Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:794

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-02-2014
Datum publicatie
24-02-2014
Zaaknummer
552175 / HA RK 13/331
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Patiënt is op de afdeling spoedeisende hulp van een trolley gevallen. De rechtbank concludeert, alles overwegende, dat ten opzichte van deze patiënt niet de zorgvuldigheid in acht is genomen die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in gelijke omstandigheden mocht worden verwacht, nu de patiënt aan een groter risico is blootgesteld dan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verantwoord was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2014-0048

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: 552175/ HA RK 13/331

Beschikking van 13 februari 2014

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat mr. R.T. Bocxe,

tegen

de stichting,

STICHTING VU MEDISCH CENTRUM,

gevestigd te Amsterdam,

Advocaat mr. J. Meyst-Michels.

Partijen worden hierna respectievelijk [verzoekster] en VUmc genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift om te beslissen over een deelgeschil van 18 oktober 2013, met producties,

- de beschikking van 21 november 2013 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,

- het verweerschrift, met producties,

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 januari 2014,

- de brief van 28 januari 2014 van VUmc als reactie op het proces-verbaal.

1.2.

Op de mondelinge behandeling is de datum voor onderhavige beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Op 18 november 2008 belde de echtgenoot van [verzoekster] 112, omdat [verzoekster] naast de bank in haar woonkamer was aangetroffen. Om 10:17 uur werd [verzoekster] door de ambulance naar de afdeling spoedeisende hulp (SEH) van VUmc gebracht. Uit de overdracht van het ambulancepersoneel bleek dat [verzoekster] op 17 november 2008 ’s avonds door een waarnemend huisarts was onderzocht in verband met hoofdpijn en een mogelijk veranderde spraak. [verzoekster] is daarna thuis nog tweemaal gevallen.

2.2.

Op de SEH in VUmc was anamnese niet goed mogelijk door onsamenhangende antwoorden van [verzoekster].

2.3.

[verzoekster] werd op een trolley in behandelkamer 4 op de SEH geplaatst. Daar was [verzoekster] wisselend onrustig. Ze zei afwisselend hoofdpijn en buikpijn te hebben. Ze wierp dekens van zich af, trok monitordraden los en draaide in haar bed. Tevens greep [verzoekster] diverse malen naar haar buik en hoofd. Er werd geen indicatie gezien voor fixatie. Als preventieve maatregel, ter voorkoming dat [verzoekster] van de trolley zou vallen, was het bed in de laagste stand gezet en waren de bedhekken omhoog gedaan. De trolley waarop [verzoekster] lag had geen hoofdsteun. Dit geldt ook voor de andere trolleys op de SEH, evenals voor de trolleys op SEH afdelingen van andere ziekenhuizen. De gordijnen om haar trolley waren half open, omdat [verzoekster] door het gedraai soms half ontbloot raakte.

2.4.

De echtgenoot van [verzoekster] was niet aanwezig op de SEH. Haar echtgenoot dacht dat zijn vrouw naar het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis (OLVG) was gebracht maar [verzoekster] was daar geweigerd omdat de SEH van het OLVG was gesloten. Er waren ook geen andere familieleden of bekenden bij [verzoekster] op de SEH.

2.5.

Bij [verzoekster] werd een CT-scan gemaakt. Toen zij daarna teruggekeerd was op de SEH werd zij weer gezien door de verpleegkundige die [verzoekster] gedurende de periode op de SEH afdeling begeleidde (hierna de SEH verpleegkundige) en werd bij haar een blaaskatheter ingebracht. De SEH verpleegkundige moest direct daarna, om 13:40 uur, met spoed naar een reanimatie in de shockroom. Nog geen vijf minuten later werd een bons gehoord (13:45 uur). Toen gekeken werd, werd [verzoekster] op de grond aangetroffen, ter hoogte van het hoofdeinde van het bed.

2.6.

