Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:753

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-02-2014
Datum publicatie
21-02-2014
Zaaknummer
13/708091-12, 01/168369-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt verdachte vrij wegens gebrek aan bewijs. De rechtbank is van oordeel dat er geen betrouwbare getuigenverklaringen zijn, waaruit de betrokkenheid van verdachte bij ernstige mishandeling blijkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/708091-12; 01/168369-11(tul)(Promis)

Datum uitspraak: 21 februari 2014

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1977],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [GBA adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 2 en 9 november 2012, 11 december 2012, 10 en 11 oktober 2013 en 22 en 27 januari 2014 en 10 februari 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. M.C. Bienfait – Van Kampen en R.A. Kloos en van wat verdachte en zijn raadslieden M.M.H. Zuketto en mr. W.J.J. Lunsingh Tonckens naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1

Aan verdachte is kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

geweldshandelingen tegen [persoon 1] tijdens [naam A] in de [locatie] op 8 juli 2012. Dit is achtereenvolgend ten laste gelegd als het medeplegen van poging doodslag en/of het medeplegen van zware mishandeling met voorbedachte raad en/of het openlijk in vereniging geweld plegen en/of het medeplegen van mishandeling;

2.2.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

3.1.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren nu zij van oordeel is dat het sporenonderzoek in deze zaak zodanig onvolledig en onacceptabel ‘onder de maat’ is geweest, dat hiermee sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Door het handelen van de politie is verdachte de mogelijkheid ontnomen het sporenmateriaal - zoals een rol toiletpapier met een roodkleurig ‘greepspoor’ en propjes toiletpaper met bloedgelijkende substantie - die aanwezig waren in de toiletruimte van de skybox, te laten onderzoeken en daarmee is verdachte de mogelijkheid ontnomen om zijn verklaring, dat hij bij het helpen van het slachtoffer een bloedneus had opgelopen en deze bloedneus in de toiletruimte is gaan stelpen, nader te onderbouwen en te ondersteunen. Door het handelen van de politie en het Openbaar Ministerie is potentieel ontlastend bewijsmateriaal buiten het dossier gebleven en dit kan niet zonder gevolgen blijven.

3.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het Openbaar Ministerie wel kan worden ontvangen in de vervolging van verdachte, nu de verdediging op geen enkele wijze duidelijk heeft gemaakt in welk belang verdachte is geschaad. Immers wordt de verklaring van verdachte, dat hij bij het incident een bloedneus heeft opgelopen, ondersteund door verschillende getuigen en er is dan ook geen reden hieraan om te twijfelen. Verdachte kan dus wel degelijk zijn verklaring onderbouwen.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging komt als in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen aanleiding ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Met betrekking tot de technische onderzoekshandelingen is de rechtbank van oordeel dat deze moeten worden bezien in het licht van de omstandigheden zoals deze zich die avond hebben voorgedaan. De mishandeling van [persoon 1] vond plaats tijdens een groot dansevenement in de [locatie]. Tijdens dit evenement waren opsporingsambtenaren in burger aanwezig en zij maakten deel uit van het zogenaamde HIT-team (Horeca Interventie Team). In die hoedanigheid waren zij belast met het waarnemen en observeren van openlijk handelen in, dan wel gebruiken van verdovende middelen door bezoekers van het evenement. Daarnaast waren beveiligers aanwezig van de bewakingsdienst [naam B].

