Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:7737

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
HA ZA 13/1156
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schending zorgplicht bank. Blauwpark c.s. zijn beheermaatschappijen, houden rekeningen aan bij afdeling Private Wealth Management van de bank. Beperkt gevolmachtigde heeft fraude gepleegd met rekeningen ten name van Blauwpark c.s.; heeft in 10 jaar tijd ruim eur 20 miljoen van rekeningen weggesluisd ten eigen bate. Bank heeft zich niet gedragen als een goed opdrachtnemer en heeft niet de zorg betracht die van haar als bank had mogen worden verwacht (art. 7:401 BW en art. 2 ABV). Onvoldoende controle beperkte volmacht; uitvoeren betalingen (ook 'getrapte' betalingen) die niet binnen volmacht vielen zonder overleg bestuur Blauwpark c.s.; geen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid; aanzuiveringen van rekening ten name van de ene vennootschap naar rekening op naam van andere vennootschap; onvoldoende controle betalingsopdrachten aan evident onjuiste begunstigden en debetstanden door medewerkers bank; onbegrijpelijk dat bank gang van zaken niet met bestuur Blauwpark c.s. heeft besproken en zich slechts heeft verstaan met de beperkt gevolmachtigde. Betoog bank dat zij slechts is gehouden saldo, handtekening en rekeningnummer begunstigde te controleren gaat (in dit geval) niet op. 50% eigen schuld: teveel vertrouwen in gevolmachtigde; van (bestuur) Blauwpark c.s. had mogen worden verwacht dat zij de werkzaamheden van de beperkt gevolmachtigde controleerde; bestuur vennootschap is (wettelijk) verplicht deugdelijke administratie te voeren en jaarrekeningen op te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2015, afl. 1, p. 48

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/549445 / HA ZA 13/1156

Vonnis van 12 november 2014

in de zaak van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BLAUWPARK B.V.

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DECLUSE B.V.

beide gevestigd te Wageningen,

eiseressen,

advocaat mr. V.R.M. Appelman te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. A.J. Haasjes te Amsterdam.

Eiseressen worden hierna gezamenlijk – in enkelvoud – Blauwpark c.s. genoemd en gedaagde wordt ABN AMRO of de bank genoemd. Eiseres sub 1 zal Blauwpark en eiseres sub 2 Decluse worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 29 juli 2013 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 12 februari 2014 waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 11 juni 2014 met de daarin genoemde stukken.

1.2.

Daarna is vonnis bepaald.

1.3.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de (fax)brief van 7 juli 2014 namens ABN AMRO en de (fax)brief van 9 juli 2014 namens Blauwpark c.s. waarin opmerkingen worden gemaakt over de inhoud van het proces-verbaal van comparitie van 11 juni 2014. Deze brieven behoren tot de processtukken. Waar nodig heeft de rechtbank het proces-verbaal gelezen met inachtneming van de in de brieven gemaakte opmerkingen.

2 De feiten

2.1.

Blauwpark en Decluse zijn beheermaatschappijen waarin het vermogen van de [familie] wordt beheerd. Dit vermogen is vergaard door[vader] (hierna: [vader]), medeoprichter en jarenlang aandeelhouder van projectontwikkelingsmaatschappij Blauwhoed B.V. In de periode van 18 september 2002 tot 1 januari 2009 was [vader] (in)direct bestuurder van Blauwpark. Sinds 1 januari 2009 is Decluse bestuurder van Blauwpark. Tot 23 april 2002 was [vader] indirect bestuurder van Decluse. Sindsdien wordt Decluse bestuurd door [zoon] (zoon van [vader], hierna: [zoon]) en [schoonzoon] (schoonzoon van [vader]; hierna: [schoonzoon]) en sinds 22 augustus 2011 ook (indirect) door diens zoon [naam] (hierna: [naam]).

2.2.

Blauwpark bankierde sinds 1987 en Decluse sinds 1994 vrijwel uitsluitend bij ABN AMRO. In 2013 is de relatie tussen Blauwpark c.s. en de bank geëindigd. Blauwpark c.s. hield verschillende bankrekeningen aan bij ABN AMRO, waaronder een betaalrekening ten name van Blauwpark met [rekeningnummer] (hierna: de Blauwparkrekening) en een effectenrekening ten name van Decluse met [rekeningnummer] (hierna: de Decluserekening). Daarnaast had Blauwpark c.s. een aantal andere bankrekeningen, waaronder “asset management rekeningen” en “beleggers rendement rekeningen” en een “private banking spaarrekening”. Ook privé bankierden leden van de [familie] bij ABN AMRO.

2.3.

In 1987 is de [familie] in contact gekomen met [adviseur] (hierna: [adviseur]). [adviseur] gold als vertrouweling van de [familie]. Van 1996 tot 5 augustus 2011 was [adviseur] de financieel adviseur en administrateur van Blauwpark c.s. Van juni 2001 tot begin februari 2002 hield [adviseur] kantoor in een appartement van [vader] aan de [adres]. [adviseur] heeft in 2001 de vennootschap [adviseur] B.V. opgericht, vanaf 2004 genaamd [bedrijf] (hierna: [bedrijf]). Via [bedrijf] hield [adviseur] deelnemingen in 11 andere vennootschappen, waaronder drie lingeriebedrijven. [adviseur] bankiert met vrijwel al zijn vennootschappen bij ABN AMRO.

2.4.

In 2001 heeft ABN AMRO Blauwpark c.s. ondergebracht bij haar afdeling Private Wealth Management, een afdeling gericht op klanten met een vermogen van meer dan € 25 miljoen (hierna: PWM). De betrokken accountmanager was[accountmanager] (hierna: [accountmanager]). Zijn assistente was [assistente] (hierna: [assistente]). Andere contactpersonen van Blauwpark c.s. bij ABN AMRO waren onder anderen [beleggingsadviseur] (hierna: [beleggingsadviseur]), beleggingsadviseur bij PWM, en [naam 2] (hierna: [naam 2]), werkzaam op de afdeling DPM Special Mandates van ABN AMRO Asset Management (Netherlands) B.V.

2.5.

Twee- tot driemaal per jaar vond tussen de [familie], [adviseur] en de bank een overleg plaats, familieberaad genoemd, in het kantoor aan de [adres]. Deze familieberaden werden door ABN AMRO in samenspraak met [adviseur] voorbereid. Tijdens de familieberaden werden het beleggingsbeleid en eventuele dividenduitkeringen besproken. Bij deze familieberaden waren vanuit ABN AMRO veelal [accountmanager] en [beleggingsadviseur] aanwezig en vanuit de [familie] veelal [vader], [zoon], [schoonzoon] en later ook [naam].

2.6.

In een intern gespreksverslag van 25 januari 2001 van [naam 3] van ABN AMRO staat vermeld:

Onderwerp Blauwpark BV

(…)

Doel van het vermogen is instandhouding en gerealiseerde winsten naar keuze van de individuele aandeelhouders wel of niet uit te keren. (...)”.

2.7.

Bij fax van 3 juli 2001 heeft [adviseur] aan ABN AMRO geschreven:

“(…) Ten aanzien van de procuratie dient nog het volgende te wijzigen.

Op de bankrekening van Blauwpark c.s. (d.w.z. IvdS bv, Blauwpark Management bv, Snippendaal bv en Decluse bv) zijn de volgende personen bevoegd:

  • -

    Drs.[vader] – onbeperkt bevoegd

  • -

    Drs. [zoon] – onbeperkt bevoegd

  • -

    [adviseur] – tot f 100.000 alsmede betalingen aan de belastingdienst zonder beperking

Gaarne van bovenstaande nieuwe handtekeningkaarten c.q. bevoegdhedenoverzichten laten maken waarna wij tot ondertekening kunnen overgaan. Pas na ontvangst van de getekende nieuwe kaarten gaarne de bestaande situatie wijzigen.”.

2.8.

Op de voorzijde van een handtekeningenkaart tevens volmacht van 20 september 2001 zoals deze zich bevond in het door de bank aangehouden dossier inzake Blauwpark c.s. (hierna: de Handtekeningenkaart/volmacht van Blauwpark), staat onder “naam rekeninghouder(s)” voorgedrukt vermeld: “Blauwpark Management B.V.”.
Daaraan is handgeschreven toegevoegd: “Idem voor Blauwpark B.V.”. Aan de voorgedrukte rekeningnummers van Blauwpark Management B.V. zijn, eveneens handgeschreven, verschillende rekeningnummers van Blauwpark toegevoegd. Aan de voorgedrukte lijst van ondertekenaars (bestaande uit[vader] en [zoon]) is, handgeschreven, de naam “[adviseur]” toegevoegd, voorzien van diens handtekening.
Op de achterzijde van de Handtekeningenkaart/volmacht van Blauwpark staat vermeld:

Ondergetekende(n) deelt/delen u mede dat hierbij volmacht verleend wordt aan:

Drs.[vader] onbeperkt bevoegd;

Drs. [zoon] onbeperkt bevoegd;

[adviseur] - tot NLG 100.000,- alsmede betalingen aan de belastingdienst zonder beperking.

(…)

Plaats datum handtekening(en) rekeninghouder(s)

Rotterdam 20 september 2011 (volgt handtekening [vader], rb)”.

2.9.

Op een andere handtekeningenkaart tevens volmacht van 20 september 2001 betreffende Decluse, zoals deze zich bevond in het door de bank aangehouden dossier inzake Blauwpark c.s. (hierna: de Handtekeningkaart/volmacht van Decluse), staan op de voorzijde onder “naam rekeninghouder(s) en rekeningnummer(s)” voorgedrukt Decluse en haar bankrekeningnummers vermeld.

Op de achterzijde van de Handtekeningenkaart/volmacht van Decluse staat vermeld:

Ondergetekende(n) deelt/delen u mede dat hierbij volmacht verleend wordt aan:

Drs.[vader] onbeperkt bevoegd;

Drs. [zoon] onbeperkt bevoegd;

[adviseur] - tot NLG 100.000,- alsmede betalingen aan de belastingdienst zonder beperking.”.

2.10.

Bij brief van 25 september 2001 heeft [adviseur] de ondertekende Handtekeningenkaarten/volmachten van Blauwpark en Decluse aan ABN AMRO geretourneerd.

2.11.

Op een door [vader] ondertekende fax van 25 juni 2003 aan ABN AMRO, waarin onder meer wordt verzocht om ten titel van dividend vanuit Blauwpark verschillende betalingen aan leden van de [familie] te verrichten, is handgeschreven aangetekend: “akkoord.[vader] algeheel/onbeperkt bevoegd”.

2.12.

Bij brief van 17 februari 2005 heeft [vader] ABN AMRO verzocht om alle zakelijke correspondentie, zoals bankafschriften en overzichten, met betrekking tot Blauwpark, Blauwpark Management B.V. en Decluse niet langer naar de [adres], maar naar het adres van [adviseur] in [plaats] te verzenden.

2.13.

In een ongedateerde interne notitie van ABN AMRO staat vermeld:

Op 26 juni 2007 samen met [beleggingsadviseur][beleggingsadviseur], rb) [vader] en [zoon] in [plaats] bezocht. (…)

Afgesproken in de toekomst directer met [vader] contact te hebben. [adviseur] hoeft daar niet (altijd) tussen te zitten (…)

Op 4 juli [schoonzoon] telefonisch gesproken. (…). [schoonzoon] zal zich met name in toenemende mate, naast [adviseur], bemoeien met de beleggingen van Decluse BV. [schoonzoon] vraagt hem een update te mailen. (…)

Op 4 juli ook [adviseur] gebeld. (…)

[adviseur] wil juist graag dat familieleden meer bij de beleggingen betrokken gaan zijn. (…)”.

2.14.

In een interne e-mail van 15 mei 2008 van een medewerker van de afdeling Desk Risicobewaking Effecten van ABN AMRO (die is doorgeleid aan [accountmanager]) is ten aanzien van de Decluserekening vermeld:

De Desk Risicobewaking Effecten heeft vandaag voor onderstaande cliënt geconstateerd dat het Effectenkrediet een debetstand vertoont van meer dan EUR 50.000,-

Naam: DECLUSE BV (…)”.

2.15.

In een e-mail van 26 mei 2008 heeft ABN AMRO ([accountmanager]) aan [adviseur] voorgesteld om “tijdelijk” € 150.000,- van “de Asset Management rekening” van Blauwpark over te boeken naar de Blauwparkrekening, omdat deze laatste rekening op dat moment een debetstand van circa € 118.000,- had en er bovendien betalingsopdrachten van € 150.000,- openstonden. Nadat [adviseur] had bericht dat dit “goed” was, heeft ABN AMRO ([accountmanager]) aan [adviseur] gemaild:

Zal ik voor Blauwpark BV EUR 300.000,=, (of een groter bedrag) van de Asset Management rekening boeken, naar de rekening courant? [naam 2][naam 2], rb) wil in verband met het beleggingsbeleid graag weten of voor korte of langere termijn wordt onttrokken. Verwacht jij dat er weer geld binnenkomt binnen Blauwpark BV?

Vervolgens heeft [adviseur] aan ABN AMRO ([accountmanager]) gemaild:

“(…) Ten aanzien van de liquiditeit weet ik het niet meer. Maar het lijkt me verstandig dat we richting [naam 2][naam 2], rb) zeggen dat dit voorlopig tijdelijk is en dat hij het bedrag uiterlijk eind juni weer retour krijgt. Dan weet ik namelijk wat meer. (…)”.

2.16.

Bij e-mail van 12 juni 2008 heeft ABN AMRO ([assistente], met kopie aan [accountmanager] en [beleggingsadviseur]) aan [adviseur] geschreven dat er die week betalingen waren verricht van de Blauwparkrekening waardoor deze een debetstand van € 61.735,23 vertoonde. “Dit is op zich echter geen probleem”, zo heeft [assistente] geschreven, “ware het niet dat er geen geld meer op de beleggersspaarrekening en/of deposito (van Blauwpark, rb) staat”. Zij vraagt of het bedrag aangezuiverd moet worden ten laste van de vermogensrekening.

2.17.

Bij interne e-mail van 26 juni 2008 heeft [naam 2] zijn collega’s [accountmanager], [beleggingsadviseur] en [assistente] geïnformeerd over een telefoongesprek dat hij eerder die dag met [schoonzoon] over Blauwpark had gevoerd. In deze e-mail staat:

“(…) Uitvoerig over portefeuille gepraat. (…)

Er komt een onttrekking ter sprake van 300.000,-. Hij is onaangenaam verrast, weet niet wat dit is. Ik kan nagaan dat het is om een debet saldo aan te zuiveren binnen Blauwpark. Hij gaat het verder uitzoeken (nadat ik later met [accountmanager][accountmanager], rb) spreek, herinnert hij mij er aan dat hij dit tijdelijk heeft onttrokken (heeft mij ook een email hierover gestuurd, ik was het vergeten)

Ik denk dat we in de toekomst moeten proberen niets aan de portefeuille te onttrekken, en als het niet anders kan, [schoonzoon][schoonzoon], rb) goed van te voren te informeren (…).”.

