Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:7407

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-09-2014
Datum publicatie
10-11-2014
Zaaknummer
13.751.670-14 (EAB 2)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Executieoverlevering na eerdere overlevering door Nederland aan uitvaardigende lidstaat. Gestelde schending van het specialiteitsbeginsel: de overleveringsrechter vertrouwt erop dat de uitvaardigende lidstaat het specialiteitsbeginsel in de nationale wetgeving heeft geïmplementeerd, dat de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat die wetgeving zullen naleven en dat de overgeleverde persoon zich bij die autoriteiten kan beroepen op het specialiteitsbeginsel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751.670-14 (EAB 2)

RK nummer: 14/4857

Datum uitspraak: 23 september 2014

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 18 juli 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 7 juli 2014 door het Hof van beroep Antwerpen (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedatum],

niet ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, maar naar eigen zeggen verblijvende op het [adres, te plaats],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in het Huis van Bewaring “[locatie]” te [plaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 9 september 2014. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R.A. Bosman. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. M.F.M. Geeratz, advocaat te Venlo.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat zij er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Belgische nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrest van het Hof van Beroep Antwerpen, 15e kamer, d.d. 14 oktober 2013.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 18 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 432 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd arrest.

Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Genoegzaamheid van het EAB en onschuldverweer

4.1

Standpunt van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft betoogd dat de beschrijving van de feiten niet specifiek is en heeft betwist dat hij de feiten heeft begaan. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het EAB niet zegt dat hij iets heeft gedaan of nagelaten en dat het EAB specifiek moet vermelden wat zijn betrokkenheid bij de feiten is geweest.

4.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de beschrijving van de feiten voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en dat de opgeëiste persoon zijn onschuld aan deze feiten niet heeft aangetoond.

4.3

Oordeel van de rechtbank

Onderdeel e) van het EAB houdt, voor zover hier van belang, de volgende beschrijving in van de feiten waarvoor de opgeëiste persoon onherroepelijk is veroordeeld:

Feiten:

als dader/mededader

(…)

De beklaagde was feitelijk bestuurder van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid [B.V. 1]., [B.V. 2], en [B.V. 3].

Verder houdt deze beschrijving, samengevat in, dat:

- “ “na controle” een tegoed aan BTW van 854.852 BEF aan [B.V. 1]. werd uitbetaald;

- onderzoek aan het licht bracht dat de goederen en diensten die [B.V. 1]. aan [B.V. 3] had gefactureerd fictief waren;

- diezelfde goederen en diensten eerst door [B.V. 2] aan [B.V. 1]. werden gefactureerd, welke niet kon aantonen dat deze facturen de weerslag waren van effectief geleverde goederen en/of diensten en

- gezien de valse facturen [B.V. 1]. de erop aangerekende BTW ten onrechte had afgetrokken in haar BTW-aangifte, zodat de daaruit voortvloeiende teruggave van BTW onterecht was.

Het EAB moet gegevens bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het EAB voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

Uit de beschrijving volgt dat de opgeëiste persoon de feiten heeft begaan door middel van één of meer rechtspersonen waarvan hij de feitelijk bestuurder was. Deze beschrijving voldoet aan al de hiervoor genoemde eisen.

De opgeëiste persoon heeft niet aangetoond dat hij de feiten onmogelijk kan hebben begaan. Buiten het in artikel 26, vierde lid, OLW bedoelde geval van een onschuldverweer is in de overleveringsprocedure voor een betwisting van de juistheid van de beschrijving van de feiten geen plaats, te minder daar de opgeëiste persoon onherroepelijk voor deze feiten is veroordeeld.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.

5 Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 2e OLW gestelde eisen.

De rechtbank stelt vast dat de feiten waarvoor overlevering wordt verzocht, zowel naar het recht van België als naar Nederlands recht strafbaar zijn en dat op deze feiten in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

A. valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd en

opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd

B. opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6, tweede lid, OLW in samenhang met artikel 6, vijfde lid, OLW

6.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon gelijk moet worden gesteld met een Nederlander. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De opgeëiste persoon heeft zich eind 2007/begin 2008 bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst gemeld en heeft een verblijfsvergunning verkregen voor onbepaalde tijd. Het is de raadsman niet gelukt een en ander op korte termijn te verifiëren. De opgeëiste persoon heeft, met een korte onderbreking, steeds rechtmatig verblijf gehad in Nederland. Hij heeft ingeschreven gestaan in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, maar hij is ambtshalve uitgeschreven.

