Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:7909

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
22-12-2014
Zaaknummer
C-13-561069 - HA ZA 14-279
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Buitengerechtelijke vernietiging van een rechtshandeling enerzijds en de berusting in de vernietiging anderzijds levert geen vaststellingsovereenkomst op. Beroep op dwaling door de berustende partij kan echter nog steeds door analogische toepassing van het leerstuk van dwaling buiten het overeenkomstenrecht. Het beroep op dwaling slaagt in casu niet, zodat de buitengerechtelijke vernietiging in stand blijft. Vanuit dat kader wordt vervolgens de strekking van de verklaring van de berustende partij jegens de vernietigende partij geduid in het licht van artikel 3:35 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/561069 / HA ZA 14-279

Vonnis van 10 december 2014

in de zaak van

[curator] in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Pluimvee-Uitsnijderij De Waard B.V., gevestigd te Ouderkerk aan den IJssel,

kantoorhoudende te Utrecht,

eiseres,

advocaat: mr. A.N.L. de Hoogh te Utrecht,

tegen

de naamloze vennootschap

DEUTSCHE BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat: mr. J.A. Stal te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Curator en Deutsche worden genoemd. De failliete vennootschap zal hierna PU worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 21 mei 2014 waarbij een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 4 september 2014 en de daarin genoemde stukken

waaronder een verandering c.q. vermeerdering van eis,

- de rolberichten gedateerd 16 september en 18 september 2014 houdende eenstemmig

verzoek vonnis te wijzen tevens houdende vermindering van eis (ten aanzien van de in eerste instantie gevorderde verklaring van uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis).

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 11 maart 2010 heeft de vennootschap De Waard Utrecht B.V. een kredietovereenkomst gesloten met (de rechtsvoorganger van) Deutsche, althans hebben deze partijen een tussen hen bestaande kredietovereenkomst gewijzigd.

2.2.

De Waard Utrecht B.V. is een zustervennootschap van PU. Moedervennootschap is Nirak B.V. Al deze vennootschappen worden gecontroleerd door [naam], als (middellijk) bestuurder-aandeelhouder.

2.3.

Op 26 oktober 2010 is de kredietovereenkomst gewijzigd, voor zover hier van belang als volgt:

  • -

    als schuldenaar (“kredietnemer”) ten opzichte van Deutsche treden toe: PU alsmede Nirak B.V.,

  • -

    de omvang van de kredietfaciliteit wordt aangepast,

  • -

    onder het kopje zekerheden wordt vermeld dat alle kredietnemers hoofdelijk aansprakelijk zijn,

  • -

    PU en Nirak B.V. verstrekken aan Deutsche zakelijke zekerheid in de vorm van pandrecht op vorderingen en zaken.

2.4.

Op 15 april 2011 zijn De Waard Utrecht B.V., PU en Nirak B.V. in staat van faillissement verklaard met benoeming van [curator] als curator.

2.5.

Op 9 juni 2011 heeft Curator aan Deutsche bericht:

(…)

Ik heb geen informatie voor handen dat de uitbreiding met het medeschuldenaarschap/hoofdelijkheid van Nirak B.V. en [PU] op een verplichting berusten. Hetzelfde geldt voor de uitbreiding van de zekerheden. Een en ander is geschied binnen één jaar voor faillissement (circa 6 maanden), terwijl hierdoor crediteuren van Nirak B.V. en [PU] zijn benadeeld.

Op grond hiervan ben ik voornemens op grond van de Faillissementspauliana (artikel 42 lid 1 jo. 43 lid 1 Fw) te vernietigen de kredietovereenkomst d.d. 26 oktober 2010 voor zover dit betreft de uitbreiding met het medeschuldenaarschap/hoofdelijkheid en de uitbreiding van de pandrechten (…)

(…)

2.6.

Op 10 augustus 2011 heeft Curator aan Deutsche bericht:

(…)

Na terugkomst van mijn vakantie heb ik uw brief d.d. 6 juli 2011 gelezen. In die brief geeft

u aan dat aanvullende zekerheden niet onverplicht zouden zijn verricht vanwege de

algemene bankvoorwaarden van ABN Amro Bank N.V. (artikel 26 lid 1).

