Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:7455

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
13-11-2014
Zaaknummer
AWB 13- 2361
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft een verzoek om informatie gedaan in het kader van het administratief beroep tegen een verkeersboete. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit verzoek niet als Wob-verzoek worden aangemerkt. Verweerder had het bezwaar daarom niet-ontvankelijk behoren te verklaren. Het beroep is gegrond, de rechtbank voorziet zelf in de zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/2361

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 november 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: H.P. Olthof),

en

de minister van Veiligheid en Justitie, Centrale Verwerking Openbaar Ministerie, verweerder

(gemachtigde: mr. P. Luschen).

Procesverloop

De rechtbank heeft op 10 mei 2013 een beroepschrift van eiseres ontvangen, gericht tegen het besluit op bezwaar van verweerder van 19 april 2013 (het bestreden besluit).

Het onderzoek ter zitting door de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 13 december 2013. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door P. van Ruschen, gemachtigde.

De rechtbank heeft het vooronderzoek bij beslissing van 7 januari 2014 heropend, ten einde de zaak naar een meervoudige kamer te verwijzen.

Gezien het tijdsverloop en de ontwikkelingen in de rechtspraak heeft de rechtbank vervolgens echter besloten de zaak weer naar een enkelvoudige kamer te verwijzen.

De behandeling door de enkelvoudige kamer is voortgezet op 9 oktober 2014. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij beschikking van 18 september 2012 is aan eiseres een boete opgelegd in verband met een verkeersovertreding gepleegd op 9 september 2012.

2. Eiseres heeft bij brief van 11 oktober 2012, door verweerder ook ontvangen op die datum, administratief beroep ingesteld tegen die beschikking en verzocht om aan haar een aantal documenten te openbaren.

3. Verweerder heeft het verzoek van eiseres van 11 oktober 2012 als een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) aangemerkt en bij het primaire besluit van 28 november 2012 het zaakoverzicht aan eiseres verstrekt. Ten aanzien van de gevraagde documenten die niet in het bezit zijn van verweerder, heeft verweerder het verzoek om informatie doorgezonden aan de Politie Noord-Holland-Noord, Transact.

4. Eiseres heeft bij brief van 3 januari 2013 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en daarbij verzocht om een dwangsom toe te kennen voor het te laat beslissen op haar Wob-verzoek met kenmerk [nummer].

5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard. Ten aanzien van de gevorderde dwangsom heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een geldige ingebrekestelling, zodat geen dwangsom is verbeurd.

6. De rechtbank is, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:465, en 20 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3106, van oordeel dat het verzoek van eiseres van 11 oktober 2012 geen Wob-verzoek is, maar geheel is gedaan in het kader van de boetebeschikking. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking.

7. Op grond van voornoemde uitspraken van de Afdeling dient een bestuursorgaan te beoordelen of een verzoek om openbaarmaking is gedaan op grond van de Wob of dat het een verzoek om inzage betreft op grond van een andere wettelijke regeling, ook al wordt bij dat verzoek expliciet een beroep gedaan op de Wob. In dit geval heeft eiseres met haar brief van 11 oktober 2012 administratief beroep ingesteld tegen de boetebeschikking van 18 september 2012. Het onderwerp van de brief is ‘Administratief beroep’. In deze brief vraagt eiseres verweerder om haar enkele documenten toe te zenden, ten einde het administratief beroep ‘gedegen te kunnen onderbouwen’. Eiseres voert verder inhoudelijke gronden aan tegen de boetebeschikking en de berekende administratiekosten en stelt daarbij dat zij deze gronden na het bestuderen van de opgevraagde stukken zal aanvullen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het verzoek om openbaarmaking van stukken is gedaan in het kader van het administratief beroep en niet in het kader van de Wob. Dat eiseres verweerder in de op één na laatste alinea verzoekt de documenten zoveel mogelijk digitaal te leveren, nu zij deze verzoekt op grond van de Wob, doet daar niet aan af. De brief van 11 oktober 2012 bevat dan ook geen Wob-verzoek en geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht waarop verweerder een besluit diende te nemen. De termijnen van de Wob zijn evenmin op dit geschil van toepassing, zodat ten tijde van het primaire besluit geen beslistermijn kon zijn verstreken. Verweerder heeft dan ook geen dwangsom verbeurd.

8. Gelet op het voorgaande had verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk behoren te verklaren. Nu verweerder het bezwaar in plaats daarvan kennelijk ongegrond heeft verklaard, kan het bestreden besluit om die reden niet in stand blijven. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 974,-

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J. Koene, rechter,

in aanwezigheid van mr. M. Vogel-Frishert, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 november 2014.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.