Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:7989

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-10-2014
Datum publicatie
27-11-2014
Zaaknummer
AMS 13-4916, AMS 13-7045, AMS 13-7046 en AMS 13-7068
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zorgverzekeringswet. Bestuursrechtelijke premie.

De uitzondering voor bezwaar en beroep bij de bestuursrechter van besluiten met betrekking tot de verschuldigdheid en de hoogte van de bestuursrechtelijke premie is de uitdrukkelijke bedoeling en keuze van de wetgever geweest. Er is hier geen hiaat in de wet.

Eisers kunnen zich bovendien tot de civiele rechter wenden als zij het niet eens zijn met de verschuldigdheid en de hoogte van de bestuursrechtelijke premie. Dit is niet in strijd met artikel 6 van het EVRM. Eiseres kunnen zich wenden tot de rechter.

Zelfs al zou met eisers worden aangenomen dat de bestuursrechtelijke premie een criminal charge vormt als bedoeld in artikel 6 van het EVRM of dat sprake is van ontneming van eigendom zoals bedoeld in artikel 1 EP, dan schrijft artikel 6 van het EVRM niet voor welke rechter op dat punt tot oordelen bevoegd is. Artikel 6 van het EVRM wijst daarvoor ook niet de bestuursrechter aan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 13/4916, AMS 13/7045, AMS 13/7046, en AMS 13/7068

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 oktober 2014 in de zaken tussen

[eiser 1], te[woonplaats], eiser in de zaak AMS 13/4916 (eiser 1)

[eiseres], te[woonplaats], eiseres in de zaak AMS 13/7045 (eiseres)

[eiser 2], zonder vaste woon- of verblijfplaats, eiser in de zaak AMS 13/7046 (eiser 2)

[eiser 3], te[woonplaats], eiser in de zaak AMS 13/7068 (eiser 3)

gezamenlijk te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. S.M. Singh),

en

Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz), verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. Nijman).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 31 december 2012 heeft verweerder eisers 1 en 2 meegedeeld dat de bestuursrechtelijke premie voor het jaar 2013 € 160,12 per maand bedraagt.

Bij besluit van 24 januari 2013 heeft de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (de DWI) de bestuursrechtelijke premie van € 160,12 op de bijstandsuitkering van eiseres ingehouden.

Bij besluit van 7 mei 2013 heeft verweerder aan eiser 3 meegedeeld dat hij vanaf mei 2013 een bestuursrechtelijke premie van € 160,12 per maand moet betalen.

Bij afzonderlijke besluiten van 19 juli 2013 en 23 oktober 2013 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk verklaard voor zover die zien op de verschuldigdheid en/of de hoogte van de bestuursrechtelijke premie en de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard.

Eisers hebben afzonderlijk tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken AMS 13/7045 en AMS 13/7046 heeft gevoegd plaatsgevonden op 5 maart 2014. In de zaak AMS 13/7068 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden op 7 maart 2014.

Bij beslissingen van 10 maart 2014 en 28 maart 2014 heeft de rechtbank het onderzoek in de zaken AMS 13/7045, AMS 13/7046 en AMS 13/7068 heropend, de zaken verwezen naar de meervoudige kamer en bepaald dat het onderzoek op een nader te bepalen datum wordt voortgezet.

De meervoudige kamer heeft het onderzoek ter zitting gevoegd behandeld op 15 juli 2014. Namens eiser 1 is zijn zoon[naam] verschenen. Eiser 3 is ook verschenen. Eisers zijn bijgestaan dan wel vertegenwoordigd door hun gemachtigde, tezamen met

mr. E.S. Grimminck. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1.1

Als gevolg van de inwerkingtreding van de “Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit en zorg” (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut per 1 april 2014 de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.

1.2

De beroepen van eisers zijn in de kern gericht tegen de verschuldigdheid en de hoogte van de bestuursrechtelijke premie.

1.3

Eisers zijn door hun zorgverzekeraars aangemeld bij het Cvz als wanbetaler in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw), omdat zij bij hun zorgverzekeraar voor hun zorgverzekering een betalingsachterstand hebben van zes maandpremies of meer.

