Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:735

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-02-2014
Datum publicatie
21-02-2014
Zaaknummer
13/656502-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Amsterdamse rechtbank acht bewezen dat verdachte in een aantal uitgaansgelegenheden een vijftal personen (ernstig) heeft mishandeld. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich ernstig heeft misdragen en dat hij een van de slachtoffers zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Verder beschouwt de rechtbank geweld dat wordt gepleegd in het uitgaansleven als een ernstig strafbaar feit, dat hevige gevoelens van onveiligheid bij de slachtoffers en het overige publiek teweeg brengt.

Van een louter voorwaardelijke straf, een horecaverbod of een boete kan volgens de rechtbank dan ook geen sprake zijn. Wel legt de rechtbank een lagere straf op dan was geëist, onder meer omdat de rechtbank een aantal ten laste gelegde feiten niet bewezen acht. Bovendien was de straf die het OM eiste fors hoger dan de voor dit soort delicten gebruikelijke straffen. De rechtbank ziet geen reden om van die gebruikelijke richtlijnen af te wijken. Tot slot was in een van de zaken de redelijke termijn voor vervolging overschreden, wat een strafmatigende factor vormt. Verdachte moet aan een van de slachtoffers een schadevergoeding betalen van ruim twintigduizend euro.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot anderhalf jaar gevangenisstraf, waarvan een half jaar voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/656502-12 (Promis)

Datum uitspraak: 21 februari 2014

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1984],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [GBA adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 2 en 9 november 2012, 11 december 2012, 10 en 11 oktober 2013 en 22, 23 en 27 januari 2014 en 10 februari 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. M.C. Bienfait – Van Kampen en R.A. Kloos en van wat verdachte en zijn raadslieden mrs. B.L.M. Ficq en M.E. van der Werf naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting van 10 oktober 2013 - kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. geweldshandelingen tegen [persoon 1] tijdens [naam A] in de [locatie] op 8 juli 2012. Dit is achtereenvolgend ten laste gelegd als het medeplegen van poging doodslag en/of het medeplegen van zware mishandeling met voorbedachte raad en/of het openlijk in vereniging geweld plegen en/of het medeplegen van mishandeling;

2. geweldshandelingen tegen [persoon 2] in de nachtclub [naam B] te [plaats] op 12 mei 2012. Dit is achtereenvolgend ten laste gelegd als het medeplegen van poging zware mishandeling en/of het openlijk in vereniging geweld plegen;

3. geweldshandelingen tegen [persoon 3] in de nachtclub [naam C] te [plaats] op 17 juli 2011. Dit is ten laste gelegd als zware mishandeling, subsidiair poging tot zware mishandeling en meer subsidiair mishandeling;

4. mishandeling van [persoon 4] in de nachtclub [naam C] te [plaats] op 17 juli 2011;

5. mishandeling van [persoon 5] in de periode van 1 juli 2011 tot en met 29 juli 2011;

6. vernieling van goederen van [persoon 5] in de periode van 1 juli 2011 tot en met 29 juli 2011;

7. het geven van een kopstoot aan [persoon 6] in het [naam D] café. Deze geweldshandeling is primair ten laste gelegd als een poging zware mishandeling en subsidiair als mishandeling;

8. geweldshandelingen tegen [persoon 7] in de nachtclub [naam E] te [plaats] op 20 februari 2010. Dit is achtereenvolgend ten laste gelegd als medeplegen van zware mishandeling en/of het openlijk in vereniging geweld plegen;

9. gevaarzetting, door zich op 6 maart 2010 als bestuurder van een auto op de Albert Cuypmarkt te Amsterdam zodanig te gedragen dat daarmee gevaar op die weg werd veroorzaakt.

2.2.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

3.1.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting verzocht het Openbaar Ministerie met betrekking tot het aan verdachte onder feit 1 ten laste gelegde niet-ontvankelijk te verklaren, nu zij van oordeel is dat met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Zij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

De gang van zaken tijdens het opsporingsonderzoek geeft blijk van een ernstige veronachtzaming van de belangen van verdachte, welke in samenhang met

- het eenzijdige tactische onderzoek gericht op verdachte;

- het in de openbaarheid komen van beïnvloedende informatie terwijl de meeste getuigen nog niet waren gehoord;

- het slordig omgaan met de informatie uit het onderzoek bij de politie zelf;

- het niet auditief registeren van verhoren;

