Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:7728

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
13/654201-14 en 09/820017-13 (Tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in Turkije een opruiend filmpje op Facebook geplaatst.

Rechtsmachtsverweer: Nederland heeft rechtsmacht, omdat de openbaarmaking op internet, en daarmee (ook) in Nederland, plaatsvond en ook was gericht op een Nederlands publiek.

Opzet van verdachte: uit zijn zeer expliciete bewoordingen en ook zichtbare handelingen in het filmpje volgt tenminste voorwaardelijk opzet.

Vrijheid van meningsuiting: het filmpje roept op tot geweld en overschrijdt daarmee het toelaatbare. De inperking van de vrijheid van meningsuiting is noodzakelijk en proportioneel.

Facebookverbod: anders dan door de officier van justitie is gevorderd, wordt er geen Facebookverbod als bijzondere voorwaarde opgelegd. Deze voorwaarde is – mede gelet op bedrijfsactiviteiten van verdachte op Facebook – een te ver gaande inperking.

Straf: gevangenisstraf van 60 dagen, waarvan 44 dagen voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden. Tenuitvoerlegging van eerder voorwaardelijk opgelegde straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/52
Onder redactie van Tina van der Linden-Smith, met medewerking van <br/>Kea de Raaij annotatie in UDH:IR/12204
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/654201-14 en 09/820017-13 (tul) (Promis)

Datum uitspraak: 19 november 2014

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 november 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E. Broekhof en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. E.P. Vroegh naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 juli 2014 tot en met 8 augustus 2014 te Amsterdam en/of te 's-Gravenhage en/of te Leiderdorp, in elk geval in Nederland, en/of te Turkije tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag heeft opgeruid, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) op zijn, verdachtes, (algemeen toegankelijke) facebookpagina en/of de (algemeen toegankelijke) facebookpagina van zijn, verdachtes, rijschool een of meer filmpje(s) geplaatst,

waarbij hij, verdachte, de volgende tekst(en) zegt:

-"Onthoud goed, ja nogmaals die kanker zionisten. Die kanker zionisten ja, je moet ze, je moet ze vergelijken als een zombie ja als een zombie en weet je wat je moet doen met die zombies" en/of "Met die zombies ja, moet je ze kanker knallen" en/of "Kijk zie je" en/of "Zag je dat? Ja dat is nog niet genoeg he! en/of "je pakt je gun, je pakt je gun" en/of "Gaan we COD doen" en/of "kijk, kijk gaan we de sheriff zijn werk doen" en/of "Zo moet je die kanker zionisten kapot maken dood maken. Ja je moet ze vergelijken als zombies", althans woorden van gelijke aard en/of strekking

en/of waarbij hij, verdachte,

-een of meer vuurwapen(s), althans op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), uit zijn broeksband pakt en/of de slede naar achteren trekt en/of de hamer spant en/of een of meerdere malen voornoemde vuurwapen(s), althans op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), afvuurt en/of met voornoemde vuurwapen(s), althans op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), zwaait;

EN/OF

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 juli 2014 tot en met 8 augustus 2014 te Amsterdam en/of te 's-Gravenhage en/of te Leiderdorp, in elk geval in Nederland, en/of te Turkije tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een geschrift en/of afbeelding waarin tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, heeft verspreid, openlijk tentoongesteld en/of aangeslagen en/of om te verspreiden en/of openlijk tentoon te stellen of aan te slaan, in voorraad heeft gehad, terwijl hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat in het geschrift en/of afbeelding zodanige opruiing voorkomt,

immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) op zijn, verdachtes, (algemeen toegankelijke) facebookpagina en/of de (algemeen toegankelijke) facebookpagina van zijn, verdachtes, rijschool een of meer filmpje(s) geplaatst,

waarbij hij, verdachte, de volgende tekst(en) zegt:

-"Onthoud goed, ja nogmaals die kanker zionisten. Die kanker zionisten ja, je moet ze, je moet ze vergelijken als een zombie ja als een zombie en weet je wat je moet doen met die zombies" en/of "Met die zombies ja, moet je ze kanker knallen" en/of "Kijk zie je" en/of "Zag je dat? Ja dat is nog niet genoeg he! en/of "je pakt je gun, je pakt je gun" en/of "Gaan we COD doen" en/of "kijk, kijk gaan we de sheriff zijn werk doen" en/of "Zo moet je die kanker zionisten kapot maken dood maken. Ja je moet ze vergelijken als zombies", althans woorden van gelijke aard en/of strekking

en/of waarbij hij, verdachte,

-een of meer vuurwapen(s), althans op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), uit zijn broeksband pakt en/of de slede naar achteren trekt en/of de hamer spant en/of een of meerdere malen voornoemde vuurwapen(s), althans op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), afvuurt en/of met voornoemde vuurwapen(s), althans op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), zwaait;

