Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:7910

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
02-12-2014
Zaaknummer
C-13-556009 - HA ZA 13-1837
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Renteswaps afgesloten tussen [de bank] en [eiser] in verband met een onderliggende kredietovereenkomst. [Eiser] verwijt [de bank] dat deze niet heeft gewaarschuwd voor de gevolgen van het aanhouden van de renteswaps toen de kredietovereenkomst werd beëindigd. De rechtbank oordeelt dat dit deel van de vordering niet slaagt nu causaal verband tussen het (beweerdelijk) ontbreken van een expliciete waarschuwing van de bank en het niet beëindigen van de swaps (en dus de ten gevolge van het doorlopen van de renteswaps hogere rentekosten) ontbreekt. [Eiser] verwijt [de bank] voorts dat in strijd met de afspraken een marge voor [de bank] was opgenomen in de door [eiser] te betalen vaste rente. Dit deel van de vordering slaagt niet omdat partijen het hier aan de orde zijnde vaste-rentepercentage inclusief bankmarge zijn overeengekomen, welke overeenkomst niet is vernietigd of ontbonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2015, afl. 2, p. 93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/556009 / HA ZA 13-1837

Vonnis van 26 november 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ABOVE BOARD B.V.,

gevestigd te Oudewater,

eiseres,

advocaat: mr. H.J. Bos te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat: mr. F.R.H. van der Leeuw te Amsterdam (in de plaats van mr. H.C. Piet te Amsterdam).

Partijen zullen hierna Above Board en ABN AMRO (of de bank) worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 6 december 2013 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 12 februari 2014 waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 28 mei 2014 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de brief van de zijde van ABN AMRO (mr. Piet) van 12 juni 2014;

  • -

    de brief van de zijde van Above Board (mr. Bos) van 2 juli 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 24 augustus 2007 is Above Board opgericht met als doel het verkrijgen van de aandelen in een aantal vennootschappen (hierna: de onderneming).

2.2.

Op 27 augustus 2007 heeft Above Board ter financiering van de aankoop van de onderneming twee kredietovereenkomsten met ABN AMRO gesloten, waarbij zij in totaal een bedrag van ongeveer € 9.800.000,00 van ABN AMRO heeft geleend tegen een variabele rente (1-maands Euribor + een opslag).

2.3.

In augustus 2007 heeft Above Board tezamen met twee vennootschappen uit de door haar gekochte onderneming een drietal renteswapovereenkomsten met ABN AMRO gesloten, hetgeen is gebeurd ter afdekking van het renterisico dat Above Board met de kredietovereenkomsten liep, zulks na een of meer gesprekken tussen Above Board en ABN AMRO die waren gericht op beperking van dat renterisico. Het gaat om de volgende drie renteswapovereenkomsten:

 renteswapovereenkomst met [nummer] en met een looptijd tot 1 januari 2013, waarbij Above Board als contractspartij van ABN AMRO optreedt,

 renteswapovereenkomst met [nummer] en met een looptijd tot 1 november 2017, waarbij Nitrans B.V. als contractspartij van ABN AMRO optreedt en

 renteswapovereenkomst met [nummer] en met een looptijd tot 1 januari 2018, waarbij Nieuwenhuis Handelsonderneming B.V. als contractspartij van ABN AMRO optreedt.

2.3.1.

Uit hoofde van de renteswapovereenkomsten (hierna ook: renteswaps) is ABN AMRO rente gelijk aan 1-maands Euribor over een zekere nominale waarde aan Above Board (althans: effectief aan Above Board) gaan betalen, waarmee Above Board kon voldoen aan de door haar aan ABN AMRO te betalen rente gelijk aan 1-maands Euribor over de kredietsom (althans ter grootte van de nominale waarde daarvan), terwijl Above Board daarnaast uit hoofde van de renteswaps een vaste rente aan ABN AMRO betaalde, alsmede een opslag. Effectief had Above Board hiermee haar over de kredietsom verschuldigde variabele rente geruild tegen een vaste rente, waarmee het renterisico was afgedekt. De renteswapovereenkomsten zijn evenwel afzonderlijke, los van de kredietovereenkomst staande overeenkomsten.

