Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:7415

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-11-2014
Datum publicatie
25-11-2014
Zaaknummer
13-751770-14
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Artikel 49, derde lid, van het Handvest, richt zich niet tot de (Nederlandse) overleveringsrechter, maar tot de Roemeense strafrechter. Alhoewel de Roemeense opgelegde straf naar Nederlandse maatstaven wellicht als hoog aangemerkt kan worden, is de Roemeense straf volgens de Uniewetgever en Europese maatstaven niet ‘wholly unjustified’ en ‘grossly disproprotionate’. In het Kaderbesluit 2004/757/JBZ is door de Uniewetgever bepaald dat de lidstaten op strafbare feiten op het gebied van de illegale handel in hard drugs maximumstraffen moeten stellen van ten minste 5 tot 10 jaar. Een straf van 7 jaar gevangenisstraf is gelet op deze bandbreedte niet “grossly disproportionate”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751770-14

RK nummer: 14/5825

Datum uitspraak: 7 november 2014

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 1 september 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 29 juni 2012 (ontvangen op 29 augustus 2014) door de Judge Magistrate bij het Iasi Law Court (Roemenië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedatum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring te [plaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 24 oktober 2014. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft.

De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om op de vordering te worden gehoord en zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigd raadsman, mr. D.E. Wiersum, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, van de OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia kloppen en dat de opgeëiste persoon de Roemeense nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van 2 mei 2012 van het Iasi Law Court, gebaseerd op het vonnis van 30 april 2010 van het Iasi Law Court. Dit vonnis is bekrachtigd door het Court of Appeal op 15 maart 2011 en door het High Court of Cassation and Justice op 30 april 2012 (referentie 2861/99/2008).

Tevens wordt in het EAB melding gemaakt van een vonnis van 23 maart 2007 van het Beius Law Court. Dit vonnis is bij brief van 23 september 2014 als aanvulling op het EAB toegezonden. In reactie op een verzoek om aanvullende informatie van het IRC van 25 september 2014 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van 29 september 2014 te kennen gegeven dat het feit van dit vonnis in het EAB dient te worden beschouwd als te vallen onder de feiten van E-1 van het EAB, te weten als het lijstfeit “manslaughter and serious bodily injury”.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een gecombineerde vrijheidsstraf voor de duur van 7 jaar (vonnis van 30 april 2010) en 2 jaar en 4 maanden (vonnis van 23 maart 2007), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog 9 jaar en 4 maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemde vonnissen.

Deze vonnissen betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de betreffende onderdelen zijn als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

De rechtbank stelt verder vast dat het EAB niet strekt tot de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis, zodat de weigeringsgrond van artikel 12 van de OLW niet aan de orde is.

4 Strafbaarheid, feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 5 en 14 , te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Moord en doodslag, zware mishandeling;

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Roemenië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

De raadsman heeft betoogd dat, ondanks de in paragraaf 3 genoemde correspondentie van 23 en 29 september 2014, niet het lijstfeit is aangekruist dat betrekking heeft op het feit waarvoor de opgeëiste persoon bij vonnis van 23 maart 2007 tot een (voorwaardelijke) gevangenisstraf van twee jaar en vier maanden is veroordeeld.

De vraag van het IRC van 25 september 2014 of artikel 178-2 van de Roemeense strafwet aan te merken is als vallend onder “murder or grievous bodily injury”, wordt door de Roemenen niet beantwoord. Zij hebben slechts te kennen gegeven dat het daaronder “zou kunnen” (may be) vallen. De Roemenen rekken het lijstfeit op door “manslaughter” te noemen in plaats van “murder” . Het feit ziet echter op dood door schuld en dat is een ander feit dan moord. Tevens hebben de Roemenen niets gezegd over de specifieke omstandigheden van het geval en hebben zij niet aangegeven dat er abusievelijk geen kruisje is gezet in de lijst van de lijstfeiten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Allereerst is de rechtbank van oordeel dat het strafbare feit waarvoor de opgeëiste persoon bij het vonnis van 23 maart 2007 is veroordeeld, onderdeel uitmaakt van het EAB. Het vonnis van 23 maart 2007 is in het EAB mede als grondslag genoemd. Verder is het EAB met de brieven van 23 en 29 september 2014 en het vonnis van 23 maart 2007 aangevuld dan wel verbeterd, hetgeen op grond van artikel 20, vierde lid, van de OLW mogelijk is.

