Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:7536

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
HA ZA 14-438
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering van eiseressen op grond van artikel 843a Rv tot inzage in in beslag genomen bescheiden en informatie toegewezen. Om tegemoet te komen aan de vrees van gedaagde dat de in beslag genomen stukken niet alleen zien op eiseressen, zal aan gedaagde de mogelijkheid worden geboden om voorafgaand aan de inzage de stukken - in aanwezigheid van de deurwaarder - te controleren, teneinde vast te stellen of de betreffende stukken eiseressen betreffen en, indien dat het geval is, te controleren of het geen interne correspondentie betreffende de vermeende aansprakelijkheid van gedaagden betreft en of de stukken geen privéinformatie dan wel vertrouwelijke informatie aangaande andere klanten van gedaagde bevatten. Voor zover dat het geval is, zal gedaagde – in overleg met de deurwaarder – in het betreffende stuk geen inzage hoeven te geven dan wel mag zij dat stuk (deels) anonimiseren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/130

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/563946 / HA ZA 14-438

Vonnis in incident van 12 november 2014

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AQUASERVA GROUP B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

POSU B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PROCAS B.V.,

gevestigd te Wormerveer,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AQUASERVA B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SAFE WATER SOLUTIONS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseressen in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

advocaat mr. J.H.B. Crucq te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] ,

gevestigd te [plaats],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat mr. S.A.G. Hoogeveen te Amsterdam.

Eiseressen in de hoofdzaak, tevens eiseressen in het incident zullen hierna AquaServa Group, Posu, ProCas, AquaServa, SWS en gezamenlijk AquaServa Group c.s. worden genoemd. Gedaagden in de hoofdzaak, tevens verweerders in het incident zullen hierna [gedaagde 1], [gedaagde 2] en gezamenlijk [gedaagden gezamenlijk] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding tevens houdende incidentele vordering ex artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv, tevens verzoek om aanhouding daarvan met producties;

  • -

    het proces-verbaal van de op 10 oktober 2014 gehouden pleidooizitting met de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten in het incident

2.1.

AquaServa Group houdt zich kort gezegd bezig met het beheer van drinkwaterinstallaties en de technische advisering daaromtrent. ProCas, AquaServa en SWS zijn sinds begin 2010 dochtervennootschappen van AquaServa Group (hierna ook: de vennootschappen). Posu is enig aandeelhouder van AquaServa Group.

2.2.

[gedaagde 1] houdt zich (onder meer) bezig met administratieve dienstverlening, controle en samenstelling van jaarrekeningen en fiscale adviezen. [gedaagde 2] is bestuurder en registeraccountant bij [gedaagde 1].

2.3.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben van 2006 tot en met 2012 in opdracht van de vennootschappen en vanaf eind 2009 (mede) in opdracht van AquaServa Group accountancy- en administratiewerkzaamheden verricht, onder meer bestaande uit het samenstellen en controleren van jaarrekeningen en financiële overzichten, alsmede het verzorgen van fiscale aangiften voor de vennootschappen.

2.4.

De aandelen in de vennootschappen werden tot begin 2010 gehouden door Meervoud Management B.V. (hierna: Meervoud Management), Rosinaad B.V. (hierna: Rosinaad), Gerard Roemer Beheer B.V. en T.C.W.F. Beheer B.V.

2.5.

De aandelen in de vennootschappen zijn op 21 januari 2010 ingebracht in de nieuwe houdstervennootschap AquaServa Group, door middel van storting in natura op de aandelen als bedoeld in artikel 2:204a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Meervoud Management, Rosinaad en Posu kregen ieder een belang van 1/3 in deze nieuwe ‘topholding’.

2.6.

Vervolgens hebben Meervoud en Rosinaad (hierna: de oud-aandeelhouders) begin 2010 hun belang in AquaServa Group verkocht aan Posu.

