Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:7547

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-10-2014
Datum publicatie
13-11-2014
Zaaknummer
HA RK 12-304
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzoek rogatoir verhoor Zwitserland en Duitsland (toewijzing) en Verendigde Arabische Emiraten (afwijzing)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: 523330 / HA RK 12-304

Beschikking van de rechter-commissaris van 16 oktober 2014

in de zaak van

der rechtspersoon naar buitenlands recht

CRM Limited,

gevestigd te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten,

verzoekster,

advocaat mr. J.R. Groen te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap

SUPREME GROUP B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

advocaat mr. M.A. Leijten te Amsterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als CRM en Supreme Nederland.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    een beschikking van deze rechtbank van 16 mei 2013, waarbij een voorlopig getuigenverhoor werd bevolen, met de daarin genoemde stukken,

  • -

    de processen-verbaal van voorlopig getuigenverhoor van 2 en 3 september 2013, 2 december 2013, 23 januari 2014 en 23 en 24 juni 2014,

de brief van 30 juni 2014 van mr. Vermeulen zijdens Supreme Nederland met een afschrift van de schriftelijke getuigenverklaring van [naam 1], zoals ingediend door Supreme Risk Management FZE in de arbitrale procedure in Dubai,

  • -

    de brief van 6 augustus 2014 zijdens CRM houdende het incidenteel verzoek tot het houden van meerdere rogatoire commissies,

  • -

    de brieven van 30 juli en 2 september 2014 zijdens CRM met het verweer tegen de verzochte rogatoire commissies.

2 Het verzoek en het verweer

2.1.

CRM heeft verzocht middels een bij rogatoire commissie drie getuigen in het buitenland te horen. Deze drie getuigen zijn volgens CRM bij brief verzocht om hun beschikbaarheid te bevestigen, maar zij hebben geen van allen daarop gereageerd. Mondeling heeft CRM aan het einde van het laatste gehouden getuigenverhoor al toegelicht er uitdrukkelijk de voorkeur aan te geven deze getuigen in het buitenland te laten horen in plaats van hen voor de Nederlandse rechter op te roepen. Het betreft de volgende getuigen.

2.1.1.

[naam 2]

Primair ziet het verzoek erop [naam 2] te laten horen door het bevoegde gerecht van zijn geregistreerde verblijfplaats te Frankfurt am Main in Duitsland.

Subsidiair ziet het verzoek erop [naam 2] te horen in Dubai, Verenigde Arabische Emiraten. Hoewel er volgens CRM geen rechtshulpverdrag met Verenigde Arabische Emiraten van kracht is, kan een dergelijk verzoek via diplomatieke wegen worden gedaan en is uit navraag gebleken dat het lokale gezag te Dubai zal overgaan tot het horen van de getuige voor een lokale autoriteit. De oproep aan de getuige zou dan moeten worden gericht aan het aan de Nederlandse kamer van koophandel opgegeven kantooradres van een Supreme-vennootschap in Dubai, te weten [adres].

2.1.2.

[naam 1]

Primair ziet het verzoek erop [naam 1] te horen in Dubai, Verenigde Arabische Emiraten. Volgens CRM heeft [naam 1] bij de Nederlandse kamer van koophandel het (kantoor)adres van een Supreme-vennootschap in Dubai opgegeven, te weten [adres]. Het in zijn vaderland Denemarken afgegeven laatste bekende adres is [adres]. Ook hier geldt volgens CRM wat ten aanzien van [naam 2] al over de mogelijkheid tot een niet-geregeld verzoek aan de autoriteiten van de Verenigde Arabische Emiraten is vermeld.

Subsidiair ziet het verzoek erop [naam 1] te horen in Denemarken. Hoewel hij daar geen vaste verblijfplaats heeft, verblijft hij wel regelmatig feitelijk in Denemarken, onder meer bij zijn ouders te [plaats], Denemarken.