Deze bankvoorwaarden hebben echter slechts betrekking op De Waard Utrecht BV. En

[Deutsche], aangezien louter tussen hen een kredietovereenkomst tot stand was gekomen. In

dit geval is geen sprake van het verstrekken van aanvullende zekerheden door De Waard

Utrecht BV., maar werden Nirak B.V. en [PU] medeschuldenaren van De Waard Utrecht

B.V. en werden door hen ook zekerheden verstrekt. Dit zijn onverplichte

rechtshandelingen ca. 6 maanden voor het faillissement.

Daarnaast constateer ik dat u niet heeft aangetoond dat er geen wetenschap was van

benadeling, terwijl het op uw weg ligt om dit bewijsvermoeden (artikel 43 lid 1 sub 2 Fw) te

weerleggen.

Gelet op het voorgaande vernietig ik de kredietovereenkomst d.d. 26 oktober 2010 voor

zover dit betreft de uitbreiding van het medeschuldenaarschap/hoofdelijkheid en de

uitbreiding van de pandrechten tussen uw bank en [PU], alsmede de overigens door hen

verstrekte zekerheden.

Voor zover u al doende bent met de debiteurenincasso van Nirak B.V. en [PU], verzoek c.q.

sommeer ik u dit direct te staken. Ik zal dit ter hand gaan nemen.

(…)

2.7.

Op 3 november 2011 heeft Deutsche het volgende aan Curator bericht:

(…)

Met verwijzing naar de met u in de faillissementen van De Waard Utrecht B.V., Nirak B.V.

en [PU] gevoerde correspondentie en de overige documenten met betrekking tot die entiteiten, berichten wij u thans naar aanleiding van de door u gestelde pauliana als volgt. Wij verwijzen daarbij ook in het bijzonder naar onze brieven van 6 juli en 10 augustus 2011.

De laatste wijzigingsovereenkomst die tussen [Deutsche] en De Waard Utrecht B.V. is gesloten kende een omvang van de faciliteit van EUR 665.000,00 en is door relatie ondertekend op 11 maart 2010. Voor de overige voorwaarden en gestelde zekerheden verwijzen wij kortheidshalve naar die wijzigingsovereenkomst.

Bovengenoemde kredietfaciliteit is bij wijzigingsovereenkomst van 15 oktober 2010 verder

verlaagd naar EUR 625.000,00. Het is van belang te constateren dat het hier zowel in feitelijke als juridische zin een wijzigingsovereenkomst betreft en geen nieuwe kredietovereenkomst, zoals u (impliciet) in uw brief van 10 augustus 2011 ten onrechte aanneemt.

Voorafgaand aan het overleg over genoemde verlaging heeft de bank relatie, ter zake

hiervan vertegenwoordigd door [naam], gewezen op artikel 26 lid 1 van

de toepasselijke Algemene Voorwaarden ABN AMRO Bank N.V. (de “Voorwaarden”) zoals dat is geciteerd in onze brief van 6 juli 2011. De bank wenste aanvullende zekerheden te ontvangen voor de (te verlagen) kredietfaciliteit welke verstrekking op grond van die bepaling een verplichting is. Daarop heeft de bestuurder, die direct dan wel middellijk aan de gefailleerde entiteiten verbonden was als bestuurder en/of aandeelhouder, de aanvullende zekerheid willen verstrekken door de vestiging van hoofdelijke mede-aansprakelijkheid van Nirak B.V. en [PU] Dit tot meerdere zekerheid van terugbetaling van het aan De Waard Utrecht B.V. verstrekte (en verlaagde) krediet. De hoofdelijk meeverbonden entiteiten konden door [naam] overigens ook worden “gedwongen” om zich als hoofdelijk mede-aansprakelijke te verbinden.

Het feit dat gekozen is voor aansluiting bij de bestaande kredietovereenkomst tussen de

bank en De Waard Utrecht B.V., heeft er mee te maken dat er anders sprake zou zijn

geweest van derde zekerheid hetgeen een statutenwijziging van die entiteiten noodzakelijk

zou hebben gemaakt. Door die aansluiting, waardoor beide entiteiten ook van het

verstrekte krediet gebruik konden maken, werd een praktische oplossing gevonden.