[verzoekster] werd direct door artsen en verpleegkundigen onderzocht. Zij bleek onder meer een vertraagd bewustzijn te hebben. In afwachting van een te herhalen CT-scan van de hersenen, ging [verzoekster] geleidelijk achteruit en werd zij minder aanspreekbaar. De CT-scan (14:50 uur) liet een subduraal hematoom zien over de rechter hemisfeer met midlineshift. [verzoekster] onderging direct daarna een craniotomie ter ontlasting van het hematoon.

2.7.

In de rapportage van VUmc aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), van 10 maart 2009, is onder meer opgenomen:

3 Analyse van de oorzaken (volgens PRISMA-methode)

Patiënte had geen continue toezicht tijdens het verblijf op de SEH.

In verband met drukte op de SEH met meerdere complexe patiënten lag mevrouw niet in het gezichtsveld van de centrale balie. (…)

4 Conclusies

Het betreft hier een valincident bij een patiënte met een verminderd ziekte-inzicht bij verwardheid mogelijk op basis van een doorgemaakt herseninfarct in de rechter hemisfeer danwel een infectie en bij pre-existente cognitieve stoornissen.

De vraag is of dit incident vermijdbaar was geweest. Waarschijnlijk zou dit niet zijn gebeurd bij continue toezicht.

5 Verbeteracties

Bij patiënten met verminderd ziekte-inzicht, en zeker indien er geen begeleiding aanwezig is, dient altijd te worden gestreefd naar optimaal toezicht. (…) Op de SEH is het gebruikelijk dat onrustige

patiënten worden verplaatst naar een locatie waarbij meer toezicht is. Bij meerdere ernstig zieke patiënten moeten keuzes worden gemaakt. Prioriteit ligt bij de onrustige patiënt, zodat deze het meeste toezicht heeft.

2.8.

In het gespreksverslag van het gesprek tussen de IGZ en VUmc is, onder meer, opgenomen:

(…) Samenvatting van de bevindingen:

(...) De verpleegkundige van de patiënte werd (…) direct op de traumakamer verwacht. De afspraak is dat in dergelijke situaties de zorg direct wordt overgedragen door de eerst verantwoordelijk verpleegkundige aan een collega. Indien dit niet mogelijk is, wordt de zorg opnieuw toegewezen door de coördinerend SEH-verpleegkundige aan een andere SEH-verpleegkundige. In dit geval was de SEH-verpleegkundige net bij de patiënt geweest om een catheter in te brengen (…)

Sinds februari 2009 zijn er diverse maatregelen genomen om de zorg beter en veiliger te maken. (…)

Bij binnenkomst van de patiënt op de SEH wordt een inschatting gemaakt van het risico op vallen. Zonodig vindt continue bewaking plaats. Wanneer familie of begeleiders met de patiënt meegekomen zijn, kan altijd een van hen bij de patiënt blijven. Op de SEH is het ziekenhuisbrede protocol vrijheidsbeperkende maatregelen van toepassing. Het protocol wordt al goed bruikbaar ook voor de SEH ervaren. Bij deze patiënte werd het risico laag/gemiddeld ingeschat. Een reden om het bed laag en het hek hoog te zetten. Er was weinig onrust bij patiënte.

2.9.

In de richtlijn ‘Richtlijn vrijheidsbeperkende interventies in het VU Medisch Centrum’ van oktober 2005 (hierna de Richtlijn) is, onder meer, opgenomen:

Inleiding

(…)

Al deze interventies worden gebruikt om patiënten te beschermen tegen risicovolle of gevaarlijke situaties. Het behoort immers tot de taak van verpleegkundigen om bescherming te bieden en patiënten te behoeden voor gevaar.

(…)

De richtlijn is geen hulpmiddel waarmee pasklare oplossingen gevonden kunnen worden in alle individuele zorgsituaties. De richtlijn is ook geen beslisboom waarmee ja- of nee-antwoorden gevonden worden. Of vrijheidsbeperkende interventies verantwoord zijn in een individuele situatie zal uiteindelijk door de arts en de verpleegkundige, samen met de patiënt en de familie, bepaald moeten worden. Wel is de richtlijn een hulpmiddel waarmee de betrokkenen een antwoord op al die vragen kunnen formuleren.