Ten aanzien van [naam 1] benadrukt CRM dat de door Supreme Nederland aan de rechtbank toegestuurde schriftelijke verklaring een niet onder ede afgelegde kantoorverklaring en dat de raadslieden van CRM daarbij geen vragen hebben kunnen stellen. Ook is niet gegarandeerd dat [naam 1] in de arbitrale procedure in Dubai daadwerkelijk wordt opgeroepen en zal verschijnen, omdat een dergelijke (oproep)plicht niet bestaat. Als [naam 1] niet wordt opgeroepen kunnen de arbiters zijn verklaring terzijde stellen, aldus CRM. CRM hecht eraan [naam 1] zelf te kunnen horen.

2.1.3.

[naam 3]

Primair ziet het verzoek erop [naam 3] te horen door het bevoegde gerecht van zijn woonplaats te [plaats], Zwitserland.

Subsidiair ziet het verzoek erop [naam 3] te horen in Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, waarbij CRM voor het overige aanhaalt wat ten aanzien van de getuigen [naam 2] en [naam 1] al is aangevoerd.

2.2.

Ten aanzien van alle drie getuigen verzoekt CRM in de rechtshulpverzoeken melding ervan te maken dat de raadslieden van CRM zelf bij de verhoren aanwezig willen zijn en vragen willen stellen. CRM verklaart zich ook bereid voorschotten voor eventuele vertalingen voor haar rekening te nemen. CRM verzoekt voorts in de rechtshulpverzoeken op te nemen dat, mocht een van de aangezochte landen de voorwaarde stellen dat er meer informatie omtrent de zaak wordt verstrekt of een specifieke vragenlijst noodzakelijk is, CRM bereid is deze informatie te verstrekken en kosten voor eventueel vertaalwerk daarvan voor haar rekening te nemen.

2.3.

CRM verzoekt ten slotte om in de rechtshulpverzoeken reeds in algemene termen opgave te doen van de onderwerpen waarop de getuigen zullen worden gehoord. Het gaat daarbij om de eigen wetenschap van de getuigen ten aanzien van onder meer:

  1. De samenwerking tussen Supreme en CRM en de gesloten overeenkomst voor “Security & Protective Services” over grofweg de periode 2009-2012.

  2. De mate waarin Supreme feitelijk dan wel juridisch het middelpunt vormt en waarvan Supreme zelf de in Amsterdam gevestigde onderneming aanduidt als hoofdkwartier.

  3. In hoeverre de getuigen zelf betrokken zijn geweest bij omstandigheden betreffende de (beëindiging van de) exclusieve samenwerking tussen beide (groepen) van ondernemingen.

  4. De bestuurlijke en financiële organisatie van Supreme en met betrekking tot CRM in het bijzonder.

  5. Achtergronden bij het onbetaald laten van facturen van CRM door Supreme.

2.4.

Supreme Nederland voert verweer en vraagt de rechtbank het verzoek van CRM af te wijzen.
In de eerste plaats voert Supreme Nederland aan dat uit de reeds gehouden getuigenverhoren duidelijk is geworden dat Supreme Nederland op geen enkele manier is betrokken bij de door CRM in het verzoekschrift gestelde gedragingen en dat daarom van een vordering van CRM jegens Supreme Nederland op grond van onrechtmatige daad geen sprake kan zijn. Voorts heeft CRM zich volgens Supreme Nederland in strijd gedragen met de goede procesorde omdat zij steeds op toezeggingen over het aantal getuigen terugkomt en nieuwe getuigen voordraagt. In het verzoekschrift zijn zes getuigen toegewezen, er zijn nu acht getuigen gehoord en CRM verzoekt nu om het horen van nog eens drie getuigen. Het belang van CRM bij het houden van deze getuigen staat niet meer in verhouding tot de daarmee gepaard gaande belasting van de elf beoogde getuigen, Supreme Nederland en de rechtbank. Ten slotte komt met de nodeloos omslachtige en kostbaar ingerichte wijze waarop deze procedure wordt gevoerd de goede procesorde in gevaar, aldus Supreme Nederland.

Volgens Supreme Nederland is een rogatoir verzoek slechts mogelijk als de te entameren zaak is aan te merken als een burgerlijke of handelszaak in de zin van artikel 1 van de EEX-verordening. Omdat CRM geen vordering heeft op Supreme Nederland is geen sprake van een dergelijke zaak.