2.7.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben ten behoeve van voornoemde transacties een inbrengverklaring ex artikel 2:204a BW, de halfjaarcijfers 2009 van de vennootschappen en een daarbij behorende beoordelingsverklaring opgesteld en zij hebben de effecten van de koopovereenkomst van begin 2010 verwerkt in de administratie en op de beginbalans van Aquaserva Group en de vennootschappen, alsmede in de jaarcijfers 2009 tot en met 2011.

2.8.

Tussen AquaServa Group c.s. en de oud-aandeelhouders is op enig moment discussie ontstaan over de hoogte van de door Posu betaalde koopprijs voor de aandelen in AquaServa Group.

2.9.

In januari 2013 is AquaServa Group c.s. van accountantskantoor gewisseld. Daarna is discussie ontstaan tussen AquaServa Group c.s. en [gedaagde 1] over de verstrekking door [gedaagde 1] van ten behoeve van AquaServa Group aangelegde dossiers, de overdracht en volledigheid van stukken en informatie en de medewerking aan de overdracht aan de nieuwe accountant van AquaServa Group c.s.

2.10.

Op 14 mei 2013 hebben [gedaagde 1] en AquaServa Group een vaststellingsovereenkomst gesloten die, voor zover hier van belang, luidt:

“(…)

Artikel 3 Kopie documenten

Schuldenaar [AquaServa Group, rb] zal aan Schuldeiser [[gedaagde 1], rb] voldoen een bedrag van € 750 ex btw. Eerst na ontvangst van dat bedrag zal Schuldeiser aan Schuldenaar binnen tien dagen kopie van het fiscaal dossier, achtergrondstukken administratie, loonadministratie, en verantwoording administratieve ondersteuning van Schuldenaar, alsmede kopieën van de dossiers van alle uitgevoerde werkzaamheden ten behoeve van samenstelling, beoordeling en controle van jaarrekeningen en specifieke opdrachten aan haar aanleveren.

(…)”.

2.11.

Bij kort geding dagvaarding van 2 december 2013 heeft AquaServa Group [gedaagde 1] in rechte betrokken. Bij akte van 10 december 2013 heeft AquaServa Group haar eis gewijzigd. Op 7 januari 2014 is vonnis gewezen. Dat vonnis luidt, voor zover thans relevant:

“(…)

5.1.

veroordeelt [gedaagde 1] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot het verstrekken aan AquaServa Group van alle bijlagen (in Word dan wel als pdf-bestand) bij de door [gedaagde 1] reeds overgelegde e-mailcorrespondentie en van alle correspondentie van of gericht aan [gedaagde 1] aangaande AquaServa Group en de Vennootschappen, waaronder begrepen de correspondentie met de heer [gedaagde 2], alsmede van de kopieën van de dividendbesluiten van de Vennootschappen uit de periode vóór de overname door AquaServa Group;

5.2

veroordeelt [gedaagde 1] om aan AquaServa Group een dwangsom te betalen van

€ 1.000,- voor iedere dag dat zij niet aan de onder 5.1 uitgesproken veroordeling voldoet;

(…)”.

2.12.

Op 23 januari 2014 heeft [gedaagde 1] een drietal cd’s met documenten verstrekt aan AquaServa Group, nadat zij eerder al stukken in hardcopy had aangeleverd.

2.13.

Op 28 februari 2014 en 6 maart 2014 heeft [gedaagde 1] twee executiegeschillen aanhangig gemaakt bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank, waarin zij – kort gezegd – opheffing van de in het vonnis van 7 januari 2014 opgelegde dwangsom vordert en een verbod voor AquaServa Group om over te gaan tot verdere executie van dit vonnis.

2.14.

Op 17 maart 2014 heeft[naam], bestuurder van AquaServa Group (hierna: [naam]), op het kantoor van [gedaagde 1] inzage gekregen in de digitale informatieopslag van [gedaagde 1].

2.15.