(...)

1.2

Motieven voor gebruik

(…)

Een patiënt moet beschermd worden tegen de risico’s van een eventuele val uit bed (...)

(…)

Voorbeelden van veel voorkomende situaties waarbij gevaar voor letsel kan ontstaan zijn:

 Vallen uit bed (…)

1.4.1

Risicofactoren

Er is een aantal risicofactoren die kunnen leiden tot gevaar voor letsel. Deze kunnen worden ingedeeld met betrekking tot de persoon, tot de behandeling en tot de omgeving.

Risicofactoren met betrekking tot de persoon komen voort uit de aandoening die de patiënt heeft en uit zijn persoonskenmerken. Voorbeelden hiervan zijn:

  • -

    geheugenstoornissen

  • -

    waarnemingsstoornissen

  • -

    visusstoornissen

  • -

    gevoelsstoornissen

  • -

    mobiliteitsstoornissen

  • -

    spierzwakte/parese

  • -

    evenwichtsstoornissen

  • -

    coördinatiestoornissen

  • -

    gedragsstoornissen

(…)

Tenslotte kunnen kenmerken van de omgeving het risico versterken. (…)

In hoeverre er gevaar voor letsel ontstaat is vaak afhankelijk van een combinatie van bovenstaande risicofactoren. “Het gebruik van vrijheidsbeperkende interventies wordt dus niet alleen ingegeven door risico dat wordt veroorzaakt door gedrag van patiënten. Het gedrag zelf is vaak niet zo gevaarlijk of risicovol. Of gedrag gevaarlijk is, wordt ook beïnvloed door de omstandigheden waarin dit gedrag zich voordoet. Het wordt (mede)bepaald door factoren die samenhangen met de verpleegkundigen, de situatie op de werkplek en de beschikbaarheid van alternatieven. (...) Gedrag dat bij minimale personele bezetting leidt tot gevaarlijke situaties hoeft bij adequate personele bezetting niet daartoe te leiden.

1.4.2

Acuut en dreigend gevaar

(...)

Vaak kan gevaar voor letsel bij een patiënt (…) voorzien worden. Het gaat dan om een situatie waarbij te verwachten valt dat er gevaar kan ontstaan (dreigend gevaar). De patiënt is bijvoorbeeld gedesoriënteerd, plukkerig en hangt steeds met de benen over de bedhekken.

(...)

1.5

Preventieve interventies

Wanneer er sprake is van dreigend gevaar voor letsel zal in eerste instantie moeten worden gezocht naar preventieve interventies die het risico op letsel verkleinen. Gedacht kan worden aan het:

 Veilig maken van de omgeving:

o Bed tegen de muur

o Bed zo laag mogelijk zetten (evt. matras op de grond)

(...)

 Toezicht houden:

o Extra persoonlijke begeleiding door verpleegkundigen of familie van de patiënt

(…)

2.10.

[verzoekster] heeft VUmc aansprakelijk gesteld voor de geleden schade als gevolg van de val van de trolley. De aansprakelijkheid is bij brief van 16 oktober 2010 betwist.

3 Het deelgeschil

3.1.

[verzoekster] verzoekt de rechtbank te bepalen:

1)

- Primair:

dat het op 18 november 2008 uit het bed vallen door [verzoekster] een gevolg is van onzorgvuldig handelen aan de zijde van VUmc waarvoor zij aansprakelijk is;

- Subsidiair:

a. dat VUmc de onderhandelingen met [verzoekster] ter nadere vaststelling van aansprakelijkheid dient voor te zetten, door midden van het verlenen van medewerking aan het inwinnen van een deskundigenoordeel over de

stelling van VUmc dat zij, gegeven de door VUmc genoemde feiten en omstandigheden, op 18 november 2008 op de afdeling SEH voldoende maatregelen had getroffen ter voorkoming van het uit bed vallen door [verzoekster];

b. dat VUmc – nu de door haar aangedragen feiten en omstandigheden tot haar risicosfeer behoren en gezien de aard van haar verweer (ovso) – de kosten van dit deskundigenoordeel, de kosten voor het inwinnen door [verzoekster] van een medisch advies (ter nadere bepaling van de soort deskundige, de persoon van de deskundige en de aan deze voor te leggen vragen) daaronder begrepen, voorlopig dient te dragen.