Verder voert Supreme Nederland aan dat [naam 1] in de arbitrale procedure in Dubai kan worden gehoord en dat CRM daarom geen belang heeft bij haar verzoek ten aanzien van deze getuige. Het staat CRM overeenkomstig de toepasselijke arbitrageregels immers vrij om [naam 1] aldaar als getuige te horen.

Verder geldt volgens Supreme Nederland dat partijgetuigen, in dit geval [naam 1] en [naam 3], (ook) in het buitenland niet tot spreken kunnen worden gedwongen.

Ook voert Supreme Nederland aan dat het zinloos is om een rechtshulpverzoek aan de autoriteiten van Dubai te richten omdat er geen rechtshulpverdrag bestaat met de Verenigde Arabische Emiraten en omdat civiele getuigenverhoren in Dubai ongebruikelijk zijn.

Ten slotte voert Supreme Nederland aan dat [naam 2] slechts indirect gedeeltelijk aandeelhouder is van Supreme Nederland en uit de overige verklaringen geen betrokkenheid van hem gebleken is bij Supreme Nederland. Hem als getuige oproepen is dan volgens Supreme Nederland een pure fishing expedition.

3. De beoordeling

3.1.

Bij beschikking van 16 mei 2013 heeft de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor bevolen. Thans verzoekt CRM om in dat kader nog drie getuigen te doen horen. Uitgangspunt is dat de rechter-commissaris in een voorlopig getuigenverhoor geen discretionaire bevoegdheid heeft tot begrenzing van het aantal of de personen van de te horen getuigen en de aan de getuigen te stellen vragen. Het horen van een voorgebrachte getuige of het stellen van vragen mag slechts worden geweigerd indien onder de gegeven omstandigheden de goede procesorde in verband met de bij de beslissing betrokken belangen dit eist (HR 18 maart 2001, ECLI:NL:HR:2011:BP0571 en HR 16 december 2001, ECLI:NL:HR:2011:BU3922). Voorts mag bij de beoordeling niet worden vooruitgelopen op hetgeen de getuige mogelijk zal kunnen verklaren. In dat kader is in beginsel ook geen plaats om de beslissing tot het horen van getuigen te heroverwegen. De getuigen [naam 2], [naam 1] en [naam 3] zijn al in het verzoekschrift vermeld en de rechtbank heeft het horen van deze drie getuigen niet in haar beschikking uitgesloten. Nadat CRM eerst diverse andere getuigen heeft laten horen, wat bij een omvangrijkere zaak als de onderhavige niet ongebruikelijk is, heeft mr. Groen na het verhoor van 24 juni 2014 van de getuige [getuige] zijdens CRM te kennen gegeven [naam 3] naar aanleiding van de verklaring van [getuige] mogelijkerwijs alsnog te willen laten horen. Bij deze gang van zaken kan geen sprake zijn van misbruik van recht aan de kant van CRM of van handelen in strijd met de goede procesorde. Er is door de reeds afgelegde getuigenverklaringen ook geen sprake van zodanig nieuwe feiten of bezwaren dat die aan het horen van de thans opgegeven getuigen in de weg zitten. Dit geldt uitdrukkelijk ook voor de getuige [naam 2]. Bovendien staat gelet op de aangevoerde stellingen van CRM, en de in het geding gebrachte producties en de reeds afgelegde verklaringen niet reeds nu al vast dat de beoogde vordering van CRM jegens Supreme Nederland in het geheel geen kans van slagen heeft, zodat ook niet geoordeeld kan worden dat CRM geen belang meer heeft bij het horen van de opgegeven getuigen. De rechtbank ziet daarin dan ook geen reden om de verzochte getuigen als zodanig te weigeren.

3.2.

Vertrekpunt bij het horen van getuigen is verder dat de getuigen zoveel mogelijk door dezelfde rechter(s) en volgens dezelfde regels worden gehoord. CRM heeft echter verzocht de drie getuigen door middel van een rogatoire commissie in het buitenland te doen horen. Hierna zal over dit verzoek worden geoordeeld.

3.3.