2.18.

Later die dag, 26 juni 2008, heeft ABN AMRO ([assistente], met kopie aan [accountmanager]) bij e-mail aan [adviseur] bericht dat de Blauwparkrekening nog steeds een debetstand heeft en hem gevraagd of, en op welke wijze, het saldo mag worden aangezuiverd. Bij e-mail van 27 juni 2008 heeft [adviseur] aan ABN AMRO ([assistente] en [accountmanager]) geschreven:

“(...) Vooruitlopend op dat alles denk ik dat verstandig is de debetstand aan te zuiveren van Asset Management. Ik weet niet hoe de huidige stand van die bankrekening is (…) maar ik zou het hele saldo van die rekening (49.05.23.048) maar overboeken naar de betaalrekening. (…) Kortom: boek maar zoveel mogelijk over van asset management naar de gewone rekening en over twee weken volgt nadere informatie. (…)”.

Vervolgens is op 30 juni 2008 een bedrag van € 450.000,- van de asset management rekening ten name van Blauwpark naar de Blauwparkrekening overgeboekt.

2.19.

Bij interne e-mail van 1 juli 2008 heeft [naam 2] (ABN AMRO) naar aanleiding van de in 2.17 en 2.18 vermelde e-mails aan zijn collega’s [accountmanager] en [assistente] geschreven:

De cash op de Asset Management rekening is bewust gecreëerd, onderdeel van het beleid. Als dit wordt onttrokken, worden we weer gedwongen extra cash te generen, o.a. door het verkopen van aandelen op deze langere niveaus?

Dat kan niet helemaal de bedoeling zijn?

Of begrijp ik het niet?

Ook merkte ik aan [schoonzoon] dat hij het vervelend vond dat er bedragen werden onttrokken zonder dat hij het wist?”.

2.20.

Vervolgens heeft [naam 2] op dezelfde dag een interne e-mail verzonden binnen de bank met de volgende tekst:

Blauwpark: de eerste onttrekking ad 350.000 komt niet meer terug, de tweede van euro 450.000 ook niet: graag modelleren op een basis van een vermogen wat euro 800.000 kleiner is geworden (dus aandelen verkopen)”.

2.21.

Bij interne e-mail van 8 oktober 2008 heeft een medewerker van de afdeling Credit Services van ABN AMRO, belast met het debiteurenbeheer met betrekking tot overstanden, [accountmanager] een “signalering” gestuurd die inhield dat de Blauwparkrekening een debetstand vertoonde na saldocompensatie. [accountmanager] heeft geantwoord dat het saldo van de rekening positief zal komen door de verkoop van effecten.

2.22.

Bij e-mail van 21 oktober 2008 heeft [adviseur] aan ABN AMRO ([assistente]) bericht dat hij in verband met de debetstand op de Blauwparkrekening met “[zoon][zoon], rb) zal regelen dat een bedrag van circa € 400.000,- van Decluse naar Blauwpark zal worden geboekt. Bij e-mail van 23 oktober 2008 heeft [adviseur] aan [assistente] bericht dat hij overboekingen van Decluse naar Blauwpark heeft verzonden waardoor het debetsaldo van Blauwpark (bijna) volledig aangezuiverd zou moeten zijn.

2.23.

Bij e-mail van 27 oktober 2008 heeft ABN AMRO ([assistente]) aan [adviseur] geschreven:

Ik zag 4 boekingen ad Eur 45.000,00 ‘langskomen’ van Decluse naar Blauwpark. Omdat er geen geld staat op de betaalrekening van Decluse heb ik Eur 200.000,00 overgemaakt tlv de beleggersspaarrekening naar de betaalrekening. Door deze betalingen aan Blauwpark heeft de rekening van Blauwpark nog een tekort van bijna Eur 160.000,--. Ik zag dat er op de vermogensbeheerrekening nog een bedrag staat van Eur 146.000,-- deze zal ik ook overmaken naar de betaalrekening. De rekening blijft dan nog circa Eur 10.000,-- debet staan.”.

2.24.

Bij interne e-mail van 31 oktober 2008 heeft [assistente] aan [accountmanager] en [beleggingsadviseur] geschreven:

FYI

Blauwpark staat weer credit :)

Er is aangezuiverd (ik geloof 5 X 45.000) ten laste van Decluse.”.

2.25.

Bij e-mail van 9 december 2008 heeft ABN AMRO ([accountmanager]) aan [adviseur] verzocht om de rekening van Blauwpark aan te laten zuiveren, omdat deze een debetstand van ongeveer € 135.000,- had.

2.26.

Bij e-mail van 29 december 2008 heeft ABN AMRO ([accountmanager]) aan [adviseur] geschreven:

Wij ontvingen een betalingsopdracht van Blauwpark BV ad EUR 20.000,= ten gunste van Quality Care Zoetermeer (…). Omschrijving lening. De opdracht is waarschijnlijk door jou ondertekend, maar wijkt iets af. Voor de zekerheid wil ik even bij je verifiëren. (…)”.

2.27.

Bij e-mail van 23 februari 2009 heeft ABN AMRO ([assistente]) aan [adviseur] geschreven:

Op dit moment staat de rekening van Blauwpark debet voor een bedrag van ca. 77.000,-- euro. Er zijn weer nieuwe betalingen aangeboden voor een bedrag van ca 67.000 euro. Zou jij ervoor willen zorgdragen dat het debetsaldo wordt aangezuiverd of wil je dat ik de rekening aanzuiver t.l.v. Decluse. De r.c. rekening van Decluse dient trouwens ook nog aangezuiverd te worden ten laste van de beleggersspaarrekening zie ik. Zal ik dat alvast doen?”.

2.28.

Nadat [adviseur] ABN AMRO ([assistente]) op 3 maart 2009 per e-mail heeft verzocht “ten laste van de Decluserekening de Blauwparkrekening aan te zuiveren”, heeft ABN AMRO ([assistente]) nog diezelfde dag bij e-mail aan [adviseur] (met kopie aan [accountmanager]) bericht:

Ik ga de rekening van Decluse aanzuiveren ten laste van de beleggersspaarrekening (van Decluse, rb). Hiervan zal ik dan een bedrag ad 150.000 euro overmaken naar de rekening van Blauwpark ter aanzuivering. Onderstaande betalingen zijn echter nog niet betaald en zullen helaas opnieuw door jou aangeleverd moeten worden.

Eur 18.860,08 - Donna Christy

Eur 16.016,01 - MD Sales

Eur 12.667,-- - Beld

Eur 9.750,02 - S.A. Belaubade

Eur 9.017,42 - MD Sales

Eur 383,18 - Arep Rotterdam

Eur 143,20 – Kamer van Koophandel”.

2.29.

Bij e-mail van 10 maart 2009 heeft [adviseur] aan ABN AMRO ([assistente]) gevraagd “de aanzuivering van de Decluserekening te regelen ten laste van de effectenrekening van Decluse”, omdat deze eerste rekening debet kwam te staan als gevolg van overboekingen vanuit Decluse naar Blauwpark ter aanzuivering van de Blauwparkrekening. Bij e-mail van dezelfde dag heeft hij ook aan [accountmanager] gevraagd om dit op te pakken. Vervolgens heeft [accountmanager] als volgt gereageerd:

In principe gaat het automatisch, maar ik houd het mee in de gaten. Ik zorg ook voor aanzuivering.”.

2.30.

Bij e-mail van 3 juni 2009 heeft ABN AMRO ([accountmanager]) aan [adviseur] geschreven:

Voor Blauwpark BV worden een aantal betalingsopdrachten niet uitgevoerd, omdat er geen saldo op de rekening is. Ca EUR 1110.000,=. Weet jij of er naar Blauwpark geld onderweg is?”.

2.31.

Bij e-mail van 8 juni 2009 heeft ABN AMRO ([assistente]) aan [adviseur] bericht:

Wij zullen het saldo aanzuiveren tlv Decluse.

Tevens zijn er een aantal betalingen niet uitgevoerd omdat de handtekening op de opdracht afwijkt van de bij ons bekende handtekeningen. Kun jij aangeven of deze opdrachten (zie hieronder) door jou zijn getekend:

20.777,40 tgv CDZ Den Haag

22.610,-- tgv [bedrijf]

1.391,70 tgv Gemeentebelasting Rotterdam

1.285,20 tgv [naam 4]

880,60 tgv [naam 5]

867,81 tgv Gemeentebelasting Rotterdam

554,17 tgv MD Sales”.

2.32.

Bij e-mail van 20 juli 2009 heeft ABN AMRO ([assistente]) aan [adviseur] bericht dat er onvoldoende saldo was op de Blauwparkrekening om de betalingsopdrachten “voor Blauwpark voor een bedrag van circa € 42.000,- (o.a. belastingbetalingen)” uit te voeren. [assistente] vraagt of geld ten laste van Decluse moet worden overgemaakt.

2.33.

Bij e-mail van 14 augustus 2009 heeft ABN AMRO ([assistente]) aan [adviseur] geschreven:

Ik zie dat er een drietal betalingen zijn aangeboden bij Blauwpark voor een bedrag van ca 28.500 euro, echter er is niet genoeg saldo. Heb jij al opdracht gegeven om dit aan te zuiveren?

Vervolgens heeft [adviseur] bij e-mail van 31 augustus 2009 ABN AMRO ([assistente]) verzocht om een bedrag van € 100.000,- van de Decluserekening naar de Blauwparkrekening over te boeken.

2.34.

Bij e-mail van 9 februari 2010 heeft ABN AMRO ([assistente]) aan [adviseur] geschreven:

We hebben een tweetal betalingen retour ontvangen van Blauwpark ad 1.418,04 tbv Gemeentebelastingen en 981,75 tbv Baker TillyBerk omdat de handtekening die daar op staat niet gelijk zijn aan jouw handtekening bij ons in het systeem. Klopt het dat jij de genoemde betalingen hebt ingestuurd ter betaling? (…)”.

2.35.

Bij e-mail van 12 november 2010 heeft ABN AMRO ([assistente]) aan [adviseur] geschreven:

Wij hebben een overboeking retour ontvangen van Eur 9.327,93 voor een betaling aan Havestate te Rotterdam, de handtekening die daar op staat is niet helemaal gelijk aan jouw handtekening bij ons in het systeem. Herken jij de betaling? (…)”.

2.36.

Bij e-mail van 6 december 2010 heeft ABN AMRO ([assistente]) aan [adviseur] geschreven:

Wij hebben een drietal overboekingen retour ontvangen, de handtekening die daar op staat is niet gelijk aan jouw handtekening bij ons in het systeem.

Herken jij onderstaande betalingen? Zo ja dan zal ik de betaling alsnog doordoen.

Eur 3.494,00 ten gunste van de Belastingdienst

Eur 6.192,52 ten gunste van [naam 6]

Eur 4.801,77 ten gunste van [naam 7]

(…)

Ik zal voor Decluse en Blauwpark nieuwe handtekeningenkaarten naar je versturen zodat jouw handtekening in ons systeem kan worden aangepast.”.

2.37.

Bij e-mail van diezelfde dag heeft [adviseur] aan ABN AMRO ([assistente]) geschreven:

Bedragen zijn akkoord. Ik vrees dat de handtekeningenkaarten niet nodig zijn maar dat ik vooral even netter de formulieren moet tekenen. Overigens zijn inmiddels ook de formulieren voor zowel Blauwpark als Decluse getekend voor wijzigen van telefoonnummers (hadden jullie al in september/oktober toegestuurd maar ik vond dat ik formeel ook [zoon] moest vragen om mee te tekenen en die is hier niet zo vaak).”.

Daarop heeft ABN AMRO ([assistente]) als volgt gereageerd:

Als jij voortaan wat netter wilt tekenen, dan lopen wij ook niet het risico dat ze eruit vallen en dat je ze opnieuw moet insturen”.

waarna [adviseur] aan ABN AMRO ([assistente]) heeft geschreven:

Kreeg ook een acceptgiro terug voor betaling van het Financieel Dagblad van[vader] die had ik helemaal niet getekend.”.

Daarop heeft ABN AMRO ([assistente]) bij e-mail van 7 december 2010 gereageerd:

Dat is wel heel erg vreemd, temeer omdat[vader] geen rekening meer bij ABN AMRO heeft.”.

Vervolgens heeft [adviseur] aan ABN AMRO ([assistente]) bericht:

Was een betaling van Blauwpark hoor. [vader] heeft zich het “recht bedongen” om op rekening van Blauwpark lekker in [plaats] het FD te lezen: en daar durf ik niet tegen in te gaan, zelfs al is hij geen aandeelhouder meer.”

2.38.

In augustus 2011 heeft Blauwpark c.s. ontdekt dat [adviseur] op grote schaal fraude heeft gepleegd. Gedurende een periode van ongeveer tien jaar heeft [adviseur] aan ABN AMRO betalingsopdrachten gegeven, waardoor veelvuldig en voor grote bedragen frauduleuze betalingen zijn verricht vanaf de bankrekeningen van Blauwpark c.s. Het gaat daarbij om betalingen aan [adviseur] in privé, en aan of ten behoeve van de door hemzelf in privé opgerichte vennootschappen, waaronder betalingen aan de Belastingdienst in verband met aan zijn vennootschappen opgelegde (voorlopige) aanslagen. [adviseur] heeft erkend te hebben gefraudeerd.

2.39.

In een gespreksnotitie van ABN AMRO ([accountmanager]) van 4 en 5 augustus 2011 met als onderwerp “gesprekken over vermeende fraude door [adviseur]” staat in dat verband vermeld:

Op 4 augustus gebeld door [naam 8], een oud PWM collega, die (…) de [familie] nog begeleidt. (…) [naam 8] vertelde naar de jaarstukken te kijken en sommige dingen niet te begrijpen. Na enkele boekingen besproken te hebben, ontstond er bij hem nog meer verwarring. (…)

Vervolgens gebeld door [zoon] (…). [zoon] was enigszins bezorgd na Daniel te hebben gesproken (…) Het leek [naam 8] en [zoon] onlogisch dat de saldi op de rekeningen bij ons nog zo beperkt waren. Vreemd werd gevonden dat [adviseur][adviseur], rb) de afgelopen tijd niet bereikbaar was (…)

Op 5 augustus gebeld door [naam]. De bezorgdheid binnen de familie was toegenomen. [naam] vroeg of wij verdere informatie over boekingen op de rekeningen naar hen, wilde mailen. Aldus ’s ochtends meteen gedaan. Vanuit de familie was er volgens [naam] geen controle op de rekeningen.

In de ochtend door [zoon] gebeld. (…) Ze hadden [adviseur] telefonisch gesproken. Hij had bevestigd in de loop der tijd ca EUR 3 mln van rekeningen te hebben gehaald. (…)

Met [schoonzoon] ([schoonzoon], rb) afgesproken voorlopig alle post te sturen naar [schoonzoon] zijn adres: (…)

Door [schoonzoon] werden de volgende ten onrechte overgeboekte bedragen genoemd:

(…)

Decluse B.V. EUR 1,2 mln

Blauwpark B.V. EUR 0,3 mln

(…)

[schoonzoon] geadviseerd een onderzoeksbureau in te schakelen teneinde wel scherp in beeld te krijgen wat er gebeurd is.”.