2) dat VUmc is gehouden om binnen een termijn van tien dagen, althans een termijn door de rechtbank in goede justitie te bepalen, gerekend vanaf de dag waarop de beschikking in deze kwestie wordt afgegeven, aan [verzoekster] te betalen de door de rechtbank conform artikel 1019aa van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) nader te begroten redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) aan de zijde van [verzoekster] bij de behandeling van het verzoekschrift, welke door haar worden begroot op het bedrag van de daadwerkelijk door de procesadvocaat aan de behandeling van het verzoek bestede tijd vermenigvuldigd met het in het verzoekschrift genoemde uurtarief althans een uurtarief door de rechtbank in goede justitie te bepalen en het door [verzoekster] betaalde griffierecht.

3.2.

VUmc voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Een verzoek als het onderhavige, dat in eerste instantie ertoe strekt dat in een deelgeschilprocedure wordt vastgesteld dat VUmc jegens [verzoekster] aansprakelijk is voor de door haar geleden schade, valt binnen de beschrijving van artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

4.2.

Bij de beantwoording van de vraag of het op 18 november 2008 uit het bed vallen van [verzoekster] een gevolg is van onzorgvuldig handelen aan de zijde van VUmc, waarvoor VUmc aansprakelijk is, wordt het volgende voorop gesteld.

4.3.

Ten opzichte van een patiënt moet de zorgvuldigheid in acht worden genomen die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het in het leven roepen of laten voortbestaan van een gevaarlijke situatie onrechtmatig is, als een ander daarmee aan een groter risico is blootgesteld dan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verantwoord is. In verband hiermee dient te worden gelet op – onder meer en voor zover in dit kader van belang – de mate van waarschijnlijkheid waarmee niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen (de zogenaamde Kelderluikcriteria).

4.4.

De rechtbank zal in het kader van de beoordeling voorts achtslaan op de in r.o. 2.9 vermelde Richtlijn omdat van VUmc en de daaraan verbonden verpleegkundigen wordt verwacht dat zij zich aan deze geldende professionele standaard houden. In de Richtlijn worden een aantal risicofactoren genoemd die kunnen leiden tot gevaar voor letsel voor patiënten, zoals eerdere valincidenten en gedragsstoornissen. Behalve deze risicofactoren zijn volgens de Richtlijn tevens de omstandigheden waarin bepaald gedrag zich voortdoet bepalend bij het vaststellen of gedrag gevaarlijk is. In de Richtlijn wordt als voorbeeld genoemd dat gedrag, dat bij minimale personele bezetting leidt tot gevaarlijke situaties, bij adequate personele bezetting daar niet toe hoeft te leiden. Op grond van de Richtlijn moet een patiënt onder meer worden beschermd tegen de risico’s van een eventuele val uit bed. Als preventieve interventies die het risico op letsel dat daardoor kan ontstaan verkleinen worden onder meer genoemd, het plaatsen van het bed tegen de muur, het bed zo laag mogelijk zetten en ‘toezicht houden’ door extra persoonlijke begeleiding door verpleegkundigen of familie van de patiënt.

4.5.

[verzoekster] werd op de grond aangetroffen, ter hoogte van het hoofdeinde van het bed. VUmc stelt dat niet duidelijk is (geworden) op welke wijze [verzoekster] uit bed is gevallen. Bij de beoordeling wordt, bij gebreke van feiten die op een andere toedracht wijzen, als vaststaand beschouwd dat [verzoekster] via het hoofdeinde van de trolley is gevallen door ‘omhoog’ te schuiven, zoals zijdens [verzoekster] is gesteld.