3 Voorvragen

3.1.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat Nederland geen rechtsmacht heeft en dat daarom de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Van belang is dat verdachte het filmpje tijdens zijn verblijf in Turkije en dus buiten Nederland heeft gemaakt en op Facebook heeft gezet. Om te bepalen of Nederland rechtsmacht heeft, moet daarom worden gekeken naar artikel 4 van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr). Dit artikel geeft Nederland alleen rechtsmacht ten aanzien van de artikelen 131 en 132 Sr indien wordt opgeruid om de specifieke misdrijven te plegen die in artikel 4 onder a Sr staan vermeld. Daarvan is geen sprake.

3.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat Nederland wel rechtsmacht heeft. De leer van het constitutieve gevolg is in dit geval leidend bij de bepaling van de rechtsmacht. In die leer is bepalend waar de gevolgen van het strafbare feit zijn ingetreden. Het filmpje is geplaatst op de Facebookpagina van een Nederlands bedrijf en in de Nederlandse taal, waaruit blijkt dat het filmpje was bedoeld voor Nederland.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

Het verweer dat Nederland geen rechtsmacht heeft, wordt verworpen. De ten laste gelegde feiten zijn met de openbaarmaking op internet voltooid. Door het wereldwijd karakter van internet heeft die openbaarmaking ook in Nederland plaatsgevonden. Verder blijkt uit de stukken dat het filmpje ook op een Nederlands publiek was gericht. Dit volgt uit de plaatsing van het filmpje op de Facebookpagina van de in Nederland gevestigde rijschool van verdachte en de in het filmpje gesproken Nederlandse taal. Dat het filmpje daadwerkelijk in Nederland zichtbaar is geweest blijkt eveneens uit het dossier.

Nu het feit aldus (mede) in Nederland heeft plaatsgevonden, heeft Nederland rechtsmacht. De Nederlandse strafrechter is bevoegd. Hetgeen is aangevoerd vormt geen reden de Officier van justitie niet-ontvankelijk te achten.

Ook voor het overige is de dagvaarding geldig, deze rechtbank bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie ontvankelijk. Er zijn ook geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit, opruiing, kan worden bewezen. Het filmpje zet aan tot het plegen van strafbare feiten, namelijk het doden van mensen. Uit de inhoud van het filmpje en het politieke klimaat waarin het filmpje is verschenen volgt dat verdachte ook het opzet had om op te ruien.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het als tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde verspreiden van een opruiende afbeelding niet kan worden bewezen omdat verdachte geen activiteiten heeft ontplooid ter verdere verspreiding van het filmpje.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op het aanzetten van anderen tot het plegen van strafbare feiten. Verdachte heeft in het filmpje gebruik gemaakt van stijlfiguren als sarcasme, ridiculisering en overdrijving. Daarmee vallen de uitingen van verdachte binnen het speelveld van de opinievrijheid en daarom moet verdachte geheel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

Vast staat dat verdachte het filmpje in de ten laste gelegde periode heeft gemaakt en op Facebook heeft gezet. Ook staat vast dat verdachte degene is die in het filmpje aan het woord is geweest, de in de tenlastelegging genoemde teksten heeft uitgesproken en (met op vuurwapens gelijkende voorwerpen, waarschijnlijk alarmpistolen) schoten heeft gelost. Het dossier bevat geen bewijs dat verdachte daarbij nauw en bewust met een ander of anderen heeft samengewerkt, zodat het ten laste gelegde medeplegen niet kan worden bewezen.

De te beantwoorden vraag is of verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om anderen op te ruien om strafbare feiten te plegen en of verdachte met het plaatsen van het filmpje een opruiende afbeelding heeft verspreid, openlijk heeft tentoongesteld of heeft aangeslagen.