2.4.

In 2009 heeft Above Board een verkooptraject met betrekking tot de door haar in 2007 gekochte onderneming in gang gezet.

2.5.

Op 17 november 2009 heeft ABN AMRO Above Board telefonisch op de hoogte gesteld van de hoogte van de negatieve marktwaarde van de renteswaps, op dat moment circa € 600.000 (volgens Above Board circa € 650.000, volgens de bank € 562.086,68).

2.6.

Op 8 december 2009 is de verkoop van de onderneming gefinaliseerd.

2.7.

Op 16 december 2009 heeft Above Board de openstaande kredietsom aan ABN AMRO afgelost.

2.8.

Above Board heeft de renteswaps op dat moment niet tussentijds beëindigd; zij heeft deze laten voortbestaan.

2.9.

In april 2010 heeft Above Board met medewerking van ABN AMRO de rechten en verplichtingen uit hoofde van renteswaps [nummer] en [nummer] overgenomen van Nitrans B.V. respectievelijk van Nieuwenhuis Handelsonderneming B.V.; deze renteswaps waren destijds immers gesteld op naam van vennootschappen behorende tot de door Above Board gekochte en inmiddels weer verkochte onderneming, terwijl tussen alle betrokkenen in confesso was dat de renteswapkwestie er een tussen Above Board en ABN AMRO was, althans behoorde te zijn.

2.10.

Op 20 april 2010 heeft ABN AMRO een Cliëntenprofiel Treasury voor Above Board opgesteld, welk stuk door Above Board is ingevuld en ondertekend. In het profiel is onder meer de volgende informatie door ABN AMRO vermeld/gevraagd en namens Above Board ingevuld:

“(…)

3. Hoeveel kennis bezitten uw vertegenwoordigers van de eigenschappen, voor- en nadelen en risico’s van derivaten in het algemeen?

Ruime kennis

(…)

De marktwaarde van derivaten is afhankelijk van de ontwikkelingen op de geld-, kapitaal-, valuta-, energie-, klimaat-, en grondstoffenmarkten en wisselt van moment tot moment. Dit brengt met zich mee dat de marktwaarde van derivaten de financiële positie van uw onderneming zowel positief als negatief kan beïnvloeden. Bij voortijdige sluiting van uw positie kan een negatieve marktwaarde voor uw onderneming leiden tot de verplichting aan de bank zekerheid te verstrekken of een bedrag aan de bank te betalen. De maximale omvang van deze potentiële betalingsverplichting is niet altijd te voorspellen.

Aankruisen wat van toepassing is.

5. Is uw onderneming bereid de kans op een dergelijke betalingsverplichting te aanvaarden?

Ja

Derivaten hebben in het algemeen als doelstelling marktrisico’s te beheersen (“hedgen”). Hierbij moet vooral gedacht worden aan rente- en valutarisico’s gerelateerd aan weersomstandigheden of prijzen op energie- en grondstoffenmarkten. Derivaten kunnen echter ook worden ingezet voor het behalen van mogelijk extra rendement.

6. Met welke doelstelling gebruikt u derivaten of wilt u derivaten gebruiken?

Meerdere antwoorden zijn mogelijk.

Beleggingsmotieven, d.w.z. met het oog op het behalen van extra rendement (beleggen)

(…)”.

2.11.

Op 28 april 2010 hebben Above Board en ABN AMRO een Overeenkomst OTC-derivaten gesloten. Deze overeenkomst houdt kort gezegd in dat ABN AMRO zich in beginsel bereid verklaart om tot 1 maart 2011 aan Above Board de mogelijkheid te geven ‘over the counter’ derivatentransacties aan te gaan, en dat Above Board zekerheid stelt door middel van het geven van een pandrecht op het creditsaldo van Above Board bij ABN AMRO welk saldo te allen tijde ten minste € 1.000.000 dient te bedragen. In de overeenkomst staat verder onder meer het volgende:

“ABN AMRO gaat ervan uit dat [Above Board] zich realiseert dat deze voorzetting een speculatief karakter heeft en dat [Above Board] de daaraan verbonden risico’s aanvaardt.”

