Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:7721

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
09-12-2014
Zaaknummer
C-13-515925 - HA ZA 12-527
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis na tussenvonnis van 24 september 2014. Betaling facturen advocaat. Beroepsaansprakelijkheid advocaat. Herbegroting beslagkosten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/515925 / HA ZA 12-527

Vonnis van 3 december 2014 (bij vervroeging)

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ENDTZ & CO ADVOCATEN B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.A. Endtz,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te Purmerend,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer.

Partijen zullen hierna Endtz en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 24 september 2014, met de daarin vermelde stukken,

  • -

    de akte vermindering van eis in conventie,

  • -

    de antwoordakte.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in conventie

2.1.

De rechtbank stelt voorop dat zij blijft bij hetgeen in het tussenvonnis van 24 september 2014 (hierna: het tussenvonnis) is overwogen en beslist. In het tussenvonnis is in rechtsoverweging 4.6. overwogen dat toewijsbaar is de vordering van Endtz tot betaling door [gedaagde] van de factuur van 1 januari 2012 ter grootte van € 100.000,= (exclusief 19% BTW), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum van deze factuur.

2.2.

Ten aanzien van de door Endtz gevorderde betaling van de openstaande bedragen op facturen b, c en g is in rechtsoverwegingen 4.7 tot en met 4.12 van het tussenvonnis overwogen dat Endtz zal worden toegelaten tot het bewijs dat [gedaagde] heeft ingestemd met het doorbelasten van de kosten verbonden aan het inschakelen van derden. Voorts is Endtz in rechtsoverweging 4.15 van het tussenvonnis met betrekking tot factuur e in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over welk bedrag [gedaagde] extra verschuldigd is geworden doordat Endtz niet tijdig van conclusie van antwoord heeft gediend, zulks zoveel mogelijk gemotiveerd en onderbouwd met schriftelijke bewijsstukken. Van beide gelegenheden heeft Endtz bij haar akte na tussenvonnis geen gebruik gemaakt. Endtz heeft haar eis in conventie verminderd met een bedrag van € 13.413,16 – zijnde het totaal van de openstaande bedragen op de facturen b, c, e en g – en verzocht eindvonnis te wijzen. Dit betekent dat de vordering met betrekking tot de facturen b, c, e en g thans geen verdere bespreking meer behoeft.

2.3.

Endtz heeft voorts een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd die zij conform het Rapport Voorwerk II heeft begroot op € 2.500,= exclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente. Endtz heeft verwezen naar haar algemene voorwaarden waarin is vermeld dat bij uitblijven van betaling binnen veertien dagen de opdrachtgever in verzuim is en gehouden is alle gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten van incasso te voldoen. [gedaagde] heeft betwist dat buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt.

2.4.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal -mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voorwerk II-worden afgewezen. Endtz heeft immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan Endtz vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

2.5.

Endtz vordert voorts [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 499,83 voor verschotten en € 4.263,00 voor salaris advocaat (3x rekest x tarief € 1.421,00).

2.6.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van Endtz op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 83,17

- griffierecht € 3.621,00 (waarvan € 1.725,00 terzake van de beslagkosten)

- salaris advocaat € 4.263,00 (3,0 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 7.967,17

2.7.

De gevorderde nakosten en wettelijke rente daarover zijn toewijsbaar als hierna volgt.

in reconventie

2.8.

De rechtbank stelt voorop dat zij blijft bij hetgeen in het tussenvonnis is overwogen en beslist. In rechtsoverweging 4.23 van het tussenvonnis heeft de rechtbank (ten aanzien van hetgeen is gevorderd onder 4.20 sub e en f) overwogen dat voor recht zal worden verklaard dat Endtz toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht met [gedaagde] doordat Endtz niet heeft voorkomen dat in de procedure tussen [bedrijf] en [gedaagde] (in persoon) akte niet dienen is verleend waarna een verstekvonnis is gewezen op basis waarvan [bedrijf] executiemaatregelen heeft getroffen. Ook is overwogen dat de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure zal worden toegewezen. Voorts heeft de rechtbank in het tussenvonnis geoordeeld dat de gevorderde verklaring voor recht en verwijzing naar de schadestaatprocedure voor de overigens door [gedaagde] gestelde tekortkomingen (a tot en met d en g tot en met i) niet toewijsbaar zijn.

2.9.

In reconventie is voorts opheffing althans matiging gevorderd van de ten laste van [gedaagde] gelegde conservatoire (derden)beslagen. Gelet op hetgeen in conventie is overwogen en geoordeeld, dient het ten laste van [gedaagde] gelegde beslag te worden herbegroot op een bedrag van € 154.700,= (zijnde het in conventie toegewezen bedrag van

€ 119.000,= inclusief BTW vermeerderd met een opslag van 30% voor rente en kosten). Voor zover de gezamenlijke waarde van de daardoor getroffen goederen/vorderingen meer bedraagt dan € 154.700,= worden de beslagen opgeheven.

2.10.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan Endtz te betalen een bedrag van € 119.000,00 (éénhonderdnegentienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag vanaf de vervaldag van de factuur,

3.2.

veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 4.762,83,

3.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Endtz tot op heden begroot op € 7.967,17,

3.4.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

3.5.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

3.7.

verklaart voor recht dat Endtz toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht met [gedaagde] doordat Endtz niet heeft voorkomen dat in de procedure tussen [bedrijf] en [gedaagde] (in persoon) akte niet dienen is verleend waarna een verstekvonnis is gewezen op basis waarvan [bedrijf] executiemaatregelen heeft getroffen en dat Endtz aansprakelijk is voor de schade die [gedaagde] hierdoor heeft geleden, nader op te maken bij staat en verwijst de zaak daartoe naar de schadestaatprocedure,

3.8.

herbegroot de vordering waarvoor Endtz op grond van het beslagrekest van 14 maart 2012 ten laste van [gedaagde] beslag heeft gelegd op € 154.700,=, inclusief rente en kosten,

3.9.

heft de tot op heden gelegde beslagen op voor zover de gezamenlijk waarde van de daardoor getroffen goederen/vorderingen meer bedraagt dan € 154.700,=,

3.10.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

3.11.

verklaart dit vonnis in reconventie met betrekking tot hetgeen onder 3.8. en 3.9 is beslist uitvoerbaar bij voorraad,

3.12.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.R. Wisse, rechter, bijgestaan door mr. A. Vogelzang, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 december 2014.

*