Naar de bewoordingen bevat het filmpje expliciet de boodschap dat degenen die het filmpje bekijken zionisten dood moeten schieten. Aldus wordt rechtstreeks opgeroepen tot het plegen van moord dan wel doodslag. De overige inhoud van het filmpje ondersteunt en versterkt deze boodschap nog. Verdachte doet voor hoe moet worden gehandeld, namelijk vuurwapens pakken en er mee schieten. Anders dan de verdediging heeft betoogd ontbreken aanwijzingen dat het – op zitting getoonde - filmpje sarcastisch, ridiculiserend of overdrijvend is bedoeld. Dat zoals de verdediging heeft betoogd op de facebookpagina ook andere – door de verdediging niet concreet aangeduide, maar als “veelal scherp” betitelde – andere filmpjes zichtbaar zijn, maakt dit niet anders. Het filmpje heeft dan ook onmiskenbaar een opruiend karakter.

Verdachte heeft onder meer verklaard dat hij met het filmpje uiting heeft willen geven aan zijn boosheid toen hij beelden zag van de op het strand van Gaza gedode jongens. Zoals hier boven overwogen is het filmpje niet (slechts) een uiting van boosheid, maar (tevens) een zeer expliciete oproep tot gewelddadig optreden. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders zijn dan dat verdachte zich minst genomen bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat het filmpje bij anderen de wens tot geweld tegen zionisten zou opwekken of versterken. Hieruit volgt dat verdachte op zijn minst het voorwaardelijk opzet had op het ten laste gelegde. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte de als eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde opruiing heeft begaan.

Tweede cumulatief/alternatie: Verspreiding (tentoonstelling)

Door het filmpje op de Facebookpagina van zijn rijschool te zetten, heeft verdachte dit filmpje ook openlijk tentoongesteld aan diegenen die deze Facebookpagina bezoeken of hebben “geliked”. Anders dan de officier van justitie heeft betoogd is daar geen afzonderlijke handeling van verdachte voor vereist. Gelet daarop is eveneens bewezen dat verdachte het als tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit, verspreiden (tentoonstellen) van een opruiende afbeelding, heeft begaan.

Eendaadse samenloop

Beide feiten hebben betrekking op één en hetzelfde filmpje en beide feiten zijn voltooid met het op Facebook zetten van dit filmpje. Het kan niet anders dan dat met de openbaarmaking van het filmpje op Facebook dit filmpje ook openlijk wordt tentoongesteld. Daarom is sprake van eendaadse samenloop tussen beide feiten.

5 Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op volgende wettige bewijsmiddelen.

1. De verklaring die verdachte ter terechtzitting van 5 november 2014 heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik ben degene die op het filmpje te zien is. Ik ben degene die het filmpje heeft gemaakt en ik heb het filmpje op de Facebookpagina van mijn rijschool [naam site] gezet. Ik heb het filmpje gemaakt en geplaatst tijdens mijn vakantie. Ik ben op 9 augustus 2014 teruggekeerd in Nederland en ik was vier weken weg. Het klopt dat de wapens alarmpistolen waren.

2. Een proces-verbaal van bevindingen, met nummer 2014188582-3, van 5 augustus 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 1] (pag. 16).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 5 augustus 2014 heb ik beelden bekeken en ik zag en hoorde het volgende:

Man zegt: "Onthoud goed, ja nogmaals die kanker zionisten. Die kanker zionisten ja, je moet ze, je moet ze vergelijken als een zombie ja als een zombie en weet je wat je moet doen met die zombies."

Man pakt rechtshandig een zwartkleurig vuurwapen (de rechtbank begrijpt: op een vuurwapen gelijkend voorwerp) uit voorzijde broeksband en trekt linkshandig slede naar achteren.

Man zegt: "Met die zombies ja, moet je ze kanker knallen."

Man vuurt wapen af en ik verbalisant hoor een knal en zie mondingsvuur uit de loop komen. Man vuurt snel achter elkaar nog meerdere malen, onderwijl roepend: "Kijk zie je." Einde afvuren wapen zegt man: "Zag je dat? Ja dat is nog niet genoeg he! Je pakt je gun, je pakt je gun."

Man pakt met rechterhand achter uit zijn rugzijde broeksband een zwartkleurig vuurwapen (de rechtbank begrijpt: op een vuurwapen gelijkend voorwerp). Man zegt: “Gaan we COD doen." Onderwijl spant de man met zijn duim de hamer en vuurt een schot. Man roept: "kijk, kijk gaan we de sheriff zijn werk doen." Man vuurt ondertussen een tweede schot. Man zegt: "Zo moet je die kanker zionisten kapot maken dood maken. Ja je moet ze vergelijken als zombies". Man staat ondertussen met in allebei zijn handen een vuurwapen (de rechtbank begrijpt: op een vuurwapen gelijkend voorwerp) en staat hiermee te zwaaien..

