Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:7886

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
02-12-2014
Zaaknummer
C-13-564821 - HA ZA 14-495
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Instellen incident door gedaagde op de roldatum waarop de zaak voor het nemen van conclusie van antwoord stond, zonder daarbij van antwoord in de hoofdzaak te dienen, leidt niet verval van de mogelijkheid om de conclusie van antwoord te mogen dienen. Dit is (zo volgt uit ECLI:NL:HR:2013:BZ5664) wel het geval indien op die roldatum partijperemptoirstelling en aanzegging van akte van niet-dienen heeft plaatsgevonden. Als dat niet heeft plaatsgevonden is het aan het beleid van de rolrechter om te beslissen over het mogelijk verval van de mogelijkheid om van antwoord te dienen als gedaagde een incident instelt op de roldatum waarop de zaak stond voor conclusie van antwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/33

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/564821 / HA ZA 14-495

Vonnis in incident van 26 november 2014

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlandsrecht

B.Y. MONACO S.A.R.L.,

kantoorhoudend te Monaco,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KONINKLIJKE DE VRIES SCHEEPSBOUW B.V.,

gevestigd te Aalsmeer,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE VRIES SCHEEPSBOUW MAKKUM B.V.,

gevestigd te Makkum,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FEADSHIP HOLLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

advocaat mr. L.R. Kiers te Den Haag.

Partijen zullen hierna B.Y. Monaco en De Vries Scheepsbouw c.s. worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 16 april 2014, met producties, tevens houdende incidentele vordering als bedoeld in artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv),

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord,

  • -

    het vonnis in incident betreffende de incidentele vordering als bedoeld in artikel 843a Rv,

  • -

    de incidentele conclusie tot zekerheidsstelling als bedoeld in artikel 224 Rv,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling

in het incident

2.1.

De Vries Scheepsbouw c.s. vordert – samengevat – dat B.Y. Monaco zekerheid stelt voor een eventuele proceskostenveroordeling. B.Y. Monaco voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.2.

In de dagvaarding is opgenomen dat B.Y. Monaco kantoor houdt te Monaco en is ingeschreven in het Registre du Commerce et de l’Industrie. Aangenomen wordt, de dagvaarding vermeldt dit niet, dat dit het handelsregister van Monaco is. Omdat De Vries Scheepsbouw c.s. onweersproken heeft gesteld dat B.Y. Monaco haar woonplaats in Monaco heeft, wordt vastgesteld dat B.Y. Monaco haar statutaire zetel in Monaco heeft. In artikel 224 lid 1 Rv is bepaald dat een partij zonder woonplaats in Nederland (zoals voortvloeit uit het bepaalde in artikel 1:10 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW)), die bij de Nederlandse rechter een vordering instelt, verplicht is – op vordering van de wederpartij – zekerheid te stellen voor de proceskosten waarin zij veroordeeld zou kunnen worden. Deze verplichting bestaat niet voor de gevallen opgesomd onder a tot en met d in het tweede lid van artikel 224 Rv.

2.3.

Monaco is geen deelnemende Lidstaat aan het Verdrag betreffende Burgerlijke Rechtsvordering 1954. Evenmin heeft Monaco zich aangesloten bij de Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (de EEX-Verordening). Een proceskostenveroordeling door de Nederlandse rechter van een in Monaco zetelende partij zal daarom niet zonder meer ten uitvoer kunnen worden gelegd in Monaco. De in artikel 224 lid 2 onder a en b Rv genoemde uitzonderingen op de uit het eerste lid van dat artikel voortvloeiende verplichting tot het stellen van zekerheid voor een proceskostenveroordeling zijn dan ook niet van toepassing op partijen met een statutaire zetel te Monaco.

2.4.

Anders dan B.Y. Monaco heeft aangevoerd is het feit dat haar enig aandeelhouder de Italiaanse nationaliteit heeft en aldaar zijn verblijfplaats heeft, niet van belang. De aandeelhouder is immers geen partij in deze procedure. Een veroordeling van B.Y. Monaco zal niet ten uitvoer gelegd kunnen worden jegens de aandeelhouder(s) of andere organen van de rechtspersoon, zodat dit verweer niet kan leiden tot afwijzing van de incidentele vordering. Het betoog van B.Y. Monaco dat haar (Italiaanse) aandeelhouder de kosten van deze procedure draagt, maakt dat niet anders.