1.4

Het Cvz heeft eisers meegedeeld dat zij de zogenoemde bestuursrechtelijke premie moeten betalen, hun de hoogte daarvan meegedeeld en daarbij vermeld dat de premie zal worden ingehouden op hun inkomsten.

1.5

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de verschuldigdheid en/of de hoogte van de bestuursrechtelijke premie niet-ontvankelijk verklaard, nu daartegen op grond van artikel 8:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak geen beroep kan worden ingesteld. De bezwaren zijn door verweerder voor het overige ongegrond verklaard. Hiertoe heeft verweerder – kort weergegeven – overwogen dat hij op grond van de Beleidsregels inning bestuursrechtelijke premie Zorgverzekeringswet 2012 (de Beleidsregels) de mogelijkheid heeft om te kiezen op welke wijze de bestuursrechtelijke premie wordt geïnd, waarbij rekening wordt gehouden met het bestaansminimum.

Standpunten van partijen

2. Eisers hebben aangevoerd dat de rechtbank exceptief dient te toetsen aan artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) behorende bij het EVRM en artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten (het Handvest).

Ter zitting van 15 juli 2014 is verder gebleken dat eisers niet alleen een exceptieve toetsing van de bestuursrechtelijke premie door de rechtbank verzoeken. Eisers hebben namelijk aangevoerd dat verweerder de Awb niet correct uitvoert dan wel heeft uitgevoerd. Volgens hen valt de bestuursrechtelijke premie onder de bestuursrechtelijke geldschulden, zodat zij onder het rechtsbeschermingsstelsel van die schulden vallen. Eisers hebben hierbij verduidelijkt dat zij niet stellen dat de premieschuld jegens de zorgverzekeraars, maar de bestuursrechtelijke premie een bestuursrechtelijke geldschuld is.

Eisers hebben verder aangevoerd dat zich bij de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie in de praktijk een groot aantal knelpunten voordoet die niet kunnen worden verholpen door het wetssysteem zoals verweerder dit uitlegt. Dit leidt er volgens hen toe dat sprake is van een hiaat in de wet dat tot gevolg heeft dat zij tussen wal en schip vallen. De betaling van de bestuursrechtelijke premie betreft een fors bedrag van hun inkomen, terwijl zij over weinig financiële middelen beschikken.

3. Verweerder heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat hetgeen eisers hebben aangevoerd niet leidt tot een vernietiging van de bestreden besluiten.

Juridisch kader

4.1

Op grond van artikel 8:5, eerste lid, van de Awb, zoals dit artikel luidt vanaf

1 januari 2013, kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak.

Op grond van artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit, genomen op grond van artikel 18f, eerste lid, in samenhang met artikel 18d of 18e van de Zvw, voor zover dat besluit wordt genomen over de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie of de hoogte daarvan.

Ten tijde van het nemen en bekendmaken van de primaire besluiten van

31 december 2012 was eenzelfde uitzondering neergelegd in artikel 8:5, eerste lid, van de Awb, maar dan in samenhang met onderdeel H (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) sub 4, van de bijlage bij de Awb.

4.2

De bestuursrechtelijke premie bedraagt 130% van de standaardpremie voor de zorgverzekering.

Op grond van artikel 18f, eerste lid, van de Zvw heft en int het Cvz de bestuursrechtelijke premie.

Op grond van artikel 18f, tweede lid, van de Zvw houdt de inhoudingsplichtige in opdracht van het Cvz de bestuursrechtelijke premie geheel of voor een door dat college te bepalen gedeelte in op door hem aan de verzekeringnemer verschuldigd loon als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964, waarna hij het ingehouden bedrag aan het college afdraagt.

Op grond van artikel 18f, derde lid, van de Zvw geschiedt de inhouding onmiddellijk nadat de krachtens een ander wettelijk voorschrift of krachtens een arbeidsovereenkomst verplicht in te houden belastingen, premies of andere bijdragen zijn ingehouden, met dien verstande dat bij ministeriële regeling op socialezekerheidsuitkeringen te verrichten inhoudingen of verrekeningen kunnen worden aangewezen waarvoor een andere volgorde geldt.

