Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:757

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-02-2014
Datum publicatie
24-04-2014
Zaaknummer
13-708116-12 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte is, op grond van artikel 273f lid 1 sub 4 Sr., veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden voor mensenhandel ten aanzien van één vrouw. Verdachte heeft een zodanig constructieve rol vervuld dat de uitbuitingssituatie, die is gecreëerd door medeverdachte, in stand bleef. Verdachte is vrijgesproken van gewoontewitwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/708116-12 (Promis)

Datum uitspraak: 20 februari 2014

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Bulgarije) op [1987],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres, te plaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 februari 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Bienfait-Van Kampen en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.A.M. Pijnenburg naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt, kort gezegd, verweten dat hij zich in de periode van 1 september 2009 tot en met 31 december 2010 tezamen met anderen heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel jegens [persoon 1].

Daarnaast wordt verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen van verdiensten uit de door [persoon 1] verrichte prostitutiewerkzaamheden.

De volledige – op de terechtzitting van 6 februari 2014 gewijzigde – tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

3 Voorvragen

3.1

Partiële nietigheid van de dagvaarding

Ten aanzien van de gedachtestreepjes in de tenlastelegging waarin het openbaar ministerie als feitelijkheid onder meer heeft opgenomen dat [persoon 1] door verdachte, kort gezegd, ‘onder druk is gezet en er zodoende toe is aangezet om in de prostitutie te werken’ overweegt de rechtbank dat dit geen feitelijkheid betreft, maar een korte samenvatting van dwang, die door die feitelijkheden geconcretiseerd bewezen moet worden. De rechtbank zal deze zinsnede in de dagvaarding dan ook nietig verklaren.

3.2

Overige voorvragen

Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Vrijspraak van feit 2

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen, nu uit het dossier niet blijkt van enige verhullings- of verheimelijkingshandelingen. Verdachte wordt van dit feit vrijgesproken.

5 Waardering van het bewijs

5.1

Inleiding

Op 2 mei 2011 verschijnen [persoon 1] en [persoon 2] (verder: [persoon 2]) op het politiebureau en verklaren in een intakegesprek mensenhandel dat zij het geld dat zij verdienen in de prostitutie moeten afstaan aan [medeverdachte]. Zij worden ondergebracht op een veilig adres. Op 4 mei 2011 geven zij aan dat ze terug willen naar Bulgarije en geen aangifte willen doen. Een jaar later op 10 mei 2012 doet [persoon 1] alsnog aangifte van mensenhandel tegen [medeverdachte]. In het onderzoek dat volgt worden tevens [verdachte] en [persoon 2] als verdachten aangemerkt. [persoon 2] wordt daarnaast ook aangemerkt als slachtoffer van [medeverdachte].

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte (samen met een ander of anderen) de prostitutiewerkzaamheden van [persoon 1] heeft gefaciliteerd, of hij dwang heeft uitgeoefend op haar om werkzaam te zijn in de prostitutie en of hij al dan niet onder uitoefening van dwang financieel daarvan heeft geprofiteerd. Daarnaast moet de rechtbank de vraag beantwoorden of verdachte de opbrengsten uit die prostitutiewerkzaamheden heeft witgewassen.

5.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie concludeert op basis van de bevindingen van de politie, de verklaringen van aangeefster [persoon 1], de verklaringen van [persoon 2], de verklaring van [verdachte], de verklaring van getuige [persoon 13] en de overige onderzoeksresultaten, zoals de gegevens omtrent de kamerhuur en de bevindingen/mutaties van de politie dat sprake is van mensenhandel gepleegd door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: medeverdachte).

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van medeplegen. Verdachte en medeverdachte vervulden ieder een eigen, elkaar over en weer completerende rol bij het tot stand brengen en houden van de uitbuitingssituatie van [persoon 1]. Verdachte had een substantiële en wezenlijke rol. Hij trad op als controleur en chauffeur van aangeefster. Medeverdachte was degene die alles aanstuurde, geweld op de vrouwen toepaste en het geld uiteindelijk beheerde. Verdachte kan medeverantwoordelijk worden gehouden voor het gebruikte geweld door medeverdachte. Hij was van het geweld op de hoogte en heeft daartegen niets gedaan.. Daarbij is van belang dat in zijn algemeenheid geldt dat inherent aan het delict mensenhandel is de (opzettelijke) schending van de lichamelijke en/of geestelijke integriteit van een ander.

5.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat er met betrekking tot de uitbuiting van [persoon 1] sprake was van een glijdende schaal, waarbij het verdachte langzamerhand duidelijk werd dat medeverdachte zich niet aan de financiële afspraken hield. Dat er op een bepaald moment een situatie is ontstaan die afweek van die waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren wil nog niet zeggen dat alles wat aangeefster heeft verklaard juist is en in voldoende mate wordt ondersteund door onafhankelijk steunbewijs. Daarnaast heeft verdachte voor zover hij al handelingen heeft gepleegd geen gebruik gemaakt van dwangmiddelen als genoemd in artikel 273f eerste lid sub 1 Sr. Voorts ontbreekt het wettelijk vereiste oogmerk van uitbuiting.

De verdediging stelt zich daarnaast op het standpunt dat geen sprake is van medeplegen. Verdachte is juist op een bepaald moment in opstand gekomen tegen medeverdachte vanwege de uiterst beroerde behandeling van [persoon 1]. Nu in deze zaak juist de financiële verhouding tussen [persoon 1] en medeverdachte centraal staat en verdachte daar geheel buiten stond is er pertinent geen sprake van een bewuste en nauwe samenwerking. Verdachte heeft onvoldoende geparticipeerd in de werkzaamheden van medeverdachte om te kunnen spreken van medeplegen. Daarnaast waren de mogelijkheden om zich aan de situatie te onttrekken zeer beperkt.

De raadsman voert vervolgens aan dat de aangifte van [persoon 1] zich primair richt tegen medeverdachte en dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte gebruik heeft gemaakt van [persoon 1] die op een bepaald moment in een uitbuitingsituatie ten opzichte van medeverdachte terecht was gekomen. Verdachte is weliswaar mede betaald uit de inkomsten die medeverdachte had uit de prostitutie, maar dat wil nog niet zeggen dat zijn werkzaamheden alleen daarop betrekking hadden. Verdachte maakte immers ook schoon en kookte, welk werk hij al deed voordat [persoon 1] arriveerde in Nederland. Er was geen sprake van een bepaalde verdeelsleutel of een inkomen dat direct gerelateerd was aan de inkomsten uit prostitutie. Bovendien geldt voor artikel 273f lid 1 sub 4 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.) dat sprake moet zijn van dwangmiddelen die zijn uitgeoefend door verdachte. Dit wordt niet ondersteund door het dossier.

Verdachte heeft gefungeerd als figurant en niet als participant en verdachte dient daarom vrijgesproken te worden van het eerste feit.

5.4

Het oordeel van de rechtbank

5.4.1

Betrouwbaarheid van de verklaring van [persoon 1]

De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid zorgvuldig moet worden omgegaan met verklaringen van getuigen in strafzaken. Met name in mensenhandelzaken is behoedzaamheid op zijn plaats. De betrouwbaarheid van belastende verklaringen van vermeende slachtoffers in mensenhandelzaken kan onder druk staan vanwege wraakgevoelens, het belang dat het slachtoffer heeft bij het verkrijgen van een vergunning in het kader van de verblijfsregeling mensenhandel (hoofdstuk B8, paragraaf 3 van de vreemdelingencirculaire) of het vooruitzicht op voorzieningen als onderdak en begeleiding. Ook de betrouwbaarheid van ontlastende verklaringen van vermeende slachtoffers kan negatief beïnvloed worden door gevoelens van angst of loyaliteit of vanwege het hanteren van andere normen en waarden dan die welke ten grondslag liggen aan de strafwetgeving ten aanzien van mensenhandel.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van aangeefster [persoon 1] als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. De verklaringen zijn in de kern consistent en gedetailleerd en worden op belangrijke onderdelen ondersteund door de andere bewijsmiddelen in het dossier.