2.12.

Wegens een administratieve fout van ABN AMRO is ABN AMRO de vennootschappen Nitrans B.V. en Nieuwenhuis Handelsonderneming B.V. blijven aanspreken op verplichtingen uit de renteswaps [nummer] respectievelijk [nummer].

2.13.

Om de fout te herstellen heeft ABN AMRO aan Above Board verzocht om een hernieuwde ondertekening van de renteswapovereenkomsten.

2.13.1.

In september 2010 heeft Above Board de renteswapovereenkomsten [nummer] en [nummer] opnieuw ondertekend.

2.13.2.

In november 2010 heeft Above Board hernieuwde renteswapovereenkomsten ondertekend:

  • -

    renteswap met [nummer] (voorheen [nummer]) en

  • -

    renteswap met [nummer] (voorheen [nummer]).

2.14.

Op 28 april 2011 heeft ABN AMRO een, reeds door haar ondertekend, gewijzigd exemplaar van de Overeenkomst OTC-derivaten aan Above Board toegezonden. De wijziging houdt in dat het tot zekerheid van ABN AMRO door Above Board aan te houden creditsaldo is verlaagd, namelijk van € 1.000.000 naar € 750.000. Op 1 juni 2011 is deze gewijzigde Overeenkomst OTC-derivaten door Above Board ondertekend.

2.15.

Op 1 januari 2013 liep de renteswap met referentienummer [nummer] af.

2.16.

In november 2013 heeft Above Board de renteswaps met referentienummers [nummer] (voorheen [nummer]) en [nummer] (voorheen [nummer]) tussentijds beëindigd, in welk kader Above Board een bedrag van € 382.610 heeft betaald, zijnde de negatieve marktwaarde van deze renteswaps tezamen op dat moment.

3 Het geschil

3.1.

Above Board vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I verklaring voor recht dat ABN AMRO toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar plichten jegens Above Board en/of dat ABN AMRO onrechtmatig jegens Above Board heeft gehandeld;

II veroordeling van ABN AMRO tot vergoeding van de door Above Board geleden schade ten bedrage van € 525.586,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf het moment waarop de schade is ontstaan tot aan de dag der algehele voldoening, althans nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

III veroordeling van ABN AMRO tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten;

IV veroordeling van ABN AMRO in de kosten van het geding, waaronder de nakosten.

3.2.

Above Board legt, samengevat, het volgende aan de vorderingen ten grondslag.

het verwijt omtrent het aanhouden van de renteswaps

3.2.1.

Vóór 17 november 2009 had Above Board al overeenstemming bereikt met de koper van de onderneming. Eerst ná het bereiken van die overeenstemming en voorafgaand aan de aflossing van het krediet is Above Board door ABN AMRO erover geïnformeerd dat de renteswaps op dat moment een negatieve marktwaarde voor Above Board hadden. ABN AMRO heeft haar in december 2009 medegedeeld dat de renteswaps voor Above Board een negatieve marktwaarde van € 656.000 hadden. Om de renteswaps in december 2009 te beëindigen diende Above Board dus dit bedrag te voldoen. Above Board was door de hoogte van de negatieve waarde zeer onaangenaam verrast. Above Board heeft ABN AMRO dan ook medegedeeld dat zij dat bedrag niet wenste te betalen, omdat ABN AMRO vóór het sluiten van de renteswaps niet ervoor heeft gewaarschuwd dat er mogelijk zeer hoge kosten zouden zijn verbonden aan het voortijdig beëindigen van de renteswaps; daardoor was Above Board met dat risico niet bekend, en heeft dit risico dan ook niet meegenomen in de onderhandelingen met de koper van de onderneming. Teneinde te wachten op een gunstig moment voor beëindiging van de renteswaps en te onderzoeken of er een andere oplossing dan beëindigen van de renteswaps mogelijk was, heeft Above Board aan ABN AMRO de wens uitgesproken om de renteswaps te laten doorlopen. Vanaf dit moment heeft ABN AMRO:

a. Above Board niet geïnformeerd over en/of gewaarschuwd voor het risico dat de betalingsverplichtingen uit hoofde van de renteswaps bij voortzetting ervan ná december 2009 ruimschoots hoger zouden kunnen uitvallen dan € 656.000;