2.40.

Bij e-mail van 16 september 2011 heeft [naam] ABN AMRO

om een kopie van het door de bank aangehouden dossier inzake Blauwpark c.s. verzocht. Bij e-mail van 20 september 2011 heeft ABN AMRO aan [naam] twee screenprints van de bevoegdheden met betrekking tot Blauwpark en Decluse zoals opgenomen in de digitale administratie van de bank toegezonden. Op deze screenprints staat slechts vermeld dat [adviseur] “Gemacht” was, maar niet tot welk bedrag. Vervolgens heeft [naam] bij e-mail van dezelfde datum om de originele machtigingen en het volledige dossier (met uitzondering van de bankafschriften) verzocht. Dit verzoek heeft hij bij e-mail van 30 september 2011 herhaald. Bij e-mail van 3 oktober 2011 heeft [naam] aan ABN AMRO ([accountmanager]) geschreven dat diens assistente, [assistente], aan [zoon] had laten weten dat zij buiten de digitale bevoegdhedenoverzichten geen informatie had gevonden en hem verzocht te bevestigen dat ABN AMRO buiten deze overzichten geen verder dossier had met betrekking tot Blauwpark c.s.. Voor zover er wel een dossier zou zijn, heeft hij om toezending daarvan verzocht.

2.41.

Bij e-mail van 5 oktober 2011 heeft [naam] aan ABN AMRO ([accountmanager]) geschreven:

“(…) Ik heb begrepen dat het dossier m.b.t. Blauwpark & Decluse voor een groot deel zoek is. Slechts enkele gespreksverslagen van vergaderingen die in groepsverband werden gehouden om beleggingsbeslissingen te bespreken zijn nog voorhanden. Handtekeningen kaarten en machtigingen bevinden zich volgens jou niet in het dossier, fysiek noch digitaal (gescand). Ik ga er op dit moment even vanuit dat de bank deze stukken niet meer heeft.

Zou jij (…) mij zoals besproken die delen van het dossier kunnen sturen die wel beschikbaar zijn en zou je ervoor kunnen zorgen dat ik deze medio volgende week heb?”.

2.42.

Bij e-mail van 17 oktober 2011 heeft [naam] ABN AMRO ([accountmanager]) opnieuw om toezending van het dossier verzocht. Bij e-mail van 20 oktober 2011 heeft [assistente] aan [naam] een document gestuurd waarin de bank de bevoegdheden zoals die in het systeem van de bank voorkwamen “op een rijtje” had gezet. In dit document staat bovenaan:

“De bevoegdheden zoals deze in ons bank systeem voorkwamen, waren als volgt”,

waarna onder “Blauwpark BV” weer een screenprint is opgenomen met daarop, voor zover van belang, achter de naam [adviseur] slechts “Gemacht” (maar niet tot welk bedrag).

Daaronder staat vermeld:

“De bevoegdheid voor [adviseur], die is ingevoerd in [oktober] 2001 gold voor de volgende rekeningen en is vervallen in augustus 2011”.

Daarna volgt een aantal rekeningnummers.

Ook op de daaronder afgedrukte screenprint van Decluse staat weer slechts vermeld dat [adviseur] “Gemacht” is/was, maar niet tot welk bedrag.

Hetzelfde geldt voor het document waarin de bevoegdheden betreffende Stichting Altweert, een door [vader] opgerichte charitatieve stichting, zijn opgenomen.

2.43.

Bij brief van 20 oktober 2011 heeft Blauwpark c.s. bezwaar gemaakt tegen de inhoud van de door ABN AMRO ter beschikking gestelde opgaven en verrichte transacties.

2.44.

Bij verstekvonnis van 2 november 2011 heeft de rechtbank Rotterdam voor recht verklaard dat [adviseur] en aan hem gelieerde vennootschappen onrechtmatig hebben gehandeld jegens onder meer Blauwpark c.s. en hen hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan (onder meer) Blauwpark c.s. van een voorschot op haar schade uit onrechtmatige daad tot een bedrag van circa € 16.974.000,-.

2.45.

Op 5 januari 2012 heeft Blauwpark c.s. aangifte van fraude tegen [adviseur] gedaan.

2.46.

Een schriftelijke verklaring van [adviseur] van 16 februari 2012 bevat onder meer de volgende passage:

“Ik meen mij te herinneren dat [assistente] van ABN contact heeft opgenomen met mij. (…) ABN stelde daarom voor dat in de toekomst een bepaald overschot op de bankrekening automatisch zou worden overgemaakt naar een spaarrekening met een hoger rendement. Blauwpark c.s. zou in dat geval geen renteverlies lijden. In geval van een tekort zou de bankrekening door ABN worden aangezuiverd met gelden van de spaarrekening van Blauwpark. [accountmanager] of [assistente] heeft mij verteld dat ABN circa eenmaal per twee weken het saldo van Blauwpark zou checken op een dergelijke ‘overstand’.
Het werd daarbij voor mij nog eenvoudiger om bepaalde (frauduleuze) transacties te verrichten. In het begin (…) liep er wel eens een betaling vast (…).
Betalingsopdrachten die voorheen niet konden worden uitgevoerd werden in de nieuwe situatie “opgespaard”. Het saldo op de bankrekening werd vervolgens automatisch door ABN aangezuiverd, waarna ABN vermoedelijk handmatig alle betalingsopdrachten alsnog heeft geaccordeerd en uitgevoerd. (…)”.

2.47.

Bij brief van 28 maart 2012 heeft Blauwpark c.s. ABN AMRO aansprakelijk gesteld voor de schade die zij als gevolg van de door [adviseur] gepleegde fraude heeft geleden. Blauwpark c.s. heeft de schade tot op dat moment begroot op een bedrag van
€ 23.172.156,62, vermeerderd met kosten.

2.48.

Blauwpark c.s. heeft op 31 mei 2012 aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof gevraagd om onder ABN AMRO beslag te leggen op de in het beslagrekest gespecificeerde bescheiden, door Blauwpark c.s. “de bankdossiers” genoemd. Bij beschikking van 1 juni 2012 heeft de voorzieningenrechter het verlof deels verleend. Het verzoek is afgewezen voor zover Blauwpark c.s. heeft verzocht beslag te mogen leggen op correspondentie van ABN AMRO met derden met betrekking tot de kredietrelatie tussen ABN AMRO en Blauwpark c.s. en op interne notities, memo’s, en verslagen over de aansprakelijkstelling door Blauwpark c.s.

2.49.

Vervolgens heeft de deurwaarder op 5 juni 2012 onder ABN AMRO de volgende bescheiden in beslag genomen: 2.527 bedrukte pagina’s in A4 formaat en 3 dozen met overige bescheiden. De stukken zijn ter gerechtelijke bewaring afgegeven bij Riscon Arnhem B.V. (hierna: Riscon).

2.50.

ABN AMRO heeft bij brief van 6 augustus 2012 aan Blauwpark c.s. aangeboden alle in beslag genomen stukken vrijwillig te verstrekken met uitzondering van na 1 augustus 2011 opgestelde stukken waaronder stukken ten behoeve van intern beraad. ABN AMRO heeft erop gewezen dat diverse stukken in beslag zijn genomen die niet vallen onder het beslagverlof en waarin ook geen inzage wordt gevorderd en voorgesteld voor het verwijderen van die stukken een afspraak te maken. Voorts heeft zij kopieën van de Handtekeningenkaarten/volmachten van Blauwpark en Decluse meegestuurd. Blauwpark c.s. heeft op 22 augustus 2012 bericht dat zij dit voorstel van ABN AMRO niet accepteert.

2.51.

Bij vonnis van 14 september 2012 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank ABN AMRO veroordeeld tot afgifte van bescheiden die, kort gezegd, betrekking hebben op de periode van 2001 tot en met 5 augustus 2011. ABN AMRO is toegestaan de in beslag genomen stukken voorafgaand aan de afgifte te controleren in aanwezigheid van de deurwaarder en, voor zover nodig, in overleg met de deurwaarder daarin opgenomen vertrouwelijke informatie over andere klanten te anonimiseren. De voorzieningenrechter heeft voorts de vordering tot vergoeding van de beslagkosten afgewezen met de overweging dat de toewijsbaarheid daarvan in de bodemprocedure aan de orde moet worden gesteld. Onder 4.19. van het vonnis is overwogen:

De voorzieningenrechter overweegt dat voorshands niet kan worden geoordeeld dat B&D (Blauwpark c.s., rb) de beslagkosten onnodig hebben gemaakt. Vaststaat dat ABN Amro bij B&D aanvankelijk de indruk heeft gewekt dat hun dossier was zoekgeraakt. Toen eind oktober 2011 bij ABN Amro meer stukken uit het dossier van B&D boven tafel waren gekomen, heeft ABN Amro (mede naar aanleiding van de brief van B&D aan ABN Amro van 20 oktober 2011) nagelaten deze voor B&D zeer relevante stukken, zoals de handtekeningenkaarten waaruit de aan [adviseur] verstrekte volmacht bleek, aan B&D te overhandigen. Pas bij brief van 6 augustus 2012 heeft ABN Amro voor het eerst een kopie van de handtekeningenkaarten aan B&D verstrekt. Onder deze omstandigheden kan bezwaarlijk worden volgehouden dat het besluit van B&D om tot het leggen van bewijsbeslag over te gaan als onnodig kan worden gekwalificeerd. ABN Amro heeft dit door haar eigen opstelling over zichzelf afgeroepen.”.

2.52.

Tussen ABN AMRO en de deurwaarder is over de afgifte van bepaalde stukken, waaronder de hiervoor onder 2.39 genoemde gespreksnotitie van [accountmanager], een geschil ontstaan. Bij vonnis van 2 oktober 2012 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank onder meer geoordeeld dat de gespreksnotitie aan Blauwpark c.s. afgegeven dient te worden met dien verstande dat daarin opgenomen vertrouwelijke informatie ten aanzien van ander(e) krediet(relaties) van ABN AMRO mag worden geanonimiseerd, en dat de daarin opgenomen weergave van een interne bespreking van ABN AMRO naar aanleiding van de geconstateerde fraude, mag worden verwijderd.

2.53.

Bij brief van 22 oktober 2012 heeft ABN AMRO op de aansprakelijkstelling van 28 maart 2012 van Blauwpark c.s. gereageerd en iedere aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3 Het geschil

3.1.

Blauwpark c.s. vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. verklaart voor recht dat ABN AMRO onrechtmatig jegens Blauwpark c.s. heeft gehandeld, althans toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens Blauwpark c.s., en als gevolg daarvan aansprakelijk is voor de door Blauwpark c.s. geleden en nog te lijden schade;

  2. ABN AMRO veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 23.289.460,73, te vermeerderen met wettelijke rente over iedere individuele betaling berekend vanaf de dag van die betaling tot aan de dag van volledige voldoening, en te verminderen met
    € 77.771,06, € 22.000,- en € 49.783,92;

  3. ABN AMRO veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 1.028.057,90 aan buitengerechtelijke incassokosten;

  4. ABN AMRO veroordeelt in de proceskosten.

3.2.

Aan haar vorderingen heeft Blauwpark c.s. primair ten grondslag gelegd dat ABN AMRO toerekenbaar is tekortgeschoten in haar zorgplicht jegens Blauwpark c.s. Subsidiair heeft zij gesteld dat ABN AMRO jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld. Als gevolg van de toerekenbare tekortkoming, althans onrechtmatige daad, van ABN AMRO heeft Blauwpark c.s. schade geleden tot een bedrag van € 23.289.460,73. ABN AMRO is wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum dat iedere onrechtmatige betaling is verricht, omdat ABN AMRO op grond van artikel 6:83 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) in verzuim is zonder dat daarvoor een ingebrekestelling is vereist.

3.3.

Blauwpark c.s. licht haar vorderingen als volgt toe. ABN AMRO heeft om verschillende redenen haar zorgplicht geschonden. Zij wist dat de activiteiten van Blauwpark c.s. beperkt waren tot het beheren van het familievermogen. De transacties waartoe [adviseur] opdracht heeft gegeven, waren afwijkend van het normale uitgavenpatroon van Blauwpark c.s. alsook van dat van beheervennootschappen in het algemeen. ABN AMRO heeft bij het goedkeuren van deze transacties onvoldoende zorgvuldigheid betracht. ABN AMRO heeft herhaaldelijk aan [adviseur] bericht dat handtekeningen op betalingsopdrachten niet overeenstemden met de handtekening in haar systeem en het had ABN AMRO moeten opvallen dat daar betalingsopdrachten bij zaten die niet passend waren voor Blauwpark c.s. Zij heeft die betalingsopdrachten desalniettemin na goedkeuring door [adviseur] uitgevoerd, terwijl zij bij het bestuur van Blauwpark c.s. had moeten verifiëren of die betalingen juist waren. Zij heeft nagelaten aan de bel te trekken toen de betalingsopdrachten en het rekeningverloop niet overeenstemden met de aard van de (beleggings)activiteiten van Blauwpark c.s.

Ten onrechte heeft ABN AMRO verschillende opdrachten van [adviseur] tot aanzuivering van de Blauwparkrekening vanaf rekeningen ten name van Decluse uitgevoerd, alleen al omdat daarmee bedragen waren gemoeid die zijn volmacht ruimschoots overstegen. Bovendien heeft ABN AMRO daarin een actief beleid gevoerd door [adviseur] regelmatig te vragen of aangezuiverd moest worden. Daarmee heeft zij de fraude door [adviseur] gefaciliteerd.

Voorts had ABN AMRO moeten onderzoeken of de informatie op de Handtekeningenkaart/volmacht van Blauwpark juist was; gelet op de totstandkoming daarvan had zij hierover gerede twijfel moeten hebben.

Ten slotte heeft ABN AMRO na ontdekking van de fraude een weigerachtige houding aangenomen ten aanzien van het verstrekken van informatie. Ten onrechte heeft zij gesuggereerd dat er geen dossier inzake Blauwpark c.s. zou zijn. Hierdoor was Blauwpark c.s. genoodzaakt aanzienlijke kosten te maken teneinde over de benodigde informatie voor onderzoek naar de fraude te kunnen beschikken. Deze kosten bedragen € 1.028.057,90.

3.4.