5.4.2

Medeplegen

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet als medepleger kan worden aangemerkt.De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat medeverdachte de bepalende rol had. Verdachte moest precies doen wat de medeverdachte wilde en was volledig ondergeschikt aan hem. Zo verklaart [persoon 2] dat [medeverdachte] altijd de baas was en [persoon 1] dat [medeverdachte] optrad als de baas, als de meester, als degene die het altijd bij het rechte eind had en die geen tegenspraak duldde. Hij regelde alles, ontving het geld en bedreigde [persoon 1] en gooide spullen naar haar.

Verdachte voerde in opdracht van medeverdachte allerlei hand-en-spandiensten uit. Hij haalde [persoon 1] op van Schiphol, bracht en haalde haar van en naar het werk in Alkmaar en informeerde naar haar verdiensten gedurende haar werktijd. Er was een duidelijke hiërarchie tussen de verdachten, waarbij medeverdachte verdachte maandelijks een relatief beperkt loon betaalde. Gelet op de aard van de werkzaamheden van verdachte zijn ondergeschikte en afhankelijke positie en het verschil in zeggenschap en profijt tussen verdachte en medeverdachte, is de rechtbank van oordeel dat verdachte geen medepleger is.

5.4.3

Artikel 273f, eerste lid sub 4

Artikel 273f, eerste lid Sr. bepaalt onder sub 4 dat strafbaar is hij die een ander met een dwangmiddel dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten dan wel onder de onder sub 1 genoemde omstandigheden enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid of diensten.

De rechtbank verwijst naar een uitspraak van haar rechtbank op 31 januari 20141 waarin zij overweegt dat sub 4 van dit artikel in twee delen uiteen valt. Het eerste gedeelte ziet op de dader die met dwangmiddelen het slachtoffer brengt tot het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van arbeid of diensten. Het tweede gedeelte van sub 4 ziet, zo legt de rechtbank deze bepaling uit, op degene die in een door een ander of anderen gecreëerde uitbuitingssituatie enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid of diensten. Daarnaast merkt de rechtbank op dat bij sub 4 niet is vereist dat sprake is van een oogmerk tot uitbuiting.

De rechtbank merkt medeverdachte aan als degene die [persoon 1] ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden, met andere woorden als de ‘uitbuiter’, zoals bedoeld in het eerste deel van sub 4.

Verdachte heeft weliswaar niet de daadwerkelijke dwang uitgeoefend op [persoon 1], dit werd immers gedaan door medeverdachte, maar hij had wel een zodanig constructieve rol dat de uitbuitingssituatie in stand bleef. De omstandigheden waaronder [persoon 1] moest werken, namelijk zeven dagen per week, het draaien van dubbele diensten en het werken als zij ziek was, waren zo slecht dat verdachte moet hebben begrepen dat zij dit niet vrijwillig deed. Daarnaast heeft verdachte zelf verklaard dat hij heeft gezien dat medeverdachte spullen naar [persoon 1] gooide en dat zij haar verdiensten moest afstaan. De gedragingen van verdachte kunnen naar het oordeel van de rechtbank ondergebracht worden onder het tweede deel van sub 4. Van de overige ten laste gelegde onderdelen van artikel 273f dient verdachte te worden vrijgesproken.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage I vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 31 december 2010 te Amsterdam en/of Alkmaar, een persoon, te weten [persoon 1]

onder de omstandigheden te weten: dwang en geweld en andere feitelijkheden en misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of misbruik van een kwetsbare positie

enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, wist dat die [persoon 1] zich daardoor beschikbaar stelde tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten: prostitutiewerkzaamheden

immers heeft hij, verdachte

• die [persoon 1] bij aankomst in Nederland opgehaald van vliegveld Schiphol en naar Amsterdam gebracht en

• die [persoon 1] assistentie verleend bij de huur van een kamer en

• die [persoon 1] meerdere malen naar Alkmaar gebracht zodat [persoon 1] in Alkmaar kon werken en

• die [persoon 1] tijdens haar prostitutiewerkzaamheden gecontroleerd onder meer door die [persoon 1] weg te brengen en op te halen en door tegen die [persoon 1] te zeggen dat ze moet handelen volgens de instructies en door in de straat waar [persoon 1] werkte te lopen en door via de telefoon te informeren naar het aantal klanten;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft subsidiair aangevoerd dat sprake is van psychische overmacht. Verdachte werd bedreigd en geslagen door medeverdachte [medeverdachte]. Hij is zelfs met een mes gestoken. De angst voor medeverdachte had daarnaast niet alleen betrekking op hemzelf maar vooral op zijn familie. Medeverdachte dreigde zijn familie iets aan te doen als verdachte – naar eigen zeggen – ‘zijn mond open zou doen’.

De rechtbank verwerpt het verweer en oordeelt als volgt.

Om een beroep op psychische overmacht te kunnen doen slagen moet er sprake zijn van een van buiten de verdachte komende drang, van zodanige aard, dat de wilsvrijheid van de verdachte daardoor is aangetast en dat de verdachte die drang redelijkerwijs niet kon weerstaan en van hem ook niet gevergd kon worden dat hij deze behoefde te weerstaan.

Verdachte had de beschikking over een vervoermiddel, sprak goed Engels en had eerder in een ander land dan Bulgarije gewoond. Daarnaast heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij in een te laat stadium afstand van de situatie heeft genomen. Hieruit kan worden afgeleid dat verdachte het niet onmogelijk achtte zich aan de situatie te onttrekken. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte onder zodanige druk stond dat hij niet anders kon handelen. Dat anders handelen van hem niet kon worden gevergd, acht de rechtbank dan ook niet aannemelijk geworden.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf en maatregel

9.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem onder 1 bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren met aftrek van voorarrest.

9.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

Subsidiair heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de coöperatieve houding van verdachte en de ouderdom van de zaak.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel. Hij heeft misbruik gemaakt van een kwetsbare vrouw en hiervan geprofiteerd. Verdachte heeft weliswaar [persoon 1] niet zelf uitgebuit, maar hij heeft hand-en-spandiensten vervuld in opdracht van medeverdachte, waardoor medeverachte [persoon 1] kon uitbuiten. Verdachte zag dagelijks wat er met [persoon 1] gebeurde en hoeveel zij eronder leed. Hij zag dat ze dubbele diensten moest draaien, zeven dagen per week en zelfs moest werken kort nadat zij een abortus had ondergaan. Weliswaar heeft hij zich opgeworpen als haar vriend bij wie zij kon uithuilen, maar ondertussen ondernam hij niets tegen de situatie waarin zij verkeerde. Sterker nog hij werd betaald om haar te vervoeren en te controleren zodat die situatie in stand bleef. Door zo te handelen heeft verdachte de persoonlijke vrijheid van [persoon 1] geschonden en heeft hij inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en geestelijke integriteit. Dat uitbuiting grote psychische gevolgen heeft blijkt ook uit de slachtofferverklaring van [persoon 1]. Zij zegt dat zij het gevoel heeft dat ze niet bestaat en het moeilijk vindt om iets van haar leven te maken, omdat zij alleen maar leegte en pijn in zich voelt.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte zelf geen geweld heeft gebruikt en geen rol heeft gehad bij de gedwongen abortus. Daarnaast heeft verdachte zijn verantwoordelijkheid genomen door een verklaring af te leggen en spijt betuigd ter terechtzitting. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de omstandigheid dat verdachte blijkens het hem betreffende justitiële documentatie in Nederland niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

Nu de rechtbank tot een andere, minder omvattende bewezenverklaring komt dan de officier van justitie aan haar eis ten grondslag heeft gelegd, zal de rechtbank afwijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. Gezien de ernst van het feit acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geboden. De hiervoor geschetste bijzondere omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, zal aan verdachte worden opgelegd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden.