Het verweer van Supreme Nederland dat – kort gezegd - artikel 1 van de EEX-verordening aan het rogatoir verzoek in de weg staat wordt verworpen. Dit voorlopig getuigenverhoor is al in Nederland aanhangig (het kader waarvan het rogatoire verzoek is gedaan). De vraag naar de bevoegdheid van de rechtbank is dan ook een gepasseerd station.

3.4.

Toewijzing primair verzoek ten aanzien van getuige [naam 2].

3.4.1.

Het verzoek ten aanzien van [naam 2] zal worden toegewezen. CRM heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [naam 2] op herhaalde oproepen om te getuigen niet heeft gereageerd en dat ervan moet worden uitgegaan dat [naam 2] niet voor de Nederlandse rechter zal verschijnen. [naam 2] heeft een opgegeven woonplaats in Duitsland en zal overeenkomstig de Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, PbEG 2001, L 174, zoals laatstelijk gewijzigd op 22 oktober 2008, PbEU 2008, L 304 (hierna: EU-Bewijsverordening), worden opgeroepen.

3.5.

Toewijzing primair verzoek ten aanzien van getuige [naam 3]

3.5.1.

Ook verzoek ten aanzien van [naam 3] zal worden toegewezen. CRM heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [naam 3] op herhaalde oproepen om te getuigen niet heeft gereageerd en dat ervan moet worden uitgegaan dat [naam 3] niet voor de Nederlandse rechter zal verschijnen. [naam 3] heeft een opgegeven woonplaats in Zwitserland en zal overeenkomstig het Verdrag inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en in handelszaken, ’s Gravenhage, 18-03-1970 (hierna: het Haags Bewijsverdrag) worden opgeroepen.

3.5.2.

[naam 3] is bestuurder van Supreme Nederland en zal daarom op grond van artikel 164 Rv in een Nederlandse bodemprocedure als partij worden aangemerkt. Gelet op artikel 173 Rv en de uitspraak van de Hoge Raad van 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3403, kan een partij die weigert een getuigenis af te leggen niet worden gegijzeld en er kunnen geen dwangsommen aan de getuige worden opgelegd. Dat houdt niet in dat de verschijnings- en getuigplicht van [naam 3] als zodanig vervalt (en het betekent ook niet dat aan [naam 3] een verschoningsrecht toekomt) maar dat er in Nederland geen middelen zijn om [naam 3] te dwingen een verklaring af te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het niet aan dat de Nederlandse rechter in het kader van een in Nederland aanhangig voorlopig getuigenverhoor van de aangezochte buitenlandse autoriteit zou kunnen verlangen dat aldaar de in Nederland niet toegestane dwangmiddelen wel worden toegepast.

De rechter-commissaris is voorts geen informatie bekend op grond waarvan aan [naam 3] een verschoningsrecht zou toekomen.

3.6.

Afwijzing verzoek ten aanzien van getuige [naam 1]

3.6.1.

Ongeacht het hiervoor in 3.1 vermelde zal de rechtbank het verzoek tot het houden van een rogatoir verhoor van [naam 1], zowel in de Verenigde Arabische Emiraten als in Denemarken, afwijzen. Dit houdt verband met het volgende.

3.6.2.

Een rogatoir verzoek aan de autoriteiten van Denemarken is niet mogelijk, aangezien [naam 1] daar niet staat ingeschreven althans geen permanente woon-en verblijfplaats heeft. Het adres van de ouders van [naam 1], waar hij volgen CRM soms verblijft, is daartoe onvoldoende, aangezien dit tot uitvoeringsproblemen kan leiden, zoals de vraag of [naam 1] op dat adres rechtsgeldig kan worden opgeroepen en de vraag op welke momenten dan aan de uitvoering gevolg moet worden gegeven als [naam 1] slechts af en toe in Denemarken verblijft.

3.6.3.

Tussen Nederland en de Verenigde Arabische Emiraten bestaat geen rechtshulpverdrag, zodat er geen geïnstitutionaliseerde weg bestaat om een dergelijk verzoek aan de autoriteiten van de Verenigde Arabische Emiraten te richten en de rechtbank volledig afhankelijk is van de welwillende medewerking van die autoriteiten. Dat houdt in dat ongewis is of een dergelijk verzoek zal worden uitgevoerd, en zo ja, of dit binnen een redelijke termijn gebeurt.