De bank heeft na onderzoek de hoofdelijke verbondenheid van Nirak B.V. en [PU] als zekerheid aanvaard waarmee De Waard Utrecht B.V. op haar beurt heeft voldaan aan haar verplichting tot het stellen van extra zekerheid.

Direct na het sluiten en ondertekenen van de wijzigingsovereenkomst van [26] oktober 2010 door De Waard Utrecht B.V. en Nirak B.V. en [PU] als hoofdelijke mede-aansprakelijken, heeft de bank Nirak B.V. en [PU] gewezen op voornoemd artikel 26 lid 1 van de Voorwaarden op grond waarvan zij op dat moment verplicht waren op eerste verzoek van de bank (aanvullende) zekerheid te stellen. Dezelfde dag hebben laatstgenoemde entiteiten een combi-padakte met volmacht ten gunste van de bank ondertekend waarmee voorraden en/of inventaris en/of vorderingen van die entiteiten in zekerheid zijn gegeven aan de bank.

Het bovenstaande leidt tot geen andere conclusie dan dat er sprake is van verplichte

rechtshandelingen waarbij (1) De Waard Utrecht B.V. verplicht aanvullende zekerheid heeft

gesteld door Nirak B.V. en [PU] als hoofdelijk aansprakelijken mee te verbinden, waartoe [naam] door middel van zijn directe dan wel middellijke positie van bestuurder en/of aandeelhouder invloed kon uitoefenen c.q. hij zeggenschap had over die wijze van verstrekking van aanvullende zekerheden, en (2) Nirak B.V. en [PU] op grond van artikel 26 lid 1. – na hun verplichte toetreding tot de wijzigingsovereenkomst van De Waard Utrecht B.V. –verplicht (aanvullende) zekerheid hebben gesteld door ondertekening van de combi-pandakte met volmacht.

Aangezien er sprake is van verplichte rechtshandelingen wordt een eventueel beroep op

pauliana enkel beheerst door artikel 47 Faillissementswet. (…) vernietiging [kan] niet op die grond gemotiveerd worden (…)

(…)

2.8.

Na verdere correspondentie heeft Deutsche op 24 september 2012 het volgende aan Curator bericht:

(…)

[Deutsche] kan erkennen dat de vernietiging van zekerheden door [Curator] voor zover het betreft de zekerheden die zijn gevestigd door mede-kredietnemers Nirak B.V. en [PU] stand houdt. Dat laat onverlet dat beide genoemde vennootschappen wel hoofdelijk mede-aansprakelijk zijn voor de schuld die zij tezamen met De Waard Utrecht B.V. zijn aangegegaan.

(…)

2.9.

Op 9 oktober 2012 heeft Curator het volgende aan Deutsche bericht:

(…)

Bij brief van 24 september jl. aan mij erkent u de vernietiging door [Curator] van de zekerheden die zijn gevestigd door Nirak B.V. en [PU]. Overigens heb ik eveneens de hoofdelijke mede-aansprakelijkheid van deze vennootschappen vernietigd, daarvoor geldt hetzelfde als bij de zekerheden.

(…)

2.10.

Op 15 november 2012 heeft Deutsche telefonisch aan Curator medegedeeld dat Deutsche niet berust in de vernietiging van hoofdelijke mede-aansprakelijkheid, omdat PU en Nirak B.V. mede-aansprakelijk zijn indien en voor zover zij gebruik hebben gemaakt van het krediet. Verder heeft Deutsche medegedeeld dat dit lastig te onderzoeken is en dat hierover mogelijk navraag kan worden gedaan bij [naam].

2.11.

[naam] heeft vervolgens desgevraagd aan Curator medegedeeld dat PU en Nirak B.V. geen gebruik van het krediet hebben gemaakt.

2.12.

Op 23 november 2012 heeft Curator aan Deutsche bericht:

(…)

Navraag bij [naam] leerde dat alleen De Waard Utrecht B.V. gebruik heeft

gemaakt van het betreffende krediet. [PU] en Nirak B.V. hebben hier dus geen gebruik van gemaakt. Gelet hierop ga ik ervan uit dat Deutsche Bank de vernietiging door [Curator] van de uitbreiding van het medeschuldenaarschap/hoofdelijkheid erkent.