Ingevolge de beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van

26 maart 2014 heeft AquaServa Group op 1 april 2014 bewijsbeslag gelegd op de zich onder [gedaagde 1] bevindende bescheiden aangaande AquaServa Group en de vennootschappen. De beslagen gegevensdragers zijn aan DigiJuris B.V. (hierna: DigiJuris) in gerechtelijke bewaring gegeven. Deze beschikking luidt, voor zover hier van belang:

“(…)

In het kader van een executiegeschil en een geschil over dwangsommen zijn partijen ter zitting van 14 maart 2014 door de voorzieningenrechter gehoord. Kort gezegd stelde gerekwestreerde zich op het standpunt dat alle stukken reeds aan verzoekers waren afgegeven. Ter zitting hebben partijen afgesproken dat [naam] van verzoekster op 17 maart jl. bij het kantoor van gerekwestreerde zou komen voor inzage in digitale informatieopslag bij gerekwestreerde. Volgens [naam] is hij bij zijn bezoek op een aantal stukken gestuit die nog niet door gerekwestreerde waren afgegeven. Het gestelde nalaten van gerekwestreerde om alle stukken af te geven zoals vermeld in aangehecht beslagrekest is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorshands dan ook voldoende aannemelijk en dit is voldoende ernstig om de toepassing van een ingrijpend dwangmiddel als het bewijsbeslag te rechtvaardigen. Ook is uit het verzoekschrift voldoende af te leiden dat de in beslag te nemen bescheiden zich onder gerekwestreerde bevinden.

(…)

2.6.

Verzoekster wenst beslag te leggen op:

(…)

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om aan te sluiten bij de eerdere veroordeling van 7 januari 2014 en zal het verzoek dienovereenkomstig toewijzen. De stukken waarop thans beslag mag worden gelegd zijn daarin omschreven en voldoende bepaalbaar.

Dit betekent dat alle bijlagen (in Word dan wel als pdf-bestand) bij de door [gedaagde 1] reeds overgelegde e-mailcorrespondentie en van alle correspondentie van of gericht aan [gedaagde 1] aangaande AquaServa Group en de Vennootschappen, waaronder begrepen de correspondentie met de heer [gedaagde 2], alsmede van de kopieën van de dividendbesluiten van de Vennootschappen uit de periode vóór de overname door AquaServa Group door verzoekster in bewijsbeslag mogen worden genomen.

(…)

3.4.

bepaalt dat genoemd bewijsbeslag betrekking heeft op: alle bijlagen (in Word dan wel als pdf-bestand) bij de door [gedaagde 1] reeds overgelegde e-mailcorrespondentie en van alle correspondentie van of gericht aan [gedaagde 1] aangaande AquaServa Group en de Vennootschappen, waaronder begrepen de correspondentie met de heer [gedaagde 2], alsmede van de kopieën van de dividendbesluiten van de Vennootschappen uit de periode vóór de overname door AquaServa Group

(…)”

2.16.

Bij vonnissen van 4 april 2014 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vorderingen van [gedaagde 1] in voornoemde executiegeschillen afgewezen. Bij appeldagvaarding van 2 mei 2014 is [gedaagde 1] in hoger beroep gegaan tegen deze vonnissen.

3 De vordering in de hoofdzaak

3.1.

AquaServa Group c.s. vordert – kort gezegd – een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, althans dat [gedaagde 1] niet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen en tekort is geschoten in de nakoming van haar verbintenissen onder de overeenkomst(en) van opdracht en een verklaring voor recht dat [gedaagde 2] naast [gedaagde 1] aansprakelijk is. Voorts vordert AquaServa Group c.s. (hoofdelijke) veroordeling van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] tot vergoeding van de door haar geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat, met (hoofdelijke) veroordeling van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] in de buitengerechtelijke kosten, de proces- en de nakosten.

3.2.

AquaServa Group c.s. stelt daartoe – samengevat – dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de belangen van AquaServa Group en Posu onvoldoende hebben behartigd en slechts oog hadden voor de belangen van de oud-aandeelhouders. [gedaagde 2] is naast [gedaagde 1] aansprakelijk omdat hij voor registeraccountants geldende bijzondere zorgvuldigheidsverplichtingen heeft geschonden, aldus AquaServa Group c.s.