Above Board niet geïnformeerd over en/of gewaarschuwd voor de risico’s die gepaard gaan met het aanhouden van de renteswaps zonder onderliggende financiering (de renteswaps hadden vanaf dit moment een speculatief karakter);

Above Board niet geadviseerd hoe om te gaan met de ontstane situatie na aflossing

van de financiering;

Above Board niet geïnformeerd over de renteverwachting op de lange termijn.

3.2.2.

Ook in het kader van het opnieuw ondertekenen van de renteswapovereenkomsten, in september 2010 heeft ABN AMRO Above Board niet geïnformeerd en/of gewaarschuwd in deze zin.

3.2.3.

Door in december 2009 niet bij Above Board erop aan te dringen de renteswaps te beëindigen, althans door na te laten Above Board te informeren en/of te waarschuwen zoals hiervoor bedoeld, heeft ABN AMRO de op haar rustende (bijzondere) zorgplicht jegens Above Board geschonden. Voor zover de rechtbank oordeelt dat ABN AMRO niet reeds in december 2009 indringend had moeten adviseren om de renteswaps te beëindigen, stelt Above Board subsidiair dat ABN AMRO in of omstreeks april 2011 had moeten adviseren de renteswaps te beëindigen: Above Board constateerde toen namelijk een substantiële stijging van de 1-maands Euribor, terwijl ABN AMRO op dat moment voor de lange termijn een daling verwachtte.

3.2.4.

Als ABN AMRO in december 2009 Above Board uitdrukkelijk had ontraden om de renteswaps aan te houden, dan zou Above Board dat advies hebben opgevolgd.

3.2.5.

Primair moet de schade worden bepaald op het verschil tussen enerzijds hetgeen Above Board in werkelijkheid aan ABN AMRO heeft betaald uit hoofde van de renteswaps en anderzijds hetgeen Above Board zou hebben betaald indien ABN AMRO haar (bijzondere) zorgplicht jegens Above Board was nagekomen en Above Board de renteswaps derhalve had beëindigd en afgekocht in december 2009. Dit verschil bedraagt € 525.586,00 (wanneer de ten onrechte door ABN AMRO gehanteerde bankmarge ten gunste van Above Board wordt verdisconteerd; zie hierover hierna onder 3.2.6 e.v.) althans € 391.226,00 (zonder dat die bankmarge ten gunste van Above Board wordt verdisconteerd).

Subsidiair moet de schade worden berekend uitgaande van een beëindiging en afkoop van de (overgenomen) renteswaps in april 2011.

het verwijt omtrent de bankmarge

3.2.6.

ABN AMRO heeft bij de verkoop van de renteswaps aan Above Board een bankmarge gehanteerd; de vaste rente die uit hoofde van de renteswaps door Above Board moest worden betaald betrof een hoger percentage dan de op dat moment relevante marktrente. Het verschil tussen de gehanteerde vaste rente en relevante vaste rente van de markt is de vergoeding die ABN AMRO ontvangt voor het adviseren van de renteswaps. ABN AMRO had echter in een brief van 7 augustus 2007 aan Above Board medegedeeld dat “voor het afsluiten van een Rente Swap geen premies of kosten worden berekend”. ABN AMRO handelde hierdoor onder andere in strijd met artikel 4:19 Wft en is toerekenbaar tekortgeschoten jegens Above Board. Als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van de bank heeft Above Board € 134.360 meer betaald voor de renteswaps dan zij op basis van de uitdrukkelijke mededelingen van ABN AMRO mocht verwachten. Dit bedrag dient ABN AMRO op grond van artikel 6:74 BW als schadevergoeding aan Above Board te vergoeden. Indien ABN AMRO in augustus 2007 aan haar informatieplicht jegens Above Board zou hebben voldaan, dan zou Above Board in ieder geval niet de bankmarge ten bedrage van € 134.360 aan de bank hebben betaald.