Graag verneem ik uw reactie.

(…)

2.13.

Op 13 december 2012 heeft Deutsche het volgende aan Curator bericht:

(…)

Met verwijzing naar de met u en [Curator] gevoerde (e-mail)correspondentie, documenten en (telefonische) besprekingen, in het bijzonder met verwijzing naar uw brief van 9 oktober 2012, berichten wij u als volgt.

Wij berusten evenzeer in de vernietiging van de hoofdelijke mede-aansprakelijkheid van Nirak B.V. en [PU].

Wij zullen een bedrag van EUR 136.152,30 over maken op de in uw brief genoemde rekening welk bedrag correspondeert met de door Mirus International BV. geïncasseerde bedragen vanaf datum faillissement.

(…)

2.14.

Op 11 januari 2013 heeft Curator het volgende aan Deutsche bericht:

(…)

[U]w bank [heeft] de opbrengst van de door Mirus geïncasseerde gelden ad € 136.152,30 overgemaakt naar de boedelrekening van het faillissement.

Graag verzoek ik u het restantsaldo van de rekening ad € 282.172,68 (€ 418.324,98 - € 136.152,30) eveneens aan de boedel over te maken door het bedrag ad € 282.172,68 binnen één week na vandaag over te schrijven naar de boedelrekening (…)

(…)

2.15.

Op 16 januari 2013 heeft Deutsche telefonisch aan Curator bericht dat het restsaldo van de bankrekening van PU ad € 282.172,68 niet aan de boedelrekening zal worden overgemaakt, omdat Deutsche recht heeft op verrekening van dat bedrag met debetsaldo van de andere rekeningen [van De Waard Utrecht B.V. - rechtbank].

3 Het geschil

3.1.

Na verandering van eis vordert Curator:

I primair

verklaring voor recht dat de door PU verstrekte zekerheden, het medeschuldenaarschap van PU en de hoofdelijke aansprakelijkheid van PU die uit de kredietovereenkomst van 26 oktober 2010 voortvloeien, rechtsgeldig zijn vernietigd,

subsidiair

vernietiging van de door PU verstrekte zekerheden, het medeschuldenaarschap van PU en de hoofdelijke aansprakelijkheid van PU die voortvloeien uit de kredietovereenkomst van 26 oktober 2010;

II veroordeling van Deutsche tot betaling aan Curator van € 282.172,68, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW, althans artikel 6:119 BW, te rekenen vanaf de dag van de buitengerechtelijke vernietiging, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

III veroordeling van Deutsche tot betaling aan Curator van € 3.200,86 aan buitengerechtelijke kosten, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag;

IV veroordeling van Deutsche in de kosten van het geding tot aan het vonnis gevallen alsmede nadien te ontstaan.

3.2.

Deutsche voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Aan de primaire vordering I legt Curator ten grondslag dat partijen een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten, de vaststelling zijnde dat de kredietovereenkomst van 26 oktober 2010 is vernietigd voor zover daarin medeschuldenaarschap van PU, hoofdelijke aansprakelijkheid van PU en zakelijke-zekerheidstelling door PU is overeengekomen. De totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst blijkt uit de brief van Curator van 10 augustus 2011, de daarop volgende briefwisseling, de brief van Deutsche van 24 september 2012 en de brief van Deutsche van 13 december 2012. Aldus Curator.

4.2.

Deutsche erkent dat een vaststellingsovereenkomst is gesloten, in die zin dat de vaststelling inhoudt dat de hoofdelijke mede-aansprakelijkheid van PU alsook de zakelijke- zekerheidsstelling door PU is vernietigd. Echter, Deutsche voert in dit geding het verweer dat zij heeft gedwaald en dat de vaststellingsovereenkomst op die grond vernietigbaar is. Deutsche stelt over de dwaling dat zij heeft berust in de vernietiging van de hoofdelijke mede-aansprakelijkheid van PU op basis van de door Curator, althans [naam], aan haar verstrekte inlichting en daarmee gegeven voorstelling van zaken dat PU geen gebruik van het krediet heeft gemaakt, welke voorstelling later onjuist bleek te zijn. Want weliswaar maakte PU in formele zin geen gebruik van het krediet – en in zoverre is de verklaring van [naam] juist – maar in materiële zin deed zij dat wel, in die zin dat de bedrijfskosten van PU feitelijk met het krediet werden betaald. Aldus Deutsche, die ter comparitie haar stelling nog heeft aangevuld, zodanig dat het beroep op vernietiging wegens dwaling ook moet worden geacht te zien op de berusting in de vernietiging van de zakelijke-zekerheidsstelling door PU.