6.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op gelijkstelling met een Nederlander niet opgaat. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De opgeëiste persoon staat niet vijf jaar ononderbroken ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Hij heeft niet aangetoond dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven.

6.3

Oordeel van de rechtbank

De ID-staat SKDB van de opgeëiste persoon van 2 juli 2014 houdt onder meer het volgende in:

Verblijfstitel Vw 2000 art. 8, onder e, gemeenschapsonderdaan econ. actief, arbeid vrij

Datum einde geldigheid verblijfstitel Onbepaald

Een dergelijke verblijfstitel is niet een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld

in artikel 6, vijfde lid, OLW.

Nu niet aannemelijk is geworden dat de opgeëiste persoon beschikt over zo een

verblijfsvergunning, is het aan hem om aan te tonen dat hij, teruggerekend vanaf de datum van

deze uitspraak, ten minste vijf jaar ononderbroken en rechtmatig in Nederland heeft verbleven.

De opgeëiste persoon is daarin niet geslaagd.

De rechtbank verwerpt het verweer.

7 Schending van het specialiteitsbeginsel

7.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft primair betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat België de opgeëiste persoon in strijd met het specialiteitsbeginsel heeft veroordeeld en in strijd met dat beginsel de opgelegde straf ten uitvoer heeft gelegd. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De rechtbank heeft op 26 oktober 2007 de overlevering van de opgeëiste persoon aan België toegestaan. Deze uitspraak is op 31 oktober 2007 geëffectueerd. België heeft het specialiteitsbeginsel geïmplementeerd in de Belgische wetgeving.

Op het specialiteitsbeginsel zijn enkele uitzonderingen mogelijk:

- I. indien de betrokken persoon binnen 45 dagen na zijn definitieve invrijheidstelling het Belgische grondgebied heeft verlaten;

- II. indien het strafbare feit (waarop de nieuwe vervolging ziet) niet wordt bestraft met een vrijheidsbenemende maatregel;

- III. indien de betrokken persoon afstand doet (bij overlevering of daarna) van het specialiteitsbeginsel.

Uitzondering I doet zich niet voor, omdat de opgeëiste persoon nooit definitief in vrijheid is gesteld. Op de momenten dat de opgeëiste persoon zich vrij heeft kunnen bewegen, was er sprake van een voorlopige invrijheidstelling. Uitzondering II doet zich evenmin voor. Na de overlevering in 2007 is sprake geweest van een veroordelend vonnis dat, in strijd met het specialiteitsbeginsel, ten uitvoer is gelegd. Voor de verdere tenuitvoerlegging van dat vonnis wordt thans de overlevering verzocht. Uitzondering III is niet aan de orde, omdat de opgeëiste persoon nooit afstand heeft gedaan van de werking van het specialiteitsbeginsel.

Hoewel van enige uitzondering niet is gebleken, heeft de rechter in België na de overlevering in 2007 een veroordelend vonnis gewezen en een vrijheidsstraf opgelegd zonder acht te slaan op het specialiteitsbeginsel. Dit vonnis is thans definitief en een beroepsmogelijkheid tegen dit vonnis staat niet open. België heeft het specialiteitsbeginsel al geschonden door de tenuitvoerlegging van de straf waarvoor de overlevering wordt verzocht. De overlevering ter fine van verdere tenuitvoerlegging van deze straf zal de facto leiden tot een verdere inbreuk op het specialiteitsbeginsel.

Indien de rechtbank de overlevering toestaat, zal de opgeëiste persoon in België geen toegang meer hebben tot een rechter. Dit brengt mee dat, in strijd met het vertrouwensbeginsel dat tussen België en Nederland aanwezig mag worden geacht, het specialiteitsbeginsel geschonden is en nog geschonden zal worden. Een en ander moet dus leiden tot ontoelaatbaarheid van de overlevering.

De opgeëiste persoon heeft aan dit betoog toegevoegd dat hij in strijd met de immuniteit die hem op grond van artikel 21, tweede lid, OLW in Nederland toekomt, is aangehouden en dat zijn verdere vrijheidsbeneming in Nederland en zijn eventuele overlevering aan België eveneens in strijd zijn met die immuniteit. Het is aan België om te bewijzen dat de opgeëiste persoon geen aanspraak kan maken op de immuniteit die het specialiteitsbeginsel hem als gevolg van de overlevering in 2007 verleent.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht de behandeling van het EAB aan te houden, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen bij de Belgische autoriteiten de benodigde documenten op te vragen en eventueel een verklaring van die autoriteiten dat geen sprake is van schending van het specialiteitsbeginsel onder vermelding van de toepasselijke uitzondering.