Ten aanzien van de benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat slechts de behandeling van een deel van de vordering van [persoon 1] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank waardeert dit deel op het gedurende de bewezen verklaarde periode door verdachte ontvangen loon, te weten € 15.000,00 (vijftienduizend euro), bestaande uit materiële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] zullen voor het toe te wijzen bedrag hoofdelijk aansprakelijk zijn.

Het restant van de vordering, inclusief het daarin opgenomen deel voor immateriele schade, levert wel een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal in het belang van [persoon 1], als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opleggen, omdat verdachte jegens [persoon 1] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die het onder 1 bewezen geachte feit heeft toegebracht. De rechtbank waardeert deze op € 15.000,00 (vijftienduizend euro).

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

Mensenhandel.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van [persoon 1], domicilie kiezende ten kantore van haar raadsvrouw, mr. A. Koopsen, op het adres [adres 1] [te plaats], toe tot € 15.000,00 (vijftienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 1], € 15.000,00 (vijftienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 110 (honderdtien) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.E. Leijten, voorzitter,

mrs. A.J. Dondorp en S.J. Riem, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. Beerts, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 februari 2014.

Bijlage I

TENLASTELEGGING

Aan verdachte is – na wijziging ter zitting op 6 februari 2014 - ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2009 tot en met 31 december 2010 te Amsterdam en/of Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een persoon, te weten [persoon 1]

door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of dreiging met één of meer andere feitelijkheden en/of door afpersing en/of door fraude en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie

heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [persoon 1] en/of [persoon 2]

en/of

voornoemde [persoon 1] heeft aangeworven en/of medegenomen met het oogmerk die [persoon 1] in een ander land, te weten in Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling

en/of

voornoemde [persoon 1] (telkens) met één van de voornoemde middelen heeft gedwongen

en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te

weten: prostitutiewerkzaamheden)

en/of

met één of meer van de voornoemde middelen en/of omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [persoon 1] zich daardoor beschikbaar stelde tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden)

en/of

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [persoon 1]

en/of

die [persoon 1] met één of meer van de voornoemde middelen en/of omstandigheden heeft

gedwongen en/of bewogen hem, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s) te

bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [persoon 1] met of voor

een derde,

immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

• die [persoon 1] naar Nederland laten komen en/of

• de reis van Bulgarije naar Nederland voor de [persoon 1] geregeld en/of betaald en/of

• die [persoon 1] bij aankomst in Nederland opgehaald/ op laten halen van vliegveld Schiphol en naar Amsterdam gebracht) laten brengen en/of

• die [persoon 1] gehuisvest (in [plaats 1]) en/of

• die [persoon 1] (meermalen) onder druk gezet en/of er (zodoende) toe aangezet en/of gebracht om in de prostitutie te werken en/of te blijven werken en/of

• voor die [persoon 1] bemiddeld en/of assistentie verleend (bijvoorbeeld door betalingen) bij de huur van een raam en/of kamer en/of

• voor [persoon 1] papieren/formulieren geregeld/ laten regelen (welke formulieren/papieren nodig zijn om als prostitué te kunnen werken) en/of

• die [persoon 1] meerdere malen naar Alkmaar gebracht) laten brengen (zodat [persoon 1] in Alkmaar kon werken) en/of

• (terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) dat die [persoon 1] in Nederland nergens naartoe kon en/of in Nederland geen vrienden had en/of de taal niet sprak) die [persoon 1] ertoe aangezet (een gedeelte van) haar verdiensten uit de (prostitutie-)werkzaamheden aan verdachte en/of zijn mededader(s) af te laten staan en/of

• die [persoon 1] (gedurende vele uren per dag en/of zeven dagen per week) in de prostitutie laten werken en/of

• er zorg voor gedragen dat die [persoon 1] niet vrijelijk kon beschikken over een eigen inkomen en/of

• de werktijden voor die [persoon 1] bepaald en/of

• die [persoon 1] (telkens) tijdens haar prostitutiewerkzaamheden gecontroleerd en/of laten controleren (onder meer door die [persoon 1] weg te (laten) brengen en/of op te (laten) halen en/of door tegen die [persoon 1] te zeggen dat ze moet handelen volgens de instructies en/of door in de straat waar [persoon 1] werkte te lopen en/of door via de telefoon te informeren naar het aantal klanten) en/of

• die [persoon 1] mishandeld door een asbak en/of een afstandsbediening en/of een stuk fruit, althans een of meer hard(e) voorwerp(en) naar haar lichaam te gooien en/of

• een of meermalen het haar van de [persoon 1] afgeknipt en/of het haar geverfd (waardoor die [persoon 1] zich vernederd voelde) en/of

• die [persoon 1] gedwongen en/of aangemoedigd te (blijven) werken ondanks vermoeidheid en/of fysieke problemen en/of ziekte (waaronder vlak na een abortus en/of terwijl zij (390 graden) koorts had) en/of

• voor die [persoon 1] een borstvergroting geregeld en/of betaald en/of

• die [persoon 1] gedwongen tot seksuele handelingen met hem en/of een van zijn mededader(s);

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 september 2009 tot en met 31 december 2010 te Amsterdam en/of Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt,

immers heeft hij, verdachte, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in genoemde periode bij wijze van gewoonte, een of meer (contante) geldbedrag(en) en/of voorwerpen, te weten:

• -(telkens) (een groot deel van) de verdiensten uit de door [persoon 1], verrichte prostitutiewerkzaamheden en/of

• één of meer andere geldbedragen en/of voorwerpen

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen terwijl hij (telkens) wist dat die/dat voorwerp(en) en of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit misdrijf/misdrijven;

Bijlage II

DE BEWIJSMIDDELEN

1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2011109561-1 van 24 april 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 3] en [persoon 4], doorgenummerde pag. F01, 1-7.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 1], zakelijk weergegeven:

Ik heb bij mijn oom en tante gewoond. Toen ik zeven werd ben ik bij mijn moeder gaan wonen. Tot mijn zevende hebben mijn oom, tante en oma mij groot gebracht. Dit was omdat mijn moeder een druk leven had. Ze had het druk met haar werk. Zij is ingenieur. Mijn vader is leraar. Toen ik twee jaar oud was heeft mijn vader ons verlaten voor een andere vrouw. Ik had het niet makkelijk bij mijn moeder. Ze was druk met haar werk. Ze begreep mij niet. Toen ik op school zat, kreeg ik een vriend. Hij was wat ouder. In mijn laatste schooljaar ben ik bij mijn moeder weggegaan. Ik ben bij een vriendin gaan wonen. Dit was tijdelijk tot ik genoeg geld had om mezelf te onderhouden. Gelukkig had ik mijn vriend. Hij hielp mij financieel. Later woonde ik bij een vriend van mijn vriend. Ik durfde mijn vriend niet te vertellen dat ik het financieel te moeilijk had. De vriend van mijn vriend kon ik het wel vertellen. Hij zei dat hij mij wilde helpen. Hij heeft mij voorgesteld aan een jongen en een meisje. Hij zei dat we samen naar België konden gaan. Hij zei: “Je krijgt werk als fotomodel en kan veel geld verdienen.” Mijn geliefde heet [persoon 5] en zijn vriend heet [persoon 6]. Ik was in 2009 klaar met het gymnasium. Ik ben met de jongen en het meisje naar Antwerpen gegaan. We zijn naar een klein gebouw gegaan met vier ramen naast elkaar. Daar moesten wij ons badpak aan doen. Toen wist ik dat het om seks ging. Ik zei dat ik het niet ging doen. Er waren klanten die ze naar mij stuurde. Ik kon ze een massage geven. Ik moest het een week volhouden. Ik zei dat ik terug wilde naar Bulgarije. Het was geen probleem. Ik moest al het geld aan [persoon 9] geven en hij zou het voor ons bewaren. We zouden allemaal een appartement krijgen. Op het vliegveld kwam [persoon 6] mij ophalen. Ik hoorde van hem dat [persoon 5] een nieuwe vriendin had. [persoon 6] bracht me naar zijn woning. In de woning was [persoon 7]. Ik kende hem van gezicht.

2. Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2011109561-7 van 10 mei 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 8] en [persoon 3], doorgenummerde pag. F01, 18-23.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 1], zakelijk weergegeven:

Ik doe aangifte ter zake mensenhandel en uitbuiting tegen [medeverdachte]. Ik ben in contact gebracht met ene [persoon 7]. Aangezien wij close vrienden waren heb ik zowel [persoon 6] als [persoon 7] mijn persoonlijke problemen verteld. Ze wisten heel goed wat er met mij gebeurd was. Ze wisten dat ik pijn had, omdat ik afstand van mijn vriend had genomen. Ze wisten dat ik geen vriendinnen had. [persoon 6] en [persoon 7] zeiden dat het beter was om Bulgarije te verlaten. [persoon 6] vertelde dat er over mij gesproken werd in Bulgarije dat ik prostituee ben geweest en dat mijn vriend daarom van mij was weggegaan. Mijn moeder zou om die reden ook geen contact met mij willen. Ik had alleen [persoon 6] en [persoon 7]. Ik heb toen besloten dat ze gelijk hadden en besloot naar ze te luisteren. Dit alles speelde zich af in 2009 toen ik was teruggekomen vanuit België. [persoon 7] en [persoon 6] spraken er voortdurend over dat ik ergens heen moest gaan waar ik mijn Engels kon verbeteren. Ze spraken dan vaak over Nederland. Ze lieten mij een TV presentatrice zien, die in Nederland ook haar opleiding had afgemaakt. [persoon 6] vertelde dat hij voor mij geld had gespaard en voor mij een ticket zou betalen. Ik kreeg ook een telefoon van hem. Op een avond zei [persoon 7] tegen mij dat hij een vriendin had in Nederland. [persoon 7] zei dat ik bij haar kon verblijven. Ik kon via de computer met haar spreken. Ik heb toen met [persoon 2] gesproken. [persoon 2] vertelde dat zij in Nederland was om haar eigen dingen te doen, maar dat ik welkom was om bij haar te verblijven. Ik dacht dus dat zij normaal werk deed. [persoon 2] zei tegen mij dat ik bij haar kosteloos kon verblijven als ik haar hielp haar Engels te verbeteren.

Ik vertrok vanuit Sofia rechtstreeks naar Amsterdam. [persoon 6] vertelde dat als ik in Nederland aankwam ik opgehaald zou worden door een Bulgaar. Ik kreeg een telefoonnummer van hem. Toen ik uit het vliegtuig stapte in Nederland ben ik naar buiten gelopen om te kijken wie mij zou opwachten. Daar zag ik [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]). We zijn naar een woning op het [plein A] gegaan.

In de woning zag ik [medeverdachte] en [persoon 2]. [verdachte] heeft [persoon 2] weggebracht om te werken en ik bleef alleen in de woning met [medeverdachte]. [medeverdachte] vertelde dat hij wist dat ik was gekomen om geld te verdienen en dat ik gestuurd was door [persoon 7]. Ik hoorde dat [medeverdachte] zei dat als ik niet zou blijven hij alles over mij weet. Ik hoorde dat [medeverdachte] toen zei dat ik een jaar bij hun in Nederland zou blijven en dat ik geen cocaïne meer mocht snuiven of alcohol drinken. Ik mocht wel sigaretten roken zoveel als ik wilde. Verder moest ik doen wat [medeverdachte] tegen mij zei, dat was voor mij beter en voor de mensen waar ik om geef. Het leek of ik gekocht en verkocht was. Ik hoorde dat hij zei dat het beter was met niemand hierover te praten. Ik zou van hem een gsm krijgen zodat ik met mijn moeder kon bellen. Het zou slecht voor mij zijn als ik deze gsm zou gebruiken om iemand anders te bellen. Als hij erachter zou komen dat ik dit wel deed dan zou mijn moeder bezoek krijgen en al mijn vrienden zouden te horen krijgen wat ik had gedaan.

V: Waarom ben je de woning niet uitgelopen?

A: Waar moest ik heen. Ik heb geen contact in Nederland. [medeverdachte] zei mij dat als ik dit zou doen ik veel spijt zou krijgen.

3. Een proces-verbaal van verhoor aangever met nummer 2011109561 van 23 mei 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 3] en [persoon 8], doorgenummerde pag. F01, 26-32.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 1], zakelijk weergegeven:

[verdachte] heeft mij Redlight District laten zien. We hebben erover gesproken hoe mooi de meisjes waren en dat de meisjes die achter het raam werkten het gemaakt hadden. Het werd mij duidelijk dat zij mij op een bepaalde manier wilden inweven in hun systeem. [verdachte] sprak heel vriendelijk. Hij herhaalde steeds dat hij een vriend van mij was en ik altijd bij hem terecht kan. Ik denk dat ik daar twee of drie keer heb gelopen. Iedere dag een beetje. [verdachte] zei tegen mij dat als ik geld zou verdienen ik kon gaan studeren. Dat heeft denk ik een week geduurd. Op een dag zijn wij gaan zitten om te praten. Ik, [persoon 2], [verdachte] en [medeverdachte]. Zij vertelden mij dat ik niet langer kon doorgaan met niets doen. In die paar dagen dat ik in de woning verbleef werd er eten voor mij gemaakt etc. Zij vertelden dat zij mijn nieuwe familie waren. [medeverdachte] begon als eerste. Hij vroeg aan [persoon 2] mij uit te leggen wat ik moest doen. Op een ochtend vertelde zij dat ik voor het werken achter een raam specifieke papieren nodig had. We zijn toen met de grijze auto naar Alkmaar gegaan. [verdachte] bestuurde altijd de auto. Hij is met [persoon 2] op de parkeerplaats gestopt en ik ben samen met [persoon 2] naar het kantoor gegaan voor de prostitutiekamers. [persoon 2] heeft mij uitgelegd wat ik moest zeggen. Ik weet wel nog dat zij mij precies vertelde welke zin ik moest zeggen. Het ging over het huren van een kamer. Ik moest deze zin steeds herhalen in het Engels. Ik heb daar vanaf eind 2009 tot begin 2010 gewerkt.

Ik werkte in de periode in Alkmaar ’s morgens en ’s avonds van 08.00 uur tot 03.00 uur in de nacht. Zeven dagen per week. Er zijn nog langere dagen geweest. Vanaf het [plein A] werd ik door [verdachte] naar Alkmaar gebracht.

Ik had twee telefoons, een voor [verdachte] en een voor [persoon 2]. Met [persoon 2] sprak ik over de telefoon. Zij vroeg altijd naar het geld. Met [verdachte] sprak ik altijd in codetaal bijvoorbeeld “Hoeveel vingers doen er zeer”. Daar bedoelde hij mee hoeveel ik verdiend had. [persoon 2] vertelde mij via de telefoon dat ik alles kon doen voor 30 euro met condoom. [persoon 2] vertelde dat ik tegen een klant moest zeggen dat ik massages gaf, pijpte en neukte en dat ik gelikt kon worden voor dit geld. [persoon 2] zei dat als ik zoveel dingen zou doen voor 30 euro ik ook meer klanten zou krijgen. [persoon 2] vertelde mij dat ik ook anale seks moest doen, daar moest ik wel meer geld voor vragen. Op die manier zou ik ook meer tijd met een klant doorbrengen dat het geld ook weer verdubbelde. Als er een klant binnen kwam voor een uur, moest ik een sms zonder tekst versturen naar [verdachte] en soms belde ik hem. [medeverdachte] maakte hier een opmerking over dat wij onze gesprekken kort moesten houden, omdat wij anders getraceerd konden worden. [medeverdachte] zorgde er voor dat elke maand de telefoons en simkaarten werden vernieuwd.