4.3.

Curator heeft hiertegen onder meer aangevoerd, ter comparitie:

“Aan de verklaring van mr. Stal hier vandaag – over het in formele zin niet maar in materiële zin wèl gebruik hebben gemaakt van het krediet door PU – kan geen rechtens relevante betekenis worden gehecht. De afspraak was immers dat aan [naam] zou worden gevraagd of PU gebruik maakte van het krediet, en dat vervolgens op basis van die verklaring verder zou worden gehandeld. [naam] heeft verklaard dat PU geen gebruik maakte van het krediet. Dat Deutsche aan de gemaakte afspraak de betekenis heeft toegekend dat moet worden gekeken naar de inhoud van de verklaring in materiële zin, was voor Curator niet kenbaar, reden waarom de vaststellingsovereenkomst niet kan worden vernietigd.”

4.4.

De hier aan de orde zijnde rechtsbetrekkingen kunnen, anders dan partijen doen, niet als een vaststellingsovereenkomst worden gekwalificeerd. De buitengerechtelijke verklaring van Curator dat de kredietovereenkomst voor zover betrekking hebbende op PU, wordt vernietigd, was een eenzijdige rechtshandeling. De verklaringen van Deutsche, inhoudende berusting in die vernietiging met betrekking tot de door PU gestelde zakelijke zekerheid en met betrekking tot de hoofdelijke mede-aansprakelijkheid, maken niet dat er een vaststellingsovereenkomst werd gesloten; de berusting moet worden gekwalificeerd als een eenzijdige rechtshandeling inhoudende het doen van afstand van het recht om zich tegen de vernietiging te verzetten. Deutsche komt thans, in rechte, terug van haar berusting. Dit kan slechts indien de berusting plaatsvond onder invloed van een wilsgebrek. Aan het leerstuk van dwaling komt in dit verband in beginsel geen betekenis toe omdat het is bedoeld voor overeenkomsten. Analogische toepassing op andere rechtshandelingen, ook eenzijdige, is echter mogelijk (artikel 6:216 BW en PG BW Boek 3, MvA II, p. 222). Analogische toepassing van het leerstuk van dwaling leidt tot het volgende. De stellingen van Deutsche houden een beroep in op artikel 6:228 lid 1 sub a BW: dwaling te wijten aan een inlichting van de wederpartij. In casu kan echter in het midden blijven of ten aanzien van de via Curator aan Deutsche gecommuniceerde verklaring van [naam] kan worden gesproken van een inlichting van de wederpartij. Ook kan in het midden blijven of, waarover partijen twisten, de voorstelling van zaken van Deutsche – dat PU geen gebruik heeft gemaakt van het krediet – werkelijk onjuist was. Als dit een en ander – dwaling aan de zijde van Deutsche door een inlichting van de wederpartij – immers als vaststaand wordt aangenomen, dient, zoals Curator terecht aanvoert, de dwaling op grond van de omstandigheden van het geval voor rekening van Deutsche te blijven (artikel 6:228 lid 2 BW). Deutsche heeft immers zelf ervoor gekozen om af te gaan op de enkele verklaring van [naam], terwijl niet gemotiveerd is gesteld dat het ondoenlijk was om onderzoek te doen naar de wijze van gebruikmaking van het krediet; dat eerder het tegendeel waar is, blijkt ook wel uit het feit dat Deutsche in dit geding stelt dat de advocaat van [naam] in januari 2013 aan Deutsche heeft bevestigd dat PU van het krediet gebruik heeft gemaakt en dat “[d]eze bevestiging wordt ondersteund door de constateringen die [Deutsche] bij nadere analyse van het betalingsverkeer op de rekening van [De Waard Utrecht B.V.] heeft gedaan” (conclusie van antwoord sub 15). Het beroep op dwaling slaagt derhalve niet. Een beroep op een ander wilsgebrek dan dwaling is door Deutsche niet gedaan. De conclusie moet dan ook zijn dat de buitengerechtelijke vernietiging van de kredietovereenkomst, voor zover betrekking hebbend op PU, stand houdt, terwijl over de precieze reikwijdte van die vernietiging als volgt wordt overwogen.