ABN AMRO voert – kort weergegeven – het volgende verweer:

- de vordering is op grond van artikel 3:307 BW, dan wel artikel 3:310 lid 1 BW grotendeels verjaard;

- Blauwpark c.s. heeft in strijd met de artikelen 12 en 13 van de Algemene Bankvoorwaarden (ABV) 1995 en artikel 7:526 BW niet tijdig geklaagd over de onjuistheid van de ontvangen bankafschriften;

- er is geen sprake van een toerekenbare tekortkoming, althans onrechtmatige daad, omdat ABN AMRO bevoegd gegeven betalingsopdrachten heeft uitgevoerd; [adviseur] was op grond van de Handtekeningenkaart/volmacht van Blauwpark onbeperkt bevoegd voor betalingen aan de Belastingdienst en voor het overige beperkt bevoegd tot een bedrag van fl.100.000,-;

- voor zover [adviseur] niet bevoegd zou zijn geweest, dan heeft Blauwpark c.s. de schijn van een toereikende volmacht in de zin van artikel 3:61 lid 2 BW gewekt;

- in de onderhavige situatie bestaat geen bijzondere zorgplicht van ABN AMRO, omdat Blauwpark c.s. een professionele partij is;

- ABN AMRO kan en hoeft niet de rechtmatigheid van alle transacties van cliënten te controleren; de betalingsopdrachten worden bovendien automatisch verwerkt;

- ABN AMRO heeft Blauwpark c.s. door middel van rekeningafschriften, financiële jaaroverzichten en familieberaden op de hoogte gehouden van het verloop van de rekeningen; Blauwpark c.s. had zelf de plicht om haar bankafschriften te controleren en te reclameren als onjuiste transacties waren voorgevallen en dat heeft zij nagelaten;

- Blauwpark c.s. is jegens haar aansprakelijk voor de fouten van [adviseur] en een eventuele schadevergoedingsverplichting kan hiermee worden verrekend;

- de gestelde tekortkoming kan niet aan ABN AMRO worden toegerekend en het causaal verband tussen haar handelen (of nalaten) en de gestelde schade ontbreekt;

- betwist worden de hoogte van de schade en de gevorderde kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid daarvoor;

- ten slotte is sprake van eigen schuld hetgeen tot een correctie van 100% moet leiden.

3.5.

ABN AMRO verzoekt het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren dan wel, overeenkomstig het bepaalde in artikel 233 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), aan een uitvoerbaar bij voorraadverklaring de voorwaarde te verbinden dat Blauwpark c.s. zekerheid dient te stellen door middel van een bankgarantie ter hoogte van het toegewezen bedrag.

4 De beoordeling

Zorgplicht

4.1.

Vooropgesteld wordt dat tussen Blauwpark c.s. enerzijds en ABN AMRO anderzijds sprake is van een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW. Ingevolge artikel 7:401 BW moet ABN AMRO bij haar werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen. De zorgplicht van de bank wordt verder ingekleurd door artikel 2 van de algemene bankvoorwaarden waarin is bepaald dat de bank bij haar dienstverlening de nodige zorgvuldigheid in acht dient te nemen en daarbij naar beste vermogen rekening zal houden met de belangen van de cliënt.

4.2.

Bij de invulling van de zorgplicht is voorts het volgende van belang. Blauwpark en Decluse zijn beheermaatschappijen die als doel hebben het vermogen van de [familie] te beheren. Dit was ABN AMRO bekend, zoals alleen al volgt uit de hiervoor onder 2.6 genoemde notitie waarin ABN AMRO zelf heeft opgetekend dat het doel “instandhouding” van het vermogen is. Er is geen schriftelijke overeenkomst van opdracht tussen de bank en Blauwpark c.s. Over de relatie tussen partijen staat wel het volgende vast. ABN AMRO faciliteerde het betalingsverkeer van Blauwpark c.s., verleende beleggingsadvies, hield de vermogensontwikkeling in de gaten (en rapporteerde daarover tijdens de familieberaden) en verzorgde ten dele ook vermogensbeheer. ABN AMRO heeft Blauwpark c.s. ondergebracht in de afdeling PWM, die zich richt op klanten (“private clients”) met een vermogen van ten minste € 25.000.000,-. Het betoog van ABN AMRO dat zij jegens Blauwpark c.s. geen bijzondere zorgplicht had omdat Blauwpark en Decluse (gelet op het balanstotaal en de complexe vennootschapsstructuur) professionele partijen zijn die zich door adviseurs lieten bijstaan, is, gelet op het verwijt dat Blauwpark c.s. ABN AMRO maakt – te weten dat zij door haar onzorgvuldige handelwijze de fraude van [adviseur] heeft gefaciliteerd – dan ook niet relevant.

4.3.

Een belangrijk deel van het verweer van ABN AMRO is gestoeld op de gedachte dat van de accountmanagers van de bank en hun assistenten niet kan worden verwacht dat zij zich zonder goede aanleiding verdiepen in de betaalstromen op de rekeningen van hun klanten. Dit uitgangspunt is in zijn algemeenheid wellicht juist, maar het verweer gaat in dit geval niet op. Hoewel de rechtbank van ABN AMRO wil aannemen dat ook de handgeschreven overschrijvingsformulieren in beginsel automatisch worden verwerkt, staat vast dat in dit geval ten minste een aantal overschrijvingsformulieren door medewerkers van de bank zijn bekeken. Dat blijkt wel uit de e-mails waarin door de medewerkers van ABN AMRO vragen zijn gesteld naar aanleiding van door [adviseur] ingeleverde betalingsopdrachten (zie onder meer de e-mails genoemd onder 2.23, 2.26, 2.27, 2.28, 2.30, 2.31, 2.32, 2.33, 2.34, 2.35, 2.36 en 2.37). Bovendien werden de familieberaden door de medewerkers van ABN AMRO voorbereid. Daarbij werden – zo is ter comparitie namens ABN AMRO verklaard – door de betrokken bankmedewerkers overzichten van de saldi van de rekeningen opgesteld. Het is niet goed denkbaar dat deze overzichten konden worden opgesteld (en dat daarbij de beleggingsresultaten goed in beeld konden worden gebracht) zonder dat de betrokken medewerkers van de bank kennis namen van het rekeningverloop van de verschillende rekeningen van Blauwpark c.s. Bij deze mate van betrokkenheid past dat van deze medewerkers redelijkerwijs verwacht mocht worden dat zij op enig moment vraagtekens plaatsten bij de aard en omvang van de transacties. Dit geldt te meer nu de dienstverlening werd verricht vanuit de afdeling PWM, bij welke afdeling, zo is ter comparitie zijdens ABN AMRO verklaard, zich meer dan elders aspecten als “vermogensplanning” voordoen en bij welke afdeling – zo staat vast – meer aandacht aan de klant wordt besteed. Er vonden immers niet alleen enkele keren per jaar familieberaden plaats, maar de medewerkers van PWM hadden, anders dan in het geval van “gewone” rekeninghouders, ook regelmatig contact met Blauwpark c.s., via [adviseur] of rechtstreeks met leden met de familie. Bovendien hield ABN AMRO – zo zal later uitgebreider worden besproken – actief het saldo van de verschillende rekeningen in de gaten en zag zij het als haar taak om het saldo van een rekening eigener beweging aan te vullen als daartoe aanleiding was. Dit een en ander maakt dat in dit geval aan de algemene zorgplicht van de bank hogere eisen mogen worden gesteld dan ingeval de klant “slechts” een “gewone” rekeninghouder is.
ABN AMRO heeft er nog op gewezen dat [familie] zeker niet de grootste klant van de afdeling PWM was. Mede om die reden, zo voert ABN AMRO aan, werd er niet meer aandacht aan de familie geschonken dan aan andere klanten binnen de afdeling PMW en had de accountmanager – de betrokken accountmanager beheerde vermogens met een totaal beloop van wel circa € 2,5 miljard – minder intensief en frequent contact met de familie en met [adviseur] dan met veel grotere klanten, aldus ABN AMRO. Het is de rechtbank niet duidelijk wat ABN AMRO met dit betoog beoogt en het doet naar het oordeel van de rechtbank overigens ook niet ter zake.

4.4.

In het hierna volgende zal worden beoordeeld of ABN AMRO tekort is geschoten in haar zorgplicht van goed opdrachtnemer gelet op de norm zoals deze hiervoor nader is ingekleurd.

4.5.

Blauwpark c.s. stelt dat ABN AMRO haar zorgplicht heeft geschonden door:

  • -

    a) het uitvoeren van onrechtmatige betalingsopdrachten aan evident onjuiste begunstigden zonder te controleren of de bevoegdheid van [adviseur] toereikend was;

  • -

    b) debetstanden op de Blauwpark- en Decluserekening op eigen initiatief en op verzoek van [adviseur] aan te zuiveren en zo de fraude te faciliteren;

  • -

    c) na te laten de bestuurders van Blauwpark c.s. op de hoogte te houden van de ontwikkelingen op de rekeningen van Blauwpark c.s. en na te laten de bestuurders van Blauwpark c.s. te waarschuwen over het opmerkelijke rekeningenverloop dat niet strookte met het doel van een beheermaatschappij en van Blauwpark c.s. in het bijzonder;

  • -

    d) de volmachten van [adviseur] niet bij de bestuurders van Blauwpark c.s. te controleren;

  • -

    e) na de ontdekking van de fraude een weigerachtige houding aan te nemen bij het verstrekken van documenten aan Blauwpark c.s.

Aanzuiveringen

4.6.

De rechtbank ziet aanleiding het verwijt onder (b) als eerste te behandelen. Volgens Blauwpark c.s. heeft [adviseur] in de periode van 1 mei 2001 tot en met 5 augustus 2011 in totaal 1.657 frauduleuze betalingen vanaf de Blauwparkrekening gedaan. De debetstand die mede hierdoor op de Blauwparkrekening ontstond, heeft ABN AMRO aanvankelijk aangezuiverd vanaf andere rekeningen op naam van Blauwpark, maar na eind oktober 2008 alleen nog vanuit Decluse. In een aantal gevallen heeft [adviseur] tot deze aanzuiveringen opdracht gegeven, waarbij zijn volmacht werd overschreden, in andere gevallen gebeurde dit op initiatief van ABN AMRO. Blauwpark c.s. stelt dat ABN AMRO dit nooit zonder overleg met de bestuurders van Blauwpark c.s. had mogen doen.

ABN AMRO heeft hiertegen – samengevat – aangevoerd dat zij haar klanten een “service” verleent door rekeningen die een debetstand hebben aan te zuiveren, zodat betalingen kunnen doorlopen.

4.7.

Voorop wordt gesteld dat ABN AMRO in opdracht van [adviseur] geen bedragen van Decluse mocht overmaken naar Blauwpark voor zover de volmacht van [adviseur] daarmee werd overschreden. Blauwpark en Decluse zijn immers twee verschillende rechtspersonen (met – deels – verschillende aandeelhouders en gescheiden vermogens) en moeten ook als afzonderlijke entiteiten worden behandeld. Om diezelfde reden was het ABN AMRO niet toegestaan eigenmachtig, zonder dat daarvoor een contractuele grondslag was aan te wijzen, bedragen vanuit Decluse over te maken naar de Blauwparkrekening.
Dat [adviseur] echter wel opdracht heeft gegeven voor dergelijke, zijn volmacht te buiten gaande, aanzuiveringen vanuit Decluse naar de Blauwparkrekening, blijkt onder meer uit de e-mails van 3 maart 2009, 10 maart 2009 en 31 augustus 2009 zoals weergegeven onder 2.28, 2.29 en 2.33. De door [adviseur] hierin gegeven opdrachten tot aanzuivering vanuit Decluse betreffen telkens bedragen die de reikwijdte van zijn volmacht (ook wanneer met ABN AMRO wordt uitgegaan van een volmacht tot fl. 100.000,-, zie 4.10 hierna) te buiten gingen. Voorts blijkt onder meer uit de e-mailwisseling van 10 maart 2009 (zie hiervoor onder 2.29) dat ABN AMRO ook zelfstandig voor aanzuivering vanuit Decluse naar de Blauwparkrekening zorgdroeg. Voor deze beide handelwijzen heeft ABN AMRO geen deugdelijke verklaring gegeven. Integendeel, ter comparitie is zijdens ABN AMRO verklaard dat het “minder in de rede ligt” dat aanzuiveringen van een rekening van de ene vennootschap naar een andere vennootschap plaatsvinden en dat de bank deze gang van zaken niet goed kan verklaren. Door over deze aanzuiveringen alleen contact te hebben met [adviseur] heeft de bank dan ook zonder meer haar zorgplicht geschonden. Dit geldt temeer nu zij wist althans moest weten dat (het bestuur van) Blauwpark c.s. niet op de hoogte was van deze gang van zaken en het daar ook niet (zonder meer) mee eens was. Dat zij hiermee bekend moest zijn volgt onder meer uit de in 2.17 genoemde e-mail waarin [naam 2] zijn collega’s bericht dat [schoonzoon] zich onaangenaam verrast toonde door een onttrekking van de Asset Management Rekening van Blauwpark van € 300.000,-.
Mede in het licht van de interne afspraak binnen de bank volgend op voormelde e-mail om – zonder contact met een bestuurder – geen gelden aan de beleggingsportefeuilles te onttrekken, is het onbegrijpelijk dat ABN AMRO slechts vier dagen later een bedrag van € 450.000,- van de asset management rekening van Blauwpark naar de Blauwparkrekening overboekt zonder dat daarover met de bestuurders van Blauwpark c.s. is gesproken. ABN AMRO had bij de bestuurders moeten controleren of het hun bedoeling was dat deze aanzuiveringen plaatsvonden. In plaats daarvan is ABN AMRO ondanks het bezwaar van Blauwpark c.s. tegen de onttrekking van € 300.000,- en de interne communicatie daarover in juni 2008 doorgegaan met het aanzuiveren van de Blauwparkrekening vanaf andere rekeningen ten name van Blauwpark en vanuit Decluse. De verklaring zijdens ABN AMRO ter comparitie dat de aanzuiveringen niet tijdens de familieberaden aan de orde zijn gesteld “omdat [zij] in de veronderstelling waren dat de familie en de directie van de vennootschappen het wisten” en zij “geen enkele aanleiding [hadden] om te veronderstellen dat het niet zo was” kan haar niet baten. Het ging hier immers voor een groot deel om aanzuiveringen die de volmacht van [adviseur] te boven gingen en die zij dus niet uitsluitend in overleg met de beperkt gevolmachtigde [adviseur] (zie ook hierna onder 4.21-4.22) had mogen uitvoeren.

4.8.

Nog afgezien van het feit dat de bank de aanzuiveringen niet had mogen verrichten voor zover de daaraan ten grondslag gelegde opdrachten van [adviseur] diens volmacht overschreden en voor zover daaraan in het geheel geen opdracht ten grondslag lag, is de rechtbank met Blauwpark c.s. van oordeel dat zij zich ook had moeten afvragen waarom aanzuiveringen – met deze frequentie en voor zulke grote bedragen – überhaupt nodig waren: waarom er betalingen moesten plaatsvinden en hoe steeds (aanzienlijke) debetstanden op de Blauwparkrekening konden ontstaan. Blauwpark c.s. heeft in dit verband gewezen op de volgende omstandigheden rondom de debetstanden en aanzuiveringen:

- in juli 2003 worden van andere rekeningen van Blauwpark drie bedragen van ruim € 1,7 miljoen, € 172.827 en ruim € 2 miljoen naar de Blauwparkrekening overgeboekt op verzoek van [adviseur];

- uit een interne e-mail van de bank van [beleggingsadviseur] blijkt dat men de debetstanden actief in de gaten houdt;

- in een e-mail van 12 oktober 2006 schrijft een collega aan [accountmanager] (ABN AMRO) dat [adviseur] had berekend dat hij rond 11 november gedurende twee tot drie dagen € 8,5 miljoen tekort zou komen (op de Blauwparkrekening);

- in een interne notitie van [beleggingsadviseur] (ABN AMRO) van 6 november 2006 staat vermeld dat [adviseur] hem belde met het verzoek of de bank hem overzichten wilde faxen van zowel Blauwpark als Decluse met betrekking tot het depotoverzicht en de liquide middelen.

