op heden begroot op:

- griffierecht € 1.892,00

- salaris advocaat € 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 3.050,00

in het geschil tussen [eiseres] en Rentekorting

4.13.

[eiseres] vordert een verklaring voor recht dat Rentekorting jegens haar tekortgeschoten is in haar zorgplicht en vordert vergoeding van de schade die zij daardoor stelt te hebben geleden.

klachtplicht

4.14.

Rentekorting verweert zich tegen de vordering van [eiseres] primair met een beroep op de klachtplicht, zoals die is neergelegd in artikel 6:89 BW. Rentekorting voert hiertoe onder meer aan dat de brief van de raadsman van [eiseres] aan Rentekorting van 20 juli 2012 (zie hiervoor onder 2.6) niet als klacht kan worden aangemerkt.

4.15.

Vooropgesteld wordt dat artikel 6:89 BW ertoe strekt – zoals Rentekorting zelf ook stelt – om de schuldenaar (in dit geval Rentekorting) te beschermen tegen laat gemelde en daardoor moeilijk te betwisten feiten. De rechtbank is met [eiseres] van oordeel dat de brief van mr. Van den Berg voldoende duidelijk is. Hij schrijft dat – nu Jubilee uitkering onder de verzekering heeft geweigerd met een beroep op schending van de mededelingsplicht – moet worden onderzocht of Rentekorting aan haar zorgplicht heeft voldaan. Rentekorting heeft dat in redelijkheid niet anders mogen opvatten dan als de aankondiging dat [eiseres] zich op het standpunt stelde dat er (mogelijk) door Rentekorting niet aan haar zorgplicht was voldaan. Rentekorting had er gezien de inhoud van de brief rekening mee moeten houden dat dit een vervolg zou krijgen, hetgeen ook het geval is geweest. Derhalve is de rechtbank – met inachtneming van de voornoemde strekking van artikel 6:89 BW – van oordeel dat Rentekorting zich nu niet met succes erop kan beroepen dat de brief van 20 juli 2012 niet kan worden aangemerkt als een (voldoende expliciete) klacht in de zin van artikel 6:89 BW. Vervolgens ligt ter beoordeling voor of het protest tijdig is geweest. In dit geval dient de vraag of de kennisgeving binnen bekwame tijd is geschied, te worden beantwoord onder afweging van alle betrokken belangen en met inachtneming van alle relevante omstandigheden, waaronder het antwoord op de vraag of Rentekorting nadeel lijdt door de lengte van de in acht genomen klachttermijn. In de eerste plaats overweegt de rechtbank dat voordat Jubilee zich beriep op schending van de mededelingsplicht door [echtgenoot] [eiseres] een eventuele tekortkoming van Rentekorting niet ontdekt heeft of had behoren te ontdekken. Op zijn vroegst is de termijn derhalve gaan lopen – zoals tussen partijen overigens ook niet in geschil is – op 7 december 2011 (zie hiervoor onder 2.5). Zoals uit het voorgaande volgt, is er naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval op 20 juli 2012 geklaagd. Door Rentekorting is niet onderbouwd gesteld dat – en op welke wijze – zij benadeeld is doordat niet eerder na 7 december 2011 is geklaagd. Zo heeft zij de stelling van [eiseres] dat geen stukken uit haar dossier ontbreken, niet weersproken. Voorts kan het weliswaar zo zijn – zoals Rentekorting aanvoert – dat de medewerker van Rentekorting die [echtgenoot] en [eiseres] als assurantietussenpersoon heeft bijgestaan bij het afsluiten van de verzekering inmiddels niet meer bij Rentekorting werkzaam is, maar dat op zichzelf wil nog niet zeggen dat die persoon (sinds 20 juli 2012) niet meer te consulteren is om de gang van zaken van toen te achterhalen. Dat dit laatste tot de mogelijkheden behoort, onderkent Rentekorting bovendien zelf ook nu zij de betreffende medewerker als getuige in deze zaak heeft aangeboden. De rechtbank komt derhalve tot het oordeel dat [eiseres] tijdig heeft geklaagd, zodat het beroep van Rentekorting op artikel 6:89 BW wordt verworpen.

tekortkoming

4.16.