Anders dan de raadsman is de rechtbank voorts van oordeel dat de Roemeense autoriteiten wel degelijk een bevestigend antwoord hebben gegeven op de vraag van het IRC of het feit van het vonnis van 23 maart 2007 onder het lijstfeit “moord en doodslag, zware mishandeling” valt, nu zij immers schrijven:Yes, the offence of manslaughter (…) may be classified under section E 1 of the European Arrest warrant.” (onderstreping door de rechtbank). Uit het vonnis van 23 maart 2007 blijkt dat de opgeëiste persoon is veroordeeld voor het veroorzaken van een motorongeluk op 11 april 2006 waarbij de bijrijder dodelijk is verongelukt. De feiten en omstandigheden waaronder dit dodelijke ongeval heeft plaatsgevonden, zijn in dit vonnis vermeld.

Verder is het in beginsel aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om te beoordelen of een feit waarvoor overlevering wordt verzocht al dan niet onder voornoemde lijst valt en welk feit dient te worden aangekruist. Enkel in gevallen waarin sprake is van een evidente tegenstrijdigheid tussen de feitsomschrijving en de aangekruiste categorie zou dit tot de conclusie moeten leiden dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit niet in redelijkheid heeft aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. De rechtbank is van oordeel dat van zo een evidente tegenstrijdigheid geen sprake is. Immers, het vermelde lijstfeit is in het Kaderbesluit 2002/584/JBZ betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten in artikel 2, tweede lid en in bijlage 1 bij de OLW onder nummer 14, vermeld als “moord en doodslag, zware mishandeling”.

Het feit is dan ook in redelijkheid als lijstfeit vermeld. Gelet hierop behoeft het betoog van de raadsman met betrekking tot de dubbele gekwalificeerde strafbaarheid geen bespreking meer.

5 Artikel 11 van de OLW en onevenredige straf

5.1.

Standpunt raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering voor het vonnis van
30 april 2010 dient te worden geweigerd dan wel dat er door de rechtbank prejudiciële vragen moeten worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot artikel 49, derde lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).

Hiertoe is aangevoerd dat de opgeëiste persoon tot zeven jaar gevangenisstraf is veroordeeld voor het eenmalig verkopen van 298 XTC-pillen met een totale verkoopwaarde van RON 7000 (ongeveer € 1.500,00).

De raadsman heeft vervolgens verwezen naar de conclusie 18 oktober 2012 (ECLI:EU:C:2012:648) van de Advocaat-Generaal Sharpston in de zaak [naam] (C-396/11) waarin in onder meer is vermeld:

“Ter terechtzitting heeft de gemachtigde van de Duitse regering het voorbeeld van een gestolen gans gebruikt. Als Duitsland werd gevraagd een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen waarbij voor dat strafbare feit in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf van zes jaar was opgelegd, zou tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel volgens haar worden geweigerd.

Een dergelijke weigering zou gerechtvaardigd zijn op grond van de doctrine van evenredigheid. Artikel 49, lid 3, van het Handvest bepaalt immers dat ,,de zwaarte van de straf [...] niet onevenredig [mag] zijn aan het strafbare feit”. Het Hof heeft dat artikel nog niet uitgelegd. In de context van het EVRM heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat de strafmaat in beginsel weliswaar tot op grote hoogte buiten de werkingssfeer van het EVRM valt, maar dat een vonnis dat ,,volstrekt onevenredig” is, mishandeling in strijd met artikel 3 kan opleveren, hoewel enkel in ,,zeldzame en unieke gevallen” aan dat criterium zal zijn voldaan.(62) Het zou interessant zijn te speculeren over de uitlegging van artikel 49, lid 3, van het Handvest in het licht van de uitlegging die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aan artikel 3 van het EVRM heeft gegeven. Ik wil hierop niet nader ingaan om de eenvoudige reden dat het in deze zaak niet naar voren is gekomen.” (par. 103).

Volgens de raadsman is de aan de opgeëiste persoon opgelegde straf volstrekt onevenredig. Er is sprake van strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele Vrijheden (EVRM) en in lijn daarmee is weigering van de overlevering op grond van artikel 49, derde lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna het Handvest) gerechtvaardigd.

In de zaak Vinter van 17 januari 2012 (par. 87 e.v.) van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens is bepaald dat een volstrekt onevenredig vonnis waarbij de zwaarte van de straf in geen verhouding staat tot het gepleegde strafbare feit, foltering in de zin van artikel 3 van het EVRM kan inhouden. Het moet dan gaan om uitzonderlijke gevallen waarin sprake is van een opgelegde straf die ‘wholly unjustified’ of ‘grossly disproportionate’ is .