4.3

Ambtshalve overweegt de rechtbank nog dat het primaire besluit in de zaak van eiseres de uitkeringsspecificatie van de DWI van 24 januari 2013 is. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij het bezwaar beschouwt als impliciet te zijn gericht tegen de opdracht van verweerder aan de DWI als inhoudingsplichtige tot inhouding van de bestuursrechtelijke premie. Eiseres heeft zich niet verzet tegen deze lezing, en ook de rechtbank volgt die, onder verwijzing naar het hiervoor weergegeven artikel 18f, tweede lid, van de Zvw. De rechtbank kan de door verweerder genomen beslissing op bezwaar in de zaak van eiseres dan ook beoordelen aan de hand van de door eiseres daartegen aangevoerde beroepsgronden.

Beoordeling van het geschil

5.1

De bezwaren van eisers tegen de verschuldigdheid en de hoogte van de bestuursrechtelijke premie zijn door verweerder niet-ontvankelijk verklaard. Slechts indien de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren voor vernietiging in aanmerking komt, kunnen die bezwaren inhoudelijk aan de orde komen. De rechtbank dient dan ook als eerste de vraag te beantwoorden of op grond van hetgeen namens eisers is aangevoerd die niet-ontvankelijkverklaring voor vernietiging in aanmerking komt.

Niet-ontvankelijkheid naar nationaal recht

5.2

De rechtbank stelt voorop dat de letterlijke tekst van het hiervóór onder 4.1 weergegeven wettelijk kader ondubbelzinnig besluiten met betrekking tot de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie of de hoogte daarvan uitsluit van beroep bij de bestuursrechter. Naar blijkt uit de parlementaire geschiedenis (zie bijvoorbeeld de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 31 736, nr. 3, pag. 52) is die uitsluiting ook uitdrukkelijk de bedoeling geweest van de wetgever.

5.3

Eisers hebben geen (concrete) bepaling aangewezen uit Titel 4.4 van de Awb waarmee die uitsluiting in strijd zou zijn. Wel hebben zij de strijd meer algemeen gesteld en benadrukt het van groot belang te vinden dat voordat een bestuursrechtelijke premie verschuldigd wordt, daarvan in besluitvorm mededeling wordt gedaan waartegen door betrokkene dan in rechte kan worden opgekomen onder opschorting van de betalingsverplichting.

De rechtbank leidt daaruit af dat eisers vooral een beroep beogen te doen op de artikelen 4:86 en 4:87 van de Awb. Die artikelen bevatten bepalingen met betrekking tot het bij beschikking vaststellen van de verplichting tot betaling van een geldsom en de termijn van betaling daarvan. Daarbij worden echter ook uitdrukkelijk wettelijke uitzonderingsmogelijkheden voorzien, in bijvoorbeeld artikel 4:87, tweede lid, en artikel 4:88, eerste lid, van de Awb. Dat sprake is van een bijzondere wettelijke regeling rond de bestuursrechtelijke zorgpremie kan dan ook bezwaarlijk in strijd worden geacht met deze bepalingen.

5.4

Meer wezenlijk is echter dat Titel 4.4 van de Awb geen betrekking heeft op de mogelijkheid van een beroep bij de bestuursrechter. Dat is het onderwerp van hoofdstuk 8 van de Awb, waarvan artikel 8:5 onderwerp uitmaakt. Dat artikel 8:5 van de Awb (en de daarop gebaseerde uitsluiting van beroep met betrekking tot de bestuursrechtelijke premie) zou strijden met Titel 4.4 van de Awb valt in dit licht ook overigens niet te begrijpen.

5.5

Voor zover eisers hebben bedoeld te stellen dat een wettelijke verplichting om een beschikking te nemen ertoe dwingt dat beroep openstaat bij de bestuursrechter, vindt die stelling geen steun in de wet. Daarbij wijst de rechtbank er nog op dat uitzonderingen op de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de bestuursrechter tegen besluiten van meet af aan deel hebben uitgemaakt van de Awb, en bovendien ook op meer besluiten betrekking hebben dan die met betrekking tot een bestuursrechtelijke premie. De rechtbank volstaat op dit punt met een verwijzing naar de artikelen 8:2, 8:3, 8:4, 8:5 en 8:6 van de Awb. De uitzondering van de bestuursrechtelijke premie van beroep bij de bestuursrechter is dus bepaald niet uniek.