Uit de camerabeelden kan worden opgemaakt dat na de mishandeling van [persoon 1] verschillende beveiligers van [naam B] naar [persoon 1] zijn toegegaan. Ook kan uit de processen-verbaal worden opgemaakt dat enkele opsporingsambtenaren van het HIT-team naar de skybox zijn gekomen. Uit zowel deze camerabeelden als de processen-verbaal kan worden afgeleid dat binnen enkele minuten na het incident een onoverzichtelijke situatie ontstond, zowel vóór als in de skybox. Weliswaar is door het HIT-team geprobeerd de skybox op dat moment, in samenwerking met de beveiligers van [naam B], af te sluiten, maar later bleek dat de skybox vanaf de achterkant via het balkon kon worden betreden of kon worden verlaten, waardoor getuigen konden weglopen en mogelijke sporen verloren kunnen zijn gegaan of zijn besmet. Ook bleek dat, ondanks de afsluiting, verschillende medewerkers van [naam B] de skybox hebben betreden. Voorts kan uit het dossier worden afgeleid dat het technisch onderzoek pas ruim veertien uur na de mishandeling heeft plaatsgevonden.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat bij het veiligstellen van de plaats delict, achteraf bezien onvoldoende zorgvuldigheid is betracht en dat als gevolg hiervan de aangetroffen sporen niet volgens de forensisch technische normen zijn veiliggesteld en in beslag zijn genomen. Dit betekent dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv. In het licht van de aard van het incident en de hectische omstandigheden van dat moment kan echter niet worden geconcludeerd dat het technisch onderzoek doelbewust onder de maat is uitgevoerd. Het HIT-team was daar met een ander doel en het NFI wordt doorgaans in dit soort zaken niet ingezet. Daarnaast is verdachte niet in zijn belangen geschaad, nu de verklaring van verdachte dat hij een bloedneus heeft opgelopen, door verschillende getuigen wordt ondersteund.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er voor wat het technisch onderzoek betreft niet doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, waardoor het vormverzuim niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

3.4.

Beantwoording voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Op 8 juli 2012 om 03:14 uur wordt tijdens het evenement [naam A] [persoon 1] (hierna: aangever) mishandeld in skybox 233 van de [locatie], ten gevolge waarvan hij het volgende letsel oploopt: een enkelfractuur met een open wond waardoor het bot van de binnenenkel zichtbaar was, gescheurde enkelbanden, licht schedelhersenletsel, meerdere bloeduitstortingen rondom beide ogen en aangezichtsfracturen, waaronder breuken in de binnenste wand en de bodem van de linker oogkas met verplaatsing van botdelen en een breuk van de neus met verplaatsing van botdelen. In de skybox zijn op het moment van de mishandeling verschillende personen aanwezig, waaronder verdachte en medeverdachte [persoon 2] (hierna: [persoon 2]). Aangever verklaart diezelfde nacht in het ziekenhuis dat hij door vier personen is geschopt en geslagen, waaronder [persoon 2]. In zijn daarop volgende verklaringen wordt ook verdachte genoemd als dader.

Op 8 juli 2012 wordt om 18:00 uur in de betreffende skybox het technische onderzoek verricht. Er worden dan verschillende bloedsporen veiliggesteld, die later afkomstig blijken te zijn van onder andere aangever en [persoon 2].

Vervolgens zijn er meerdere getuigen gehoord, waaronder getuige [persoon 3] (hierna: [persoon 3]), die voor zowel verdachte als [persoon 2] belastende verklaringen heeft afgelegd. Daarnaast is vanaf 9 juli 2012 de telefoon van aangever afgeluisterd. Uit deze afgeluisterde gesprekken blijkt dat aangever met meerdere mensen (waaronder getuige [persoon 3]) bespreekt wat er die avond in de skybox is gebeurd. Hierdoor wordt al vrij snel door de verdediging getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van zowel aangever als [persoon 3].

[persoon 2] heeft uiteindelijk verklaard dat hij vreselijk ontdaan was en begon te koken over een opmerking van aangever en hem daarom een corrigerende tik heeft gegeven. Twee andere mannen, waaronder verdachte, zijn vervolgens doorgegaan met de mishandelingen.

Verdachte heeft daartegenover verklaard dat hij tussen [persoon 2] en aangever is ingesprongen om ze uit elkaar te halen en dat hij als gevolg daarvan op zijn neus werd geslagen door [persoon 2] waardoor hij een bloedneus heeft opgelopen. Het is hem uiteindelijk wel gelukt om aangever de box uit te krijgen.

Waar het in deze zaak in de kern om gaat is de vraag of verdachte schuldig kan worden bevonden aan het overige op aangever toegepaste geweld en of hij dit dan alleen of met (een) ander(en) heeft gedaan.

Daarbij dient de rechtbank zich eerst te buigen over de vraag of er getwijfeld moet worden aan de door aangever en [persoon 3] afgelegde verklaringen, zoals de verdediging stelt.

4.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Op basis van de verklaringen van aangever, de getuigen [persoon 3], [persoon 4], [persoon 5], [persoon 6] en [persoon 7] en de bevindingen van het NFI ten aanzien van de theedoek, kan worden bewezen dat [persoon 2] meerdere klappen en/of trappen heeft gegeven tegen aangever en dat verdachte hieraan heeft deelgenomen.