2.5.

Daarnaast heeft B.Y. Monaco aangevoerd dat er geen verplichting bestaat voor haar om zekerheid te stellen voor de kostenveroordeling omdat verhaal voor een eventuele kostenveroordeling in Nederland mogelijk is. Een dergelijke veroordeling kan worden verrekend met hetgeen waarop zij recht zal krijgen uit hoofde van haar vordering op De Vries Scheepsbouw c.s., aldus steeds B.Y. Monaco. Gelet op de stand van de procedure, waarin het volle debat over de hoofdzaak nog moeten worden gevoerd, kan op dit moment niet worden vooruitgelopen op de mogelijke uitkomst in de hoofdzaak en op de daaruit voortvloeiende proceskostenveroordeling. Het beroep van B.Y. Monaco op de uitzondering als bepaald in artikel 224 lid 2 onder c Rv slaagt dan ook niet.

2.6.

Verder heeft B.Y. Monaco aangevoerd dat een veroordeling tot zekerheidsstelling voor de proceskosten zal leiden tot hogere (proces)kosten die zij mogelijk niet kan dragen. Door een dergelijke veroordeling wordt haar de effectieve toegang tot de rechter belemmerd (artikel 224 lid 2 onder d Rv), aldus steeds B.Y. Monaco. Daarbij heeft B.Y. Monaco geen nadere stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij – als eisende partij in de hoofdzaak – in financiële nood zal komen door een veroordeling in dit incident tot zekerheidsstelling voor een eventuele kostenveroordeling in de hoofdzaak. Zonder een dergelijke nadere onderbouwing, kan dit verweer niet worden gevolgd.

2.7.

Tot slot heeft B.Y. Monaco aangevoerd dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid het haar verplichten tot het stellen van zekerheid (voor de eventuele kostenveroordeling) onaanvaardbaar is. Dit verweer, dat wordt begrepen als een beroep op artikel 6:2 lid 2 BW, wordt verworpen. De rechter dient bij het terzijde stellen van wettelijke bepalingen op de voet van artikel 6:2 lid 2 BW, omdat de handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, de grootste mogelijke terughoudendheid te betrachten. Hetgeen B.Y. Monaco heeft gesteld is onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat toepassing van artikel 224 Rv naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

2.8.

De slotsom is dat B.Y. Monaco zal worden veroordeeld tot het stellen van zekerheid voor een eventuele proceskostenveroordeling in de hoofdzaak. De Vries Scheepsbouw c.s. is bij haar begroting van de proceskosten uitgegaan van negen punten liquidatietarief VIII, waarbij zij heeft betoogd te voorzien dat in deze procedure de volgende proceshandelingen nodig kunnen zijn: het nemen van incidentele conclusies, het dienen van antwoord en van dupliek, het houden van een pleidooi en het verschijnen ter comparitie. B.Y. Monaco heeft daartegen gemotiveerd betoogd dat een dergelijke uitgebreide procedure niet is te voorzien. Dit verweer wordt grotendeels gevolgd, zodat de eventuele kostenveroordeling thans in redelijkheid wordt begroot (op basis van 3 punten liquidatietarief VIII, griffierecht en nakosten) op een bedrag van € 13.500,00.

Indien in de loop van de procedure daartoe aanleiding mocht zijn, dan staat het De Vries Scheepsbouw c.s. vrij om de rechter te verzoeken om B.Y. Monaco te verplichten aanvullende zekerheid te stellen.

2.9.

