Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:7583

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
C-13-556439 - HA RK 13-413
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek voorlopig getuigenverhoor. Verweerster heeft vragen schriftelijk beantwoord. Met deze antwoorden beschikken verzoekers over een voldoende duidelijk beeld om hen in staat te stellen hun kansen in een bodemprocedure te kunnen inschatten. Geen belang (meer) bij voorlopig getuigenverhoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/556439 / HA RK 13-413

Beschikking van 13 november 2014

in de zaak van

1 [naam 1],

wonende te [woonplaats],

2. [naam 2],

wonende te [woonplaats],

3. [naam 3],

wonende te [woonplaats],

4. [naam 4],

wonende te [woonplaats],

5. [naam 5],

wonende te [woonplaats],

6. [naam 6],

wonende te [woonplaats],

7. [naam 7],

wonende te [woonplaats],

8. [naam 8],

wonende te [woonplaats],

9. [naam 9],

wonende te [woonplaats],

10. [naam 10],

wonende te [woonplaats],

11. [naam 11],

wonende te [woonplaats],

12. [naam 12],

wonende te [woonplaats],

13. [naam 13],

wonende te [woonplaats]

14. [naam 14],

wonende te [woonplaats],

15. [naam 15],

wonende te [woonplaats],

16. [naam 16],

wonende te [woonplaats],

17. [naam 17],

wonende te [woonplaats],

18. [naam 18],

wonende te [woonplaats],

19. [naam 19],

wonende te [woonplaats],

20. [naam 20],

wonende te [woonplaats],

21. [naam 21],

wonende te [woonplaats],

22. [naam 22],

wonende te [woonplaats],

23. [naam 23],

wonende te [woonplaats],

24. [naam 24],

wonende te [woonplaats],

25. [naam 25],

wonende te [woonplaats],

26. [naam 26],

wonende te [woonplaats],

27. [naam 27],

wonende te [woonplaats],

28. [naam 28],

wonende te Dronten,

29. [naam 29],

wonende te [woonplaats],

30. [naam 30],

wonende te [woonplaats],

31. [naam 31],

wonende te [woonplaats],

32. [naam 32],

wonende te [woonplaats],

33. [naam 33],

wonende te [woonplaats],

34. [naam 34],

wonende te [woonplaats],

35. [naam 35],

wonende te [woonplaats],

36. [naam 36],

wonende te [woonplaats],

37. [naam 37],

wonende te[woonplaats],

38. [naam 38],

wonende te Susteren,

39. [naam 39],

wonende te [woonplaats],

40. [naam 40],

wonende te [woonplaats],

41. [naam 41],

wonende te [woonplaats],

42. [naam 42],

wonende te [woonplaats],

43. [naam 43],

wonende te [woonplaats],

44. [naam 44],

wonende te [woonplaats],

45. [naam 45],

wonende te [woonplaats],

46. [naam 46],

wonende te [woonplaats],

47. [naam 47],

wonende te [woonplaats],

48. [naam 48],

wonende te [woonplaats],

49. [naam 49],

wonende te [woonplaats],

50. [naam 50],

wonende te [woonplaats],

51. [naam 51],

wonende te [woonplaats],

52. [naam 52],

wonende te [woonplaats],

53. [naam 53],

wonende te [woonplaats],

54. [naam 54],

wonende te [woonplaats],

55. [naam 55],

wonende te [woonplaats],

56. [naam 56],

wonende te [woonplaats],

verzoekers,

advocaat mr. F.E. Olberts te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

advocaat mr. J.W. van Rijswijk te Amsterdam.

Verweerster wordt hierna ABN AMRO of de bank genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 december 2013;

  • -

    het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 maart 2014;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 maart 2014 waarin – voor zover voor de beoordeling van belang – is vastgelegd dat verzoekers een lijst met vragen betrekking hebbend op de in het verzoekschrift benoemde kwesties aan ABN AMRO zullen voorleggen en dat de bank deze vragen, waar redelijkerwijs mogelijk, naar waarheid zal beantwoorden;

  • -

    de (fax)brief van mr. Olbers, ingekomen ter griffie op 24 juni 2014, waarin hij de rechtbank verzoekt alsnog een voorlopig getuigenverhoor te bevelen;

  • -

    de (fax)brief van mr. Van Rijswijk, ingekomen ter griffie op 26 juni 2014 (met als bijlage de antwoorden van ABN AMRO op de door verzoekers gestelde vragen), waarin hij zich namens ABN AMRO verzet tegen inwilliging van het verzoek;

  • -

    het verzoek van de rechtbank (per e-mail) van 27 juni 2014 aan mr. Olbers om zijn verzoek nader toe te lichten;

  • -

    de brief van mr. Olbers, ingekomen ter griffier op 21 augustus 2014, waarin hij zijn verzoek gedaan op 24 juni 2014 nader toelicht;

  • -

    de (fax)brief van mr. Van Rijswijk, ingekomen ter griffie op 1 oktober 2014 met een reactie op de nadere toelichting van mr. Olbers.