3.2.7.

Door het hanteren van de bankmarge hadden de renteswaps ten tijde van het sluiten ervan reeds een negatieve waarde. Bovendien werd de hoogte van de negatieve waarde gedurende de looptijd van de renteswaps negatief beïnvloed door de bankmarge. Als geen bankmarge was gehanteerd dan zou de negatieve waarde van de renteswaps in december 2009 zodanig veel lager zijn geweest dat Above Board had besloten om wél al op dat moment de renteswaps te beëindigen; Above Board houdt het ervoor dat de afkoopwaarde dan ten minste € 134.360 lager zou zijn geweest.

3.3.

ABN AMRO voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt in het hierna volgende nader ingegaan, voor zover dat voor de beoordeling van de zaak van belang is.

4 De beoordeling

het verwijt omtrent het aanhouden van de renteswaps

4.1.

Above Board verwijt ABN AMRO niet dat zij haar heeft geadviseerd de renteswaps af te sluiten. Above Board verwijt de bank dat zij haar onvoldoende heeft gewaarschuwd toen in 2009 de omstandigheden wijzigden op het moment dat de kredietovereenkomsten werden beëindigd, maar de renteswaps doorliepen, zo heeft haar advocaat ter comparitie de grondslag van de vordering nader toegelicht. Op dat moment had, zo meent Above Board, ABN AMRO haar moeten waarschuwen dat zij – zo begrijpt de rechtbank – het risico liep dat de rente die zij als gevolg van het doorlopen van de rentswaps moest (blijven) betalen, hoger kon worden dan de negatieve waarde van de renteswaps op dat moment. Doordat Above Board – door toedoen van ABN AMRO – niet begreep op welke wijze de negatieve waarde werd berekend, kon Above Board dit niet zelf doorgronden. Above Board verwijt de bank ook dat zij haar meer in het algemeen niet heeft gewaarschuwd voor, althans geïnformeerd over, de risico’s die gepaard gaan met het aanhouden van de renteswaps zonder onderliggende financiering.

4.2.

ABN AMRO stelt dat zij Above Board wel uitdrukkelijk en bij herhaling heeft gewaarschuwd voor de risico’s die gepaard gaan met het aanhouden van renteswaps zonder onderliggende financiering, maar kan dit niet staven met bewijsstukken. Meteen al in het gesprek op 17 november 2009 heeft de bank, zo stelt zij, aan de orde gesteld dat bij de aflossing van de financiering ook de renteswaps moesten worden beëindigd en heeft zij erop gewezen dat het laten doorlopen van de renteswaps aanzienlijke risico’s met zich kan brengen. Ook daarna is de bank blijven aandringen op afwikkeling van de rentswaps. De gesprekken verliepen volgens ABN AMRO moeizaam, omdat Above Board had besloten te gaan speculeren met de renteswaps. Het laten doorlopen van de renteswaps was volgens de bank een weloverwogen beslissing van Above Board.

4.3.