- het afgeven van het politiedossier aan [persoon 1];

moet leiden tot de vaststelling dat er sprake is van onherstelbare vormverzuimen. Dit heeft zowel het technisch als het tactisch onderzoek geïnfecteerd, terwijl herstelhandelingen niet meer mogelijk zijn, zodat er maar één consequentie kan volgen: de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Meer specifiek is met betrekking tot het technisch onderzoek aangevoerd dat als gevolg van falend plaats delict management iedereen de skybox in en uit kon lopen en sporen heeft kunnen wissen, verplaatsen en contamineren. Ook het veiligstellen van sporen is op zeer onzorgvuldige – en mogelijk contaminerende – wijze geschied. Dat blijkt uit het gegeven dat de theedoek, waarop later bloedsporen van verdachte zijn aangetroffen, pas veertien uur na het verlaten van verbalisanten van de box door een medewerker van de [locatie] in strijd met alle vormvoorschriften die gelden voor inbeslagname, in een vuilniszak aan de politie is overhandigd. Kleding van het slachtoffer waarop mogelijk belangrijke sporen zaten is in het ziekenhuis vernietigd en verdachte is pas in een laat stadium gehoord, waardoor niet meer gecontroleerd kon worden of hij zelf, als gevolg van het incident, mogelijk letsel had opgelopen. Dit falend technisch onderzoek had op zijn minst gecompenseerd moeten worden door deugdelijk tactisch onderzoek, hetgeen – zoals hiervoor is aangegeven – eveneens niet is gebeurd.

3.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat zij wel kan worden ontvangen in de vervolging van verdachte met betrekking tot het aan hem onder feit 1 ten laste gelegde, nu verdachte met betrekking tot het tactisch en technisch onderzoek niet in zijn belangen is geschaad.

Met betrekking tot het niet auditief registreren van de verhoren van de aangever en de getuigen, heeft de officier van justitie aangevoerd dat de ‘Aanwijzing auditief en audiovisueel registeren van verhoren aangevers, getuigen en verdachten’ een facultatieve aanwijzing is en zij daar derhalve niet toe verplicht was. Daarnaast is verdachte niet in zijn belangen geschaad nu aangever en de getuigen bij de rechter-commissaris zijn gehoord in bijzijn van de verdediging.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat er van uit dat de verdediging met haar betoog heeft bedoeld dat alle door haar geschetste onherstelbare vormverzuimen ‘als geheel’ dienen te leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, nu die onherstelbare vormverzuimen zowel het technisch als het tactisch onderzoek hebben geïnfecteerd.

Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging komt als in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen aanleiding ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Beoordeling technisch onderzoek

Met betrekking tot de technische onderzoekshandelingen is de rechtbank van oordeel dat deze moeten worden bezien in het licht van de omstandigheden zoals deze zich die avond hebben voorgedaan. De mishandeling van [persoon 1] vond plaats tijdens een groot dansevenement in de [locatie]. Tijdens dit evenement waren opsporingsambtenaren in burger aanwezig en zij maakten deel uit van het zogenaamde HIT-team (Horeca Interventie Team). In die hoedanigheid waren zij belast met het waarnemen en observeren van openlijk handelen in, dan wel gebruiken van verdovende middelen door bezoekers van het evenement. Daarnaast waren beveiligers aanwezig van de bewakingsdienst [naam F].

Uit de camerabeelden kan worden opgemaakt dat na de mishandeling van [persoon 1] verschillende beveiligers van [naam F] naar [persoon 1] zijn toegegaan. Ook kan uit de processen-verbaal worden opgemaakt dat enkele opsporingsambtenaren van het HIT-team naar de skybox zijn gekomen. Uit zowel deze camerabeelden als de processen-verbaal kan worden afgeleid dat binnen enkele minuten na het incident een onoverzichtelijke situatie ontstond, zowel vóór als in de skybox. Weliswaar is door het HIT-team geprobeerd de skybox op dat moment, in samenwerking met de beveiligers van [naam F], af te sluiten, maar later bleek dat de skybox vanaf de achterkant via het balkon kon worden betreden of kon worden verlaten, waardoor getuigen konden weglopen en mogelijke sporen verloren kunnen zijn gegaan of zijn besmet. Ook bleek dat, ondanks de afsluiting, verschillende medewerkers van [naam F] de skybox hebben betreden. Voorts kan uit het dossier worden afgeleid dat het technisch onderzoek pas ruim veertien uur na de mishandeling heeft plaatsgevonden en dat de theedoek, waar uiteindelijk bloedsporen van verdachte op zijn aangetroffen, daarna pas, in een vuilniszak, is veiliggesteld door een medewerker van de [locatie].

Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat bij het veiligstellen van de plaats delict, achteraf bezien, onvoldoende zorgvuldigheid is betracht en dat als gevolg hiervan de aangetroffen sporen niet volgens de forensisch technische normen zijn veiliggesteld en in beslag zijn genomen. De rechtbank wijst hier met name op de wijze waarop de bewuste theedoek in beslag is genomen. Dit betekent dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv. In het licht van de aard van het incident en de hectische omstandigheden van dat moment kan echter niet worden geconcludeerd dat het technisch onderzoek doelbewust onder de maat is uitgevoerd. Het HIT-team was daar met een ander doel en het NFI wordt doorgaans in dit soort zaken niet ingezet.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er voor wat het technisch onderzoek betreft niet doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, waardoor het vormverzuim niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Beoordeling tactisch onderzoek

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het tactisch onderzoek niet eenzijdig is uitgevoerd. Weliswaar waren alle ogen gericht op verdachte, maar dit moet in het licht worden gezien van het feit dat hij door aangever en verschillende getuigen als één van de verdachten werd genoemd. Uit het dossier blijkt echter dat het Openbaar Ministerie het onderzoek niet heeft beperkt tot de mogelijke betrokkenheid van verdachte. Immers is onderzoek gedaan naar de mogelijke betrokkenheid van [persoon 8] en [persoon 9], maar die onderzoeken hebben niet geleid tot bewijs tegen deze twee. Daarnaast wordt ook medeverdachte [persoon 10] beschuldigd van betrokkenheid bij de mishandeling van [persoon 1]. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er wel degelijk naar anderen dan verdachte is gekeken, waardoor dit verweer niet leidt tot enig vormverzuim.

Voorts stelt de rechtbank vast dat de onderhavige strafzaak vanaf het begin af aan veel media-aandacht heeft gekregen. Het Openbaar Ministerie is echter niet verantwoordelijk voor hetgeen via de media naar buiten komt, tenzij de informatie afkomstig is geweest van politie- of justitiemedewerkers. Uit twee onderzoeken van de Rijksrecherche volgt niet dat het politie- en/of justitiemedewerkers zijn geweest die informatie met betrekking tot de zaak [naam A] aan de media hebben verstrekt. Mogelijke beïnvloeding van getuigen door in de media verschenen berichten, waar de verdediging over spreekt, kan dan ook niet in het licht van artikel 359a Sv aan het Openbaar Ministerie worden verweten, waardoor ook dit verweer wordt verworpen.

Tot slot kan het Openbaar Ministerie niet worden verweten toepassing te hebben gegeven aan het bepaalde in artikel 51b Sv, waardoor dit verweer niet leidt tot enig vormverzuim.

Auditief registreren

Met betrekking tot het verwijt dat de verhoren van aangever en de getuigen bij de politie niet auditief zijn geregistreerd, overweegt de rechtbank als volgt. De ‘Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van aangevers, getuigen en verdachten’ beoogt bij te dragen aan de mogelijkheden om de gang van zaken bij de verhoren desgewenst in een latere fase van het proces te controleren. Met de verdediging constateert de rechtbank dat de verhoren van de aangever en de getuigen bij de politie niet hebben plaatsgevonden in overeenstemming met voornoemde Aanwijzing. Dat levert een onherstelbaar vormverzuim op. Nu echter door dit verzuim geen belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel is geschonden en verdachte hierdoor niet in zijn belangen is geschaad, zal de rechtbank volstaan met de enkele vaststelling dat er sprake is van een vormverzuim en hieraan geen rechtsgevolgen verbinden. Hierbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat de verdediging in de gelegenheid is geweest om de personen, die eerder bij de politie hadden verklaard, bij de rechter-commissaris te ondervragen teneinde de gang van zaken bij de politieverhoren te controleren.

Slotconclusie

Volgens vaste jurisprudentie dient de rechtbank te onderzoeken of de procedure in zijn geheel (‘as a whole’ in de jurisprudentie van het EHRM) als “fair” is te betitelen. Gelet op de aard en ernst van hierboven geconstateerde onrechtmatigheden en/of onzorgvuldigheden, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat de procedure niettemin ‘als geheel’ als “fair” valt aan te merken.