4 Het geschil in het incident

4.1.

Aquaserva Group c.s. vordert veroordeling van [gedaagden gezamenlijk] om te gehengen en gedogen dat AquaServa Group c.s. inzage krijgt in alle op 1 april 2014 in conservatoir beslag genomen bescheiden en informatie – ten minste houdende alle bijlagen (in Word dan wel als pdf-bestand) bij de door [gedaagde 1] overgelegde e-mailcorrespondentie – en van alle correspondentie van of gericht aan [gedaagde 1] aangaande AquaServa Group, AquaServa, SWS en ProCas, waaronder begrepen de correspondentie met [gedaagde 2], alsmede van de kopieën van de dividendbesluiten van AquaServa, SWS en ProCas uit de periode vóór de overname door AquaServa Group en dat AquaServa Group c.s. voorts alle in beslag genomen informatie en documentatie zal mogen behouden. Daarnaast vordert AquaServa Group c.s. veroordeling van [gedaagde 1] tot vergoeding van de beslag- en proceskosten.

4.2.

AquaServa Group c.s. stelt daartoe dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] – in strijd met de vaststellingsovereenkomst en voornoemde kort geding vonnissen – tot op heden niet alle stukken aangaande AquaServa Group en de vennootschappen aan haar hebben verstrekt. De betreffende stukken bevatten volgens AquaServa Group c.s. belastende informatie voor de oud-aandeelhouders en voor [gedaagde 1]. AquaServa Group c.s. stelt dat zij een rechtmatig belang heeft bij inzage in deze stukken nu die van essentieel belang zijn voor toewijzing van haar schadevergoedingsvorderingen op de oud-aandeelhouders en [gedaagde 1]. AquaServa Group c.s. meent dat ook aan de overige vereisten van artikel 843a Rv is voldaan, zodat de incidentele vordering voor toewijzing gereed ligt.

4.3.

[gedaagden gezamenlijk] voert als volgt verweer:

- Posu, ProCas, AquaServa en SWS zijn niet-ontvankelijk in hun vordering tot inzage in en afschrift van de beslagen informatie, aangezien het beslagverlof alleen aan AquaServa Group is verleend;

- bij het hof Amsterdam is een hoger beroep procedure aanhangig over exact dezelfde problematiek als in dit incident aan de orde is, zodat dit incident niet eerder kan worden voortgezet dan nádat het hof uitspraak heeft gedaan;

- de vordering van AquaServa Group c.s. is te onbepaald om te worden toegewezen en AquaServa Group c.s. heeft geen rechtmatig belang bij het opvorderen van alle in beslag genomen informatie;

- het verleende beslagverlof richt zich niet tot [gedaagde 2], zodat [gedaagde 2] niet kan worden veroordeeld tot het geven van inzage in of het afgeven van de beslagen informatie en [gedaagde 2] kan bovendien niet in privé worden veroordeeld tot het overleggen van enig stuk waartoe hij in zijn hoedanigheid van bestuurder van [gedaagde 1] toegang zou hebben of kunnen krijgen.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in het incident

Ontvankelijkheid

5.1.

Het meest verstrekkende verweer van [gedaagden gezamenlijk] luidt dat Posu, ProCas, AquaServa en SWS niet-ontvankelijk zijn in hun vordering tot inzage in en afschrift van de beslagen informatie omdat het beslagverlof alleen aan AquaServa Group is verleend. Dit verweer zal worden verworpen. Smeulders is (indirect) bestuurder en enig aandeelhouder van zowel AquaServa Group als van Posu, ProCas, AquaServa en SWS. Indien AquaServa Group in de persoon van Smeulders kennis krijgt van de in beslag genomen informatie komt deze informatie vanzelf tevens ter kennis van Posu, ProCas, AquaServa en SWS. Onder deze omstandigheden heeft [gedaagden gezamenlijk] onvoldoende belang bij haar verzet tegen de ontvankelijkheid van Posu, ProCas, AquaServa en SWS, terwijl hun belang bij kennisname van de informatie evident is. Bovendien heeft daarnaast te gelden dat de vordering van Posu, ProCas, AquaServa en SWS tot inzage in en afschrift van de betreffende bescheiden op grond van artikel 843a Rv apart kan worden beoordeeld. Of aan deze vennootschappen verlof is verleend tot het leggen van beslag is voor de beoordeling van het onderhavige verzoek dan ook niet relevant.