7.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen de raadsman en de opgeëiste persoon hebben aangevoerd niet kan leiden tot weigering van de overlevering of tot aanhouding van de behandeling van de zaak. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De gestelde schending van het specialiteitsbeginsel door België levert geen weigeringsgrond op. De opgeëiste persoon is tijdens een verlof van België naar Nederland gekomen en is hier aangehouden in verband met drie Belgische EAB’s. De rechtbank moet alleen toetsen of ten aanzien van deze drie EAB’s is voldaan aan de eisen die de Overleveringswet stelt. De naleving van het specialiteitsbeginsel is iets tussen de opgeëiste persoon en België. Het is aan België om vast te stellen of zich een uitzondering op het specialiteitsbeginsel voordoet. De aangevoerde kwestie valt dus buiten het toetsingskader van de overleveringsprocedure in Nederland.

Artikel 21, tweede lid, OLW ziet op een geheel andere situatie. In dit verband zij verwezen naar artikel 8 van het Wetboek van Stafrecht, dat handelt over volkenrechtelijke immuniteit van bijvoorbeeld ambassadeurs van andere landen.

Hoewel hetgeen de raadsman en de opgeëiste persoon hebben aangevoerd onvoldoende aanleiding geeft voor nader onderzoek, heeft het Openbaar Ministerie navraag gedaan bij de Belgische autoriteiten. De opgeëiste persoon heeft in België een kort geding gevoerd tegen de gestelde schending van het specialiteitsbeginsel. De Belgische rechter heeft deze stelling onderzocht en heeft geoordeeld dat geen sprake is van schending van dat beginsel. Daartegen is namens de opgeëiste persoon hoger beroep ingesteld. Dat hoger beroep zal op 15 september 2014 dienen. De opgeëiste persoon heeft dus in België een “effective remedy” tegen de gestelde schending van het specialiteitsbeginsel.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De opgeëiste persoon heeft in het kader van zijn beroep op het specialiteitsbeginsel gewezen op artikel 21, eerste en tweede lid, OLW.

Artikel 21, eerste en tweede lid, OLW luidt als volgt:

1. De opgeëiste persoon kan op basis van een Europees aanhoudingsbevel dat voldoet aan de vereisten omschreven in artikel 2, zonder verdere formaliteiten worden aangehouden.

2. Het eerste lid blijft buiten toepassing zolang de opgeëiste persoon in Nederland immuniteit geniet van strafvervolging en van de tenuitvoerlegging van straffen. De uitvaardigende justitiële autoriteit wordt over het bestaan en de aard van de immuniteit onverwijld in kennis gesteld, met het verzoek om bericht zodra de immuniteit is opgeheven.

Artikel 21, tweede lid, OLW heeft uitsluitend betrekking op personen die in Nederland hetzij krachtens het volkenrecht immuniteit van strafvervolging en straftenuitvoerlegging genieten, zoals buitenlandse staatshoofden en ambassadeurs van andere staten, hetzij krachtens Nederlands staatsrecht zulke immuniteit genieten, zoals de Koning. Gesteld noch gebleken is dat de opgeëiste persoon tot één van beide categorieën van personen behoort.

Ook overigens faalt het beroep op het specialiteitsbeginsel. Daartoe is het volgende redengevend.

Vast staat dat:

- de rechtbank de overlevering van de opgeëiste persoon aan België op 26 oktober 2007 heeft toegestaan ter zake van andere feiten dan het feit dat aan het huidige EAB ten grondslag ligt;

- de opgeëiste persoon op 31 oktober 2007 feitelijk is overgeleverd aan België;

- het feit dat aan het huidige EAB ten grondslag ligt vóór 31 oktober 2007 is begaan.

Artikel 27 van het Kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de overleveringsprocedures tussen de lidstaten (hierna: Kaderbesluit EAB), dat is opgenomen in het hoofdstuk “Gevolgen van de overlevering”, luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1. Elke lidstaat kan het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie ervan in kennis stellen dat, in zijn betrekking met andere lidstaten die dezelfde kennisgeving hebben verricht, de toestemming geacht kan worden te zijn gegeven voor de vervolging, berechting of detentie met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, van de persoon wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest, tenzij de uitvoerende rechterlijke autoriteit in een specifiek geval in haar beslissing tot overlevering anders heeft beschikt.