[persoon 2] vertelde dat ik minimaal 800 euro per dag moest verdienen voor [medeverdachte]. Ik kreeg 10 euro per dag. Het verdiende geld gaf ik iedere avond aan [medeverdachte] of [persoon 2]. Er waren twee schriften een voor [persoon 2] en een voor mij. Bijna iedere keer werd daar ingeschreven hoeveel wij hadden verdiend en hoeveel wij hadden uitgegeven. Soms schreef [persoon 2] dit op, [medeverdachte] vertrouwde haar wel. Ik verdiende 600 euro per dag, vrijdag en zaterdag verdiende ik 800 of 900 per dag. Ik kwam soms terug met 250 euro. [medeverdachte] kwam dan bij mij om serieus te praten en vroeg mij hoe ik dit ging oplossen. Hij vroeg wat mijn probleem was. Hij sprak met mij of hij mij op straat had gevonden. Soms schreeuwde hij heel veel. [medeverdachte] gooide asbakken of een glas drinken naar mij of [persoon 2].

V: Werd je ook daadwerkelijk in de gaten gehouden?

A: Soms kwam [verdachte] en liep hij langs. Een van de meisjes die naast mij werkte had [verdachte] gezien en dacht dat hij mijn vriend was. Zij vertelde mij dat mijn “vriendje” regelmatig langskwam. Ook na problemen met een klant hoorde ik dat een politieman zei dat ik problemen kon krijgen met de kamerverhuurder als mijn “vriendje” langs bleef lopen.

Ik gaf het door mij verdiende geld aan hen omdat ik bang was om te vragen waarom ik mijn geld af moest geven. In eerste instantie gaf ik het geld aan [verdachte] en hij telde het. Daarna gaf hij het aan [medeverdachte]. Ik wist dat hij de pooier was en ik de prostituee. [medeverdachte] gaf mij voorbeelden wat hij zou doen als ik niet deed wat ik moest doen, namelijk geld verdienen. Dan zou ik in het kanaal terechtkomen.

Ik denk dat ik in februari (de rechtbank begrijpt: in 2010) in Amsterdam ben begonnen. Hier was meer te verdienen. De prijs was 50 euro in plaats van 30 euro. Ik heb mij laten inschrijven, omdat ik op die manier door de politie gecontroleerd kon worden. Ik zal u laten zien waar dit was. Ik heb alle papieren nog (noot verbalisant: de aangeefster overhandigt ons een GBA-inschrijving op het adres [adres 2] te [plaats 2]).

V: Ik zie dat je ingeschreven staat vanaf 24 december 2009, klopt dit?

A: Dit klopt en ik ben ook vanaf die periode in Amsterdam gaan werken.

V: wat veranderde in Amsterdam?

A: Ik moest 1000 euro per dag verdienen, op vrijdag zaterdag en zondag 2000 per dag en op feestdagen tussen de 3000 en 4000 per dag. [persoon 2] heeft mij naar de kamerverhuurders gebracht. Ik begon te werken van 12.00 uur tot 04.00 uur. In het weekend moest ik eerder beginnen tot sluiting. Dit was zeven dagen per week.

Ik ben uiteindelijk zwanger van [verdachte] geraakt. Toen ik het echter tegen [medeverdachte] zei, hoorde ik hem zeggen dat als ik de baby niet kwijt zou raken, hij ons beiden, dus [verdachte] en mijzelf, zou liquideren. Twee dagen na de abortus moest ik weer gaan werken.

Als wij aan het werk waren dan moesten wij binnen vijf minuten gegeten hebben. Dit bepaalde [medeverdachte] kennelijk met de bedoeling dat wij zo min mogelijk contact hadden met anderen en dat wij zo min mogelijk klanten zouden missen. [persoon 2] zei dat ik voor 50 euro alles moest doen.

[persoon 2] en ik werden als concurrenten gezien, maar al het geld dat wij samen verdienden ging naar [medeverdachte]. [verdachte] kreeg 1000 a 2000 euro van dit bedrag per maand.

4. Een proces-verbaal van verhoor van getuige d.d. 26 september 2013 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de getuige [persoon 1], zakelijk weergegeven:

Ik heb in Bulgarije het gymnasium gevolgd. Met mijn diploma kan ik studeren aan een universiteit. Vrienden van mij adviseerden mij om in het buitenland te gaan studeren. Ik heb van kennissen begrepen dat Nederlandse universiteiten ook goed bekend stonden. Ik had twee goede vrienden in Bulgarije, namelijk [persoon 7] en [persoon 6]. Zij zeiden dat ze een kennis hadden in Nederland die mij aan werk kon helpen, zodat ik vanuit een stabielere situatie kon gaan studeren. Het klonk goed en makkelijk. Ik zag dat als een kans voor mij om mij verder te ontwikkelen. Ik had in die periode ook heel veel problemen met mijn moeder. Daarom heb ik korte tijd bij [persoon 6] gewoond. Ze zeiden dus dat ze mensen kenden in Nederland die het goed hadden. Daarna heb ik kennis gemaakt via ik meen Skype met [persoon 2]. Het leek mij een goed idee om naar Nederland te gaan. Wat indruk op mij maakte, is dat mij werd gezegd dat ik in vrij korte tijd een nieuwe vreemde taal kon leren, dat ik veel toegang zou hebben tot Engelse films en dus mijn Engels kon verbeteren en dat ik een nieuwe cultuur zou leren kennen. Op een ochtend zei [persoon 6] dat hij een vliegticket had gekocht en dat alles was geregeld. [persoon 6] bracht mij op een vroege ochtend naar het vliegveld in Sofia. Hij zei dat die persoon in Nederland een goed iemand was. Ik had ook veel gesprekken via de telefoon met [persoon 7] en die zei hetzelfde. Ik kreeg van [persoon 6] een telefoontoestel met daarin een Italiaanse simkaart. Ik moest daarmee bellen zodat ik in Amsterdam van het vliegveld kon worden opgehaald. Zij zeiden dat dat waarschijnlijk een vriend van [persoon 2] zou zijn.

Ik heb van [persoon 2] begrepen dat [persoon 7] maandelijks een bedrag kreeg, omdat hij mij in contact heeft gebracht met deze mensen. Het klopt dat ik eerder ook in België via of [persoon 6] of [persoon 7] ben beland. Ik zou daar als model voor een modeblad kunnen werken. Ik had geld nodig. Ik wilde niet altijd bij [persoon 6] blijven wonen. Het geld had ik nodig om een studie te kunnen volgen. Toen wij in België aankwamen, waren daar een man en een vrouw. Die vrouw bracht ons vervolgens naar een straat waar meisjes te koop stonden. Stelt u zich voor dat u naar een vreemd land gaat met een bepaald doel en dan blijkt iets heel anders. Je kent niemand. Je bent bang om te weigeren. Je bent bang dat er iets gaat gebeuren en dan ga je het doen. Ik heb in België nooit als prostituee gewerkt. Ik ging wel achter het raam staan, maar nog voordat iemand binnen kwam, zei ik dat ik alleen maar zou masseren. Wat ik verdiende gaf ik aan die man. Ik zei dat ik terug wilde naar Bulgarije en dat heb ik toen ook zonder problemen kunnen doen. Vanuit België ben ik weer teruggegaan naar Bulgarije. Daar ben ik bij [persoon 6] gaan wonen. Ik heb met hem gesproken over wat er in België was gebeurd. U vraagt mij hoe het dan kan dat ik via dezelfde mannen in Nederland ben beland. Ik wilde heel graag in het buitenland studeren en het klonk allemaal heel aannemelijk. Bovendien had ik contact gehad met [persoon 2], die kwam betrouwbaar over en ik dacht dat ik deze keer geen problemen zou hebben. Het verschil was dat ik naar een meisje van mijn eigen leeftijd zou gaan en niet naar een man. Dat was voor mij een veilige gedachte. Als je 19 bent, is je blikveld niet groot. Je hebt weinig ervaring en je vertrouwt op mensen die je accepteert zoals ze op dat moment zijn. Ik was naïef. Ik wilde iets bereiken.