In de betrekkelijk korte periode van mei 2008 tot begin 2009 volgen dan in ieder geval de ontwikkelingen en aanzuiveringen die blijken uit de e-mails zoals hiervoor onder 2.15-2.34 weergegeven: debetstanden van ruim € 50.000,-, € 118.000,-, ruim € 60.000,-, € 135.000,- en € 77.000,- en aanzuiveringen met bedragen van € 300.000,-, € 450.000,-, € 400.000,- en vier keer € 45.000,-. (Uit de opsomming van aanzuiveringen in productie 68 bij dagvaarding zou kunnen volgen dat het om veel meer aanzuiveringen ging, echter deze heeft Blauwpark c.s., zo stelt zij, aan de hand van de in het dossier van de bank aanwezige informatie niet tot specifieke instructies van [adviseur] kunnen herleiden, reden waarom zij er niet nader op in is gegaan en deze ook hier verder onbesproken blijven).

Zonder nadere toelichting die ontbreekt, is onbegrijpelijk dat de bank deze gang van zaken niet met het bestuur van Blauwpark c.s. heeft besproken en hierover slechts contact heeft gehad met [adviseur] die slechts een beperkte volmacht had om tot een bepaald bedrag betalingsopdrachten te doen. Dat er verband was tussen de debetstanden en (het vastlopen van) bepaalde betalingsopdrachten en dat medewerkers van de bank hiervan kennis droegen, blijkt wel uit de hiervoor onder 2.23, 2.27, 2.28, 2.30, 2.31, 2.32 en 2.33 weergegeven e-mails. Uit niets blijkt dat de bank er (intern) aandacht aan heeft besteed hoe deze debetstanden konden ontstaan, zich heeft afgevraagd waar deze betalingsopdrachten op zagen en/of dit met [adviseur] heeft besproken, laat staan met het bestuur van Blauwpark c.s. De toelichting zijdens ABN AMRO ter comparitie – dat het niet opvallend was dat continu betaalrekeningen moesten worden aangezuiverd, omdat dit vaker voorkwam en dat hier ruimhartiger mee om wordt gegaan omdat klanten van de afdeling PWM “zoveel geld hebben” – is niet toereikend. Het was de bank immers bekend dat in Blauwpark c.s. slechts het familievermogen werd beheerd en dan liggen onverwachte debetstanden niet voor de hand.

4.9.

Het betoog van ABN AMRO dat Blauwpark c.s. door de onttrekkingen geen schade zou hebben geleden, faalt eveneens. Immers, gelet op de hiervoor onder 2.22 - 2.33 genoemde e-mailcorrespondentie tussen ABN AMRO en [adviseur] (en de verklaring van [adviseur] zelf (zie hiervoor onder 2.46)) mag worden aangenomen dat [adviseur] in staat was om de frauduleuze betalingen vanaf de Blauwparkrekening uit te laten voeren, omdat de debetstand op deze rekening steeds werd aangezuiverd als betalingen vastliepen. Door de Blauwparkrekening bij een debetstand steeds aan te zuiveren met gelden van, uiteindelijk ook, Decluse heeft ABN AMRO de fraude van [adviseur] dan ook mede mogelijk gemaakt.

Handtekeningenkaart/volmacht van Blauwpark

4.10.

Partijen twisten over de wijze van totstandkoming en de geldigheid van de Handtekeningenkaart/volmacht van Blauwpark. Volgens Blauwpark c.s. was aan [adviseur] slechts een volmacht tot fl. 50.000,- verleend. Zij wijst erop dat [adviseur], [vader] en [zoon] ook allen in de veronderstelling waren dat [adviseur] beschikte over een volmacht tot (slechts) fl. 50.000,-. In dit verband wijst Blauwpark c.s. erop dat uit het overzicht (overgelegd als productie 48 bij dagvaarding, hierna: het Overzicht) blijkt dat [adviseur] handelde alsof hem een volmacht was verleend tot fl. 50.000,-, omdat de (“getrapte”) betalingen steeds binnen het bereik van dat bedrag zijn gebleven. Wat betreft de wijze van totstandkoming van de Handtekeningkaart/volmacht van Blauwpark wijst Blauwpark c.s. op het volgende:

- het verzoek om de volmacht in de zomer van 2001 te wijzigen, is gedaan door [adviseur] op briefpapier van [adviseur] en de getekende Handtekeningkaarten/volmachten van Blauwpark en Decluse zijn door [adviseur] geretourneerd met een begeleidende brief op briefpapier van [adviseur];

- het verzoek van [adviseur] tot wijziging van de “procuratie” had blijkens de begeleidende brief aan ABN AMRO van 3 juli 2001 (zie hiervoor onder 2.7) slechts betrekking op “IvdS bv, Blauwpark Management BV, Snippendaal BV en Decluse BV”, en dus uitdrukkelijk niet op Blauwpark zelf;

- op de Handtekeningkaart/volmacht van Blauwpark is onder “naam rekeninghouders” met de hand “idem voor Blauwpark B.V.” bijgeschreven, terwijl de naam “Blauwparkmanagement B.V.” (en de naam “Decluse” op de Handtekeningenkaart/ volmacht van Decluse) door ABN AMRO vooraf was voorgedrukt; op de Handtekeningen-kaart/volmacht van Blauwpark was de naam “Blauwpark B.V.” door ABN AMRO niet voorgedrukt.

Al deze omstandigheden hadden volgens Blauwpark c.s. voor ABN AMRO aanleiding moeten zijn om het verzoek tot wijziging van de volmacht van Blauwpark, zoals dit in de zomer van 2001 door [adviseur] zelf werd gedaan, en waarmee dus de vaststelling van diens eigen bevoegdheid bij Blauwpark was gemoeid, bij de bestuurders van Blauwpark te controleren. Door dat laatste niet te doen, heeft ABN AMRO haar zorgplicht jegens Blauwpark geschonden, aldus Blauwpark c.s.

4.11.

ABN AMRO voert daartegen aan dat de Handtekeningkaart/volmacht van Blauwpark door [vader] en [zoon] is ondertekend, waarmee de aan [adviseur] verleende volmacht is bevestigd. Nu ABN AMRO geen enkele reden had om te twijfelen aan de authenticiteit van de handtekeningen, mocht zij redelijkerwijs vertrouwen op de volmacht zoals die bleek uit de Handtekeningkaart/volmacht van Blauwpark. ABN AMRO mocht de Handtekeningkaarten/volmachten van Blauwpark c.s. naar het kantoor aan de Drinkwaterweg sturen; [vader] was er immers mee bekend en stemde ermee in dat ABN AMRO correspondentie naar dat adres stuurde. Voor ABN AMRO was er daarom geen aanleiding om de gang van zaken rond de verlening van de volmacht te controleren, aldus steeds ABN AMRO.

4.12.

Met Blauwpark c.s. is de rechtbank van oordeel dat de gang van zaken rondom de totstandkoming van de Handtekeningenkaart/volmacht van Blauwpark onzorgvuldig is geweest. ABN AMRO had bij het bestuur van Blauwpark moeten nagaan of het de bedoeling was dat [adviseur] over de volmacht zoals in die Handtekeningenkaart/volmacht van Blauwpark is opgenomen, zou beschikken, nu de informatie daarover afkomstig was van de gevolmachtigde, [adviseur], zelf en niet rechtstreeks van de volmachtgever, Blauwpark. Dit geldt temeer nu op basis van de Handtekeningenkaart/volmacht van Blauwpark zelf niet zonder meer duidelijk is of de handgeschreven toevoegingen daarop al dan niet met instemming van de bestuurders zijn geplaatst (en ABN AMRO ook desgevraagd niet kon bevestigen wie de handgeschreven toevoegingen wanneer op de Handtekeningenkaart/volmacht had geplaatst). Door dit niet na te gaan, heeft ABN AMRO onzorgvuldig gehandeld.

Onrechtmatige betalingsopdrachten aan “evident onjuiste begunstigden”

4.13.

Het volgende verwijt dat Blauwpark c.s. ABN AMRO maakt, houdt het volgende in. De bankrekeningen van Blauwpark c.s. waren bestemd voor vermogensbeheer. [adviseur] heeft opdracht gegeven tot betalingen die evident onjuist waren. Het ging om betalingen van (i) (voorlopige) belastingaanslagen verschuldigd door aan [adviseur] gelieerde vennootschappen, (ii) crediteuren van aan [adviseur] gelieerde vennootschappen, waaronder lingeriebedrijven, en (iii) bedragen aan hemzelf en [bedrijf] en/of [bedrijf] Ten laste van de bankrekeningen van Blauwpark c.s. is in een periode van tien jaar een bedrag van circa € 17 miljoen aan (voorlopige) belastingaanslagen betaald, waarvan slechts een zeer klein gedeelte de daadwerkelijk door Blauwpark c.s. verschuldigde belastingen betroffen. Veel van deze betalingen hadden bovendien betrekking op voor beheervennootschappen als Blauwpark c.s. niet gebruikelijke belastingsoorten (waaronder omzetbelasting (bij de betalingsopdracht telkens aangeduid als “OB”) en loonbelasting (bij de betalingsopdracht telkens aangeduid als “LH”)), terwijl de bank had moeten weten dat Blauwpark c.s. als beheervennootschap enkel vennootschaps- en dividendbelasting verschuldigd is. Gemiddeld werden ten laste van de Blauwpark c.s. ongeveer 100 onterechte belastingbetalingen gedaan tegenover vijf terechte. Vaak werd op één dag een groot aantal (in sommige gevallen 13 tot 19 op één dag) betalingen van € 20.000,- gedaan die samen optelden tot bedragen variërend van € 166.723,- tot € 305.007,-. Er zijn betalingen verricht aan lingeriebedrijven, zoals Marlies Dekkers (MD Sales), Donna Christy, Belaubade en Wolford terwijl ABN AMRO wist dat Blauwpark c.s. zich niet bezig hield met lingerieverkoop. Daarnaast wijst Blauwpark c.s. erop dat ten onrechte betalingen voor meer dan € 2.600.000,- zijn verricht aan vennootschappen die aan [adviseur] zijn gelieerd. ABN AMRO kende [adviseur] en de aan hem gelieerde vennootschappen, omdat deze – op een uitzondering na – bij ABN AMRO bankierden, aldus Blauwpark c.s.

De betalingsopdrachten werden door [adviseur] met handgeschreven overschrijvings-formulieren gegeven die door ABN AMRO handmatig werden ingevoerd en gecontroleerd. Gegeven het feit dat het ging om bankrekeningen van beheermaatschappijen, was zowel naar de aard (de omschrijvingen), de vorm (veelal deelbetalingen) als omvang (de aantallen en de hoogte van de bedragen) van de transacties sprake van een zodanig afwijkende gang van zaken dat ABN AMRO dit had moeten signaleren en aanleiding had moeten zien bij de bestuurders van Blauwpark c.s. navraag te doen. ABN AMRO kon dit signaleren, omdat zij de overschrijvingsformulieren controleerde. Door niet tijdig in te grijpen heeft ABN AMRO haar zorgplicht geschonden, aldus steeds Blauwpark c.s.

4.14.

Blauwpark c.s. onderbouwt haar stellingen met het Overzicht waarin alle betalingen die vanaf haar rekeningen in de periode waarin de fraude heeft plaatsgevonden zijn verricht, door de accountant onder elkaar zijn gezet. Volgens Blauwpark c.s. zijn de daarin opgenomen gegevens allemaal afkomstig van de bankafschriften van Blauwpark c.s. Zij stelt dat uit dit Overzicht blijkt dat:

  • -

    een totaalbedrag van € 15.153.550,- ten onrechte aan de Belastingdienst is betaald, veelal in deelbetalingen op één dag (terwijl Blauwpark c.s. in die periode zelf slechts een bedrag van circa € 1,7 miljoen aan belastingen was verschuldigd);

  • -

    een totaalbedrag van € 4.460.507,- ten onrechte is betaald aan crediteuren van [adviseur] en crediteuren van aan hem gelieerde vennootschappen;

  • -

    op 2 juli 2009 twee betalingen aan Donna Christy zijn verricht van in totaal
    € 41.917,48;

  • -

    op 2 januari 2009 een totaalbedrag van € 94.150,02 in deelbetalingen aan Marlies Dekkers is overgemaakt;

  • -

    op 8 mei 2009 een totaalbedrag van € 59.976,61 in deelbetalingen aan Marlies Dekkers is overgemaakt;

  • -

    een totaalbedrag van € 2.631.248 aan vennootschappen die aan [adviseur] zijn gelieerd is betaald;

  • -

    op 19 juni 2006 een totaalbedrag van € 42.529,38 in deelbetalingen aan [bedrijf] is overgemaakt;

  • -

    op 29 december 2006 een totaalbedrag van € 50.000,- aan de aan [adviseur] gelieerde vennootschap [bedrijf] is betaald.

4.15.

ABN AMRO betwist dat de transacties die in het Overzicht zijn opgenomen ongebruikelijk waren of afwijkend van het normale uitgavenpatroon en dat zij dit had kunnen en moeten opmerken. Zij wijst erop dat volgens de eigen stellingen van Blauwpark c.s. ongeveer 87 rechtmatige betalingen per jaar zijn verricht waarmee een bedrag van in totaal € 28 miljoen was gemoeid, terwijl de vermeende 1.657 onrechtmatige betalingen in totaal circa € 23 miljoen bedroegen, zodat zij de onrechtmatige betalingen niet van de rechtmatige had kunnen onderscheiden. Voorts voert zij aan dat Blauwpark c.s. niet heeft onderbouwd hoe zij aan de bedragen komt, en dat zij deze evenmin kan verifiëren. ABN AMRO betwist dan ook mede vanwege het gebrek aan wetenschap de juistheid van het Overzicht.

4.16.