3. Een proces-verbaal verhoor getuige, met nummer 2014170983-2 van 29 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 2] (pag. 1-2).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [naam 3], zakelijk weergegeven:

Vandaag, 29 juli 2014, zat ik omstreeks 21:45 uur op Facebook te surfen en zag daar een filmpje staan. Ik klikte op het filmpje en zag en hoorde dat een man zei: ‘Weet je wat je allemaal met deze journalisten (de rechtbank begrijpt: zionisten) moet doen?’ Ik zag vervolgens dat deze man een vuurwapen pakte uit zijn broeksband en dat hij meerdere keren begon te schieten. Daarna zag ik dat hij een ander vuurwapen pakte aan de achterkant van zijn broeksband en begon daar vervolgens ook mee te schieten.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 5. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op een tijdstip in de periode van 12 juli 2014 tot en met 8 augustus 2014 in Nederland en Turkije, in het openbaar bij afbeelding tot enig strafbaar feit heeft opgeruid, immers heeft verdachte op de algemeen toegankelijke Facebookpagina van zijn, verdachtes, rijschool een filmpje geplaatst,

waarbij hij, verdachte, de volgende teksten zegt: "Onthoud goed, ja nogmaals die kanker zionisten. Die kanker zionisten ja, je moet ze, je moet ze vergelijken als een zombie ja als een zombie en weet je wat je moet doen met die zombies", en "Met die zombies ja, moet je ze kanker knallen", en "Kijk zie je", "Zag je dat? Ja dat is nog niet genoeg he!”, en "je pakt je gun, je pakt je gun", en "kijk, kijk gaan we de sheriff zijn werk doen" en "Zo moet je die kanker zionisten kapot maken dood maken. Ja je moet ze vergelijken als zombies"

en waarbij hij, verdachte, op vuurwapens gelijkend voorwerpen uit zijn broeksband pakt, de slede naar achteren trekt en/of de hamer spant, en meerdere malen voornoemde op vuurwapens gelijkende voorwerpen afvuurt en met voornoemde op vuurwapens gelijkende voorwerpen zwaait.

EN

in de periode van 12 juli 2014 tot en met 8 augustus 2014 in Nederland en Turkije een afbeelding waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid openlijk heeft tentoongesteld, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat in de afbeelding zodanige opruiing voorkomt,

immers heeft verdachte op de algemeen toegankelijke Facebookpagina van zijn, verdachtes, rijschool een filmpje geplaatst,

waarbij hij, verdachte, de volgende teksten zegt: "Onthoud goed, ja nogmaals die kanker zionisten. Die kanker zionisten ja, je moet ze, je moet ze vergelijken als een zombie ja als een zombie en weet je wat je moet doen met die zombies", "Met die zombies ja, moet je ze kanker knallen", "Kijk zie je", "Zag je dat? Ja dat is nog niet genoeg he!”, "je pakt je gun, je pakt je gun", "kijk, kijk gaan we de sheriff zijn werk doen" en "Zo moet je die kanker zionisten kapot maken dood maken. Ja je moet ze vergelijken als zombies"

en waarbij hij, verdachte, op vuurwapens gelijkende voorwerpen uit zijn broeksband pakt, de slede naar achteren trekt en/of de hamer spant, en meerdere malen voornoemde op vuurwapens gelijkende voorwerpen afvuurt en met voornoemde op vuurwapens gelijkende voorwerpen vuurwapen zwaait.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 De strafbaarheid van het feit

7.1.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de strafbaarheid ontbreekt omdat aan verdachte een gerechtvaardigd beroep op de vrijheid van meningsuiting toekomt zoals neergelegd in de Grondwet en internationale verdragen, onder meer artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Daarbij heeft zij er op gewezen dat in de periode waarin het filmpje is geplaatst een hevig debat plaatsvond onder meer over de strijd tussen Israel en de Palestijnen. In haar visie zijn binnen de context van dit debat de grenzen van een toelaatbare meningsuiting ruimer, en in dit geval niet overschreden.