In Amsterdam op het vliegveld werd ik opgehaald door [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]). [verdachte] en ik zijn vervolgens naar het appartement van [persoon 2] op het [plein A] gereden. De eerste avond in de woning van [persoon 2] waren [medeverdachte], [verdachte], [persoon 2] en ik. Toen ik via Skype in Bulgarije met [persoon 2] sprak, had ik de indruk dat zij alleen woonde, maar dat was dus niet zo. Ik vertelde over mijn studieplannen aan [medeverdachte] en hij lachte mij uit. Ik voelde mij op dat moment erg vernederd.

[verdachte] wordt ook wel [naam A] (opmerking rechter-commissaris: [naam A]) genoemd. U, rechter-commissaris, houdt mij voor dat u meent gelezen te hebben dat ik hem op enig moment ben gaan waarderen, omdat hij mij in bescherming nam. Dat was ook eigenlijk zijn taak. In de loop der tijd ben ik erachter gekomen dat iedere prostituee iemand als [naam A] nodig heeft om te overleven. We sliepen in dezelfde kamer en soms had hij zin, en dan hadden we ook seks. Ik vond het nooit fijn om bij hem te zijn. Het klopt dat ik zwanger van hem ben geweest. Ik wilde het kind houden. [verdachte] was tegen abortus. [medeverdachte] betaalde [verdachte] een soort loon waarmee hij zijn moeder hielp en zijn woning afbetaalde. [medeverdachte] zei tegen [verdachte] dat als ik geen abortus zou hebben die financiële hulp zou eindigen. Ik had een abortus. Het was uiteindelijk [medeverdachte] die altijd de beslissing nam. [medeverdachte] was agressief naar mij en naar [verdachte]. Ook hem heeft hij bedreigd en beledigd. Als [medeverdachte] een slechte dag had, richtte deze agressie zich ook wel naar [persoon 2]. Ik weet dat ik bang voor [verdachte] was. Het is een man met twee gezichten. [verdachte] was de enige bij wie ik tenminste nog een beetje warmte vond, ook al wist ik dat het een leugen en illusie was.

Het klopt dat er tussen [verdachte] en [medeverdachte] een grote ruzie is geweest. [verdachte] werd weggejaagd door [medeverdachte]. [verdachte] werd er valselijk van beschuldigd dat hij geld had gestolen. [persoon 2] en [verdachte] hadden toegang tot het geld. [verdachte] deed het huishouden en deed de boodschappen.

Het geld dat ik verdiende ging direct, dan wel indirect naar [medeverdachte]. Als [verdachte] mij ophaalde gaf ik hem het geld en hij gaf op zijn beurt aan [medeverdachte]. Ik heb het ook wel direct aan [medeverdachte] gegeven. Als [verdachte] en [medeverdachte] er niet waren, gaf ik het geld aan [persoon 2]. Al onze verdiensten werden in een soort huishoudboekje genoteerd. Hetzelfde gebeurde met de uitgaven. De schijn moest gewekt woren dat [verdachte] en ik een relatie hadden. Ook toen we met zijn allen op één adres woonden, moest ik met [verdachte] zijn en [medeverdachte] met [persoon 2], want als de politie zou komen, dan zou het verdacht zijn als twee mannen met één prostituee zouden wonen. Om die reden vond [medeverdachte] het ook nodig dat ik ongeveer een maand met [verdachte] op een ander adres woonde.

Het klopt dat ik van [persoon 2] een zin in het Engels uit mijn hoofd moest leren. Ik moest van [medeverdachte] ook nog andere dingen uit mijn hoofd leren. Hij had een kant en klaar verhaal verzonnen. [medeverdachte] trad op als de baas, als de meester, als degene die het altijd bij het rechte eind had en die geen tegenspraak duldde. Ik had ook het gevoel dat hij mij heel goed kende. Ik kan er namelijk niet tegen als iemand tegen mij schreeuwt en hij kon vreselijk tekeer gaan, alsof ik iets verschrikkelijks had gedaan. Hij zei ook dat ik dik was en dat er iets mis met me was. Ik werkte zeven dag in de week Ik had nooit vrij. U vraagt waarom ik zeven dagen werkte. [medeverdachte] zei dat ik niet op vakantie was en dat er gewerkt moest worden. Ik had naar schatting tussen de tien en twintig klanten per dag. [medeverdachte] controleerde mij tijdens mijn werk inderdaad. Dat deed hij met name via [persoon 2]. Soms kwam ook [verdachte] in de straat en heel af en toe [medeverdachte] zelf. Ik had twee telefoontoestellen gekregen, één voor het contact met [persoon 2] en om een kamer te huren en de ander voor contact met [verdachte]. Soms belde [medeverdachte] ook op dat toestel. [medeverdachte] heeft mij verschillende keren bedreigd. Hij zei dat hij bezoek bij mijn moeder zou laten langskomen, dat hij mij zou misvormen en dat hij een mes in mijn siliconen zou steken. U vraagt mij waarom [medeverdachte] mij bedreigde. Dat was bijvoorbeeld als ik niet genoeg verdiende, of als ik iets niet goed vond. Eén keer bedreigde hij mij, omdat ik de glazen niet had gewassen. Hij schreeuwde eigenlijk ook altijd. In de periode dat ik in de prostitutie werkte voor [medeverdachte] ging ik wel eens naar Bulgarije. Ik was dan maximaal drie of vier weken in Bulgarije. Langer mocht niet. Ik had voortdurend het gevoel dat ik in de gaten werd gehouden. Ik reisde naar Bulgarije soms per vliegtuig, soms per auto en [persoon 2] en ik zijn een keer met een busje gegaan. [medeverdachte] betaalde de reis.

Mijn band met [persoon 2] was niet zo goed. Ze deed zich voor als mijn vriendin, maar als ik haar iets vertelde, vertelde zij het door. Ik weet niet meer precies wat er met [persoon 2] per telefoon werd besproken. Er werd gevraagd hoeveel vingers er bij mij zeer deden, hoe de zaken liepen en of het klusje klaar was. Dat was een soort codetaal die [medeverdachte] had verzonnen. Als je één zere vinger had, dan had je € 100,- verdiend. Als het klusje klaar was, had je het geld voor de kamer terug verdiend en de standaard vraag was hoe de zaken liepen, daarmee werd bedoeld of het druk was. [verdachte] was wel bang dat hij zijn loon zou mislopen. Ik wist dat hij loon van [medeverdachte] kreeg.

5. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 2011109561 van 16 januari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 3] en [persoon 10], doorgenummerde pag. B01, 22-34.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 2], zakelijk weergegeven:

Ik was met [medeverdachte] in Italië, dat was volgens mij in november 2009, wilde [medeverdachte] snel terug naar Amsterdam. Wij woonden op het [plein A] in Amsterdam. Een week of twee daarvoor, kwam een vriend van [medeverdachte] langs, [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]), zijn bijnaam is [naam A]. [verdachte] kwam uit Londen. Hij is een Bulgaar. Toen wij in Italië waren, sliep hij in onze flat. Toen wij terugkwamen, kwam die [verdachte] binnen met [persoon 1] (de rechtbank begrijpt: [persoon 1]).[persoon 1] is in de flat gebleven. Ze heeft daar samen met [verdachte] gewoond. Later is ze verhuisd naar ons oude adres tegenover het politiebureau. Ze werkte in Alkmaar en ik in Amsterdam. Ze ging al na twee dagen in Alkmaar werken. Maximaal vier dagen na haar aankomst is ze als prostituee gaan werken. [verdachte] ging met haar naar Alkmaar. Hij heeft geholpen met de inschrijving. Na een of twee maanden is ze in Amsterdam gaan werken. Eind januari werkte ze in Amsterdam.