4.5.

Voor het geval de buitengerechtelijke vernietiging van de kredietovereenkomst, voor zover betrekking hebbend op PU, in stand blijft, heeft Deutsche als verweer aangevoerd dat daarmee het uit de kredietovereenkomst voortvloeiende schuldenaarschap van PU nog steeds geldt; de vernietiging van de kredietovereenkomst strekt zich immers slechts uit tot de door PU gestelde zakelijke zekerheid en tot de hoofdelijkheid van de aansprakelijkheid van PU. PU is derhalve nog steeds als medeschuldenaar uit de kredietovereenkomst aansprakelijk voor een derde gedeelte van de vordering van Deutsche uit hoofde van de kredietovereenkomst (artikel 6:6 BW). Aldus Deutsche.

4.6.

Curator stelt van zijn kant dat de vernietiging destijds wel degelijk ook betrekking had op het schuldenaarschap als zodanig, hetgeen blijkt uit de brief van 10 augustus 2011. Uit de correspondentie die daarna volgde, waarin Deutsche steeds sprak van “de hoofdelijke mede-aansprakelijkheid” van PU blijkt evident dat Deutsche daarmee doelde op zowel de hoofdelijkheid van de aansprakelijkheid als op het medeschuldenaarschap als zodanig; Deutsche sprak nimmer over het medeschuldenaarschap van PU als zodanig. Aldus Curator.

4.7.

De stelling van Curator dat Deutsche nooit sprak over het medeschuldenaarschap van PU is juist. Naast de zakelijke zekerheid heeft Deutsche slechts gesproken van “de hoofdelijke mede-aansprakelijkheid”. Deutsche heeft ter comparitie toegelicht dat zij met deze term slechts doelt op hoofdelijke aansprakelijkheid, en dus dus niet op een gedeelde aansprakelijkheid. Curator heeft wel steeds van medeschuldenaarschap als object van vernietiging gesproken – behoudens in de brief van 9 oktober 2012, waarin Curator kennelijk de terminologie van Deutsche tijdelijk overneemt. Het onderhavige geschilpunt vloeit kennelijk voort uit het verschil in benadering van de kwestie: Curator benadert de kwestie in termen van het gewone verbintenissenrecht en Deutsche benadert de kwestie vanuit de sfeer van ten behoeve van de bank gestelde zekerheden. De vraag is nu of Curator aan de berusting van de zijde van Deutsche de betekenis heeft mogen toekennen dat Deutsche óók berustte in de vernietiging van het schuldenaarschap als zodanig. Ten eerste is in dit kader van belang dat Deutsche uit de berichten van Curator vanaf 9 juni 2011 wist dat de vernietiging op grond van de actio pauliana óók was gericht tegen het schuldenaarschap van PU. Vervolgens heeft Deutsche in een reactie richting Curator ook een visie gegeven op de achtergrond van het medeschuldenaarschap van PU, namelijk in de brief van 3 november 2011. Die reactie kan aldus worden samengevat dat het medeschuldenaarschap van PU het praktische doel had om de rompslomp van zekerheidstelling door een derde te voorkomen, en dat het als medeschuldenaar tot de kredietovereenkomst toetreden in de visie van Deutsche een verplichte rechtshandeling in de sfeer van de actio pauliana betrof. Het ging Deutsche dus niet om het medeschuldenaarschap van en kredietverschaffing aan PU op zichzelf en ook niet om een gedeelde verbondenheid voor de kredietschuld van alle drie de schuldenaren, maar slechts om het creëeren van extra zekerheden voor de schulden van De Waard Utrecht B.V. Uit het bericht van Curator van 23 november 2012 is vervolgens aan Deutsche (nogmaals) gebleken dat de vernietiging van “de uitbreiding van het medeschuldenaarschap/hoofdelijkheid” de dan nog openstaande kwestie voor Curator was, ook het medeschuldenaarschap derhalve. Deutsche heeft toen geantwoord dat zij berustte in de vernietiging van “de hoofdelijke mede-aansprakelijkheid”, zonder daarbij een voorbehoud voor het schuldenaarschap te maken. Deze berusting was gebaseerd op de mededeling van [naam] dat PU zélf geen gebruik van het krediet had gemaakt. Deze mededeling – wat er ook zij van de juistheid ervan – was in lijn met de visie op zaken van Deutsche, namelijk dat het krediet was bedoeld voor De Waard Utrecht B.V., terwijl daaromtrent aanvullende zekerheden werden verschaft door PU en Nirak B.V. Met dat gegeven in de hand is het in het algemeen al niet goed te begrijpen waarom Deutsche PU niet langer aansprakelijk zou houden voor het gehéél van de schulden die door De Waard Utrecht B.V. zijn veroorzaakt, maar PU nog wél aansprakelijk zou houden voor eenderde deel van die door De Waard Utrecht B.V. veroorzaakte schulden: overeind blijft dan immers staan dat PU geen gebruik heeft gemaakt van het krediet (althans volgens de destijds als juist aanvaarde verklaring van [naam]). Daarbij optellend de zojuist geschetste voorgeschiedenis, mocht Curator gerechtvaardigd erop vertrouwen (artikel 3:35 BW) dat Deutsche de begrippen ‘medeschuldenaarschap’ en ‘hoofdelijke aansprakelijk’ in haar eigen begrip ‘hoofdelijke mede-aansprakelijkheid’ had samengevat en derhalve berustte in de vernietiging van: de aansprakelijkheid van PU die volgt uit het zijn van schuldenaar in de zin van de kredietovereenkomst van 26 oktober 2010, welke aansprakelijkheid contractueel tot een hoofdelijke verbondenheid was gemaakt.