Dat ook een andere keuze van de wetgever denkbaar was geweest -zoals eisers voorstaan- maakt niet dat die keuze feitelijk ook anders is gemaakt. Met verweerder tekent de rechtbank daarbij nog wel aan dat de wet er niet toe leidt dat eisers in het geheel geen toegang tot de rechter hebben. Zij kunnen zich immers wenden tot de civiele rechter als restrechter. Ook dat is door de wetgever bewust beoogd. Deze beroepsgrond kan eisers dan ook niet baten.

Niet-ontvankelijkheid en artikel 6 van het EVRM

5.6

Eisers hebben verder aangevoerd dat sprake is van schending van artikel 6 van het EVRM en dat dit artikel dwingt tot toegang tot de bestuursrechter. In dit verband hebben eisers ook aangevoerd dat sprake is van een hiaat in de wet doordat de wijze van inning van de bestuursrechtelijke premie aan de bestuursrechter kan worden voorgelegd en de verschuldigdheid en de hoogte van de premie aan de burgerlijke rechter moet worden voorgelegd.

5.7

In artikel 6 van het EVRM is – voor zover hier van belang – het volgende bepaald: Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

5.8

De rechtbank overweegt dat artikel 6 van het EVRM niet voorschrijft dat beroep moet kunnen worden ingesteld bij de bestuursrechter. Wel is bepaald dat sprake moet zijn van een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij wet is ingesteld. Aan dit vereiste voldoet niet alleen de bestuursrechter, maar ook de burgerlijke rechter. Naar ook blijkt uit het door eisers aangehaalde arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens te Straatsburg (EHRM) inzake Brumărescu (te vinden op http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001-58337) is ook de burgerlijke rechter aan artikel 6 van het EVRM gebonden.

5.9

Wel dient de in artikel 6 van het EVRM genoemde toegang tot de rechter een reële te zijn. In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 14 augustus 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1418), waarin is overwogen dat het in artikel 6 van het EVRM vervatte recht op toegang tot de rechter niet absoluut is, nu het aan beperkingen mag worden onderworpen. Dergelijke beperkingen mogen echter het recht op toegang tot de rechter niet in essentie aantasten, moeten een gerechtvaardigd doel dienen en proportioneel zijn aan dat doel.

5.10

In dat verband stelt de rechtbank voorop dat zelfs indien de drempels voor een procedure bij de civiele rechter als hoger worden ervaren dan die voor een procedure bij de bestuursrechter (zoals door eisers is gesteld), dat nog niet maakt dat een procedure bij de civiele rechter niet als een reële toegang tot de rechter kan worden gezien in de zin van artikel 6 van het EVRM. Voorts overweegt de rechtbank dat de wetgever zich het belang van de rechtsbescherming terdege heeft gerealiseerd en zich heeft aangetrokken. In dat kader verwijst de rechtbank naar de reeds genoemde Memorie van Toelichting (p. 16), onder “e. Rechtsbescherming”.

5.11

Eisers hebben bij hun stelling dat sprake is van een hiaat benadrukt dat de wijze van inning van de bestuursrechtelijke premie aan de bestuursrechter kan worden voorgelegd, maar de verschuldigdheid en de hoogte van die premie aan de burgerlijke rechter moet worden voorgelegd. Naar de rechtbank begrijpt, menen eisers dat deze omstandigheid er juist voor pleit om ook de toetsing van de bestuursrechtelijke premie aan de bestuursrechter te laten.

5.12

Dat betoog kan eisers echter niet baten, omdat de wetgever uitdrukkelijk en bewust een andere keuze heeft gemaakt. Van een hiaat is dan ook geen sprake. In het bijzonder wijst de rechtbank op de reeds genoemde Memorie van Toelichting (p. 16), waarin wordt gememoreerd dat in de periode voordat een verzekerde door zijn verzekeraar wordt aangemeld bij verweerder, sprake is van een premie-achterstand die als een privaatrechtelijke geldschuld is aan te merken. Dat de verzekerde voor de hoogte van de bestuursrechtelijke premie ook naar de burgerlijke rechter kan (en niet naar de bestuursrechter), sluit hierbij goed aan, nu de burgerlijke rechter ook bevoegd is om te oordelen over geschillen die voorafgaan aan de bestuursrechtelijke premie.