4.6.

Dat de val van een trolley ernstige gevolgen kan hebben, staat tussen partijen niet ter discussie en blijkt ook uit de gevolgen die [verzoekster] van dit ongeval heeft ondervonden (omschreven in r.o. 2.6).

4.7.

VUmc voert aan dat zij niet aansprakelijk is voor de schade van [verzoekster] omdat de SEH verpleegkundige aan wie de zorg over [verzoekster] was toegewezen zeer ervaren was en om die reden een goede inschatting kon maken van de mate van onrust van [verzoekster], dat zij conform de Richtlijn heeft gehandeld en dat zij, gelet op de situatie, de gepaste veiligheidsmaatregelen heeft getroffen. De rechtbank volgt VUmc daarin niet en is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden, die – kennelijk – waren ontstaan doordat er onvoldoende toezicht mogelijk was door onvoldoende bezetting, [verzoekster] aan een groter risico is blootgesteld dan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verantwoord was. Dat wordt als volgt toegelicht.

4.8.

Anders dan VUmc acht de rechtbank voor de toestand van [verzoekster] niet van groot belang dat op de dag van het ongeval nog een CT-scan van haar hersenen kon worden gemaakt. Vaststaat immers dat [verzoekster] wisselend onrustig was voorafgaand aan het ongeval. De rechtbank kan de opmerking, genoemd in het gesprekverslag uit r.o. 2.8, dat er ‘weinig onrust bij patiënte was’ ook niet volgen. Datzelfde geldt voor de stelling in het verweerschrift (onder 16) dat [verzoekster] alert reageerde op vragen. Uit haar medisch dossier bleek immers dat [verzoekster] een dag voor het ongeval al meerdere malen was gevallen en dat er sprake was van dronkenmanspraat. Ook de anamnese in het ziekenhuis was niet goed mogelijk door onsamenhangende antwoorden. [verzoekster] zei afwisselend hoofdpijn en buikpijn te hebben. Ze wierp dekens van zich af, trok monitordraden los en draaide in haar bed. Tevens greep [verzoekster] diverse malen naar haar buik en hoofd en wreef ze daarover. Ook uit de conclusies van de in r.o. 2.7 vermelde rapportage volgt dat sprake was van ‘een valincident bij een patiënte met een verminderd ziekte-inzicht bij verwardheid (…) en bij pre-existente cognitieve stoornissen’. Nu er risicofactoren waren die konden leiden tot gevaar voor letsel als bedoeld in de Richtlijn waren preventieve maatregelen geboden. De

SEH verpleegkundige heeft dit onderkend, want zij heeft preventieve maatregelen genomen door het bed in de laagste stand te zetten en de bedhekken omhoog te doen.

4.9.