De rechtbank oordeelt als volgt. Op het moment dat de kredietovereenkomsten werden beëindigd, werd Above Board geconfronteerd met het feit dat de renteswaps een negatieve waarde hadden en dat zij deze negatieve waarde moest vergoeden als zij de renteswaps wilde beëindigen. Zij heeft er, zo volgt uit haar eigen stellingen, zelf voor gekozen dat niet te doen. Zij stelt dat ABN AMRO haar niet heeft gewaarschuwd dat hieraan risico’s waren verbonden. Hoewel de rechtbank het onwaarschijnlijk acht dat de bank dat niet heeft gedaan (en op zich van oordeel is dat de bank dit behoort te doen), kan het in het midden blijven of en op welke wijze dat in dit geval is gebeurd. Above Board was immers geconfronteerd met het feit dat bij een dalende marktrente de renteswaps een negatieve waarde hadden en wist ook dat zij – als de renteswaps door zouden blijven lopen – de overeengekomen vaste rente aan de bank zou moeten blijven betalen. Het betoog van Above Board dat zij, in het geval dat ABN AMRO haar er uitdrukkelijk op had gewezen dat de negatieve waarde nog negatiever zou kunnen worden en – zo begrijpt de rechtbank de stellingen van Above Board – dat zij rente zou moeten blijven betalen terwijl daar niets tegenover stond, wél tot beëindiging van de renteswaps was overgegaan, kan haar niet baten. Deze risico’s moeten haar zonder meer duidelijk zijn geweest, zodat causaal verband tussen het (beweerdelijk) ontbreken van een expliciete waarschuwing van de bank en het niet beëindigen van de swaps (en dus de ten gevolge van het doorlopen van de renteswaps hogere rentekosten) ontbreekt.

4.4.

Het oordeel dat Above Board niet anders zou hebben gehandeld indien ABN AMRO haar ondubbelzinnig had gewezen op de (mogelijke) gevolgen en risico’s van het aanhouden van de renteswaps wordt nog ondersteund door de volgende omstandigheden. Above Board heeft de renteswaps tot tweemaal toe vernieuwd en zij heeft zelf in april 2010 op het formulier Cliëntenprofiel ingevuld de risico’s te kennen, deze te willen en kunnen dragen en de renteswaps aan te houden als belegging. In de door haar in april 2010 ondertekende Overeenkomst OTC-derivaten die zij in verband met de (aangehouden) renteswaps heeft ondertekend, staat ook uitdrukkelijk vermeld dat “ABN AMRO […] ervan uit [gaat] dat [Above Board] zich realiseert dat deze voortzetting [van de derivatentransacties] een speculatief karakter heeft en dat [Above Board] de daaraan verbonden risico’s aanvaardt”. Ook heeft Above Board ervaren dat de bank aan het door laten lopen van de renteswaps de voorwaarde verbond dat grote bedragen (eerst een bedrag van € 1 miljoen en later € 750.000) tot zekerheid werden aangehouden op de rekening van Above Board bij de bank. Daarnaast is Above Board ook de rente gewoon blijven betalen en staat aldus vast dat zij wist dat de verplichtingen onder de renteswaps doorliepen. Dat alles heeft haar er ook in 2010 niet van weerhouden de renteswaps door te laten lopen, zodat niet aannemelijk is dat dit in 2009 anders zou zijn geweest.

het verwijt omtrent de bankmarge

4.5.

Het verwijt van Above Board komt er in de kern op neer dat ABN AMRO niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe zij het vaste rentetarief dat Above Board op grond van de renteswaps aan de bank moest betalen – en in het bijzonder de daarin verdisconteerde bankmarge – heeft berekend en dat die bankmarge geheel of gedeeltelijk een vergoeding ABN AMRO betrof voor het adviseren van de renteswaps, terwijl de bank haar had toegezegd voor het afsluiten van de renteswaps geen provisie of kosten worden berekend.

4.6.