Ook in het geval van de opgeëiste persoon is sprake van het opleggen van een straf die ‘wholly unjustified’ en ‘grossly disproprotionate’ is. Voor één enkele deal met een waarde van ongeveer €1.500,00 is aan de opgeëiste persoon een gevangenisstraf met een duur van 7 jaren opgelegd. De maximale op te leggen straf is in Roemenië 20 jaar. Er is dus een gevangenisstraf opgelegd ter hoogte van meer dan een derde van dat maximum, terwijl het om een pakje sigaretten gevuld met pillen (EAB, p.7) gaat.

5.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer dient te worden verworpen.

5.3.

Oordeel rechtbank

Allereerst is de rechtbank van oordeel dat artikel 49, derde lid, van het Handvest, waarin is bepaald dat de zwaarte van de straf niet onevenredig mag zijn aan het strafbare feit, zich niet tot de (Nederlandse) overleveringsrechter richt, maar tot de Roemeense strafrechter die in dit geval de straf heeft bepaald.

Aan de orde is verder de vraag of de overlevering van de opgeëiste persoon aan Roemenië ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de aldaar aan de opgeëiste persoon opgelegde straf van zeven jaar gevangenisstraf voor het eenmalig verhandelen van 298 ecstasypillen in strijd is met artikel 3 van het EVRM, omdat deze straf volstrekt onevenredig is.

Alhoewel de Roemeense opgelegde straf naar Nederlandse maatstaven wellicht als hoog aangemerkt kan worden, is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat de Roemeense straf volgens de Uniewetgever en Europese maatstaven niet ‘wholly unjustified’ en ‘grossly disproprotionate’ is.

Hierbij speelt dat in het Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad van 25 oktober 2004 betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de illegale drugshandel (PbEU 2004, L 335/8) het volgende – voor zover hier van belang - in de artikelen 2 en 4 is bepaald (onderstreping rechtbank):

Artikel 2: Strafbare feiten op het gebied van de illegale handel in drugs en precursoren

1. Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen opdat de volgende opzettelijke gedragingen bestraft worden wanneer daarvoor geen rechtvaardigingsgrond aanwezig is:

a. a) het produceren, vervaardigen, extraheren, bereiden, aanbieden, te koop stellen, distribueren, verkopen, afleveren, ongeacht de voorwaarden, verhandelen, doorvoeren, vervoeren, in- of uitvoeren van drugs;

b) het kweken van papavers, cocaplanten of cannabisplanten;

c) het in bezit hebben of aankopen van drugs met het oog op een van de onder a) genoemde activiteiten;

d) het vervaardigen, vervoeren of distribueren van precursoren in de wetenschap dat ze zullen worden gebruikt voor het illegaal produceren of vervaardigen van drugs.

Artikel 4: Sancties

1. Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in de artikelen 2 en 3 bedoelde feiten worden strafbaar gesteld met doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties.

(…)
2. Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 2, lid 1, onder a), b) en c), bedoelde feiten worden strafbaar gesteld met een maximumstraf van ten minste 5 tot 10 jaar gevangenisstraf, in elk van de volgende gevallen:

a) het strafbare feit betreft grote hoeveelheden drugs;

b) het strafbare feit betreft drugs die voor de gezondheid het schadelijkst zijn, of heeft aanzienlijke schade toegebracht aan de gezondheid van verscheidene personen. (…)

In dit Kaderbesluit 2004/757/JBZ is derhalve door de Uniewetgever bepaald dat de lidstaten op strafbare feiten op het gebied van de illegale handel in hard drugs maximumstraffen moeten stellen van ten minste 5 tot 10 jaar. Een straf van 7 jaar gevangenisstraf is gelet op deze bandbreedte niet “grossly disproportionate”.

Tenslotte overweegt de rechtbank - onder verwijzing naar haar uitspraak van

4 maart 2009 (ECLI:NL:RBAMS:2009:BH6183) - dat gelet op de stelselevenredigheid van het Kaderbesluit een beroep op de onevenredigheid van een Europees Aanhoudingsbevel slechts onder bijzondere omstandigheden kan slagen. Hiervan is in dit geval, in het licht van de hoeveelheid en de aard van de verdovende middelen, geen sprake.

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om prejudiciële vragen stellen.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsbepalingen

De 2, 5, 7 en 11 van de OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Judge Magistrate bij het Iasi Law Court (Roemenië) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. A.C. Enkelaar, voorzitter,

mrs. H.P. Kijlstra en S.A. Krenning, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 7 november 2014.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

[A/B/C]