De rechtbank gaat ervan uit dat de informatie opgenomen in het Overzicht, zoals Blauwpark c.s. stelt, afkomstig is van de bankafschriften van Blauwpark c.s., nu ABN AMRO dit niet (concreet) heeft betwist. Het betreft dus informatie waarover ABN AMRO steeds heeft beschikt en nog altijd beschikt. Blauwpark c.s. heeft met het Overzicht en de daarop gegeven toelichting voldoende aannemelijk gemaakt dat de afschrijvingen wat betreft aantallen, wijzen en begunstigden daarvan gezien de aard van de rekeningen en haar hoedanigheid van beheermaatschappij ongebruikelijk waren en dat dit de bank had moeten opvallen. De betwisting door ABN AMRO is, in het licht van de uitgebreide onderbouwing van Blauwpark c.s., ten aanzien van betalingen van (i) (voorlopige) belastingaanslagen verschuldigd door aan [adviseur] gelieerde vennootschappen, (ii) crediteuren van aan [adviseur] gelieerde vennootschappen, waaronder lingeriebedrijven, en (iii) bedragen aan hemzelf en [bedrijf]en/of [bedrijf] onvoldoende. Als de bank de betalingsopdrachten van [adviseur] aan de hand van zijn (beperkte) volmacht en het rekeningverloop ook maar enigszins had bestudeerd, had zij eenvoudig uit de omschrijving bij de overboekingen kunnen zien dat sprake was van belastingbetalingen die een beheermaatschappij als Blauwpark niet verschuldigd kon zijn (zo is in de veelvuldig opgenomen dat een betaling “OB” of “LH”, omzetbelasting of loonheffing dus, over een bepaald kwartaal betreft, belastingen die een beheervennootschap niet gewoon is te betalen). Tevens had het haar op moeten vallen dat Blauwpark c.s. nooit een bedrag van meer dan € 17 miljoen aan belastingen verschuldigd kon zijn, nu (zoals Blauwpark c.s. onbetwist heeft gesteld) in de relevante periode “slechts” een bedrag van € 16 miljoen aan dividend is uitbetaald en de vennootschappen slechts daadwerkelijk € 1,7 miljoen aan belastingen waren verschuldigd. Dat ook belastingbetalingen door medewerkers van de bank zijn gezien, blijkt uit de hiervoor onder 2.32 weergegeven e-mail. Het betoog van ABN AMRO dat het haar, gezien de omvang van de “rechtmatige” betalingen ten opzichte van de, volgens Blauwpark c.s., “onrechtmatige”, niet had hoeven opvallen dat van onrechtmatige betalingen sprake was, kan haar niet baten. ABN AMRO verliest hierbij immers uit het oog dat van het bedrag van € 28 miljoen aan “rechtmatige” betalingen, zoals Blauwpark c.s. terecht heeft opgemerkt, een bedrag van ruim € 16 miljoen dividendbetalingen aan de aandeelhouders betreffen waarvoor het bestuur van Blauwpark c.s. steeds zelf opdracht heeft gegeven, en welke tijdens de familieberaden in het bijzijn van de betrokken bankmedewerkers werden besproken.

4.17.

ABN AMRO voert aan dat zij slechts is gehouden het saldo, de handtekening en het rekeningnummer van de begunstigde te controleren voordat een betalingsopdracht wordt uitgevoerd. Volgens haar valt niet in te zien dat zij meer dan de gebruikelijke zorg moest besteden aan het afhandelen van de opdrachten. Aangezien [adviseur] bevoegd was tot het geven van de betalingsopdrachten, was de handtekening van [adviseur] voldoende tot het uitvoeren van de opdracht, aldus steeds ABN AMRO.

4.18.

Hiervoor onder 4.3 is al besproken dat dit algemene betoog van ABN AMRO in dit geval niet opgaat. Uit de hiervoor (onder 2.26-2.37) weergegeven e-mails volgt dat medewerkers van ABN AMRO herhaaldelijk navraag hebben gedaan over specifieke betalingsopdrachten en dat zij in dat kader veelvuldig contact hebben gehad met [adviseur]. Het is derhalve duidelijk dat medewerkers van de bank regelmatig betalingsopdrachten onder ogen hebben gehad. Het had hen toen moeten opvallen dat veel van deze betalingen niet gebruikelijk zijn voor beheermaatschappijen als Blauwpark c.s. De e-mailwisseling van ABN AMRO ([assistente]) met [adviseur] van 7 december 2010 toont een geval waarin ABN AMRO ook daadwerkelijk bekeek waar de opdracht op zag en daarover een vraag stelde, maar met de uitleg van [adviseur] genoegen nam en vervolgens naliet een en ander met het bestuur van Blauwpark c.s. te bespreken. Als ongebruikelijk hadden ook moeten worden aangemerkt de vele opdrachten tot betalingen aan lingeriebedrijven, die de bankmedewerkers, zoals gebleken, ook daadwerkelijk onder ogen zijn gekomen. De verklaring die zijdens ABN AMRO in dit verband tijdens de comparitie is gegeven naar aanleiding van een vraag over de in de e-mail van 3 maart 2009 opgesomde betalingen (zie hiervoor onder 2.28) – te weten dat zij er vanuit ging dat dit telkens investeringen betrof (van een ondernemende klant in kleinere bedrijven) – kan, alleen al gezien de omvang van de bedragen, het feit dat het geen ronde bedragen zijn en de omstandigheid dat herhaaldelijk verschillende (kleinere) bedragen op dezelfde dag werden overgemaakt, niet serieus worden genomen. De betalingsopdrachten betreffen duidelijk facturen van deze lingeriebedrijven.

4.19.

Voorts geldt hier het volgende. Als bank is ABN AMRO gehouden steeds na te gaan of de betalingsopdrachten, die zij ontvangt, bevoegdelijk zijn gegeven. Dat de opdrachten hier steeds bevoegd zijn gegeven, staat niet zonder meer vast, nu partijen het niet eens zijn over de omvang en de rechtsgeldigheid van de volmacht van [adviseur] met betrekking tot Blauwpark c.s. (zie hiervoor onder 4.10). Bovendien heeft Blauwpark c.s. er terecht op gewezen dat het er alle schijn van heeft dat binnen ABN AMRO geen duidelijkheid bestond over de omvang van de bevoegdheid van [adviseur] en dat zij zich ook nimmer heeft afgevraagd of opdrachten van [adviseur] wel binnen zijn volmacht vielen. ABN AMRO voert weliswaar in algemene zin aan dat zij de bevoegdheid controleerde, maar – zoals Blauwpark c.s. terecht aanvoert – de inhoud en omvang van de bevoegdheid van [adviseur] ter zake van Blauwpark c.s. staat niet in het bevoegdhedenoverzicht dat ABN AMRO bij e-mail van 20 oktober 2011 aan Blauwpark c.s. heeft verstrekt (zie hiervoor onder 2.42). Uit de screenprints die ABN AMRO aan Blauwpark c.s. heeft verstrekt, blijkt evenmin welke bevoegdheid van [adviseur] in de elektronische administratie van ABN AMRO was opgenomen (zie hiervoor onder 2.40). Eerst in augustus 2012 kwamen de Handtekeningenkaarten/volmachten van Blauwpark en Decluse boven water (zie hiervoor onder 2.50). Bij deze stand van zaken moet worden aangenomen dat [adviseur] niet als beperkt gevolmachtigde in de administratie van ABN AMRO was opgenomen en kan, bij gebrek aan concrete aanwijzingen daartoe, niet worden aangenomen dat ABN AMRO de betalingsopdrachten daadwerkelijk op die bevoegdheid heeft gecontroleerd. Niet gesteld of gebleken is dat de bank haar systemen zodanig had ingericht dat betalingsopdrachten van [adviseur] die zijn (beperkte) volmacht overschreden (of hij nu bevoegd was betalingen te doen tot fl. 50.000,- of fl. 100.000,-) niet zonder meer werden uitgevoerd. Het feit dat, zoals hiervoor is overwogen, aanzuiveringen vanuit Decluse naar de Blauwparkrekening op verzoek van [adviseur] plaatsvonden die zijn volmacht ruim overschreden, bevestigt dat er niet van kan worden uitgegaan dat ABN AMRO controleerde of de betalingsopdrachten van [adviseur] strookten met de hem toegekende bevoegdheden.

4.20.

Tussen partijen is niet in geschil dat [adviseur] een groot deel van de

betalingsopdrachten aan dezelfde begunstigde in kleinere deelopdrachten van ongeveer € 22.000,- heeft gegeven. Blauwpark c.s. stelt dat [adviseur] zijn volmacht tot fl. 50.000,- (ofwel circa € 22.689,-) heeft misbruikt door achtereenvolgens verschillende deelbetalingen van ongeveer fl. 50.000,- aan dezelfde begunstigde te doen waarmee tezamen het bedrag van zijn volmacht ruimschoots werd overschreden (door Blauwpark c.s. “getrapte” betalingen genoemd). ABN AMRO voert evenwel aan dat [adviseur] over een volmacht tot fl. 100.000,- (ofwel circa € 45.378,-) beschikte, zodat een groot deel van de deelbetalingen aan dezelfde begunstigde binnen de volmacht zijn gebleven. Zij stelt dat het op de weg van Blauwpark c.s. lag om kenbaar te maken dat deze handelwijze van [adviseur] strijdig was met (het doel van) de volmacht. De rechtbank volgt haar daarin niet. Naar het oordeel van de rechtbank staat het doen van dergelijke “getrapte” betalingen (die tezamen de volmacht overschreden) op gespannen voet met het doel en de strekking van een beperkte volmacht. Nu aan [adviseur] een beperkte volmacht was verstrekt, mocht Blauwpark c.s. ervan uitgaan dat ABN AMRO erop toezag dat die volmacht niet werd overschreden. Zoals hiervoor ook al is overwogen, had de bank (voor zover, zoals de bank stelt, de betalingsopdrachten automatisch werden verwerkt) haar systemen kennelijk niet zo ingericht dat (“getrapte”) betalingsopdrachten die de volmacht overschreden niet zomaar konden worden uitgevoerd en niet is toegelicht op welke wijze de bank dan wel toezag op een juist gebruik van de volmacht. Uit het enkele gegeven dat [schoonzoon] zelf van Blauwpark, in verschillende deelbetalingen, op 22 december 2004 zes betalingen van in totaal € 140.388,90, op 28 januari 2005 vijf betalingen van in totaal € 101.420,19 en op 26 mei 2005 acht betalingen van in totaal € 173.241,79 heeft ontvangen, heeft ABN AMRO, anders dan zij betoogt, en zonder navraag te doen bij het bestuur van Blauwpark c.s., niet mogen aannemen dat Blauwpark c.s. steeds accepteerde dat [adviseur] op deze wijze gebruik maakte van zijn volmacht. Nog afgezien van de twijfel die bij de rechtbank bestaat of het de bank wel is opgevallen dat “getrapte” betalingen plaatsvonden, had de bank met het bestuur van Blauwpark c.s. moeten bespreken of het in orde was dat [adviseur] op deze manier gebruik maakte van zijn – in omvang duidelijk beperkte – volmacht.

Schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid

4.21.

ABN AMRO voert aan dat Blauwpark c.s. de schijn heeft gewekt dat aan [adviseur] een toereikende volmacht was verleend en wijst hiertoe op het handelen van de bestuurders tijdens de familieberaden, het verzoek van het bestuur van Blauwpark c.s. om [adviseur] betalingen af te laten handelen, het uitblijven van enig protest tegen door hem gedane betalingen, en het verzoek van 17 februari 2005 van [vader] om alle correspondentie met betrekking tot Blauwpark c.s. naar [adviseur] te sturen. Bovendien heeft [adviseur] in zijn contacten met de medewerkers van de bank ook zelf nooit laten blijken dat zijn volmacht ontoereikend was. In dit verband heeft ABN AMRO gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK7671, ING/ Bera). Blauwpark c.s. heeft gemotiveerd betwist dat zij de schijn van vertegenwoordigings-bevoegdheid heeft gewekt.

4.22.

Naar vaste rechtspraak is Blauwpark c.s. door het onbevoegd handelen van [adviseur] gebonden als zij door verklaringen of gedragingen (die ook in een nalaten kunnen bestaan) de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft gewekt, of als sprake is van feiten en omstandigheden die voor risico van Blauwpark c.s. komen en waaruit naar verkeersopvattingen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. Anders dan ABN AMRO stelt, volgt uit het verzoek van [vader] in 2005 om

de correspondentie naar het postadres van [adviseur] te sturen en het feit dat de bankafschriften nimmer door de bestuurders van Blauwpark c.s. zijn gecontroleerd, niet zonder meer dat ABN AMRO er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [adviseur] volledig bevoegd was om Blauwpark c.s. te vertegenwoordigen. Voor ABN AMRO moet het duidelijk zijn geweest dat bepaalde beslissingen instemming van (het bestuur van) Blauwpark c.s. behoefden. Immers, Blauwpark c.s. stelt, en ABN AMRO betwist dat niet, dat tijdens de halfjaarlijkse familieberaden de beleggingsvoorstellen en dividenduitkeringen door de bestuurders werden goedgekeurd en nadien werden uitgevoerd. Daarnaast werden door de bestuurders van Blauwpark c.s. ook betalingsopdrachten gegeven. In dat kader heeft Blauwpark c.s. bijvoorbeeld gewezen op de hiervoor onder 2.11 genoemde fax van [vader] Bovendien had de bank uit het feit dat Blauwpark c.s. aan [adviseur] slechts een beperkte volmacht heeft gegeven juist niet zonder meer mogen afleiden dat Blauwpark c.s. alles aan [adviseur] wilde overlaten. Als dat de bedoeling van Blauwpark c.s. was geweest, had zij [adviseur] immers een algehele volmacht gegeven of hem tot procuratiehouder benoemd. Ook uit de in 2.13 genoemde notitie volgt dat [vader] ABN AMRO in juni 2007 juist heeft verzocht om directer contact en daarbij heeft opgemerkt dat [adviseur] “er niet altijd tussen hoeft te zitten”. Blijkens die notitie heeft ABN AMRO dat ook besproken met [schoonzoon] en [adviseur]. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is van een aan Blauwpark c.s. toe te rekenen schijn van (volledige) bevoegdheid van [adviseur] geen sprake.

Verstrekken bankdossiers

4.23.

Het betoog van Blauwpark c.s. dat ABN AMRO haar zorgplicht heeft geschonden, omdat zij na de ontdekking van de fraude door [adviseur] geweigerd heeft om de bankdossiers te verstrekken, laat de rechtbank onbesproken, nu Blauwpark c.s. niet heeft gesteld dat zij door deze tekortkoming meer of andere schade heeft geleden dan zij reeds heeft gevorderd op grond van de hiervoor besproken schending van de zorgplicht.

Over de vraag of ABN AMRO de kosten dient te vergoeden die Blauwpark c.s. in verband met het bewijsbeslag en de daarop volgende kort gedingen heeft gemaakt, wordt hierna onder 4.46 e.v. geoordeeld.

4.24.