1.2.

De beschikking is bepaald op heden. Partijen zijn van de (gewijzigde) beschikkingsdatum op de hoogte gesteld.

2 De beoordeling

2.1.

Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor zal bevelen.

2.2.

ABN AMRO verzet zich tegen inwilliging van het verzoek.

2.3.

Bij de beoordeling van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen, geldt ingevolge artikel 186 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), gelezen in samenhang met het bepaalde in artikel 166 Rv, als hoofdregel dat indien bewijs door getuigen bij de wet is toegelaten, de rechter een getuigenverhoor beveelt zo vaak een der partijen dit verzoekt, de te bewijzen aangeboden feiten zijn betwist en de te bewijzen feiten tot een beslissing in de zaak kunnen leiden.

2.4.

Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor kan, ook als het overigens aan de eisen voor toewijzing voldoet, evenwel onder andere worden afgewezen op de grond dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt, waarvan onder meer sprake kan zijn indien verzoeker, in aanmerking nemende de onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen, in redelijkheid niet tot toepassing van die bevoegdheid kan worden toegelaten. Ook kan toewijzing van het verzoek achterwege blijven indien het strijdig is met een goede procesorde, dan wel toewijzing van het verzoek moet afstuiten op een ander, door de rechter zwaarwichtig beoordeeld bezwaar. Voorts is ook de in artikel 3:303 BW neergelegde regel, dat zonder belang niemand een rechtsvordering toekomt, op het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van toepassing. Deze laatste regel brengt mee dat het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor behoort te worden afgewezen als de verzoeker daarbij onvoldoende belang heeft.

2.5.

Verzoekers zijn allen afgestudeerde piloten aan wie ABN AMRO een financiering heeft verstrekt om hen in staat te stellen de pilotenopleiding te volgen.

2.6.

Uit het verzoekschrift en hetgeen zijdens verzoekers tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht maakt de rechtbank op dat verzoekers van mening zijn dat de bank aan hen geen financiering had mogen verstrekken – althans niet in de vorm waarin en/of de wijze waarop de bank dat heeft gedaan – en dat zij door dit wel te doen haar zorgplicht heeft geschonden en op grond van wanprestatie dan wel onrechtmatige daad jegens verzoekers aansprakelijk is voor de schade die verzoekers hierdoor hebben geleden, althans zullen lijden.

2.7.

In het verzoekschrift hebben verzoekers een aantal stellingen en onderwerpen genoemd en vervolgens de rechtbank verzocht te bepalen dat “over bovenstaande vragen en de daarin verweven feiten en rechten” een voorlopig getuigenverhoor zal plaatsvinden.

De stellingen en onderwerpen die in het verzoekschrift staan vermeld zijn – kort weergegeven – de volgende:

( i) in het kader van (het voorkomen van) overkreditering had de bank een inkomen-/lastentoets moeten uitvoeren; de bank heeft aan verzoekers financieringen verstrekt terwijl zij geen inkomen hadden en had dit (volgens de criteria op haar eigen website) niet mogen doen;

(ii) de bank heeft haar precontractuele informatieplicht geschonden: de bank heeft verzoekers op geen enkele wijze op de mogelijke risico’s gewezen; heeft hen voorgehouden dat zij binnen afzienbare tijd een baan zouden vinden als piloot; heeft aan verzoekers onvoldoende duidelijk gemaakt wat het “garantiefonds” inhield (de bank heeft de indruk gewekt dat verzoekers door de aanwezigheid van het “garantiefonds” geen enkel risico liepen); de bank heeft niet uitgelegd dat sprake is van een borgtocht en dat de borg recht van regres heeft; de bank heeft ten onrechte geadviseerd dat opleidingskosten altijd fiscaal aftrekbaar zijn;