5.13

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een rechtsgang bij de burgerlijke rechter tegen de verschuldigdheid en de hoogte van de bestuursrechtelijke premie niet in strijd is met artikel 6 van het EVRM. Of het door verweerder genoemde alternatief van een procedure bij de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen effectief is, kan en zal de rechtbank dan ook in het midden laten.

5.14

Eisers hebben zich ook beroepen op artikel 47 van het Handvest. Nog daargelaten in hoeverre die bepaling van Unierecht van toepassing is op de voorliggende geschillen, kan dit beroep eisers ook niet baten waar gesteld noch gebleken is dat toetsing aan die bepaling inhoudelijk een meerwaarde heeft ten opzichte van de toetsing aan artikel 6 van het EVRM. Het beroep op deze bepaling zal de rechtbank verder dan ook onbesproken laten.

Niet-ontvankelijkheid voor het overige

5.15

Voorts hebben eisers aangevoerd dat de bestuursrechtelijke premie een punitieve sanctie (criminal charge) is, omdat die premie door blijft lopen totdat de premie-achterstand volledig is voldaan. Hierdoor is volgens hen sprake van schending van het ne bis in idem beginsel. Zij hebben daarbij verwezen naar het arrest van het EHRM inzake Segame (te vinden op http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001-111371), waarbij het ging om een fiscale boete. Ook hebben eisers, onder verwijzing ter zitting naar een aantal arresten van het EVRM, aangevoerd dat sprake is van een schending van het eigendomsrecht dat wordt beschermd door artikel 1 EP.

5.16

Voor zover eisers hiermee tevens hebben bedoeld te stellen dat niet de burgerlijke rechter, maar de bestuursrechter zou moeten oordelen over de bestuursrechtelijke premie, baat hun dat niet. Zelfs al zou met eisers worden aangenomen dat de bestuursrechtelijke premie een criminal charge vormt als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, dan zegt datzelfde artikel niet welke rechter op dat punt tot oordelen bevoegd is. Wel ligt in dat artikel een aantal waarborgen vast waaraan een gerechtelijke procedure dan zou moeten voldoen, maar daarmee wordt niet een bepaalde rechter aangewezen, laat staan dat dat dan de bestuursrechter is.

Ook in het arrest Segame was de vraag welke nationale rechter bevoegd was niet aan de orde, maar de vraag of de procedure voor de betrokken nationale bestuursrechter voldeed aan die waarborgen, welke vraag vervolgens overigens bevestigend werd beantwoord door het EHRM. Uit de omstandigheid dat de procedure feitelijk voor de bestuursrechter was gevoerd, kan niet worden afgeleid dat dergelijke procedures op grond van het EVRM ook voor de bestuursrechter moeten worden gevoerd.

5.17

De rechtbank overweegt verder dat niet in geschil is dat sprake is van ontneming van eigendom als bedoeld in artikel 1 EP. Het beroep dat eisers ter zitting op de arresten van het EHRM inzake Gaygusuz (te vinden op http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001-58060), Papamichalopoulos (te vinden op http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001-57836) en Tkachevy (te vinden op http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001-109060)) hebben gedaan, voegt daarom niets toe. Partijen verschillen wel van mening over de vraag of die ontneming voldoet aan de eisen van dat artikel, of niet.

5.18

Zelfs indien de rechtbank met partijen zou aannemen dat sprake is van ontneming van eigendom, en zelfs indien die ontneming zou strijden met dat artikel zoals eisers stellen, maakt dat niet dat de bestuursrechter daarover dan zou moeten oordelen. Ook hier geldt dat artikel 6 van het EVRM niet zegt dat de bestuursrechter bevoegd dient te zijn. De rechtbank laat dan nog daar dat het juist de burgerlijke rechter is die vaak over eigendomsvragen oordeelt.