Beslissing

Wijst het verzoek om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren af. De rechtbank zal onder het kopje ‘waardering van het bewijs met betrekking tot de zaak [naam A]’ terugkomen op het hierboven geconstateerde vormverzuim in het technisch onderzoek.

3.4.

Beantwoording voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs ten aanzien van feit 1

4.1.

Inleiding

Op 8 juli 2012 om 03:14 uur wordt tijdens het evenement [naam A] [persoon 1] (hierna: aangever) mishandeld in skybox 233 van de [locatie], ten gevolge waarvan hij het volgende letsel oploopt: een enkelfractuur met een open wond waardoor het bot van de binnenenkel zichtbaar was, gescheurde enkelbanden, licht schedelhersenletsel, meerdere bloeduitstortingen rondom beide ogen en aangezichtsfracturen, waaronder breuken in de binnenste wand en de bodem van de linker oogkas met verplaatsing van botdelen en een breuk van de neus met verplaatsing van botdelen. In de skybox zijn op het moment van de mishandeling verschillende personen aanwezig, waaronder verdachte en medeverdachte [persoon 10] (hierna: [persoon 10]). Aangever verklaart diezelfde nacht in het ziekenhuis dat hij door vier personen is geschopt en geslagen, waaronder verdachte. In zijn daarop volgende verklaringen wordt ook [persoon 10] genoemd als dader.

Op 8 juli 2012 wordt om 18:00 uur in de betreffende skybox het technische onderzoek verricht. Er worden dan verschillende bloedsporen veiliggesteld, die later afkomstig blijken te zijn van onder andere aangever en verdachte. Op de later door een medewerker van de [locatie] veiliggestelde theedoek worden biologische contactsporen en bloedsporen aangetroffen van onder andere verdachte en aangever.

Vervolgens zijn er meerdere getuigen gehoord, waaronder getuige [persoon 11] (hierna: [persoon 11]), die voor zowel verdachte als [persoon 10] belastende verklaringen heeft afgelegd. Daarnaast is vanaf 9 juli 2012 de telefoon van aangever afgeluisterd. Uit deze afgeluisterde gesprekken blijkt dat aangever met meerdere mensen (waaronder getuige [persoon 11]) bespreekt wat er die avond in de skybox is gebeurd. Hierdoor wordt al vrij snel door de verdediging getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van zowel aangever als [persoon 11].

Verdachte heeft uiteindelijk verklaard dat hij vreselijk ontdaan was en begon te koken over een opmerking van aangever en hem daarom een corrigerende tik heeft gegeven. Twee andere mannen, waaronder [persoon 10], zijn vervolgens doorgegaan met de mishandelingen.

[persoon 10] heeft daartegenover verklaard dat hij tussen verdachte en aangever is ingesprongen om ze uit elkaar te halen en dat hij als gevolg daarvan op zijn neus werd geslagen door verdachte waardoor hij een bloedneus heeft opgelopen. Het is hem uiteindelijk wel gelukt om aangever de box uit te krijgen.

Waar het in deze zaak in de kern om gaat is de vraag of verdachte, naast hetgeen hij heeft bekend – te weten het geven van een enkele klap - schuldig kan worden bevonden aan het overige op aangever toegepaste geweld en of hij dit dan alleen of met (een) ander(en) heeft gedaan.

Daarbij dient de rechtbank zich eerst te buigen over de vraag of de resultaten van het technisch onderzoek voor het bewijs kunnen worden gebruikt en of er getwijfeld moet worden aan de door aangever en [persoon 11] afgelegde verklaringen, zoals de verdediging stelt.

4.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Op basis van de verklaringen van aangever, de getuigen [persoon 11], [persoon 12], [persoon 13], [persoon 14] en [persoon 15] en de bevindingen van het NFI ten aanzien van de theedoek, kan worden bewezen dat verdachte meerdere klappen en/of trappen heeft gegeven tegen aangever en dat [persoon 10] hieraan heeft deelgenomen.

Aangever heeft niet alleen consistent verklaard over het daderschap van verdachte en [persoon 10], maar ook wordt zijn verklaring in belangrijke mate ondersteund door de verklaring van [persoon 11]. Er is dan ook geen enkele reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangever omtrent zijn waarnemingen op [naam A].