(iii) zorgplicht: verzoekers betaalden rente op rente; in een aantal gevallen werd na voltooiing van de opleiding de achterstallige rente gefinancierd met een rekening-courantkrediet;

(iv) BKR: ondanks registratie van een aantal verzoekers bij het BKR heeft de bank toch een financiering verstrekt;

( v) zoals uit de kredietdossiers van verzoekers blijkt, maakt de bank een onderscheid tussen reguliere kredieten en financieringen aan aspirant-piloten, hoewel daarvoor geen wettelijke basis is;

(vi) het is volstrekt onduidelijk hoe de vakbekwaamheid van de medewerkers van de bank is gewaarborgd; de bank heeft in sommige gevallen geadviseerd de rente voor slechts één jaar vast te zetten;

(vii) er is sprake van misbruik van omstandigheden: verzoekers waren na het afronden van hun opleiding dikwijls onmachtig om de rente te voldoen en toen heeft het “garantiefonds” op uitdrukkelijk verzoek van de bank rente voorgeschoten.

2.8.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van verzoekers toegelicht dat verzoekers (in ieder geval) de volgende vragen tijdens het voorlopig getuigenverhoor beantwoord wensen te zien:

(1) Is er een zogenaamde inkomen/lastentoets uitgevoerd, teneinde overkreditering te voorkomen, dan wel te komen tot een verantwoorde wijze van verstrekken?

(2) Zo ja, wat was de uitslag van deze toets?

(3) Wordt dezelfde berekeningsmethode gehanteerd als op de website?

(4) Hoe wordt de leencapaciteit bepaald?

(5) Welke informatie is aan verzoekers voor het aangaan van de financiering verstrekt?

(6) Op welke wijze is deze informatie verstrekt?

(7) Hoe zorgt de bank ervoor dat de wettelijk verplichte informatie tijdig wordt verstrekt? Wat is/was de ‘standard operating procedure’?

(8) Wordt navraag gedaan bij het BKR? Waaruit blijkt dat? Hoe was/is dat geprotocolleerd?

(9) Wat wordt met deze informatie gedaan?

2.9.

Ter zitting zijn partijen – onder leiding van de rechter – overeengekomen dat de bank deze en andere vragen van verzoekers (eerst) schriftelijk zou beantwoorden. Vervolgens hebben verzoekers deze en (vele) andere vragen (de rechtbank telt ruim 100 vragen, deels weer onderverdeeld in sub-vragen, in totaal) aan de bank voorgelegd. De bank heeft de vragen uitvoerig (in een 26 pagina’s tellend document) beantwoord.

2.10.

Verzoekers wensen thans dat de rechtbank alsnog een voorlopig getuigenverhoor beveelt. Aanvankelijk hadden verzoekers slechts aangegeven dat in een aantal gevallen de bank de vraag niet of onvolledig had beantwoord en dat in een aantal andere gevallen de antwoorden weinig concreet zijn. Nadat de rechtbank verzoekers bij e-mail van 27 juni 2014 te kennen had gegeven dat deze toelichting – in het licht van de ter zitting gemaakte afspraken tussen partijen – onvoldoende was, heeft de advocaat van verzoekers aan de hand van de door de bank gegeven antwoorden nader gemotiveerd waarom verzoekers nog steeds een voorlopig getuigenverhoor wensen. Bij deze motivering valt op dat bij een groot aantal antwoorden van de bank een opmerking wordt geplaatst (een stelling wordt geponeerd) waaruit blijkt dat verzoekers het met het antwoord van de bank niet eens zijn of waaruit blijkt dat zij vinden dat de bank niet juist handelde door te handelen zoals zij deed. Uit de toelichting blijkt niet zozeer van concrete – door de bank onbeantwoord gelaten – vragen die van belang zijn voor de beoordeling van het geschil tussen partijen. Uit deze nadere toelichting komt – zoals de bank grotendeels ook heeft aangegeven in haar nadere verweerschrift – het volgende beeld naar voren:

- verzoekers zijn het niet eens met het door de bank gevoerde en toegepaste kredietbeleid;

- verzoekers menen dat de bank niet had mogen financieren op basis van een in de toekomst te verwerven inkomen en dat een financiering niet aanvaardbaar is indien de kredietnemer geen inkomen heeft;

- verzoekers menen dat de bank ten onrechte geen aandacht besteedt aan het feit dat de salarissen van piloten onder druk staan van prijsvechters;

- verzoekers wensen dat de bank beleidsdocumenten overlegt;

- verzoekers willen weten of afwijking van het rapport “verantwoorde kredietverstrekking 2006” van de AFM toelaatbaar is;

- verzoekers zijn van mening dat de bank kosten van levensonderhoud niet had mogen meefinancieren en dat zij haar beleid op dit punt eerder had moeten wijzigen;

- de bank heeft aangegeven dat zij bij een hypotheekaanvraag wel een inkomenstoets toepast en bij een pilotenfinanciering niet; verzoekers willen weten waarom en of dit mag;

- verzoekers menen dat de adviesgesprekken te kort en te weinig informatief waren.