Aangever heeft niet alleen consistent verklaard over het daderschap van verdachte en [persoon 2], maar ook wordt zijn verklaring in belangrijke mate ondersteund door de verklaring van [persoon 3]. Er is dan ook geen enkele reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangever omtrent zijn waarnemingen op [naam A].

Daarbij komt dat de verklaring van [persoon 2], dat hij slechts één corrigerende tik heeft gegeven en dat anderen, waaronder verdachte, daarna zijn losgegaan, op zichzelf staat en op de wezenlijke punten niet wordt ondersteund door verklaringen van getuigen of andere feiten en omstandigheden. Hierdoor wordt er geen geloof gehecht aan de door [persoon 2] afgelegde verklaring. Ook aan de verklaring van verdachte, dat hij tussen aangever en [persoon 2] is gekomen, dient geen geloof te worden gehecht, nu in het dossier geen ondersteuning is te vinden voor die verklaring. De verklaringen van de getuigen [persoon 8], [persoon 9] en [persoon 10], die de verklaring van [verdachte] op dit punt ondersteunen, dienen als onbetrouwbaar ter zijde te worden geschoven, nu deze getuigen hun eerder bij de politie afgelegde verklaringen bij de rechter-commissaris in het voordeel van verdachte hebben gewijzigd.

Op basis van de hiervoor genoemde verklaringen en de beschouwingen van de forensisch arts kan er van uit worden gegaan dat aangever door meer dan één persoon is mishandeld, dat hij in ieder geval is geslagen en gestompt in het gezicht en geschopt of getrapt tegen zijn enkel, waarbij het waarschijnlijk is dat verdachte als eerste heeft geslagen.

Van de ten laste gelegde poging tot doodslag dient verdachte te worden vrijgesproken nu het vereiste opzet op de dood van aangever ontbreekt. Wel kan het medeplegen van zware mishandeling bewezen worden verklaard. Het door de verdachte en [persoon 2] op aangever toegepaste geweld moet gekwalificeerd worden als het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met voorbedachte raad. De nauwe en bewuste samenwerking tussen [persoon 2] en verdachte kan worden afgeleid uit het feit dat verdachte voorafgaand aan de mishandeling de gang oploopt, rond kijkt, vervolgens weer naar binnen gaat en de deur sluit, dat [persoon 2] het barmeisje kort voor het incident naar buiten leidt met de mededeling “wij kunnen het wel even 5 minuten zonder jou af”, en dat vrijwel direct daarna de mishandeling plaatsvindt, waarbij beide verdachten aangever als het ware omsingelen als hij de wc uitkomt. Ook kan de samenwerking worden afgeleid uit het feit dat verdachte en [persoon 2] kort na de mishandeling de skybox samen via het balkon verlaten en naar de uitgang van de Arena lopen.

Dat er sprake is van voorbedachte raad kan worden afgeleid uit vrijwel dezelfde omstandigheden: het feit dat [persoon 2] met zijn vuist in zijn hand sloeg, dat verdachte vlak voor het feit op de gang ging kijken, dat [persoon 2] vlak voor de mishandeling het barmeisje wegstuurde en uit het feit dat aangever door verdachte en [persoon 2] voor het toilet werd opgewacht, aldus de officier van justitie. Dit leidt tot de conclusie dat verdachten niet gehandeld hebben in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, maar met voorbedachte raad.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde aangezien er geen daadwerkelijk, redengevend, betrouwbaar bewijsmateriaal in het dossier aanwezig is, op grond waarvan met voldoende mate van zekerheid gezegd zou kunnen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde. Daarnaast kan ook niet tot de overtuiging worden gekomen, nu de verklaring van verdachte niet wordt weersproken door de inhoud van deugdelijke, betrouwbare, redengevende bewijsmiddelen.

Verdachte heeft immers verklaard dat hij zag dat aangever door [persoon 2] werd mishandeld en dat verdachte dit geweld heeft willen beëindigen. Verdachte is er tussen gesprongen om aangever te ontzetten, heeft aangever rechtop gezet en heeft aangever naar buiten gezet. Bij het naar buiten zetten heeft verdachte het letsel aan het been van aangever niet waargenomen en ook van het overige letsel dacht hij niet dat het zo ernstig was als later is gebleken.

