Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:7573

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
AWB - 14 _ 6201
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

beroep wet werk en bijstand

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 14/6201 en AMS 14/6907

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 november 2014 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[de man] , te Amsterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. S. Ettalhaoui),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. Boegborn).

Procesverloop

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoeker ingediende bezwaar tegen het primaire besluit van verweerder van 26 augustus 2014.

Het bezwaar is bij besluit van 9 oktober 2014 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 23 oktober 2014 heeft de rechtbank het beroepschrift van verzoeker ontvangen. Conform artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het verzoekschrift gelijkgesteld met een verzoek gedaan hangende het beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2.1

Verzoeker is zonder vaste woon- of verblijfsplaats. Op 24 juli 2014 heeft hij zich bij verweerder gemeld voor een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding hiervan heeft verweerder een onderzoek gedaan naar de juistheid van de door verzoeker verstrekte gegevens over zijn feitelijke woonadres en woonsituatie.

2.2

Verzoeker heeft op de zevendagenformulieren, over de periode van 26 juni 2014 tot en met 30 juli 2014, verschillende verblijfslocaties/adressen ingevuld. Daarnaast heeft verzoeker op 31 juli 2014 het formulier ‘Opgave verblijflocatie(s) dak- thuisloze’ ingevuld. Hierop staat (letterlijke weergave):

“zwarte [merk auto] [kenteken]

[adres] bij de ingang met de auto bij [huis] ”

2.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder verzoekers aanvraag om een bijstandsuitkering afgewezen, omdat hij zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt en tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

2.4

In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en zich

- kort gezegd - op het standpunt gesteld dat uit onderzoek is gebleken dat het hoofdverblijf van verzoeker niet kan worden vastgesteld. Op 18 augustus 2014 heeft verzoeker telefonisch aan verweerder gemeld dat hij niet langer in de [merk auto] verblijft, maar bij [locatie] bij het [adres] in Amsterdam. Verzoeker is tijdens de daaropvolgende locatiebezoeken aldaar niet aangetroffen.

2.5

Verzoeker heeft betwist dat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden. Verweerder heeft in strijd met zijn eigen beleidsvoorschriften geen maatwerk geleverd. Daartoe heeft verzoeker aangevoerd dat hij meerdere verblijfslocaties/adressen heeft opgegeven. Verzoeker betwist dat hij op 18 augustus 2014 telefonisch melding heeft gemaakt van een wijziging in zijn verblijfssituatie. Verweerder heeft ten onrechte slechts locatiebezoeken afgelegd aan de [adres] en [locatie] bij het [adres] en niet op de eerder opgegeven locaties.

3.1

Voor de beantwoording van de vraag of verzoeker recht heeft op bijstand zijn controleerbare gegevens over zijn feitelijke woon- en leefsituatie van essentieel belang. Dit geldt ook voor het beoordelen van het recht op bijstand van de adresloze (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep - CRvB - van 22 april 2014, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:CRVB:2014:1531). In een aanvraagsituatie ligt het bovendien op de weg van de aanvrager om over zijn woon- en leefsituatie de nodige duidelijkheid te verschaffen. Indien de aanvrager niet de nodige duidelijkheid verschaft, is dat een grond voor weigering van de bijstand, indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

3.2

De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat verzoeker tijdens de door verweerder verrichte locatiebezoeken op 19 augustus 2014 in de [adres] bij de ingang bij [huis] en op 20, 21 en 22 augustus 2014 bij [locatie] bij het [adres] niet is aangetroffen.

3.3

De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verweerder terecht niet de eerder door verzoeker opgegeven locaties heeft bezocht. In dit verband overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.3.1

Verzoeker heeft op 31 juli 2014 op het formulier ‘Opgave verblijflocatie(s) dak- thuisloze’ ingevuld dat hij in een [merk auto] aan de [adres] verbleef. Hiermee heeft verzoeker verklaard op welke locatie hij verblijft en tevens dat hij door ondertekening van het formulier op de hoogte is van de inlichtingenplicht en van het feit dat hij iedere wijziging in zijn woon- en leefsituatie moet doorgeven aan verweerder.