[eiseres] dient te stellen, en bij voldoende betwisting te bewijzen, dat Rentekorting jegens haar tekortgeschoten is. [eiseres] stelt dat – indien geoordeeld wordt dat [echtgenoot] zijn mededelingsplicht bij het aangaan van de overeenkomst heeft geschonden – alsdan geldt dat Rentekorting [echtgenoot] en [eiseres] onvoldoende duidelijk heeft geadviseerd over de inhoud van de verklaring, zij onvoldoende heeft doorgevraagd naar de medische geschiedenis van [echtgenoot] en zij niet heeft voorkomen dat [echtgenoot] een onjuiste of onvolledige verklaring heeft afgelegd. Hiermee is Rentekorting haar verplichtingen uit de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht niet naar behoren nagekomen nu zij – als tussenpersoon – niet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen, aldus nog steeds [eiseres].

4.17.

De rechtbank stelt in dit verband het volgende voorop. Degene die in het kader van het uitoefenen van het beroep van assurantietussenpersoon een opdracht aanneemt, zal bij de uitvoering van die opdracht krachtens artikel 7:401 BW de zorg van een goed opdrachtnemer hebben te betrachten of, vanwege de hoedanigheid van beroepsbeoefenaar, meer in het bijzonder de zorg die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar mag worden verwacht. Ingevolge vaste jurisprudentie (zie onder meer Hoge Raad 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0122) is het de taak van de assurantietussenpersoon om te waken voor de belangen van de verzekeringnemer bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Tot deze taak behoort in beginsel ook dat – kort gezegd – de assurantietussenpersoon de verzekeringnemer tijdig opmerkzaam maakt op de gevolgen die hem bekend geworden feiten voor de dekking van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen kunnen hebben. Dit brengt mee dat hij erop toeziet dat door of namens de verzekeringnemer aan de verzekeraar tijdig alle mededelingen worden gedaan waarvan hij, als redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon, behoort te begrijpen dat die de verzekeraar ervan zullen (kunnen) weerhouden om een beroep te doen op het vervallen van het recht op schadevergoeding wegens de niet-nakoming van de in de polisvoorwaarden opgenomen mededelingsplicht ter zake van risicoverzwarende omstandigheden. Daarbij gaat het om feiten en omstandigheden die aan de assurantietussenpersoon bekend zijn of die hem redelijkerwijs bekend behoorden te zijn. Bij dit laatste geldt dat indien de tussenpersoon met betrekking tot een hem bekende omstandigheid die mogelijk tot een beroep op risicoverzwaring aanleiding kan geven, niet over voldoende gegevens beschikt of niet ervan mag uitgaan dat de gegevens waarover hij beschikt nog volledig en juist zijn, hij daarnaar bij zijn cliënt dient te informeren. De rechtbank is van oordeel dat dit alles ook geldt indien het om een nieuw af te sluiten verzekering gaat, zoals in de onderhavige zaak aan de orde is.

4.18.

Voor zover Rentekorting als verweer aanvoert dat zij [echtgenoot] volledig heeft geïnformeerd over de inhoud van de mededelingsplicht, maar dat [echtgenoot] er kennelijk welbewust voor heeft gekozen om te liegen, acht de rechtbank dit verweer onvoldoende onderbouwd. Niets in het dossier geeft een aanleiding om te veronderstellen dat [echtgenoot] bewust heeft gelogen tegen Rentekorting. Sterker nog, het feit dat [echtgenoot] en [eiseres] op het polisblad ook Jubilee machtigden tot het opvragen van alle medische informatie, lijkt eerder het tegendeel te impliceren. De rechtbank leidt uit de feitelijke gang van zaken af dat het veeleer zo was dat [echtgenoot] zich onvoldoende heeft beseft dat zijn (gezondheidstoestand en het daarmee samenhangende) medicijngebruik betekende dat hij niet kon verklaren dat hij in goede gezondheid verkeerde. Voor de rechtbank weegt zwaar dat – blijkens de aanvraag voor het krediet waaraan de krediet protector verbonden was – bij Rentekorting bekend was dat [echtgenoot] een WAO-uitkering genoot. Door Rentekorting is niet weersproken dat zij, ondanks die wetenschap, niet heeft doorgevraagd naar de medische voorgeschiedenis en gezondheidssituatie van [echtgenoot]. Evenmin heeft Rentekorting gemotiveerd weersproken dat zij [echtgenoot] niet voldoende indringend heeft gewezen op de mogelijke gevolgen van een onvolledige verklaring op dit punt. De rechtbank acht derhalve onvoldoende weersproken dat Rentekorting jegens ([echtgenoot] en) [eiseres] toerekenbaar tekortgeschoten is in de zorgplicht die op haar rustte. De vordering van [eiseres] om voor recht te verklaren dat Rentekorting jegens [eiseres] toerekenbaar is tekortgeschoten, zal derhalve worden toegewezen.

gevolgen van de toerekenbare tekortkoming

4.19.