7.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vrijheid van meningsuiting niet absoluut is en dat verdachte met het filmpje over de grens is gegaan van wat toelaatbaar is.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

Het door de Grondwet en beschermde recht op vrijheid van meningsuiting is een belangrijke verworvenheid in een democratische samenleving en geeft een ieder in beginsel het recht om zijn of haar opvattingen in vrijheid te uiten. Naar vaste rechtspraak geldt de vrijheid van meningsuiting ook – of juist – voor uitlatingen die kwetsen, choqueren of verontrusten. De vrijheid van meningsuiting is echter niet absoluut en kan onder meer worden ingeperkt ter voorkoming van strafbare feiten.

Aan de vereisten tot inperking is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. Opruiing tot strafbare feiten is strafbaar volgens de wet. Nu zoals hierboven overwogen in het filmpje expliciet en beeldend wordt opgeroepen tot moord of doodslag zijn daarmee de grenzen van een toelaatbare meningsuiting onmiskenbaar overschreden. Een inperking van dergelijke uitingen is noodzakelijk in een democratische samenleving en niet disproportioneel.

Dat de uiting is gedaan in de context van een hevig maatschappelijk debat maakt dat niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank dient juist in een dergelijke context de grens tussen een toelaatbare meningsuiting en een oproep tot geweld te worden gesteld en gehandhaafd.

Voor zover het doel van verdachte was gelegen in de uiting van boosheid dan wel het aan de kaak stellen van het gedrag van een bepaalde groep mensen, stond het hem vrij zich op een andere manier in het openbaar debat te mengen.

Er is ook overigens geen rechtvaardigingsgrond aannemelijk geworden. De bewezen geachte feiten zijn dan ook volgens de wet strafbaar.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf

9.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar onder het eerste cumulatief/alternatief bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 45 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 28 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een behandelverplichting en een verbod om gedurende één jaar actief te zijn op Facebook, en tot een taakstraf van 80 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de tenuitvoerlegging van de (hieronder te noemen) eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 dagen zal worden bevolen.

9.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de duur van het voorarrest overstijgt. Daarbij heeft zij zich verzet tegen het door de officier van justitie gevorderde Facebookverbod. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging heeft de raadsvrouw verzocht deze niet toe te wijzen, maar de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde straf te verlengen.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft een filmpje op de algemeen toegankelijke facebook-pagina van zijn bedrijf geplaatst, waarin hij expliciet heeft opgeroepen tot het doden van zionisten. Deze woorden heeft hij kracht bijgezet door zichtbaans te schietenmet vuurwapens , die op het eerste gezicht niet van echt te onderscheiden zijn. Het filmpje is daarmee onmiskenbaar opruiend van karakter. Het filmpje is via de facebook-pagina zichtbaar geweest, totdat het daarvan door verdachtes broer, dan wel facebook zelf, is verwijderd.

Hoewel in het buitenland op internet geplaatst, was het filmpje duidelijk op een Nederlands publiek gericht, waaronder de bijna twintigduizend “likers” die verdachte op de facebook-pagina zegt te hebben. Het filmpje is daarnaast ook voor anderen te zien geweest.

De rechtbank heeft niet de indruk gekregen dat verdachte ernaar streefde dat degenen die het filmpje zagen daadwerkelijk tot moord en doodslag tegen (vermeende) aanhangers van het zionisme zouden overgaan. Gezien het zeer expliciete karakter van het filmpje kan het echter niet anders zijn geweest dan dat hij welbewust rekening heeft gehouden met de aanmerkelijke kans dat het filmpje bij anderen de wens daartoe zou vestigen of ondersteunen.

Dat verdachte, zoals hij heeft verklaard, boos was over de beelden van gedode jongens op het strand van Gaza is invoelbaar. Het stond hem vrij om – zoals vele anderen hebben gedaan - aan deze boosheid in het openbaar uiting te geven. Verdachte heeft echter met zijn expliciete en zeer beeldende oproep tot moord dan wel doodslag de grenzen van een eigitieme openbare meningsuiting overschreden. De rechtbank betrekt daarbij dat juist in een periode van intensief en verhit debat, zoals de oorlog in Gaza in de periode waarin het filmpje is geplaatst in de Nederlandse samenleving heeft teweeggebracht, van groot belang is dat de grens met strafbare opruiing niet wordt overschreden. Anders gezegd: in zo’n periode is olie op het vuur gooien zoals verdachte dat heeft gedaan gevaarlijker en daarmee ook kwalijker.