Vordering ten aanzien van [gedaagde 2]

5.2.

[gedaagden gezamenlijk] heeft er voorts (onder meer) op gewezen dat [gedaagde 2] niet in privé veroordeeld kan worden tot het overleggen van enig stuk waartoe hij in zijn hoedanigheid van bestuurder van [gedaagde 1] toegang zou hebben of kunnen krijgen. AquaServa Group c.s. heeft dit niet weersproken. Bovendien is gesteld noch gebleken dat [gedaagde 2] in privé andere of aanvullende stukken onder zich zou hebben die behoren tot de dossiers van AquaServa Group c.s.. De rechtbank zal alle jegens [gedaagde 2] ingestelde incidentele vorderingen dan ook afwijzen.

5.3.

In het hiernavolgende zal de rechtbank aldus slechts nog ingaan op de jegens [gedaagde 1] ingestelde incidentele vorderingen.

Het lopende hoger beroep

5.4.

[gedaagde 1] heeft erop gewezen dat in een procedure bij het hof Amsterdam de vraag voorligt of [gedaagde 1] ingevolge het vonnis van 7 januari 2014 dwangsommen heeft verbeurd en zo ja, welke dwangsommen in dat verband zijn verbeurd. Volgens AquaServa Group c.s. is geen sprake van connexiteit tussen de onderhavige procedure en voormelde procedure bij het hof die een aanhouding rechtvaardigt. [gedaagde 1] meent echter dat het hof een oordeel zal moeten geven over de vraag welke stukken [gedaagde 1] gehouden was aan AquaServa Group te verstrekken en of zij aan haar verplichtingen ter zake heeft voldaan. Voortzetting van het onderhavige incident brengt derhalve het risico van tegenstrijdige beslissingen met zich mee, aldus [gedaagde 1].

5.5.

De rechtbank overweegt dat [gedaagde 1] geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van 7 januari 2014 en de beschikking van de voorzieningenrechter van 26 maart 2014 waarbij verlof voor het bewijsbeslag is verleend, maar slechts tegen de vonnissen van 4 april 2014, waarin de voorzieningenrechter de vorderingen van [gedaagde 1] in de executiegeschillen heeft afgewezen. Het oordeel van het hof in hoger beroep zal derhalve slechts zien op het al dan niet verbeurd zijn van dwangsommen en niet op de vraag in welke bescheiden [gedaagde 1] AquaServa Group c.s. inzage dient te verstrekken. Van een gevaar voor tegenstrijdige beslissingen is dan ook geen sprake, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om de onderhavige incidentele vordering aan te houden totdat het hof uitspraak heeft gedaan.

Artikel 843a Rv

5.6.

Uitgangspunt is dat de incidentele vordering van AquaServa Group c.s. ziet op inzage in alle op 1 april 2014 door de deurwaarder bij [gedaagde 1] in beslag genomen en bij DigiJuris in bewaring gegeven bescheiden en informatie – ten minste houdende alle bijlagen (in Word dan wel als pdf-bestand) bij de door [gedaagde 1] overgelegde e-mailcorrespondentie – en van alle correspondentie van of gericht aan [gedaagde 1] aangaande AquaServa Group, AquaServa, SWS en ProCas, waaronder begrepen de correspondentie met [gedaagde 2], alsmede van de kopieën van de dividendbesluiten van AquaServa, SWS en ProCas uit de periode vóór de overname door AquaServa Group.

5.7.