Ik en [persoon 1] hadden twee telefoons. Een telefoon was speciaal voor gesprekken met [medeverdachte] en de andere voor privégebruik zoals contact met mijn moeder. Hij belde mij elke twee uur met de vragen hoeveel geld ik verdiend had en of er klanten waren. Als er twee uur geen klanten waren, vroeg hij wat de oorzaak daarvan was. Toen [persoon 1] daar ging werken, vergeleek hij ons met elkaar betreffende de verdiensten.

[medeverdachte] heeft mij bedreigd. Hij gooide ook met dingen. Wij (de rechtbank begrijpt: [persoon 1] en [persoon 2]) gaven elke avond ons geld aan [medeverdachte]. [medeverdachte] belde ons om de twee uur en was op de hoogte hoeveel geld wij hadden. [persoon 1] gaf soms ook geld aan [verdachte] . Hij gaf het daarna aan [medeverdachte]. Toen we in Bulgarije waren nam [medeverdachte] de beslissing om te vertrekken en riep ons in Sofia bij elkaar [verdachte], [persoon 1] en mij.

[persoon 1] heeft abortus laten plegen en ze vertelde dat het kind waarschijnlijk van [verdachte] was. [verdachte] was met haar meegegaan om abortus te plegen.

U vraagt hoe de verhouding tussen [verdachte] en [medeverdachte] was. [medeverdachte] was altijd de baas.

6. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 19 februari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 11] en [persoon 10], doorgenummerde pag. B02, 7-16.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [verdachte], zakelijk weergegeven:

Ik heb [persoon 1] (de rechtbank begrijpt: [persoon 1]) ongeveer drie en een half jaar geleden voor het eerst ontmoet. Ik hoorde van [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte]) dat een vriend van hem in Sofia, [persoon 7], een kennis van [persoon 1] was. [persoon 7] heeft [persoon 1] via internet met [medeverdachte] in kennis gebracht. [persoon 1] kwam op het vliegveld in Amsterdam aan en ik bracht haar met een auto naar de flat op het [plein A]. De huurder van de flat was [persoon 2]. Ik was mogelijk een of anderhalve maand eerder dan [persoon 1] in Nederland. Daarvoor heb ik in Londen en Ierland gewoond. [medeverdachte] zocht contact met mij via internet. Ik had jaren geen contact met hem gehad. Hij vertelde dat hij een flat in Amsterdam had maar vertelde niet waar hij zich mee bezig hield. Hij vroeg of ik Engels sprak. [medeverdachte] zei dat hij een ticket voor mij zou verzorgen. Hij vroeg wat voor werk ik deed. Ik zei dat ik in de bouw zat. [medeverdachte] zei dat hij iemand nodig had voor de taalbeheersing en iemand die zich kon redden. Hij bood aan om naar Amsterdam te komen en om voor hem te gaan tolken en hem te gaan helpen in de huishouding.

Toen ik hier kwam woonden [medeverdachte] en [persoon 2] samen. [persoon 1] en ik sliepen op een kamer. [medeverdachte] had van iemand gehoord hoe het regelen van papieren in zijn werk ging. [medeverdachte] vroeg mij om naar een kantoor te gaan naast het Heinekenmuseum. Omdat ik Amsterdam al een beetje kende, vroeg [medeverdachte] mij om [persoon 1] naar dit kantoor te brengen. [persoon 1] heeft daar toen de eerste afspraak gepland. In de tussentijd had zij geen documenten maar werkte in Alkmaar. [medeverdachte] zei dat ze ergens moest gaan werken en dit volgde ze op. Ze had geen keuze. Hij zei dat zij totdat de papieren voor haar klaar waren, in Alkmaar moest gaan werken. Zij kon niet zelf rijden en ik ben een paar keer met [persoon 1] in Alkmaar geweest. [persoon 1] is niet zo zelfstandig dat zij zelf een winkel binnen kon gaan dus laat staan dat zij zelf werk zou kunnen regelen. Zij werkte daar van tien uur ’s morgens tot drie uur in de nacht. In het begin was het vanaf tien uur. Zij werkte non stop, zeven dagen per week, ook als ze ziek was. Zij en [persoon 2] (de rechtbank begrijpt: [persoon 2]) hebben beide ook gewerkt als ze ziek waren. Zij moesten [medeverdachte] geld geven. Zij moesten de kamerhuur doorbetalen. Ze gaven al het geld aan [medeverdachte].

De meisjes waren bang voor [medeverdachte]. In eerste instantie deed hij zich aardig voor, maar later schold hij ze uit en gooide met afstandsbedieningen naar ze toe. Hij is hysterisch. [persoon 2] deed zich voor als bazin naar [persoon 1]. Ze onderdrukte [persoon 1]. Ze mocht geen eigen mening hebben.

Er was mij 1000 euro per maand beloofd als ik als huishoudelijke hulp en als tolk zou werken.

Hij zei dat de meisjes 1000 per dag moesten maken. [persoon 2] belde zowel met [medeverdachte] als met [persoon 1]. Later kreeg ik een telefoon van [medeverdachte] omdat hij vond dat ik overdag weinig te doen had zodat zij mij ook kon bellen. Ik moest van [medeverdachte] vragen naar klanten en het verdiende geld.

[persoon 1] is zwanger geweest. [medeverdachte] had mij gevraagd om naar haar naar het Oosterpark te brengen om abortus te plegen.

[persoon 1] is makkelijk te manipuleren. Ze had zelf geen eigen mening. [persoon 1] is ook erg gevoelig voor de mening van anderen en makkelijk te beïnvloeden. Ze is een gesloten en gedeprimeerd persoon.

Als [medeverdachte] afwezig was, hield ik de door de meisjes verdiende bedragen in een boek bij. Hij nam zelf het geld in ontvangst. Al het geld was voor hem bedoeld.

7. Een proces-verbaal met nummer 2011109561 van 20 februari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 12] en [persoon 3], doorgenummerde pag. B02, 21-29.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [verdachte], zakelijk weergegeven:

[persoon 7] is een kennis van [persoon 1] en [medeverdachte]. Later begreep ik dat [medeverdachte] aan [persoon 7] een maandbedrag van € 1500,- gaf. Het was een soort commissie. [persoon 7] bood aan om een meisje in Nederland te komen laten werken. Als tegenprestatie vroeg [persoon 7] commissie, omdat hij die [persoon 1] heeft gevonden. Dit gesprek heeft plaatsgevonden in Sofia. Ik was er niet bij, maar ik was wel nij het gesprek op internet waar ik heb gehoord wie wanneer zou aankomen en wie wanneer zijn geld zou krijgen. Zij spraken via Skype. Ik heb dus gesprekken gehoord. Toen [medeverdachte] met [persoon 7] heeft gesproken om [persoon 1] aan hem voor te stellen is [persoon 2] bij één van deze gesprekken aanwezig geweest. Mogelijk was haar functie om [persoon 1] op haar gemak te stellen. [medeverdachte] heeft dit aan haar gevraagd.

Ik heb wel eens [medeverdachte] tegen [persoon 2] horen zeggen dat als een tweede meisje komt [persoon 2] niet meer zo zwaar belast wordt omdat de kosten dan door twee gedeeld worden.

Ik heb [medeverdachte] [persoon 1] horen beledigen. Hij beledigde haar door te zeggen dat zij dom is en schold haar uit zoals ‘ik zal je moeder neuken’ en gooide een afstandsbediening en de asbak naar haar.

V: Hoelang heeft het geduurd dat [persoon 1] in Nederland kwam en zij in de prostitutie ging.

A: Dat waren twee à drie dagen….. vijf dagen. Twee dagen later vroeg [medeverdachte] mij om naar Alkmaar te gaan om een kamer te vragen. Wij gingen elke dag naar Alkmaar om een kamer te krijgen. Ik ging mee omdat [persoon 1] moeite heeft met oriëntatie. Zij weet niet wat links of rechts is. Zij redt zich niet. Ik nam niet zelf het initiatief, dat kwam van [medeverdachte]. Ik was een soort housekeeper en chauffeur.