Aangever heeft zich niet herinnerd dat verdachte hem heeft mishandeld maar dat heeft hij naar aanleiding van telefoongesprekken met getuigen geconcludeerd en/of gehoord en/of gereconstrueerd. Aangever heeft immers in zijn eerste verklaring niet gezegd dat verdachte (als dat al één van de vier mannen was) hem heeft geslagen. Pas in latere verklaringen wordt de naam van verdachte genoemd en dan nog is aangever wisselend in wat verdachte dan zou hebben gedaan. Gelet op deze in het oog springende verschillen zijn de voor verdachte belastende verklaringen van aangever niet betrouwbaar om voor het bewijs te kunnen worden gebezigd.

Ook de verklaring van [persoon 3] afgelegd bij de rechter-commissaris kan niet voor het bewijs worden gebruikt omdat uit de eerste twee door haar afgelegde verklaringen blijkt dat zij geen concrete geweldshandelingen heeft waargenomen. De plotseling voor verdachte belastende verklaring bij de rechter-commissaris moet dan ook als onbetrouwbaar ter zijde worden gelegd. Ook tegen de achtergrond van de tapgesprekken moet worden geconcludeerd dat de door [persoon 3] bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring niet waarheidsgetrouw is.

Tot slot dient ook de voor verdachte belastende verklaring van [persoon 2] als onbetrouwbaar terzijde te worden gelegd, aldus de verdediging.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

Betrouwbaarheid verklaringen aangever

De verdediging stelt dat aan de verklaringen van aangever dusdanig moet worden getwijfeld, dat deze niet kunnen bijdragen aan het bewijs. Hoewel de rechtbank constateert dat aangever zijn verklaring in de verschillende verhoren wijzigt in die zin dat hij steeds specifieker wordt over de rol van verdachte en [persoon 2], betekent dit niet op voorhand dat aan de verklaringen van aangever geen enkele bewijskracht kan toekomen. Voorgaande vaststelling en de mogelijkheid dat de verklaringen van aangever onderhevig zijn geweest aan “collaborative storytelling”1, waarbij hij door de gesprekken met anderen de gebeurtenissen is gaan reconstrueren, leiden ertoe dat de rechtbank behoedzaamheid zal dienen te betrachten bij de vraag of de verklaringen van aangever gebezigd kunnen worden voor het bewijs.

Vastgesteld kan worden dat drie beveiligers/medewerkers verklaren dat aangever kort na het incident en vlak voordat hij naar het ziekenhuis werd vervoerd, heeft gezegd dat [persoon 2] hem heeft geslagen. Enkele uren na het incident, legt aangever in het ziekenhuis zijn eerste officiële verklaring af. Volgens [persoon 11], forensisch arts, vermelden de medische stukken eensluidend dat bij aangever sprake is van een optimaal, niet verlaagd bewustzijn. Aangever verklaart dan dat hij in de skybox [persoon 12] een hand heeft gegeven, dat hij naar het toilet is gegaan en dat, toen hij de toiletdeur wilde openen, de deur moeilijk open ging en kennelijk werd geblokkeerd. Toen hij de deur open deed zag hij in de deuropening vier personen voor zich staan. Hij zag en voelde dat hij door deze personen op zijn gezicht werd geslagen en hij weet zeker dat [persoon 2] hier bij was. Hij voelde en zag dat hij door hen werd geschopt en geslagen. Hij zag [persoon 2] ook schoppende en slaande bewegingen maken. Het ging zo snel dat hij niet weet wie van de vier mannen hem nog meer hebben geslagen. Ook voelde hij dat hij geduwd werd en dat een van de mannen zei “Je moet opkankeren”.

Vanaf 9 juli 2012, een dag na het incident, is de telefoon van aangever getapt. Uit de telefoongesprekken blijkt dat hij samen met anderen bespreekt wat er is gebeurd en dat anderen ook op hem inpraten en hem aanvullen. De rechtbank kan niet uitsluiten dat de latere verklaringen van aangever door het voeren van deze gesprekken zijn beïnvloed en dit kan van invloed zijn op de betrouwbaarheid van de latere verklaringen van aangever. De rechtbank stelt echter ook vast dat aangever - in lijn met zijn eerste verklaring – steeds consequent stelt dat, zodra hij het toilet uit kwam, hij door meerdere personen is belaagd en dat hij zeker weet dat [persoon 2] er bij was, maar dat hij niet weet wie zijn enkel heeft gebroken. Bovendien vindt de eerste verklaring van aangever bevestiging in de verklaring van [persoon 2] zelf, nu [persoon 2] verklaart dat hij de eerste klap heeft uitgedeeld en dat ook andere personen geweldshandelingen pleegden. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het, gezien het voorgaande, verantwoord is om aangevers eerste verklaring, afgelegd enkele uren na het incident, voor het bewijs te gebruiken en de rechtbank zal aangevers overige verklaringen buiten beschouwing laten.