Voor de beoordeling is verder van belang dat volgens de Richtlijn de gevolgtrekking dat er gevaar voor letsel bestaat niet alleen afhankelijk is van het gedrag van de patiënt, maar van een combinatie van factoren. Het gedrag zelf is vaak niet zo gevaarlijk of risicovol, aldus de Richtlijn. Deze combinatie van factoren maakte dat de getroffen maatregelen niet langer voldeden vanaf het moment dat de personele bezetting niet (meer) adequaat was, wat als volgt wordt toegelicht. De trolley waarop [verzoekster] lag, had geen uitschuifbare hoofdsteun en kon niet met het hoofdeinde tegen de muur worden gezet door de aanwezigheid van kabels en goten op de wanden van de SEH. [verzoekster] was in behandelkamer 4 op de SEH neergelegd. Deze behandelkamer lag niet in het zicht van de centrale balie. De gordijnen om haar bed waren half open. De echtgenoot van [verzoekster] was niet aanwezig en zij werd evenmin begeleid door anderen (familie of bekenden). Er was buiten de SEH verpleegkundige dus niemand die bij [verzoekster] kon blijven. Toen haar SEH verpleegkundige met spoed naar een reanimatie werd geroepen, is de zorg over [verzoekster] niet overgedragen aan een collega, noch is de zorg opnieuw toegewezen aan een ander, een verpleegkundige of een ander die toezicht op [verzoekster] kon houden. Het zicht op [verzoekster] – en daarmee de mogelijkheid om zo nodig in te grijpen bij dreigend gevaar voor [verzoekster] – ontbrak daarmee volledig gedurende de periode dat de SEH verpleegkundige afwezig was. Door de omstandigheid dat de omgeving niet optimaal veilig was (geen hoofdsteun en hoofdeinde niet tegen de muur) en het feit dat niemand zicht had op [verzoekster], is aan [verzoekster] geen afdoende bescherming geboden om haar te behoeden voor het gevaar van een eventuele val uit bed. VUmc werpt nog op dat vijf minuten geen lange periode is. Dat ontslaat VUmc, zonder nadere toelichting die ontbreekt, echter niet uit haar aansprakelijkheid voor die periode. Bovendien is ongewis hoe lang [verzoekster] alleen zou hebben gelegen indien zij, anders dan nu het geval is, niet al binnen vijf minuten zou zijn gevallen.

4.10.

Het meest verstrekkende verweer van VUmc komt erop neer dat de SEH verpleegkundige die volgens VUmc, als gezegd, zeer ervaren was en om die reden een goede inschatting kon maken van de mate van onrust van [verzoekster], geen enkele aanleiding had om te veronderstellen dat [verzoekster] dermate onrustig zou worden dat zij daardoor van de trolley af zou vallen en dat het incident onverwacht en plotseling heeft plaatsgevonden. Het ontstaan van de schade zoals deze zich in het onderhavige geval heeft voorgedaan, was volgens VUmc dus niet kenbaar en voorzienbaar. De rechtbank volgt (ook) dit verweer niet. VUmc had alleen van het treffen van behoorlijke veiligheidsmaatregelen mogen afzien, als in de gegeven omstandigheden het ontstaan van dit gevaar redelijkerwijze niet viel te verwachten. Die situatie doet zich hier niet voor. In de Richtlijn is vermeld dat een patiënt moet worden beschermd tegen de risico’s van een eventuele val uit bed. Een val uit bed vormt daarmee een gevolg dat naar objectieve maatstaven redelijkerwijs te verwachten is bij het onvoldoende volgen van de voorschriften uit de Richtlijn en is daarmee dus (expliciet) een risico waarmee VUmc in ieder geval bekend behoorde te zijn. Vaststaat dat er risicofactoren waren die konden leiden tot gevaar voor letsel door een eventuele val uit bed zodat preventieve maatregelen geboden waren, hetgeen de SEH verpleegkundige heeft onderkend. Eerder in deze beschikking is ook al vastgesteld dat de getroffen maatregelen niet langer voldeden vanaf het moment dat de personele bezetting niet (meer) adequaat was. Daardoor kon het risico zich openbaren waartegen de Richtlijn nu juist bescherming beoogt te bieden (een val uit bed). Tegen die achtergrond ontslaat de enkele omstandigheid dat VUmc niet heeft voorzien dat iemand via het hoofdeinde uit bed zou vallen, dat een val als

de onderhavige nog niet eerder op de SEH van VUmc is voorgekomen of dat de SEH verpleegkundige de risico’s anders heeft ingeschat, VUmc niet van haar aansprakelijkheid.

4.11.