4.8.

Het voorgaande leidt tot volledige toewijzing van de primaire vordering sub I. Uitgaande van dat gegeven heeft Deutsche vordering II wat betreft de hoofdsom niet betwist, zodat vordering II in zoverre zal worden toegewezen. Zoals Deutsche echter terecht aanvoert is voor toewijzing van de wettelijke handelsrente over deze hoofdsom geen plaats, nu het hier niet gaat om de nakoming van een vordering uit een handelsovereenkomst. De gewone wettelijke rente zal worden toegewezen, zulks vanaf 19 januari 2013 conform de brief van Curator van 11 januari 2013.

4.9.

Vordering III ziet op kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Curator stelt hierover dat hij Deutsche herhaaldelijk heeft verzocht om betaling en dat hij conform de Wet normering buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 3.200,86 vordert, althans een in goede justitie te bepalen bedrag. Aldus heeft Curator onvoldoende gesteld dat sprake is van verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een – niet aanvaard – schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op de gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering zal daarom worden afgewezen.

4.10.

Deutsche zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van Curator begroot op:

€ 77,52 aan explootkosten

€ 1.519,00 aan griffierecht

€ 4.000,00 aan salaris advocaat (2 punten, tarief VI)

€ 5.596,52 tot heden, terwijl de nakosten worden begroot op € 131,00 aan nasalaris advocaat, in geval van betekening nog te vermeerderen met € 68,00 en met de kosten van betekening.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de door PU verstrekte zekerheden, het medeschuldenaarschap van PU en de hoofdelijke aansprakelijkheid van PU die uit de kredietovereenkomst van 26 oktober 2010 voortvloeien, rechtsgeldig zijn vernietigd;

5.2.

veroordeelt Deutsche tot betaling aan Curator van € 282.172,68, te vermeerderen

met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, vanaf 19 januari 2013 tot de dag der

algehele voldoening;

5.3.

veroordeelt Deutsche in de kosten van het geding, aan de zijde van Curator begroot op € 5.596,52 tot heden, terwijl de nakosten worden begroot op € 131,00, te vermeerderen met € 68,00 en met de kosten van betekening indien het vonnis is moeten worden betekend nadat Deutsche niet binnen veertien dagen vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan na daartoe te zijn aangeschreven;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, rechter, bijgestaan door

mr. B. van Bremen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2014.1

1 type: BvBcoll:*