3.3.2

Niet in geschil is dat verzoeker op 18 augustus 2014 telefonisch contact heeft opgenomen met verweerder. Verweerder heeft hiervan op 26 augustus 2014 een rapportage opgemaakt. Hierin staat dat verzoeker heeft verklaard dat hij niet langer verblijft in de auto [merk auto] met [kenteken] bij of in de [adres] , maar verblijft onder [locatie] bij het [adres] te Amsterdam. Verzoeker betwist dat hij dit op 18 augustus 2014 aan verweerder heeft verklaard. Nu geen sprake is van een door verzoeker ondertekende verklaring, maar slechts van een door verweerder opgestelde rapportage, had verweerder er niet zonder meer vanuit mogen gaan dat verzoeker niet langer op de eerder door hem opgegeven adressen zou verblijven. In dit verband heeft verweerder ter zitting verweerder toegelicht dat van binnenkomende telefoontjes van betrokkenen of een telefoonnotitie wordt gemaakt of een rapportage, maar nooit allebei. De rapportage is opgemaakt door een beëdigd ambtenaar, zodat volgens verweerder van de juistheid mag worden uitgegaan.

3.3.3

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in de enkele betwisting van de rapportage geen aanleiding bestaat om niet van de juistheid van de rapportage van 26 augustus 2014 uit te mogen gaan. De rapportage is door een daartoe bevoegde ambtenaar opgemaakt, zodat de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat sprake is van een juiste weergave van hetgeen verzoeker heeft verklaard. Hiervoor hoeft geen sprake te zijn van een ondertekende verklaring van verzoeker. Gelet hierop is verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht uitgegaan van een wijziging in verzoekers woon- en leefsituatie en dat verzoekers verblijfslocatie vanaf 18 augustus 2014 onder [locatie] bij het [adres] was. Er bestond voor verweerder dus geen aanleiding om ook bij de door verzoeker eerder op de zevendagenformulieren opgegeven adressen locatiebezoeken af te leggen.

3.3.4

Verzoeker heeft verder aangevoerd dat verweerder ten onrechte pas 19 dagen nadat hij het formulier ‘Opgave verblijflocatie(s) dak- thuisloze’ heeft ingevuld, voor het eerst een locatiebezoek heeft afgelegd. De voorzieningenrechter overweegt dat dit niet betekent dat het onderzoek niet zorgvuldig is geweest, dan wel dat geen maatwerk is verricht. Verweerder heeft het besluit immers gebaseerd op het feit dat verzoeker niet is aangetroffen op de door hem op 18 augustus 2014 opgegeven locatie onder [locatie] bij het [adres] . Verweerder heeft reeds twee dagen na 18 augustus 2014 op die locatie een locatiebezoek afgelegd.

3.3.5

Voorts heeft verzoeker aangevoerd dat verweerder in het bezit is van zijn telefoonnummer, zodat zij hem ook hadden kunnen bellen toen zij hem niet aantroffen. In dit verband overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder in het geval van een adresloze op grond van de Werkvoorschriften WWB weliswaar maatwerk moet leveren, maar dat dit niet maakt dat verweerder met verzoeker moet bellen indien hij niet wordt aangetroffen tijdens een locatiebezoek.

4.1

Nu verweerder niet heeft kunnen vaststellen dat verzoeker daadwerkelijk verbleef op de door hem op 18 augustus 2014 opgegeven locatie, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder gerechtvaardigde twijfel kon hebben over de woonsituatie van verzoeker. Die twijfel heeft verzoeker niet weggenomen, wat wel op de weg van verzoeker had gelegen omdat het hier een aanvraagsituatie betreft. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat verzoeker niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht. Als gevolg hiervan kan niet worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate, verzoeker ten tijde hier van belang verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB. Dat verzoeker een traject bij de reclassering volgt is geen bijzondere omstandigheid die in het individuele geval het verlenen van bijstand rechtvaardigt.

4.2

Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het beroep ongegrond verklaren en het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

4.3

Voor een veroordeling in de proceskosten of een teruggave van het griffierecht door verweerder ziet de rechter geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T.H. Zimmerman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.N. van den Broek, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 november 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.