In dit kader is verder van belang dat eenvoudige maatregelen hadden kunnen worden genomen ter voorkoming van een eventuele val uit bed. Als er vanaf het moment waarop de SEH verpleegkundige weggeroepen werd, toezicht was gehouden op [verzoekster] (als

bedoeld in de Richtlijn of door haar in het zicht van iemand of de centrale balie te plaatsen) was het mogelijk geweest om direct in te grijpen bij dreigend gevaar voor [verzoekster]. Dat zou het risico op een ongeval als het onderhavige hebben gereduceerd tot een niveau dat redelijkerwijs verantwoord was. Deze slotsom strookt ook met de conclusies uit de in r.o. 2.7 bedoelde rapportage dat dit incident dan waarschijnlijk niet zou zijn gebeurd. Bovendien stelt VUmc zelf in haar verweerschrift (onder 29) dat het valincident mogelijk te voorkomen zou zijn geweest als [verzoekster] op de afdeling SEH dicht bij de centrale balie zou hebben gestaan waardoor zij ‘nog meer’ gezien zou zijn. VUmc heeft onvoldoende onderbouwd waarom het op deze wijze toezicht houden geen reële optie was, in het bijzonder tegen de achtergrond dat in diezelfde rapportage onder de verbeteracties staat dat bij patiënten als [verzoekster] (met verminderd ziekte inzicht en zonder begeleiding) altijd moet worden gestreefd naar optimaal toezicht. De enkele omstandigheid dat de SEH verpleegkundige [verzoekster] kort tevoren nog had gezien en zij geen indicatie zag om [verzoekster] dicht bij de centrale balie te plaatsen, respectievelijk dat het op deze wijze toezicht houden op een patiënt op de SEH volgens VUmc ‘niet altijd haalbaar is’, is tegen die achtergrond niet toereikend.

4.12.

De rechtbank concludeert dan ook, alles overwegende, dat ten opzichte van [verzoekster] niet de zorgvuldigheid in acht is genomen die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in gelijke omstandigheden mocht worden verwacht nu [verzoekster] aan een groter risico is blootgesteld dan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verantwoord was. Gelet op het voorgaande is VUmc aansprakelijk voor de door [verzoekster] – als gevolg van het ongeval – geleden schade. De verklaring voor recht is derhalve toewijsbaar.

4.13.

De rechtbank zal gelet op de uitkomst van deze deelgeschilprocedure in onderhavige beschikking, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1019aa Rv, de kosten begroten en neemt daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 96, tweede lid, van Boek 6 BW in aanmerking. De rechtbank acht de verzochte vergoeding van 22,5 uur in overeenstemming met de dubbele redelijkheidstoets. De omstandigheid dat geen urenspecificatie is overgelegd, brengt daarin geen verandering, nu VUmc niet heeft geconcretiseerd wat volgens haar een redelijk aantal uren zou zijn geweest. Ter zitting is zijdens [verzoekster] gesteld dat met [verzoekster] een uurtarief als verzocht (€ 300,00 nog te vermeerderen met 5% kantoorkosten en 21% btw) is overeengekomen, welk uurtarief de rechtbank daarom zal volgen. De rechtbank begroot de kosten van de behandeling van het verzoek aan de zijde van [verzoekster] aldus op € 6.750,00 nog te vermeerderen met 5% kantoorkosten en 21% btw en het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 75,00.

4.14.

VUmc heeft geen gemotiveerd verweer gevoerd tegen de verzochte veroordeling in de proceskosten, zodat deze wordt toegewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat het op 18 november 2008 uit bed vallen door [verzoekster] een gevolg is van onzorgvuldig handelen aan de zijde van VUmc waarvoor zij aansprakelijk is,

5.2.

begroot de kosten van de behandeling van het verzoek aan de zijde van [verzoekster] op € 6.750,00 nog te vermeerderen met 5% kantoorkosten en 21% btw, vermeerderd met een bedrag van € 75,00 aan betaald griffierecht,

5.3.

veroordeelt VUmc tot betaling aan [verzoekster] binnen 10 dagen na dagtekening van deze beschikking van een bedrag van € 6.750,00 nog te vermeerderen met 5% kantoorkosten en 21% btw, vermeerderd met een bedrag van € 75,00 aan betaald griffierecht,

5.4.

verklaart deze beschikking ten aanzien van de veroordeling in r.o. 5.3 uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst hetgeen meer of anders is verzocht af.

Deze beschikking is gegeven door M.M. Korsten-Krijnen en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2013.