Voor toewijzing van een dergelijke vordering op grond van artikel 843a Rv is

– kort gezegd – vereist dat (1) eiser een rechtmatig belang heeft bij inzage in de gevraagde bescheiden, (2) dat het gaat om bepaalde bescheiden en (3) dat het gaat om bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin eiser of haar rechtsvoorganger partij is.

5.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat het gaat om bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin AquaServa Group c.s. partij is, te weten de overeenkomst van opdracht met [gedaagde 1].

5.9.

Voor zover [gedaagde 1] zich op het standpunt stelt dat de vordering van AquaServa Group c.s. te onbepaald is, omdat zij inzage vordert in alle dossierstukken en correspondentie, overweegt de rechtbank als volgt. AquaServa Group c.s. vordert inzage in alle op 1 april 2014 in conservatoir beslag genomen bescheiden en informatie – ten minste houdende alle bijlagen (in Word dan wel als pdf-bestand) bij de door [gedaagde 1] overgelegde e-mailcorrespondentie – en van alle correspondentie van of gericht aan [gedaagde 1] aangaande AquaServa Group, AquaServa, SWS en ProCas, waaronder begrepen de correspondentie met [gedaagde 2], alsmede van de kopieën van de dividendbesluiten van AquaServa, SWS en ProCas uit de periode vóór de overname door AquaServa Group. De stukken waarop beslag is gelegd en waarin thans inzage wordt gevorderd, zijn – zoals eerder ook al geoordeeld door de voorzieningenrechter die het verlof voor het bewijsbeslag heeft verleend – voldoende bepaalbaar. Dat AquaServa Group c.s. niet exact kan omschrijven welke stukken zij verwacht te vinden doet hieraan niet af. Van een ‘fishing expedition’ is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

5.10.

[gedaagde 1] voert voorts aan dat AquaServa Group c.s. geen rechtmatig belang heeft bij het opvorderen van alle in beslag genomen bescheiden en informatie. Een deel van de in beslag genomen stukken heeft volgens [gedaagde 1] immers betrekking op voor de kwestie van AquaServa Group c.s. irrelevante informatie, althans op privéaangelegenheden of interne correspondentie betreffende de vermeende aansprakelijkheid van [gedaagden gezamenlijk] Daarnaast voert [gedaagde 1] aan dat het haar in het licht van haar geheimhoudingsplicht ook niet is toegestaan om alle informatie vrij te geven.

5.11.

De rechtbank stelt voorop dat zijdens [gedaagde 1] ter zitting is erkend dat AquaServa Group c.s. recht heeft op inzage in de stukken uit haar eigen (controle)dossiers. Nu de opdracht van AquaServa Group c.s. aan [gedaagde 1] in januari 2013 is geëindigd, moet de inzage volgens [gedaagde 1] evenwel worden beperkt tot dat moment. De rechtbank stelt allereerst vast dat AquaServa Group c.s. ook slechts inzage vordert in bescheiden en informatie aangaande AquaServa Group, AquaServa, SWS en ProCas, zodat de inzage zich beperkt tot stukken die zich in de “eigen (controle) dossiers” van deze vennootschappen zouden moeten bevinden. De rechtbank begrijpt dat [gedaagde 1] vreest dat de in beslag genomen stukken niet alleen zien op AquaServa Group c.s. Om tegemoet te komen aan de hiervoor onder 5.10 genoemde bezwaren van [gedaagde 1] zal de rechtbank bepalen dat [gedaagde 1] de mogelijkheid zal worden geboden om voorafgaand aan de inzage in deze stukken door AquaServa Group c.s. te controleren (i) of deze stukken AquaServa Group c.s. betreffen en zo ja, (ii) of het geen interne correspondentie betreffende de vermeende aansprakelijkheid van [gedaagden gezamenlijk] is – ten aanzien waarvan overlegging een inbreuk zou betekenen op het recht van [gedaagden gezamenlijk] om vrijelijk en in beslotenheid haar positie ten opzichte van AquaServa Group c.s. te bepalen – dan wel (iii) of in deze stukken privéinformatie dan wel vertrouwelijke informatie aangaande andere klanten van [gedaagde 1] staat. Voor zover dit het geval is, zal [gedaagde 1] in het betreffende stuk geen inzage hoeven te geven of – indien in het betreffende stuk ook informatie betreffende AquaServa Group c.s. is opgenomen – het stuk (deels) kunnen anonimiseren. Met deze maatregel worden de door [gedaagde 1] geuite bezwaren ondervangen en de rechtbank ziet derhalve geen aanleiding meer om toewijzing van de vordering van AquaServa Group c.s. te beperken in de tijd. Hierbij is meegewogen dat AquaServa Group c.s. gemotiveerd heeft gesteld dat ook na de beëindiging van de relatie mogelijk door [gedaagde 1] nog is gecorrespondeerd met de oud-aandeelhouders over aangelegenheden die AquaServa Group c.s. betreffen.