ABN AMRO stelt hier het volgende tegenover. Zoals gebruikelijk is er een in het vaste tarief verdisconteerde vergoeding betaald voor de renteswaps. De marge is uiteraard geen gerealiseerde winst; de marge is een vergoeding voor reële risico’s en kosten van ABN AMRO, te weten debiteurenrisico, fundingkosten en kapitaalkosten. De marge was dus hoe dan ook gerechtvaardigd. De bankmarge was marktconform. Op de bank rustte ook geen verplichting aan te geven hoe het rentepercentage tot stand is gekomen. Dit is ook moeilijk te specificeren omdat de marge voor een groot deel met vertrouwelijke curves wordt bepaald. De bankmarge is niet aan te merken als premie of kosten voor het afsluiten; de bank heeft dus niet gehandeld in strijd met eigen toezeggingen. Above Board mocht er in redelijkheid niet op vertrouwen dat haar een gratis product werd aangeboden; zij mocht er niet op vertrouwen dat er geen enkele prijs, kosten of andere vormen van verdiensten door de bank in het product betrokken mochten worden; dit mocht zij niet afleiden uit het door haar aangehaalde citaat of de interpretatie ervan. Het is ABN AMRO onduidelijk wat Above Board had gedaan als de bank haar wel nader had geïnformeerd over de (hoogte en samenstelling van de) bankmarge. De stelling van Above Board dat zij dan de bankmarge niet had betaald, kan ABN AMRO niet volgen. Het stond Above Board bovendien vrij om offertes aan te vragen bij andere banken om de rentetarieven te vergelijken, maar dat heeft zij niet gedaan. Causaal verband tussen het (beweerdelijk) onvoldoende informatie verschaffen door de bank en de door Above Board gestelde schade ontbreekt dan ook. Dat de renteswaps al meteen een negatieve waarde hadden was niet relevant; op dat moment was Above Board immers niet voornemens de renteswaps te beëindigen.

4.7.

Met Above Board is de rechtbank van oordeel dat de toezegging van ABN AMRO dat “voor het afsluiten van een Rente Swap geen premies of kosten worden berekend”, zich slecht lijkt te verdragen met de verkoop van een product waaraan de bank vanzelfsprekend (zoals zij zelf ook erkent) ook verdient. Of het dan gaat om kosten voor het afsluiten of kosten die gedurende de looptijd (verdisconteerd in de bankmarge) worden betaald, is niet relevant. Strikt genomen heeft de bank dan ook gehandeld in strijd met (de letter van) haar eigen toezeggingen. De stelling van Above Board dat zij de bankmarge niet zou hebben betaald als de bank inzichtelijk had gemaakt hoe deze was opgebouwd, kan haar echter niet baten. Above Board heeft het door de bank geboden vaste rentetarief (inclusief de door de bank daarin verdisconteerde bankmarge) geaccepteerd. Kennelijk was Above Board bereid het renterisico af te kopen door middel van de renteswaps met het daarin door ABN AMRO geboden vaste tarief, was het door de bank aangeboden tarief het (commerciële) tarief waartegen zij bereid was de renteswaps aan te bieden en hebben partijen hierover overeenstemming bereikt. Above Board heeft de renteswapovereenkomsten achteraf niet vernietigd of ontbonden. De stelling van Above Board dat de renteswaps – door de gehanteerde bankmarge – al op het moment van afsluiten een negatieve waarde hadden, kan haar evenmin baten, nu zij niet duidelijk heeft gemaakt welk rechtsgevolg hieraan moet worden verbonden als het uitgangspunt is – zoals hiervoor overwogen – dat de bankmarge onderdeel is van de overeenkomst tussen partijen.

4.8.

Dit alles betekent dat de vorderingen van Above Board zullen worden afgewezen.

proceskosten en nakosten

4.9.

Above Board zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ABN AMRO worden begroot op:

- griffierecht 3.715,00

- salaris advocaat 5.160,00 (2,0 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 8.875,00

De wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar zoals gevorderd.

4.10.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is toewijsbaar als in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt Above Board in de proceskosten, aan de zijde van ABN AMRO tot op heden begroot op € 8.875,00, te vermeerderen met wettelijke rente indien en voor zover deze kosten niet binnen 14 dagen na heden zijn voldaan,

5.3.

veroordeelt Above Board in de na dit vonnis aan de zijde van ABN AMRO ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met wettelijke rente indien en voor zover deze kosten niet binnen 14 dagen na heden zijn voldaan, voorts te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden nadat Above Board niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, die € 68,00 en explootkosten nog te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betekening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, rechter, bijgestaan door mr. B. van Bremen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2014.

*