5.19

Specifiek waar het betreft het beroep van eiser 1 ziet de rechtbank ook overigens niet in welk concreet belang van rechtsbescherming is gediend met een oordeel van de bestuursrechter over de verschuldigdheid en de hoogte van de bestuursrechtelijke premie. Bij vonnis van 11 februari 2014 heeft de kantonrechter verweerder immers bevolen de invordering van de bestuursrechtelijke premie te staken en gestaakt te houden voor zover deze meer bedraagt dan de standaardpremie, zodra eiser 1 zich bereid heeft verklaard zijn schuld aan de ziektekostenverzekeraar af te lossen met tenminste € 25 per maand zolang dit bedrag wordt betaald. Eiser 1 is bovendien per 1 maart 2014 afgemeld als wanbetaler zodat hij niet langer de bestuursrechtelijke premie is verschuldigd.

5.20

Al hetgeen namens eisers is aangevoerd tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaren kan dus niet leiden tot vernietiging van die niet-ontvankelijkverklaring. Om die reden, en onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 13 februari 2013 en – meest recent – 3 september 2014 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2521 en ECLI:NL:CRVB:2014:2935) oordeelt de rechtbank de beroepen van eisers in zoverre dan ook ongegrond.

5.21

Aan het voorgaande voegt de rechtbank nog het volgende toe. Het is een feit van algemene bekendheid dat de problematiek van de wanbetalers onder de Zvw omvangrijk is, waarbij het in veel gevallen gaat om mensen in een maatschappelijk moeilijke en zwakke positie. Verweerder heeft daarin een bijzondere verantwoordelijkheid. Gelet op artikel 12 van zijn Beleidsregels kan verweerder immers ten behoeve van de uitvoering van het bepaalde in de artikelen 18c tot en met 18g van de Zvw en het bepaalde in de Beleidsregels werkafspraken maken met diverse instanties, waaronder de zorgverzekeraars.

Verweerder zal zich voortdurend bewust dienen te zijn van zijn verantwoordelijkheid in dezen, en die verantwoordelijkheid ook vorm dienen te geven. Daarbij wijst de rechtbank ook op de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 juli 2014, waarin wordt onderkend dat het een probleem is dat bepaalde groepen wanbetalers langdurig de bestuursrechtelijke premie verschuldigd zijn en dat hiervoor oplossingen moeten worden gezocht. Maar ook dat gegeven maakt niet dat de bestuursrechter, met terzijdestelling van de burgerlijke rechter, bevoegd is om te oordelen over de verschuldigdheid en de hoogte van de bestuursrechtelijke premie. De inhoudelijke grieven van eisers tegen de hoogte en de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie dient de rechtbank dan ook onbesproken te laten.

De ongegrondverklaring van de bezwaren tegen de wijze van inning van de bestuursrechtelijke premie

6.1

De gronden van de beroepen van eisers liggen op dit punt in het verlengde van hun stellingen met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren. De rechtbank verwijst dan ook allereerst naar hetgeen hiervóór reeds is overwogen, dat leidt tot een andere conclusie dan namens eisers is bepleit.

6.2

Specifiek waar het betreft de stellingen met betrekking tot de beslagvrije voet, verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Raad van 17 oktober 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY0437) en 27 februari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2471). In die laatste uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat verweerder niet is gehouden bij het uitoefenen van de bevoegdheid tot inning van de bestuursrechtelijke premie door broninhouding de beslagvrije voet te betrekken, omdat de wetgever op andere wijze heeft voorzien in de waarborg dat een gerechtigde tot een uitkering op minimumniveau tenminste kan beschikken over de beslagvrije voet, verminderd met hetgeen reeds in de beslagvrije voet is verdisconteerd voor de kosten van de ziektekostenverzekering.

6.3

In hetgeen namens eisers is aangevoerd tegen de wijze van inning van de bestuursrechtelijke premie ziet de rechtbank dan ook geen grond om te komen tot vernietiging van het bestreden besluit.

De beroepen voor het overige

7. Waar niet is gebleken van gronden voor vernietiging van het bestreden besluit, wordt niet meer toegekomen aan de vraag of eiser 3, gelet op de artikelen 4:8 (de rechtbank begrijpt: 4:7) en 4:12 van de Awb ten onrechte niet voorafgaand aan het primaire besluit is gehoord.

Conclusie

8. Gelet op al het voorgaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Gegeven die ongegrondverklaring bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, voorzitter,

en mrs. C.J. Polak en mr. J.W. Vriethoff, leden,

in aanwezigheid van mr. L.M. van der Zee, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2014.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.