5.12.

De rechtbank is – met inachtneming van het voorgaande – van oordeel dat AquaServa Group c.s. een rechtmatig belang heeft bij inzage in alle op 1 april 2014 door de deurwaarder bij [gedaagde 1] in beslag genomen en bij DigiJuris in bewaring gegeven bescheiden en informatie – ten minste houdende alle bijlagen (in Word dan wel als pdf-bestand) bij de door [gedaagde 1] overgelegde e-mailcorrespondentie – en van alle correspondentie van of gericht aan [gedaagde 1] aangaande AquaServa Group, AquaServa, SWS en ProCas, waaronder begrepen de correspondentie met [gedaagde 2], alsmede van de kopieën van de dividendbesluiten van AquaServa, SWS en ProCas uit de periode vóór de overname door AquaServa Group. Een en ander leidt tot het volgende. [gedaagde 1] zal in de gelegenheid worden gesteld om met de deurwaarder de in beslag genomen en aan DigiJuris in bewaring gegeven stukken door te nemen. De stukken waarvan [gedaagde 1] zich op het standpunt stelt dat daarin met inachtneming van het in dit vonnis bepaalde aan AquaServa Group c.s. geen inzage behoeft te worden verleend, althans niet zonder anonimisering, zal [gedaagde 1] aan de deurwaarder voorleggen. Mocht dat ten aanzien van bepaalde stukken tot geschillen tussen de deurwaarder en [gedaagde 1] leiden, dan kan de voorzieningenrechter daarover om uitsluitsel worden gevraagd.

5.13.

De vordering van AquaServa Group c.s. om de in beslag genomen informatie en documentatie te mogen behouden is toewijsbaar, het betreft immers de eigen dossiers van AquaServa Group c.s., voor zover het stukken betreft waarin ingevolge het voorgaande inzage dient te worden verleend door [gedaagde 1]. De rechtbank begrijpt de vordering van AquaServa Group c.s. dan ook aldus dat zij afgifte wenst van alle in beslag genomen informatie en documentatie en zal [gedaagde 1] hiertoe ook veroordelen, met dien verstande dat het [gedaagde 1] zal zijn toegestaan om afschriften van alle stukken te maken voor haar eigen administratie.

5.14.

Nu tussen partijen geen debat heeft plaatsgevonden over de vraag hoeveel tijd [gedaagde 1] nodig heeft om de in beslag genomen stukken met de deurwaarder door te nemen, zal de rechtbank [gedaagde 1] hiervoor een (in haar ogen redelijke) termijn van twee weken geven. Uiterlijk aan het einde van deze termijn dienen de stukken waarvan afgifte zal worden bevolen aan AquaServa Group c.s. te worden afgegeven.

Beslagkosten

5.15.