Ik bracht haar elke dag, ’s ochtends brengen en ’s avonds halen. Later kreeg ik van [medeverdachte] een eigen GSM. [medeverdachte] liet mij haar bellen om de twee uren. De keren dat [persoon 1] psychisch in elkaar was gestort, pakte [medeverdachte] mijn telefoon om haar te motiveren om door te werken. Ook moest zij vertellen hoeveel zij verdiende. [medeverdachte] wilde dat er een codetaal gebruikt zou worden. [persoon 1] moest zeggen ‘ik heb één vinger verdiend’. Dat betekende dat zij 100,- euro had verdiend. Zij vertelde dit aan mij. Ik moest het doorgeven aan [medeverdachte]. Ik moest hem bellen. In het begin waren er twee schriftjes, maar omdat al het geld naar [medeverdachte] ging werd het één schriftje. [persoon 1] haar werkpapieren waren op een moment klaar en zij kon in Amsterdam aan de slag. [persoon 1] en [persoon 2] moesten dan ’s avonds naar [medeverdachte] komen om het verdiende geld aan hem af te dragen. Er was geen optie dat zij geen geld zouden geven. Ik kreeg als salaris € 1000,-.

V: Wat zei [medeverdachte] over de zwangerschap de zwangerschap?

A: [medeverdachte] zei dat het kind geaborteerd moest worden en [medeverdachte] stuurde mij naar een abortuskliniek aan het Oosterpark.

[persoon 1] verdiende met haar prostitutiewerkzaamheden zeker € 500,- per dag. Dit was ongeveer € 10.000,- per maand (netto).

8. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2011106561 van 10 januari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 3], doorgenummerde pag. F01, 95-97.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verbalisant [persoon 3], zakelijk weergegeven:

Ik heb een tijdlijn gemaakt waarin ik de kamerhuurgegevens van aangeefster [persoon 1] heb gezet alsmede haar reisbewegingen die verkregen zijn uit het rechtshulpverzoek aan Bulgarije.

De tijdlijn wordt als bijlage bijgevoegd.

  • -

    22 oktober 2009: uitreis uit Bulgarije

  • -

    25 oktober 2009 tot en met 28 december 2009: [persoon 1] huurt een kamer in Alkmaar

  • -

    30 december 2009: inreis in Bulgarije

  • -

    23 januari 2010: uitreis uit Bulgarije

  • -

    25 januari 2010 tot en met 27 januari 2010: [persoon 1] huurt een kamer in Alkmaar

  • -

    28 januari 2010: [persoon 1] huurt een kamer in Amsterdam (dag en avond)

  • -

    2 mei 2010: inreis in Bulgarije

  • -

    3 mei 2010 tot en met 2 juni 2010: [persoon 1] huurt een kamer in Amsterdam (avond, maar niet iedere dag)

  • -

    3 juni 2010 tot en met 14 augustus 2010: [persoon 1] huurt een kamer in Amsterdam (dag en avond)

  • -

    15 augustus 2010 tot en met 5 september 2010: [persoon 1] huurt een kamer in Amsterdam (avond, maar niet iedere dag)

  • -

    6 september 2010 tot en met 19 november 2010: [persoon 1] huurt een kamer in Amsterdam (dag en avond)

  • -

    12, 18 en 20 tot en met 26 december 2010: [persoon 1] huurt een kamer in Amsterdam (avond)

9. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2011109561 van 29 januari 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 3] en [persoon 4], doorgenummerde pag. E01, 15-18.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 13], zakelijk weergegeven:

O: Wij tonen aan de getuige een foto met fotonummer 4 waarbij het gaat om de linker persoon op de foto.

A: Ja, ze komt bij bekend voor.

V: Ze is Bulgaarse en heeft gewerkt onder de werknaam [naam B] en [naam C], maar haar echte naam is [persoon 1].

A: Het zegt me niets, maar de foto herken ik. Zij was een klein lief meisje. Zij werkte dag en nacht. Wij stonden naast elkaar in de [locatie A].

V: Je vertelde net dat je weet dat ze avonden werkte?

A: Omdat ze dan na een dagdienst aansluitend een nacht werkte dat weet ik omdat ik haar later op de dag op het kantoor tegenkwam als ik mijn sleutel weg bracht en zij ging dan de volgende sleutel ophalen. Zij werkte dan niet in dezelfde kamer.

Ik sprak Engels met haar, maar dat was in het begin heel gebrekkig. Ze vertelde dat ze zwanger was. Ze heeft abortus gehad maar was heel snel weer terug binnen een week.

10. Een proces-verbaal van verhoor aangeefster met nummer 2011106561 van 12 februari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 3] en [persoon 8], doorgenummerde pag. F01, 98-102.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 1], zakelijk weergegeven:

Toen ik in Nederland aankwam heb ik ongeveer twee à drie maanden op het [plein A] verbleven, gedurende de tijd dat ik in Alkmaar werkzaam was. Toen had [medeverdachte] het idee om samen met [verdachte] te gaan wonen. Het adres was [adres 2]. Ik woonde daar met [verdachte]. Ik ben na de [adres 2] even terug gegaan naar het [plein A]. Daarna ben ik naar [locatie B] gegaan.

V: Ik heb een tijdlijn gemaakt. Die willen we met je doornemen.

Het zou kunnen kloppen dat ik op 22 oktober 2009 uit Bulgarije ben vertrokken en naar Nederland ben gekomen. Het klopt dat ik op 25 oktober 2009 ben gaan werken in Alkmaar. Op 30 december 2009 ben ik Bulgarije ingereisd. Ik ben de gehele periode in Bulgarije gebleven. Ik moest mijn lichaam rust geven. Ik werd steeds gebeld door [persoon 2], [medeverdachte] of [verdachte]. Het klopt dat ik op 23 januari 2010 Bulgarije weer ben uitgereisd en op 25 januari 2010 weer ben gaan werken.

V: Je hebt toen drie maanden gewerkt en je bent op 2 mei 2010 Bulgarije ingereisd. Wat ging je toen doen?

A: In principe was [medeverdachte] degene die besliste wanneer wij teruggingen. Ik geloof dat ik in deze periode mijn borsten heb laten vergroten. Ik heb toen ongeveer drie weken à een maand in Bulgarije verbleven.

V: In de periode van 3 mei tot en met 2 juni heb je wel de avond kamerhuur betaald. Waarom is dit?

A: Ik had altijd hetzelfde raam voor dag- en nachtdiensten. Bij sommige kantoren moet je voorruit betalen om de kamer te kunnen behouden.

V: In augustus 2010 ben je ook een periode vrij geweest. Waarom was dit?

A: Ik denk dat wij toen met de auto weg waren.

V: Ik heb geen kamergegevens van januari tot mei 2011, heb je toen wel gewerkt?

A: Ik begrijp dit niet, want ik heb gewoon gewerkt. Ik heb zelfs op 1 januari gewerkt.

11. De verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Medeverdachte bood me werk aan voor 1000,00 euro per maand. Het geld werd naar mijn moeder gebracht. Ik heb [persoon 1] voor het eerst op Schiphol leren kennen. Ik moest haar ophalen van medeverdachte. Ik ben naar Schiphol gegaan om haar op te halen en naar het [plein A] te brengen. Ik heb [persoon 1] altijd naar Alkmaar gebracht en haar ook weer gehaald. [persoon 1] had geen vrienden, ik denk dat ze niemand anders kende. Ze sprak geen Nederlands. [persoon 2] en [persoon 1] hadden vrij als we naar Bulgarije gingen. Ik sprak [persoon 1] elke dag. Ik vroeg haar hoeveel zij verdiende. Ik moest in opdracht van medeverdachte elke twee uur bellen. Ik moest vragen hoeveel vingers er zeer deden. Eén vinger betekende dat ze 100 euro had verdiend. Het klopt dat [persoon 1] mij een lege sms moest sturen als ze een klant voor een uur had.

1 ECLI:NL:RBAMS:2014:367