2. Behoudens in de in lid 1 en lid 3 bedoelde gevallen wordt een overgeleverd persoon niet vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest.

3. Lid 2 is niet van toepassing in gevallen waarin:

a) de gezochte persoon, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had, niet binnen 45 dagen na zijn definitieve invrijheidstelling het grondgebied van de lidstaat waaraan hij was overgeleverd, heeft verlaten, of indien hij na dit gebied verlaten te hebben daarnaar is teruggekeerd;

b) de feiten niet strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel;

c) de strafvervolging niet leidt tot de toepassing van een maatregel die zijn persoonlijke vrijheid beperkt;

d) de gezochte persoon zal worden onderworpen aan de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel die geen vrijheidsbeneming meebrengt, met inbegrip van een geldboete, of

een daarvoor in de plaats komende maatregel, zelfs indien deze kan leiden tot beperking van zijn persoonlijke vrijheid;

e) de gezochte persoon heeft ingestemd met zijn overlevering, in voorkomend geval op hetzelfde tijdstip waarop hij afstand heeft gedaan van de bescherming van het specialiteitsbeginsel, overeenkomstig artikel 13;

f) de gezochte persoon na zijn overlevering uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van bescherming van het specialiteitsbeginsel voor bepaalde, vóór zijn overlevering gepleegde feiten. De afstand wordt gedaan ten overstaan van de bevoegde rechterlijke autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat en wordt opgetekend in een proces-verbaal dat wordt opgemaakt overeenkomstig het nationaal recht van die staat. De afstand wordt verkregen onder omstandigheden waaruit blijkt dat de betrokkene uit vrije wil handelt en zich volledig bewust is van de gevolgen. De gezochte persoon heeft te dien einde het recht zich door een raadsman te doen bijstaan;

g) de uitvoerende rechterlijke autoriteit die de gezochte persoon overgeleverd heeft, overeenkomstig lid 4 daartoe toestemming geeft.

(…)

Nu Nederland noch België de in artikel 27, eerste lid, Kaderbesluit EAB bedoelde kennisgeving heeft gedaan, was België na de overlevering in 2007 gebonden aan artikel 27, tweede lid, Kaderbesluit EAB (Rb. Amsterdam 30 maart 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BW8970; Rb. Amsterdam 8 juni 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BX3752).

Het in artikel 27, tweede lid, Kaderbesluit EAB neergelegde specialiteitsbeginsel verleent aan de overgeleverde persoon het recht om niet worden vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest (HvJ EG 1 december 2008, zaak C-388/08 PPU, ECLI:EU:C:2008:669 ([naam 1]), punt 44), tenzij zich één van de in artikel 27, derde lid, Kaderbesluit EAB bedoelde uitzonderingen op het specialiteitsbeginsel zich voordoet.

Artikel 27 Kaderbesluit EAB geeft geen aanleiding voor de opvatting dat de uitvoerende lidstaat na de overlevering, afgezien van de mogelijkheid genoemd in onderdeel g van het derde lid, een rol heeft te spelen bij het toezicht op de naleving van het specialiteitsbeginsel. De plaatsing van deze bepaling in het hoofdstuk over de gevolgen van overlevering bevestigt dat dit niet het geval is.

De uitvoerende lidstaat die niet de in artikel 27, eerste lid, Kaderbesluit EAB bedoelde kennisgeving heeft gedaan, moet er dus op vertrouwen dat de uitvaardigende lidstaat artikel 27, tweede en derde lid, Kaderbesluit EAB in zijn nationale wetgeving heeft geïmplementeerd, dat de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat die wetgeving zullen naleven en dat de overgeleverde persoon zich bij die autoriteiten kan beroepen op het in artikel 27, tweede lid, Kaderbesluit EAB bedoelde recht.

Hetgeen de raadsman en de opgeëiste persoon hebben aangevoerd, doet geen afbreuk aan dat vertrouwen, leidt niet tot weigering van de overlevering en geeft evenmin aanleiding tot aanhouding van de behandeling van het EAB.