Ten aanzien van de gevorderde beslagkosten wordt het volgende overwogen. Voorshands kan niet worden geoordeeld dat AquaServa Group c.s. deze kosten onnodig heeft gemaakt. Vaststaat dat [gedaagde 1] zich steeds op het standpunt stelt dat alle stukken reeds zijn afgegeven aan AquaServa Group c.s. Meerdere rechters hebben evenwel reeds aannemelijk geacht dat dit niet het geval is en ook in deze procedure lijkt uit een aantal door AquaServa Group c.s. in het geding gebrachte producties te volgen dat de betreffende stukken nog steeds niet volledig zijn overgelegd. Onder die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat het besluit van AquaServa Group c.s. om tot het leggen van bewijsbeslag over te gaan als onnodig kan worden gekwalificeerd. [gedaagde 1] heeft dit door haar eigen opstelling over zichzelf afgeroepen. De toewijsbaarheid van de beslagkosten dient evenwel in de hoofdzaak aan de orde te worden gesteld. Immers, de vraag of de gemaakte beslagkosten voor vergoeding in aanmerking komen, is in grote mate afhankelijk van het in de hoofdzaak te vellen oordeel over de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] jegens AquaServa Group c.s. Nu op dat oordeel in dit incident niet kan worden vooruitgelopen, dient de vordering tot vergoeding van de beslagkosten in de hoofdzaak aan de orde te worden gesteld. De vordering zal dus worden aangehouden tot het eindvonnis in de hoofdzaak.

Proceskosten in incident

5.16.

Ten aanzien van de gevorderde proceskosten in het incident overweegt de rechtbank het navolgende. Voor zover AquaServa Group c.s. bedoeld heeft de daadwerkelijk door haar gemaakte proceskosten te vorderen, komt de rechtbank aan de beoordeling van die vordering niet toe. Ook hier geldt naar het oordeel van de rechtbank immers dat de toewijsbaarheid van de (al dan niet daadwerkelijk gemaakte) proceskosten in het incident in grote mate afhankelijk is van het in de hoofdzaak te vellen oordeel over de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] jegens AquaServa Group c.s. Ook deze vordering zal dus worden aangehouden tot het eindvonnis in de hoofdzaak.

6 De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1.

veroordeelt [gedaagde 1] op grond van artikel 843a Rv tot afgifte, binnen twee weken na betekening van dit vonnis, aan AquaServa Group c.s. van (afschriften van) alle op 1 april 2014 in conservatoir beslag genomen bescheiden en informatie – ten minste houdende alle bijlagen (in Word dan wel als pdf-bestand) bij de door [gedaagde 1] overgelegde e-mailcorrespondentie – en van alle correspondentie van of gericht aan [gedaagde 1] aangaande AquaServa Group, AquaServa, SWS en ProCas, waaronder begrepen de correspondentie met [gedaagde 2], alsmede van de kopieën van de dividendbesluiten van AquaServa, SWS en ProCas uit de periode vóór de overname door AquaServa Group,

6.2.

bepaalt dat [gedaagde 1] de beslagen bescheiden voorafgaand aan de afgifte, maar binnen de onder 6.1 genoemde termijn van twee weken na betekening van dit vonnis, in aanwezigheid van de deurwaarder mag controleren en, voor zover nodig, in overleg met de deurwaarder, in de aan AquaServa Group c.s. volgens dit vonnis af te geven bescheiden informatie betreffende privéaangelegenheden, vertrouwelijke informatie aangaande andere klanten van [gedaagde 1] en interne correspondentie betreffende de vermeende aansprakelijkheid van [gedaagden gezamenlijk] mag anonimiseren, dan wel verwijderen,

6.3.

bepaalt dat [gedaagde 1] ter uitvoering van de onder 6.1 gegeven veroordeling de daar bedoelde bescheiden dient af te geven op een door AquaServa Group c.s. op te geven adres in Nederland,

6.4.

verklaart dit vonnis onder 6.1 t/m 6.3 uitvoerbaar bij voorraad,

6.5.

houdt de beslissing omtrent de beslagkosten en de proceskosten in het incident aan tot het eindvonnis in de hoofdzaak,

6.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in de hoofdzaak

6.7.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 24 december 2014 voor conclusie van antwoord,

6.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, rechter, bijgestaan door mr. C.F.E.M. Mes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2014.1

1 *