Betrouwbaarheid verklaringen [persoon 3]

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen afgelegd door [persoon 3] niet als redengevend bewijs kunnen worden gebruikt, nu [persoon 3] dermate wisselende en niet consistente verklaringen heeft afgelegd, dat haar verklaringen als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt.

De rechtbank leidt de onbetrouwbaarheid van haar verklaringen af uit de tegenstrijdigheden daarin. Zo is zij niet consistent over de plek waar zij zat op het moment dat aangever naar het toilet ging en heeft zij de ene keer verklaard dat zij tumult heeft gezien vanuit haar ooghoek en vervolgens een bloedend gezicht ziet, terwijl zij de andere keer heeft verklaard dat zij vier personen slaande en schoppende bewegingen heeft zien maken. En zij heeft eerst nog in het algemeen verklaard dat zij vier personen slaande en schoppende bewegingen heeft zien maken; bij haar laatste verklaring specificeert zij dit tot dat zij verdachte en [persoon 2] vuistslagen zag toebrengen op het gezicht van aangever. Dit, terwijl zij in een telefoongesprek met aangever heeft gezegd dat zij met haar rug er naar toe zat.

Nog bewijs voor betrokkenheid verdachte voorhanden?

Nu aangever verdachte niet heeft genoemd in zijn eerste verklaring, de hierboven voor verdachte genoemde belastende verklaringen niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden en verder niemand concreet wijst naar verdachte als één van de mannen die geweld op aangever heeft toegepast, is er onvoldoende bewijs voorhanden dat verdachte betrokken is geweest bij het op aangever toegepaste geweld.

Weliswaar kan uit het dossier worden opgemaakt dat verdachte in de skybox aanwezig was voor, tijdens en na de mishandeling van aangever, maar niet kan worden vastgesteld dat verdachte enig aandeel had in deze mishandeling. Het enkele gegeven dat verdachte samen met [persoon 2] de skybox heeft verlaten na de mishandeling levert op zichzelf geen redengevend bewijs op voor de betrokkenheid van verdachte bij de mishandeling.

Ook de verklaring van [persoon 4], dat aangever in het ziekenhuis tegen hem had gezegd dat de man met de tatoeage -waarmee verdachte wordt bedoeld- één van de vier mannen is geweest, kan niet voor het bewijs worden gebruikt, nu aangever zelf die bewuste nacht niets tegen de politie heeft verklaard over een persoon met een tatoeage. De verklaring van [persoon 4] dan ook niet op directe waarneming van de mishandeling en deze is pas afgelegd op 23 juli 2012.

Derhalve is er onvoldoende bewijs voorhanden en zal verdachte van het aan hem ten laste gelegde worden vrijgesproken.

5 Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 1]

5.1.

Inleiding

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [persoon 1]. De benadeelde partij [persoon 1] heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering. Gevorderd wordt een bedrag van € 63.418,42 - aan schade, waarvan € 20.000,- aan immateriële schade, als gevolg van hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd.

5.2.

Het oordeel van de rechtbank

Nu verdachte zal worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde, is [persoon 1] in de vordering jegens verdachte niet-ontvankelijk.

6 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 17 april 2013 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 01/168369-11, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 14 november 2011 van de politierechter te ‘s-Hertogenbosch, waarbij verdachte is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 1 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aangezien verdachte zal worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde, is niet gebleken dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Hierdoor zal de vordering tot tenuitvoerlegging van de voornoemde voorwaardelijke veroordeling worden afgewezen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Ten aanzien van de benadeelde partij

Verklaart [persoon 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 01/168369-11

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.

Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.M. Wieland, voorzitter,

mrs. F.M.S. Requisizione en B.C. Langendoen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Zuithoff, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 februari 2014.

1 Rapport van Prof.dr. [persoon 13] van 16 juni 2013, doorgenummerde pag. 9 076 e.v.