De Vries Scheepsbouw c.s. heeft gevorderd dat de zekerheidsstelling door B.Y. Monaco dient te geschieden door een bankgarantie af te geven door een Nederlandse, althans Europese, bank die tenminste is beoordeeld als AA of Aa2 door een kredietbeoordelaar. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, is er onvoldoende aanleiding om de vordering op die wijze toe te wijzen. B.Y. Monaco heeft betoogd zekerheid te kunnen stellen door een persoonlijke garantstelling van een bij naam genoemde Italiaanse advocaat, dan wel door ten laste van haar een bankgarantie af te laten geven door de Italiaanse beursgenoteerde bank Banca Finnat Euramerica SpA. Gelet op de hoogte van de vordering in de hoofdzaak (8 miljoen euro) is in dit geval redelijk dat de zekerheidsstelling door een afgifte van een bankgarantie door een Europese bank geschied. De na te melden termijn waarop de bankgarantie moet zijn afgegeven wordt – mede gelet op de goede procesorde – redelijk geacht.


2.10. Over de kosten van dit incident zal in de hoofdzaak worden beslist.

in de hoofdzaak

2.11.

B.Y. Monaco heeft gesteld dat op 7 augustus 2014 uitstel is verleend aan De Vries Scheepsbouw c.s. om van antwoord in de hoofdzaak te dienen en dat zij bij de laatste mogelijkheid daartoe (17 september 2014) deze incidentele eis heeft ingesteld zonder van antwoord in de hoofdzaak te dienen. Het was onmogelijk geweest voor De Vries Scheepsbouw c.s. om verder uitstel te verkrijgen voor het dienen van antwoord (artikel 2.8 Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken). Daardoor is sprake van verval van mogelijkheid om Conclusie van Antwoord te nemen, aldus steeds B.Y. Monaco.

2.12.

Deze stelling van B.Y. Monaco wordt niet gevolgd. De Hoge Raad heeft in het arrest van 12 juli 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ5664) als volgt overwogen:

“[…]

De verplichting van partijen tegenover elkaar om onredelijke vertraging van de procedure te voorkomen (art. 20 lid 2 Rv) en de goede procesorde brengen mee dat op de roldatum waartegen partijperemptoirstelling en aanzegging van akte van niet-dienen voor memorie van grieven heeft plaatsgevonden, van grieven behoort te worden gediend. Dat is niet anders indien op die roldatum voeging wegens verknochtheid van zaken wordt gevorderd, ook al wordt op een dergelijke vordering vaak beslist voordat in de hoofdzaak wordt beslist. De hoofdzaak wordt door die vordering niet geschorst, zodat een partijperemptoirstelling of een aanzegging van akte van niet-dienen daardoor niet vervalt.

[..]”

Daaruit kan in zijn algemeenheid wel worden afgeleid dat de indiening van een incidentele vordering een aangezegde akte niet-dienen niet doet vervallen, maar niet dat het recht om van antwoord te dienen ook zonder meer verloren gaat indien geen partijperemptoirstelling heeft plaatsgevonden en geen akte niet-dienen is aangezegd. Het is aan het beleid van de rolrechter overgelaten of deze in de omstandigheden van het geval aanleiding ziet, indien op de dienende dag geen conclusie van antwoord wordt genomen, daarvoor nog uitstel te verlenen, bijvoorbeeld tot dat op een opgeworpen incident is beslist.

2.13.

De hoofdzaak wordt verwezen voor conclusie van antwoord als na te melden, waarbij rekening wordt gehouden met de termijn waarop B.Y. Monaco zekerheid moet hebben gesteld (drie weken na heden). Voorts wordt overwogen dat – mede gelet op de goede procesorde – geen verder uitstel zal worden verleend aan De Vries Scheepsbouw c.s. voor het dienen van antwoord.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

veroordeelt B.Y. Monaco tot het stellen van zekerheid voor een bedrag van € 13.500,00 (zegge: dertienduizend vijfhonderd euro) aan eventuele proceskostenveroordeling naar aanleiding van de bij dagvaarding van 16 april 2014 ingestelde vordering op De Vries Scheepsbouw c.s., door middel van het afgeven van een bankgarantie door een Europese bank,

3.2.

bepaalt dat B.Y. Monaco binnen drie (3) weken na heden aan de veroordeling onder 3.1 moet voldoen,

3.3.

houdt de beslissing over de proceskosten van dit incident aan,

in de hoofdzaak

3.4.

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 28 januari 2015 voor conclusie van antwoord in de hoofdzaak.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Marcus, rechter, bijgestaan door mr. R. Verloo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2014.1

1 **