De slotsom is dat ABN AMRO zich jegens Blauwpark c.s. niet heeft

gedragen als een goed opdrachtnemer en niet de zorg heeft betracht die van haar als bank had mogen worden verwacht. Zij heeft onvoldoende rekening gehouden met het belang van haar klant Blauwpark c.s. door onvoldoende te controleren of [adviseur] wel binnen zijn beperkte volmacht handelde, zonder overleg met het bestuur van Blauwpark c.s. transacties uit te voeren die overduidelijk niet binnen de volmacht vielen (de aanzuiveringen vanuit Decluse naar de Blauwparkrekening en de “getrapte” betalingen die tezamen de volmacht ruimschoots overstegen) en zich hierover en over andere betalingen die niet bij beheermaatschappijen als Blauwpark c.s. pasten, nimmer te verstaan met het bestuur van de vennootschappen, maar in alles te vertrouwen op de uitleg van [adviseur], een beperkt gevolmachtigde. Deze tekortkoming kan aan ABN AMRO worden toegerekend.

Relativiteit

4.25.

Het betoog van ABN AMRO dat de Wet Melding Ongebruikelijke Transacties en de Wet op het financieel toezicht bepalen op welke kenmerken de bank moet letten bij de controle van het betalingsverkeer en dat de normen van deze wetten niet strekken niet tot de bescherming van het belang van Blauwpark c.s., namelijk het voorkomen van vermogensschade, kan haar niet baten. Hier is immers niet aan de orde of ABN AMRO onrechtmatig heeft gehandeld vanwege schending van publiekrechtelijke zorgplichtregels, maar of sprake is van een civielrechtelijke tekortkoming. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat dit het geval is.

Verjaring

4.26.

ABN AMRO voert als verweer dat de vorderingen van Blauwpark c.s. op

grond van de krachtens artikel 3:307 BW geldende verjaringstermijn van vijf jaar grotendeels zijn verjaard. ABN AMRO stelt dat de vordering van Blauwpark c.s. direct na de uitvoering van de litigieuze girale betalingen opeisbaar is geworden. Nu deze betalingen in de periode van 6 juni 2001 tot en met 28 juni 2011 hebben plaatsgevonden, heeft de aansprakelijkstelling van 28 maart 2012 van Blauwpark c.s. de verjaring slechts gestuit van de vorderingen met betrekking tot betalingen die na 28 maart 2007 zijn verricht. Alle vorderingen die verband houden met de betalingen voor die datum zijn verjaard, aldus ABN AMRO.

4.27.

Dit betoog faalt, omdat artikel 3:307 BW betrekking heeft op vorderingen tot nakoming van verbintenissen uit overeenkomst en hier dus niet van toepassing is. Immers, Blauwpark c.s. verwijt ABN AMRO dat zij toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar zorgplicht en vordert vergoeding van de schade die daaruit voortvloeit. De vraag of de vordering van Blauwpark c.s. is verjaard, dient derhalve te worden beantwoord aan de hand van artikel 3:310 lid 1 BW. Op grond van dit artikel verjaart een vordering als de onderhavige door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop Blauwpark c.s. zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak gaat het daarbij om daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat. Degene die zich op verjaring beroept, in dit geval ABN AMRO, moet stellen en zo nodig bewijzen dat en vanaf welk moment de benadeelde daadwerkelijk bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon.

4.28.

Volgens ABN AMRO dient Blauwpark c.s. met de girale betalingen bekend te worden verondersteld, omdat de rekeningafschriften zijn verzonden naar de door Blauwpark c.s. aan ABN AMRO opgegeven adressen, niet is gebleken dat de afschriften niet zijn bezorgd en Blauwpark c.s. niet over de afschriften heeft geklaagd. Alle vorderingen die betrekking hebben op debiteringen die meer dan vijf jaar voor de datum van de aansprakelijkstelling van 28 maart 2012 hebben plaatsgevonden, zijn dan ook verjaard, aldus ABN AMRO.

4.29.

Blauwpark c.s. voert aan dat zij eerst in augustus 2011 bekend is geworden met de

fraude van [adviseur] en toen een onderzoek naar de fraude is gestart. Op dat moment heeft zij ABN AMRO over de fraude geïnformeerd. Vervolgens heeft zij ABN AMRO om bescheiden verzocht die zij in het kader van het onderzoek naar de fraude nodig had. ABN AMRO weigerde om de gevraagde bescheiden te verstrekken. Blauwpark c.s. heeft daarom bij brief van 20 oktober 2011 volledigheidshalve bezwaar gemaakt tegen de betalingen. Toen het verloop van de fraude enigszins in kaart was gebracht, heeft zij ABN AMRO bij brief van 28 maart 2012 aansprakelijk gesteld op de grond dat de bank tekort is geschoten in haar zorgplicht.

4.30.

Hier geldt het volgende. ABN AMRO miskent met haar betoog dat Blauwpark c.s. aan haar vordering niet ten grondslag legt dat de bank bepaalde betalingen niet had mogen uitvoeren, maar dat zij tekort is geschoten in haar zorgplicht. ABN AMRO heeft haar stelling dat Blauwpark c.s. eerder dan augustus 2011 met de rol van de bank bij de fraude en de schade bekend was tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door Blauwpark c.s. onvoldoende onderbouwd. Uit de omstandigheid dat rekeningafschriften naar de door Blauwpark c.s. opgegeven adressen zijn verzonden kan geen daadwerkelijke bekendheid met de (door de schending van de zorgplicht veroorzaakte) schade en de daarvoor aansprakelijke persoon (de bank) worden afgeleid. De rechtbank zal daarom als vaststaand aannemen dat Blauwpark c.s. eerst in augustus 2011 bekend is geworden met de schade die door de fraude van [adviseur] is ontstaan en de rol die ABN AMRO daarbij heeft gespeeld en dat de verjaringstermijn toen een aanvang heeft genomen. Dit betekent dat van verjaring van de vordering geen sprake is.

Klachtplicht

4.31.

Het verweer van ABN AMRO dat het vorderingsrecht van Blauwpark c.s. is vervallen, omdat niet binnen bekwame tijd aan de klachtplicht als bedoeld in artikelen 7:256 BW en artikel 6:89 BW, alsmede de artikelen 12 en 13 van de ABV 1995 dan wel de artikelen 19 en 20 van de ABV 2009 is voldaan, treft evenmin doel. Ook dit verweer berust op de verkeerde veronderstelling dat de vordering van Blauwpark c.s. is gegrond op ten onrechte uitgevoerde (individuele) betalingsopdrachten. Zoals hiervoor is overwogen, is Blauwpark c.s. eerst begin augustus 2011 bekend geworden met de fraude door [adviseur]. Toen is zij meteen onderzoek gaan doen en op het moment dat zij op grond van het – door de weinig constructieve houding van ABN AMRO bij het verstrekken van de bankdossiers vertraagde – onderzoek aanleiding had om haar beklag te doen bij de bank, heeft zij dit bij brief van 28 maart 2012 gedaan. Daarbij komt dat uit de hiervoor onder 2.39 genoemde interne gespreksnotitie van 4 en 5 augustus 2011 van ABN AMRO blijkt dat Blauwpark c.s., nadat zij de fraude had ontdekt, ABN AMRO meteen op de hoogte heeft gebracht. Vanaf dat moment heeft ABN AMRO haar positie kunnen bepalen en rekening kunnen houden met een mogelijke aansprakelijkstelling. Dat ABN AMRO dat ook heeft gedaan volgt uit het feit dat zij zich in de kort gedingprocedures op het standpunt heeft gesteld dat zij niet gehouden was om interne bescheiden van na 1 augustus 2011 af te geven, omdat deze betrekking hebben op de positiebepaling van ABN AMRO met betrekking tot een eventuele aansprakelijkstelling door Blauwpark c.s. ABN AMRO kan onder deze omstandigheden Blauwpark c.s. niet tegenwerpen dat zij pas vanaf de aansprakelijkstelling van 28 maart 2012 rekening kon houden met haar positie.

4.32.

Ditzelfde lot treft het beroep van ABN AMRO op de artikelen 12 en 13 van de ABV 1995, dan wel de artikelen 19 en 20 van de ABV 2009.

Aansprakelijkheid hulppersoon

4.33.

ABN AMRO beroept zich bij voorbaat op verrekening van haar eventuele schadevergoedingsverplichting met een eventuele vordering die zij heeft uit hoofde van artikel 6:172 en 6:171 BW (op de grond dat Blauwpark c.s. jegens ABN AMRO aansprakelijk is voor de gedragingen van haar vertegenwoordiger dan wel niet-ondergeschikte [adviseur]). Reeds de omstandigheid dat nog niet gebleken is dat van een dergelijke tegenvordering sprake is, maakt dat de rechtbank hieraan voorbij gaat.

Schade en causaal verband

4.34.

Wanneer ABN AMRO de op haar rustende zorgplicht steeds in acht had genomen en niet was tekortgeschoten jegens Blauwpark c.s. op de wijze zoals hiervoor uiteen is gezet, hadden de frauduleuze handelingen van [adviseur] niet kunnen plaatsvinden. Door de schending van haar zorgplicht heeft ABN AMRO de fraude van [adviseur] mogelijk gemaakt. Het voorgaande betekent dat ABN AMRO in beginsel gehouden is de schade die Blauwpark c.s. heeft geleden als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van de bank te vergoeden.

4.35.

Volgens ABN AMRO is de schade het gevolg van het gebrekkige risicobeheer van Blauwpark c.s. De vraag of de schade (mede) het gevolg is van enig handelen of nalaten van Blauwpark c.s. zal hierna onder 4.50 e.v. worden beoordeeld. Ook als Blauwpark c.s. zelf een verwijt kan worden gemaakt, staat dit evenwel aan aansprakelijkheid van de bank niet in de weg. Dit kan hooguit tot gevolg hebben dat de bank niet alle schade hoeft te vergoeden.

4.36.

Blauwpark c.s. vordert een bedrag van € 23.289.460,73 aan schadevergoeding. Zij heeft dit bedrag onderbouwd met het Overzicht van de “onrechtmatige” betalingen (dat wil zeggen betalingen die ten gunste zijn gekomen van [adviseur] in privé of de aan hem gelieerde vennootschappen) dat zij door een accountant heeft laten opstellen. Blauwpark c.s. heeft de “onrechtmatige” betalingen ondergebracht in vier categorieën: (i) betalingen aan de Belastingdienst; (ii) betalingen aan crediteuren van [adviseur]; (iii) betalingen aan [adviseur] entiteiten en (iv) bijzondere betalingen (naar de rechtbank uit de paragrafen 142 en 143 van de dagvaarding begrijpt, betreffen dit betalingen aan [stichting] en [naam 9] en [bedrijf 2] B.V.). ABN AMRO heeft de hoogte en juistheid van de in dit Overzicht genoemde betalingen bij gebrek aan wetenschap betwist. Gelet op de uitgebreide toelichting die Blauwpark c.s. op de betalingen in de categorieën (i), (ii) en (iii) van het Overzicht heeft gegeven, kan ABN AMRO ten aanzien van die betalingen niet volstaan met deze enkele betwisting. ABN AMRO heeft ten aanzien van geen enkele van deze door Blauwpark c.s. – gemotiveerd – als “onrechtmatig” aangemerkte betalingen aangegeven waarom deze karakterisering onjuist is en dit had – als zij de omvang van de geleden schade meent te kunnen betwisten – wel op haar weg gelegen. Dit geldt temeer, nu ABN AMRO eenvoudig over de voor deze betwisting relevante informatie, de bankafschriften en de betalingsopdrachten van [adviseur], kan beschikken. Bij deze stand van zaken heeft ABN AMRO het overzicht ten aanzien van deze betalingen dan ook onvoldoende betwist, zodat de rechtbank van de juistheid daarvan zal uitgaan. Dit laatste geldt ook voor de betalingen ten behoeve van de onder 179 van de conclusie van antwoord met name genoemde rechtspersonen (door Blauwpark c.s. wel aangeduid als “evident onjuiste begunstigden”). Blijkens het Overzicht gaat het hierbij om betalingen met omschrijvingen als “LH” en “OB” over een bepaald kwartaal, voor Blauwpark c.s. atypische belastingsoorten dus, die telkens zijn verricht ten behoeve van andere entiteiten dan Blauwpark c.s. Door enkel vraagtekens te plaatsen bij het onrechtmatige karakter van deze betalingen heeft ABN AMRO ook de onrechtmatigheid van deze betalingen onvoldoende betwist.

4.37.

Dit geldt evenwel niet voor de betalingen die Blauwpark c.s. in het Overzicht in categorie (iv) heeft opgenomen. In de dagvaarding heeft Blauwpark c.s. voor de betalingen aan [naam 9] en [bedrijf 2] B.V. slechts gesteld dat sprake is van een “bijzondere relatie” met deze partijen, maar zij heeft dit na betwisting niet nader toegelicht. Ook heeft zij niet nader toegelicht waarom de betalingen aan [stichting] (de goede-doelen-stichting van de [familie]) als “onrechtmatig” moeten worden aangemerkt en waarom de daarmee gemoeide bedragen als schade hebben te gelden. Ter comparitie is namens Blauwpark c.s. bovendien verklaard dat de in het Overzicht genoemde betalingen aan [stichting] ten bedrage van circa € 650.000,- voorschotbetalingen betreffen ten behoeve van die stichting. Gelet hierop heeft Blauwpark c.s. onvoldoende onderbouwd dat de betalingen in de categorie (iv) als “onrechtmatig” en dus als schade ten gevolge van de schending van de zorgplicht door de bank zijn aan te merken. Dit betekent dat een bedrag van € 1.044.156,- op de gevorderde schade in mindering zal worden gebracht.

4.38.

Voorts zullen een bedrag van € 99.771,06, dat Blauwpark c.s. (volgens haar eigen stellingen) heeft verhaald op [adviseur] en de aan hem gelieerde vennootschappen, en een bedrag van € 49.783,92, dat door een begunstigde aan Blauwpark c.s. is terugbetaald, in mindering worden gebracht op de (voor vergoeding in aanmerking komende) schade.

4.39.

Gelet op het voorgaande wordt de door Blauwpark c.s. geleden schade begroot op een bedrag van (€ 23.289.460,73 -/- 1.044.156 -/- 99.771,06 -/- 49.783,92=) € 22.095.749,75.

Kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid

4.40.

Blauwpark c.s. vordert een bedrag van € 961.459,76 vanwege interne en externe kosten die zij stelt te hebben gemaakt ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b BW. Blauwpark stelt dat zij genoodzaakt was om verschillende adviseurs – waaronder Restment B.V., Balance Private Wealth Services B.V., Limes International Taks + Expat B.V. en Visser & Visser Accountants en belastingadviseurs – in te schakelen om de fraude van [adviseur] te onderzoeken. Blauwpark c.s. onderbouwt de kosten met een overzicht daarvan en de onderliggende facturen. ABN AMRO heeft de door Blauwpark c.s. gestelde kosten gemotiveerd betwist.

4.41.

De rechtbank oordeelt als volgt. Terecht wijst ABN AMRO erop dat op de factuur van Limes International van 16 april 2012 “belastingaangifte” staat vermeld. De vordering tot vergoeding van deze factuur van € 2.457,35 zal worden afgewezen. Zonder deugdelijke toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien hoe de kosten van het opstellen van een belastingaangifte verband houden met het vaststellen van de schade en/of de aansprakelijkheid van ABN AMRO in deze zaak.