2.11.

ABN AMRO verzet zich – gemotiveerd – tegen inwilliging van het verzoek en voert hiertoe in het bijzonder aan dat verzoekers geen concrete vraagpunten aan de orde stellen waarover met een voorlopig getuigenverhoor opheldering kan worden verkregen en dat verzoekers (in ieder geval thans na de beantwoording van de vragen door de bank) voldoende in staat zijn hun proceskansen in te schatten.

2.12.

Verzoekers stellen ter onderbouwing van (de handhaving van) hun verzoek dat het “noodzakelijk [is] om alsnog over de feiten te beschikken, opdat zij daarmee hun kansen in een bodemprocedure kunnen inschatten”. De rechtbank is van oordeel dat de bank verzoekers met de antwoorden die zij heeft gegeven op hun vragen een voldoende duidelijk beeld heeft gegeven van de wijze waarop de bank omging met de beoordeling van de kredietaanvragen van aspirant-piloten en de uiteindelijke verstrekking van financiering aan aspirant-piloten om verzoekers in staat te stellen hun kansen in een bodemprocedure te kunnen inschatten. De bank heeft de concrete vragen die hiervoor onder 2.8 zijn genoemd (en veel meer) beantwoord en daarmee informatie verstrekt over de onderwerpen die verzoekers blijkens hun verzoekschrift (zie hiervoor onder 2.7) in een voorlopig getuigenverhoor aan de orde wilden stellen. Zoals hiervoor al is overwogen, zijn verzoekers kennelijk van mening dat de bank aan hen geen financiering had mogen verstrekken, althans niet in de vorm waarin en/of de wijze waarop de bank dat heeft gedaan. Zoals tijdens de mondelinge behandeling ook al is besproken, betreft dit een rechtsvraag die door de rechter zal moeten worden beoordeeld. Met de uitvoerige informatie over het door haar gevoerde kredietbeleid die de bank thans aan verzoekers ter beschikking heeft gesteld, beschikken verzoekers over voldoende informatie om deze rechtsvraag aan de rechter voor te leggen. Of het door de bank gevoerde beleid (en de uitvoering daarvan in de praktijk) de toets der kritiek kan doorstaan, zal dan door de rechter worden beoordeeld. Als verzoekers deze (rechts)vraag aan de rechter voorleggen kunnen zij hun standpunt – dat dit niet het geval was – waar nodig nader onderbouwen met de opmerkingen gemaakt in de nadere toelichting van hun advocaat van 20 augustus 2014. Dit geldt in het bijzonder ook waar verzoekers menen – zo maakt de rechtbank uit deze opmerkingen op – dat het beleid van de bank te algemeen van aard was en niet voldoende toegespitst op de persoon van de aspirant-piloot (kredietnemer). Mochten verzoekers daarnaast menen dat – op onderdelen – de uitvoering in de praktijk niet in overeenstemming was met het door de bank in haar antwoorden gepresenteerde beleid en dat de bank (mede) daardoor haar zorgplicht jegens verzoekers heeft geschonden, kunnen zij ook dit ter beoordeling voorleggen. Of en in hoeverre de praktijk van de kredietverlening anders was dan het door de bank gepresenteerde beleid kunnen verzoekers zelf (gemotiveerd, ondersteund bijvoorbeeld met door hen opgestelde verklaringen) stellen. Dit is overigens ook geen onderwerp waarover verzoekers blijkens hun verzoekschrift getuigen (medewerkers van de bank) wensen te horen, zodat dit kennelijk niet bedoeld was een onderwerp van het voorlopig getuigenverhoor te zijn.

2.13.

Het verzoek zal dan ook bij gebrek aan belang worden afgewezen.

2.14.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een van partijen in de proceskosten te veroordelen.

3 De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Dudok van Heel en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2014.

*