De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte, naast het uiten van zijn boosheid, tevens streefde naar het vergroten van zijn bekendheid bij het publiek en het vergroten van de groep bezoekers van de facebook-pagina. Daarbij was hij zich er blijkens zijn verklaringen van bewust dat een - in zijn woorden -“bizar” filmpje met “actie” tot een groter publiek zou leiden. Dat verdachte bedoeld filmpje (mede) heeft willen gebruiken ter vergroting van zijn eigen bekendheid, acht de rechtbank verontrustend. In ieder geval kan een dergelijke wens het openbaar maken daarvan op geen enkele wijze rechtvaardigen.

Verdachte heeft erkend dat het fout is geweest het filmpje openbaar te maken. Hij heeft daarbij ook gezegd te begrijpen dat het een gelukkige omstandigheid is dat niemand zijn oproep heeft gevolgd. De rechtbank is er echter niet van overtuigd dat verdachte ten volle inziet dat het de oproep tot geweld is, die het strafbare karakter van het filmpje bepaalt. Daarbij is van belang dat de door verdachte ter zitting gemaakte vergelijkingen met andere openbare uitingen juist vanwege deze oproep tot geweld niet opgaan. Verdachte heeft verder verwezen naar het door de Nederlandse overheid uitgeoefende geweld tegen “Isis”. Wat daarvan zij, verdachte verliest daarmee in ieder geval uit het oog dat aan de democratisch gelegitimeerde staat andere taken en bevoegdheden toekomen dan aan de individuele burger.

Uit een verdachte betreffend uittreksel van justitiële documentatie van 30 oktober 2014 blijkt dat verdachte eerder in 2014 is veroordeeld voor een mishandeling en een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht. Deze veroordelingen verhouden zich slecht met het door verdachte geschetste beeld van zichzelf inhoudende dat hij tegen geweld zou zijn.

De reclassering adviseert in een met betrekking tot verdachte opgemaakt advies van 27 oktober 2014 om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en om daaraan bijzondere voorwaarden te verbinden. Als bijzondere voorwaarden adviseert de reclassering reclasseringstoezicht en de verplichting mee te werken aan een onderzoek in hoeverre narcistische persoonlijkheidskenmerken aan het delictgedrag hebben bijgedragen, zo nodig gevolgd door een hierop gerichte ambulante behandeling.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 60 dagen, waarvan 44 dagen voorwaardelijk, passend en geboden is. Het voorwaardelijke strafdeel moet eraan bijdragen dat verdachte er verder van wordt doordrongen dat hij een grens heeft overschreden en hem ervan wordt weerhouden zich nogmaals aan strafbare feiten schuldig te maken. Daarom zullen ook de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijke strafdeel worden verbonden.

Er bestaat echter onvoldoende aanleiding om daarnaast als bijzondere voorwaarde het door de officier van justitie geëiste Facebookverbod op te leggen. Los van de meer praktische vragen met betrekking tot de handhaving en de effectiviteit van het verbod, acht de rechtbank het verbod een te ver gaande inperking van de vrijheid van verdachte om zijn mening te uiten. Daarbij is verder van belang dat verdachte heeft verklaard voor de bedrijfsvoering van zijn rijschool in grote mate van Facebook afhankelijk te zijn.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 29 september 2014 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 09/820017-13, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 6 juni 2014 van de rechtbank Den Haag, waarbij verdachte is veroordeeld tot gevangenisstraf van 21 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 8 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens blijkt uit de stukken dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, aan verdachte is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijk strafdeel te gelasten.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55, 131 en 132 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

eendaadse samenloop van

- het in het openbaar, bij afbeelding tot enig strafbaar feit opruien, en

- een afbeelding waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, openlijk tentoonstellen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 60 (zestig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 44 (vierenveertig) dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene en bijzondere voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich moet melden bij Reclassering Nederland aan de Wibautstraat 12 te Amsterdam wanneer hij opgeroepen wordt voor een gesprek en zich daarna gedurende door de reclassering bepaalde perioden moet blijven melden zo frequent als de reclassering gedurende deze perioden nodig acht, en zich gedurende deze perioden moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft;

2. moet deelnemen aan een diagnostisch onderzoek en een eventueel geïndiceerde behandeling bij De Waag, centrum voor ambulante forensische psychiatrie, of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij betrokkene zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 6 juni 2014, namelijk een gevangenisstraf van 8 (acht) dagen.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.J. Dondorp, voorzitter,

mrs. C.A.E. Wijnker en H.M. van Niftrik, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 november 2014.