4.42.

Met betrekking tot de gevorderde (interne) kosten van Caele Investment

Management B.V. ten bedrage van € 101.298,75 voert ABN AMRO aan dat de gefactureerde werkzaamheden niet zijn gespecificeerd. Daarnaast zijn in het kostenoverzicht ook kosten van [naam] zelf opgenomen. [naam] is middellijk enig aandeelhouder van Caele Investment Management B.V. en hij is ook (middellijk) bestuurder van Blauwpark c.s. De uitgevoerde werkzaamheden zijn dan ook verricht uit hoofde van zijn bestuursfunctie bij Blauwpark c.s., aldus ABN AMRO. Op dit verweer is geen reactie van Blauwpark c.s. gekomen en, zonder nadere toelichting die ontbreekt, gaat de rechtbank er met ABN AMRO vanuit dat [naam] deze kosten heeft gemaakt in zijn hoedanigheid van bestuurder, zodat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen.

4.43.

De gevorderde kosten van het advocatenkantoor NautaDutilh, dat heeft geadviseerd over de strafrechtelijke en fiscaalrechtelijke aspecten van de fraude, komen evenmin voor vergoeding in aanmerking, omdat deze kosten te ver verwijderd zijn van de betrokken normschending door ABN AMRO om als een gevolg hiervan te worden toegerekend. Daar komt bij dat, zoals ABN AMRO terecht stelt, een deel van de werkzaamheden van dit kantoor, blijkens de specificaties van de declaraties, betrekking heeft op andere zaken of procedures. De vordering tot vergoeding van deze kosten zal daarom worden afgewezen.

4.44.

Ten aanzien van de overige gevorderde kosten voert ABN AMRO allereerst aan dat deze niet redelijk zijn. Zij wijst er onder meer op dat deze kosten betrekking hebben op het verhaal op [adviseur], de Belastingdienst en de begunstigden van de onbevoegdelijk gegeven betalingsopdrachten, terwijl Blauwpark c.s. kon weten dat dit weinig soelaas zou bieden. Verder zien de kosten op het “in kaart brengen van de jarenlange fraude”; daarbij merkt de bank op dat Blauwpark c.s. deze kosten niet had hoeven maken als zij zelf een deugdelijke administratie had gevoerd (waartoe zij op grond van artikel 2:10 BW ook is gehouden).

4.45.

Hoewel de rechtbank ervan uitgaat dat Blauwpark c.s. kosten heeft moeten maken die op grond van artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder a en b BW voor vergoeding in aanmerking komen (kosten ter beperking van de schade – verhaal op [adviseur] bijvoorbeeld – en redelijke kosten ter vaststelling van de schade en de aansprakelijkheid), is zij van oordeel dat Blauwpark c.s. de omvang van de kosten die zij heeft moeten maken (met de door haar overgelegde facturen) – mede in het licht van de betwisting door ABN AMRO – ook voor het overige onvoldoende heeft onderbouwd. Blauwpark c.s. heeft niet toegelicht voor welke werkzaamheden zij Restment B.V., Balance Private Wealth Services B.V., Limes International Taks + Expat B.V. en Visser & Visser Accountants en belastingadviseurs heeft ingeschakeld, anders dan “om de fraude van [adviseur] te onderzoeken”. Op basis van de overgelegde ongeordende vuistdikke stapel facturen (waarnaar Blauwpark c.s. gemakshalve verwijst) kan de rechtbank onvoldoende vaststellen dat en in welke mate de gemaakte kosten zijn aan te merken als kosten die op grond van artikel 6:96 BW voor vergoeding in aanmerking komen. De facturen zijn niet of nauwelijks gespecificeerd; op de meeste facturen worden slechts omschrijvingen gegeven als “onze werkzaamheden”, “advies”, “diverse werkzaamheden”, “advieswerkzaamheden overig”, “fiscale advieswerk-zaamheden”, “administratieve dienstverlening” en “consultancy”.

Met ABN AMRO is de rechtbank van oordeel dat werkzaamheden als “samenstellen van de jaarrekening”, “fiscale werkzaamheden inzake ambtshalve aanslagen VPB”, “verwerking financiële administratie 2011 Blauwpark/Decluse/Decl.Man.”, “bespreking/aanlevering stukken iz dividend(belasting)betalingen”, “werkzaamheden inzake jaarrekeningen Altweert”, “aangiften successierecht” en “Verwerking financiële administratie (Blauwpark, Decluse, Decluse Management, 2001-2011)”, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet zijn aan te merken als kosten die op grond van artikel 6:96 BW voor vergoeding in aanmerking komen.

Op enkele facturen komen omschrijvingen voor die wel lijken te duiden op kosten gemaakt ter vaststelling van de schade of de aansprakelijkheid (bijvoorbeeld “Overzichten; categorieën/begunstigde/rente/ belastingen”, “overzichten; wijziging categorie naar volmacht fl 100.000 / begunstigde”, “Toevoegingen schadeberekeningen Base Advocaten”, “Overzicht betalingen door Blauwpark/Decluse”, “Onderzoek [familie].”, “bespreking bevindingen administratie met [adviseur] en [naam 10]”), maar het is niet aan de rechtbank om de mogelijk terecht gevorderde kosten uit een ordner met facturen te filteren. Dit alles betekent dat dit deel van de vordering van Blauwpark c.s. als onvoldoende onderbouwd zal worden afgewezen.

Beslagkosten en kosten in verband met de afgifte van documenten

4.46.

Blauwpark c.s. vordert een bedrag van € 37.769,61 vanwege gemaakte kosten in verband met het bewijsbeslag. Hiervan betreft een bedrag van € 9.180,24 (exclusief btw) deurwaarderskosten en een bedrag van € 28.616,37 (exclusief btw) kosten van de gerechtelijk bewaarder, Riscon. Daarnaast vordert Blauwpark c.s. een totaalbedrag van € 28.801,57 aan deurwaarderskosten en de kosten van Riscon in verband met de tenuitvoerlegging van het kort geding vonnis van 14 september 2012 en de daaruit voortvloeiende procedure over de afgifte van documenten. Blauwpark c.s. heeft de gevorderde kosten met facturen gespecificeerd.

4.47.

ABN AMRO voert aan dat deze kosten nodeloos zijn gemaakt, omdat ABN AMRO bereid was om de gewenste bescheiden vrijwillig te verstrekken. Volgens ABN AMRO heeft Blauwpark c.s. het kort geding ex artikel 843a Rv ten onrechte doorgezet, nu de bank reeds bij brief van 6 augustus 2012 had aangeboden om de in beslag genomen stukken grotendeels vrijwillig te verstrekken. Voorts voert ABN AMRO aan dat Blauwpark c.s. de kosten van het bewijsbeslag zelf dient te dragen, omdat artikel 843a Rv bepaalt dat degene die inzage wenst de kosten daarvan draagt.

4.48.

Deze verweren falen. Blijkens de hiervoor onder 2.40-2.42 genoemde e-mails heeft Blauwpark c.s. na de ontdekking van de fraude ABN AMRO herhaaldelijk verzocht om een kopie van haar dossier, in het bijzonder om de originele handtekeningenkaarten, kredietovereenkomsten, correspondentie en gespreksverslagen. ABN AMRO heeft volstaan met toezending van de rekeningafschriften over de periode 2006 tot en met 2011, screenprints uit haar digitale administratie en een door haarzelf opgesteld summier overzicht van de bevoegdheden met betrekking tot de rekeningen. ABN AMRO heeft meegedeeld (althans in ieder geval de indruk gewekt) dat er verder geen dossier was. Door het bewijsbeslag en afgifte van (een deel van) de in beslag genomen bescheiden is het Blauwpark c.s. duidelijk geworden dat ABN AMRO wel over bescheiden inzake Blauwpark c.s. beschikte. Met de voorzieningenrechter is de rechtbank van oordeel dat onder deze omstandigheden bezwaarlijk kan worden volgehouden dat het bewijsbeslag onnodig was en dat ABN AMRO dit door haar opstelling over zichzelf heeft afgeroepen. Door de weinig constructieve houding van ABN AMRO heeft Blauwpark c.s. aanzienlijke kosten moeten maken om over de noodzakelijke gegevens te kunnen beschikken om de fraude (en de rol van ABN AMRO daarin) te onderzoeken.

4.49.

Door ABN AMRO is niet betwist dat de gevorderde kosten van de deurwaarder en Riscon ook daadwerkelijk zijn gemaakt. Uit de door Blauwpark c.s. in het geding gebrachte facturen blijkt niet dat sprake is geweest van een onevenredige inzet van hulppersonen bij de beslaglegging en de selectie van bescheiden. De door Blauwpark c.s. opgegeven kosten van de deurwaarder en de kosten van Riscon komen dan ook tot het opgegeven bedrag van € 66.571,18 (€ 37.769,61 + € 28.801,57) voor vergoeding in aanmerking.

Eigen schuld

4.50.

Het beroep van ABN AMRO op eigen schuld slaagt. Hiertoe wordt het volgende overwogen. Allereerst heeft Blauwpark c.s. erkend dat, zoals ook ABN AMRO aanvoert, de schade mede is ontstaan doordat zij, Blauwpark c.s., teveel vertrouwen heeft gehad in [adviseur]. Voorts stelt ABN AMRO terecht dat van (het bestuur van) Blauwpark c.s. had mogen worden verwacht dat zij de werkzaamheden van [adviseur] controleerde. Blauwpark c.s. heeft dan ook een onverantwoord groot risico genomen door [adviseur], die de verantwoordelijkheid droeg voor het verrichten van betalingen, tevens te belasten met de administratie daarvan en met de controle daarop. Het kan (het bestuur van) Blauwpark c.s. worden aangerekend dat zij het handelen van [adviseur] nooit zelf heeft gecontroleerd en evenmin zelf bankafschriften heeft bekeken. Hierdoor heeft [adviseur] jarenlang frauduleuze transacties kunnen verrichten. Dit alles geldt te meer nu het bestuur van een vennootschap (wettelijk) verplicht is een deugdelijke administratie te voeren en jaarrekeningen op te maken. Dat dit laatste niet steeds is gebeurd, staat vast. Door de gebrekkige controle van Blauwpark c.s. is de gepleegde fraude zeer laat aan het licht gekomen en (mede) daardoor in omvang toegenomen. Deze nalatigheid moet dan ook aan Blauwpark c.s. worden toegerekend

4.51.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de geleden schade niet alleen het gevolg is van de schending van de zorgplicht door ABN AMRO, maar tevens van omstandigheden die aan Blauwpark c.s. zijn toe te rekenen. De rechtbank stelt de mate waarin de aan beide partijen toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen op de voet van artikel 6:101 BW vast op 50%. Dit betekent dat ABN AMRO de aan de zijde van Blauwpark c.s. geleden schade van € 22.095.749,75 voor de helft, dus tot een bedrag van € 11.047.874,87 dient te vergoeden.

4.52.

Deze vermindering van de schadevergoedingsplicht geldt in beginsel in dezelfde mate ook voor de verplichting om de in artikel 6:96 lid 2 BW bedoelde kosten te vergoeden (Hoge Raad 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7624). De rechtbank ziet evenwel aanleiding om ten aanzien van de gemaakte kosten in verband met het bewijsbeslag op grond van hetgeen hiervoor onder 4.48 is overwogen de billijkheidscorrectie van het slot van artikel 6:101 lid 1 toe te passen en de verplichting om deze kosten te vergoeden niet te verminderen. Dit betekent dat ABN AMRO het volledige bedrag van de onder 4.49 bedoelde kosten ten bedrage van € 66.571,18 zal moeten vergoeden.

Wettelijke rente

4.53.

De vordering tot vergoeding van wettelijke rente over iedere betaling vanaf de dag dat het bedrag aan de rekeningen is onttrokken, zal worden afgewezen, nu de schadevergoedingsplicht voortvloeit uit wanprestatie en niet uit onrechtmatige daad. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 11 april 2012, omdat ABN AMRO vanaf die datum in verzuim is nu zij bij de aansprakelijkstelling van 28 maart 2012 door Blauwpark c.s. is gesommeerd om binnen veertien dagen aansprakelijkheid voor de schade te erkennen.

Verklaring voor recht

4.54.

De gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen. Blauwpark c.s. heeft

niet gesteld dat zij in verband met de toerekenbare tekortkoming van ABN AMRO meer schade heeft geleden of dreigt te lijden dan zij in deze procedure reeds heeft gevorderd. Daarmee is niet komen vast te staan dat zij bij de gevorderde verklaring voor recht nog een voldoende rechtens te respecteren belang heeft als bedoeld in artikel 3:303 BW.

Proceskosten

4.55.

ABN AMRO zal als de in belangrijke mate in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Blauwpark c.s. worden begroot op:

griffierecht € 3.715,00

kosten dagvaarding 76,71

salaris advocaat 6.422,00 (2 punten x tarief € 3.211)

totaal € 10.213,71

Uitvoerbaar bij voorraad

4.56.

ABN AMRO voert verweer tegen de vordering om het vonnis (zoveel mogelijk) uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Subsidiair vraagt zij toepassing van artikel 233 lid 3 Rv. Volgens ABN AMRO is niet gebleken dat Blauwpark c.s. het toegewezen bedrag kan restitueren bij een vernietiging, omdat Blauwpark c.s. in 2007 een geconsolideerd eigen vermogen had van € 22.000.000,- en dat dit vermogen is afgenomen door de onttrekkingen van [adviseur]. De rechtbank acht het door ABN AMRO gestelde restitutierisico onvoldoende concreet en ziet geen reden af te wijken van het uitgangspunt dat degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkrijgt, vermoed wordt het vereiste belang bij uitvoerbaar verklaring bij voorraad te hebben. Het enkele feit dat het eigen vermogen van Blauwpark c.s. is afgenomen betekent niet dat Blauwpark c.s., indien de veroordeling uiteindelijk in hoger beroep niet in stand blijft, niet in staat zou zijn tot terugbetaling van het betaalde bedrag. Ook voor het treffen van een voorziening als bedoeld in artikel 233 lid 3 Rv is onvoldoende aanleiding. Het verzoek van Blauwpark c.s. tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal daarom worden toegewezen en het verzoek van ABN AMRO om daaraan de voorwaarde van het stellen van zekerheid te verbinden zal worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt ABN AMRO om aan Blauwpark c.s. te betalen een bedrag van € 11.047.874,87 (elf miljoen zevenenveertigduizend achthonderdvierenzeventig euro en zevenentachtig eurocent), te vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 lid 1 BW vanaf 11 april 2012 tot aan de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt ABN AMRO om aan Blauwpark c.s. te betalen een bedrag van € 66.571,18,

5.3.

veroordeelt ABN AMRO in de proceskosten aan de zijde van Blauwpark c.s., tot op heden begroot op € 10.213,71,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, mr. K.M. van Hassel en mr. M.C.H. Broesterhuizen en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.