3.6.4.

Bij het voorgaande komt dat Supreme Nederland een schriftelijke verklaring van [naam 1] in het geding heeft gebracht en daarbij, onder verwijzing naar de toepasselijke arbitragebepalingen, heeft gesteld dat [naam 1], als CRM dat wenst, in de arbitrale procedure in Dubai als getuige kan worden gehoord.

3.6.5.

Gelet op de overwegingen in 3.5.2 zal ook [naam 1] op grond van artikel 164 Rv in een Nederlandse bodemprocedure als partij worden aangemerkt en zal hij, als hij weigert een getuigenis af te leggen, niet kunnen worden gegijzeld en er zullen geen dwangsommen aan hem kunnen worden opgelegd.

3.6.6.

Het voorgaande betekent dat [naam 1] niet in Denemarken zal worden gehoord, dat voorts ongewis is of een rogatoir verzoek via diplomatieke weg aan de Verenigde Arabische Emiraten überhaupt dan wel binnen een redelijke termijn zal worden uitgevoerd en dat [naam 1] in zijn hoedanigheid van partijgetuige niet kan worden gedwongen tot het verschijnen als getuige. Daarbij komt dat het ervoor gehouden moet worden dat de mogelijkheid bestaat om [naam 1] als getuige in de arbitrale procedure in Dubai te horen. De rechtbank is van oordeel dat CRM onder deze omstandigheden onvoldoende belang heeft bij haar verzoek tot het horen van [naam 1] in het buitenland. De rechter-commissaris zal daarom geen gebruik maken van zijn bevoegdheid uit hoofde van artikel 176 Rv en zal het verzoek tot het horen van [naam 1] in het buitenland afwijzen.

3.6.7.

Het voorgaande neemt echter niet weg dat CRM [naam 1], nu deze als getuige is toegelaten (zie 3.1), in het onderhavige voorlopig getuigenverhoor voor de rechtbank Amsterdam als getuige kan doen oproepen. Zoals hiervoor is overwogen heeft ook een partijgetuige een verschijnings- en getuigplicht. Mocht [naam 1] dan weigeren om als getuige te verschijnen of te verklaren, dan kan de rechter in een bodemzaak blijkens artikel 164 lid 3 Rv (jo. 189 Rv) daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

3.7.

Verdere gang van zaken

3.7.1.

De rogatoire verzoeken zullen overeenkomstig de formulieren behorende bij de EU-bewijsverordening en het Haags Bewijsverdrag aan de Duitse en Zwitserse autoriteiten worden gericht. De door de Duitse en Zwitserse autoriteiten bij de betreffende regelgeving vermelde taal waarin de onderhavige verzoeken moet worden gesteld is Duits. Het is aan CRM, de partij die om de rogatoire verhoren heeft verzocht, om zorg te dragen voor de benodigde informatie. De rechter-commissaris zal CRM daarover in een afzonderlijke brief berichten.

3.7.2.

Daarnaast dienen partijen aan te geven hoe het voorlopig getuigenverhoor in deze zaak (bij deze rechtbank) verder dient te gaan. De zaak zal daartoe worden verwezen naar de (interne) rekestenrol zodat CRM zich erover kan uit laten of zij nog een voorzetting wenst van het voorlopig getuigenverhoor aan haar zijde en waarna Supreme Nederland zich erover dient uit te laten of zij getuigen in contra-enquête wenst te horen.

4 De beslissing

De rechter-commissaris

4.1.

wijst toe het verzoek tot het horen van de getuigen [naam 2] en [naam 3] in het buitenland;

4.2.

wijst af het verzoek tot het horen van de getuige [naam 1] in het buitenland;

4.3.

verwijst de zaak naar de (interne) rekestenrol van 30 oktober 2014 voor uitlating voortzetting enquête dan wel contra-enquête (zie 3.7.2)

Deze beschikking is gegeven door mr. L. Biller en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2014.