De vraag ligt vervolgens voor wat de gevolgen zijn van de toerekenbare tekortkoming van Rentekorting. De rechtbank stelt in dit verband voorop – met inachtneming van het vorenstaande en de stellingen van partijen – dat indien Rentekorting niet tekort was geschoten in haar taak als assurantietussenpersoon en Jubilee derhalve bij het aanvragen van de verzekering op de hoogte was geweest van (de ware gezondheidstoestand en het daarmee samenhangende) (hart)medicatiegebruik van [echtgenoot], de verzekering tussen Jubilee en [echtgenoot] niet tot stand was gekomen. In dat geval had [eiseres], bij gebrek aan een verzekering met Jubilee, geen uitkering van Jubilee ontvangen. [echtgenoot] was alsdan evenwel – anders dan in de voorliggende situatie – evenmin premie aan Jubilee verschuldigd geweest. Nu Jubilee de door [echtgenoot] betaalde premie inmiddels aan [eiseres] heeft gerestitueerd, kan die premie echter – zoals [eiseres] zelf ook onderkent – niet als schade worden aangemerkt.

4.20.

[eiseres] stelt dat, indien ervan moet worden uitgegaan dat Jubilee de verzekering met [echtgenoot] in 2009 niet had gesloten indien zij toen met de ware gezondheidstoestand van [echtgenoot] bekend was, Rentekorting in die tijd elders een soortgelijke verzekering voor [echtgenoot] had kunnen afsluiten en dat – zo begrijpt de rechtbank – die andere verzekeraar thans tot uitkering aan [eiseres] had behoren over te gaan. [eiseres] heeft de – door Rentekorting weersproken – stelling dat [echtgenoot] bij een andere verzekeraar een vergelijkbare verzekering had kunnen afsluiten, echter op geen enkele wijze toegelicht of onderbouwd. Deze stelling wordt dan ook als onvoldoende gemotiveerd verworpen. Aan bewijslevering op dit punt wordt derhalve niet toegekomen.

4.21.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de vorderingen van [eiseres] tot vergoeding door Rentekorting van de door [eiseres] gestelde schade – bestaande uit niet uitgekeerde verzekeringspenningen, te vermeerderen met wettelijke rente, en extra rentekosten die het gevolg zijn van het niet uitkeren van de verzekeringspenningen – niet toewijsbaar zijn.

4.22.

De door [eiseres] gevorderde veroordeling van Rentekorting om aan [eiseres] de proceskosten te vergoeden die zij aan Jubilee dient te vergoeden, zal de rechtbank afwijzen. De toerekenbare tekortkoming van Rentekorting vormt immers geen grondslag voor toewijzing van die vordering en een andere (zelfstandige) grondslag is gesteld noch gebleken.

4.23.

De door [eiseres] gevorderde en door Rentekorting weersproken buitengerechtelijke kosten zullen worden afgewezen, reeds omdat [eiseres] niet heeft gesteld dat en/of welke buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht.

4.24.

Gezien het oordeel dat Rentekorting toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichtingen jegens [eiseres] ziet de rechtbank aanleiding Rentekorting als de op hoofdpunten in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen. Hierbij hanteert de rechtbank voor salaris advocaat het tarief voor zaken met onbepaalde waarde. De proceskosten aan de zijde van [eiseres] worden tot op heden begroot op:

- dagvaarding € 93,80

- griffierecht € 77,00

- salaris advocaat € 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.074,80

4.25.

De door [eiseres] gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

4.26.

De door [eiseres] gevorderde en niet weersproken wettelijke rente over de proceskosten en nakosten zijn toewijsbaar als navermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

in het geschil tussen [eiseres] en Jubilee

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Jubilee tot op heden begroot op € 3.050,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,

in het geschil tussen [eiseres] en Rentekorting

5.4.

verklaart voor recht dat Rentekorting toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen (zorgplicht) jegens [eiseres],

5.5.

veroordeelt Rentekorting in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.074,80, waarvan 75% van € 77,52 als in debet gestelde explootkosten, na ontvangst van een daartoe strekkend betalingsverzoek van de griffie moet worden voldaan aan de griffier onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer (C/13/556865 / HA ZA 14-14), te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, bij niet tijdige betaling te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.6.

veroordeelt Rentekorting in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, bij niet tijdige betaling te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling en te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Rentekorting niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te voldoen binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis, bij niet tijdige betaling te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.7.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.5 en 5.6 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.R. Wisse, rechter, bijgestaan door mr. E.J. van Veelen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2014.

*