Overigens volgt uit de door de officier van justitie overgelegde stukken dat het vertrouwen in de naleving van het specialiteitsbeginsel door België niet misplaatst is. Uit deze stukken blijkt immers dat:

- België artikel 27, tweede en derde lid, Kaderbesluit EAB heeft omgezet in de Belgische wetgeving;

- een overgeleverde persoon zich voor de Belgische rechter – in meerdere instanties – kan beroepen op het recht om niet worden vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan hetwelk de reden tot de overlevering is geweest;

- de Belgische kortgedingrechter in een door de opgeëiste persoon opgeworpen executiegeschil het beroep op het specialiteitsbeginsel – in eerste aanleg – ongegrond heeft geoordeeld, omdat de opgeëiste persoon – kort gezegd - na zijn overlevering door Nederland vrijwillig België heeft verlaten om er vervolgens terug te keren.

Resumerend verwerpt de rechtbank het primaire verweer en wijst de rechtbank het subsidiaire verzoek om aanhouding van het EAB af.

8 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 11 OLW

8.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft betoogd dat de overlevering in strijd met artikel 11 OLW is. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De schending van het specialiteitsbeginsel levert ook een schending van het EVRM op. Op het moment dat het specialiteitsbeginsel is geschonden, is het vermoeden gegrond dat de opgeëiste persoon na de overlevering op basis van een in strijd met het specialiteitsbeginsel tot stand gekomen veroordeling in België ter tenuitvoerlegging van die veroordeling wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd zal worden.

8.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdediging onvoldoende heeft aangevoerd om aan te nemen dat een flagrante schending van het EVRM dreigt en dat de opgeëiste persoon in België bovendien een “effective remedy” tegen de gestelde schending heeft, omdat het hoger beroep in de kort gedingzaak nog aanhangig is.

8.3

Oordeel van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 9.3 heeft overwogen, kan het verweer om die reden al niet slagen.

De rechtbank verwerpt het verweer.

9 Prejudiciële vragen

9.1

Verzoek van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft de rechtbank verzocht prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie voor te leggen over:

- zijn immuniteit in verband met de wederrechtelijke vrijheidsbeneming;

- het ontbreken van een recht op een doeltreffende voorziening en van een onpartijdig gerecht, een en ander als bedoeld in de artikelen 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

- het ontbreken van vluchtgevaar, mede in verband met de immuniteit;

- ongelijke behandeling, omdat de opgeëiste persoon als onschuldige verdachte niet zijn officiële inkomsten blijft behouden tot hij definitief onschuldig bevonden is;

- de schending van de termijn van 60 dagen en de onmogelijkheid om zich te verdedigen;

- de verplichting van België om te bewijzen dat België het specialiteitsbeginsel niet heeft geschonden.

9.2

.2 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich verzet tegen het stellen van genoemde vragen.

9.3

Oordeel van de rechtbank

Voor zover de vragen verband houden met de gestelde immuniteit als bedoeld in artikel 21, tweede lid, OLW bestaat geen noodzaak om deze vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie voor te leggen, omdat niet is gebleken dat de opgeëiste persoon zulke immuniteit geniet.

Voor zover de vragen verband houden met de gestelde schending van het specialiteitsbeginsel bestaat die noodzaak evenmin, omdat de beantwoording van deze vragen gelet op hetgeen hierboven is overwogen niet van belang is voor de door de rechtbank te nemen beslissing.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld dat (1) de lidstaten niet verplicht zijn om hoger beroep tegen de beslissing van de uitvoerende rechterlijke autoriteit in te voeren en dat (2) de in het Kaderbesluit EAB voorziene uitvaardiging door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit en de toetsing door de uitvoerende rechterlijke autoriteit – in Nederland de Rechtbank Amsterdam – een doeltreffende voorziening in rechte als bedoeld in artikel 47 Handvest en artikel 13 EVRM opleveren (HvJ EU 30 mei 2013, zaak C-168/13 PPU, ECLI:EU:C:2013:358 ([naam 2]), punten 38-47). Voor zover de vragen daarop betrekking hebben, zijn deze dus al beantwoord.

Ook overigens bestaat geen noodzaak voor het stellen van de prejudiciële vragen.

De rechtbank wijst het verzoek dan ook af.

10 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

11 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 51 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

12 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Hof van beroep Antwerpen (België) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. A.J. Dondorp, voorzitter,

mrs. A.M. van der Linden-Kaajan en P. Rodenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 23 september 2014.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

B