Daarbij komt dat de verklaring van verdachte, dat hij slechts één corrigerende tik heeft gegeven en dat anderen, waaronder [persoon 10], daarna zijn losgegaan, op zichzelf staat en op de wezenlijke punten niet wordt ondersteund door verklaringen van getuigen of andere feiten en omstandigheden. Hierdoor wordt er geen geloof gehecht aan de door verdachte afgelegde verklaring. Ook aan de verklaring van [persoon 10], dat hij tussen aangever en verdachte is gekomen, dient geen geloof te worden gehecht, nu in het dossier geen ondersteuning is te vinden voor die verklaring. De verklaringen van de getuigen [persoon 16], [persoon 17] en [persoon 18], die de verklaring van [persoon 10] op dit punt ondersteunen, dienen als onbetrouwbaar ter zijde te worden geschoven, nu deze getuigen hun eerder bij de politie afgelegde verklaringen bij de rechter-commissaris in het voordeel van [persoon 10] hebben gewijzigd.

Hoewel het veiligstellen van de theedoek niet conform de forensisch technische normen is gegaan, blijkt uit diverse verklaringen en foto’s uit het dossier dat de skybox niet was schoongemaakt en dat de theedoek op dezelfde plek is blijven liggen. Uit vorenstaande volgt dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor contaminatie en dat de bevindingen van het NFI, dat er op de theedoek sporen van zowel DNA van verdachte als van aangever zijn aangetroffen, voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

Op basis van de hiervoor genoemde verklaringen en de beschouwingen van de forensisch arts kan er van uit worden gegaan dat aangever door meer dan één persoon is mishandeld, dat hij in ieder geval is geslagen en gestompt in het gezicht en geschopt of getrapt tegen zijn enkel, waarbij het waarschijnlijk is dat verdachte als eerste heeft geslagen.

Van de ten laste gelegde poging tot doodslag dient verdachte te worden vrijgesproken nu het vereiste opzet op de dood van aangever ontbreekt. Wel kan het medeplegen van zware mishandeling bewezen worden verklaard. Het door de verdachte en [persoon 10] op aangever toegepaste geweld moet gekwalificeerd worden als het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met voorbedachte raad. De nauwe en bewuste samenwerking tussen [persoon 10] en verdachte kan worden afgeleid uit het feit dat [persoon 10] voorafgaand aan de mishandeling de gang oploopt, rond kijkt, vervolgens weer naar binnen gaat en de deur sluit, dat verdachte het barmeisje kort voor het incident naar buiten leidt met de mededeling “wij kunnen het wel even 5 minuten zonder jou af”, en dat vrijwel direct daarna de mishandeling plaatsvindt, waarbij beide verdachten aangever als het ware omsingelen als hij de wc uitkomt. Ook kan de samenwerking worden afgeleid uit het feit dat verdachte en [persoon 10] kort na de mishandeling de skybox samen via het balkon verlaten en naar de uitgang van de [locatie] lopen.

Dat er sprake is van voorbedachte raad kan worden afgeleid uit vrijwel dezelfde omstandigheden: het feit dat verdachte met zijn vuist in zijn hand sloeg, dat [persoon 10] vlak voor het feit op de gang ging kijken, dat verdachte vlak voor de mishandeling het barmeisje wegstuurde en uit het feit dat aangever door verdachte en [persoon 10] voor het toilet werd opgewacht, aldus de officier van justitie. Dit leidt tot de conclusie dat verdachten niet gehandeld hebben in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, maar met voorbedachte raad.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging meent dat de voorschriften en de mate van deugdelijkheid rondom het technisch opsporingsonderzoek aanzienlijk zijn geschonden, waardoor eventueel aanwezig technisch bewijs als onrechtmatig dient te worden aangemerkt en derhalve dient te worden uitgesloten van het bewijs. Daarnaast kan ook niet meer worden vastgesteld of de aangetroffen sporen ook daadwerkelijk authentieke sporen zijn, of dat sprake is van besmetting. De resultaten van de onderzoeken van het NFI van die sporen zijn daarom niet te duiden en daarom ook niet te gebruiken voor de bewijsvoering.

De conclusie ten aanzien van het tactisch bewijs is dat de verklaring van verdachte, dat hij aangever een slag heeft gegeven, voor het bewijs kan worden gebruikt en dat de verklaringen van aangever, [persoon 11] en van andere getuigen onvoldoende betrouwbaar zijn, waardoor alleen bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan eenvoudige mishandeling van aangever door het geven van één enkele klap. De geweldshandelingen die daarna hebben plaatsgevonden kunnen verdachte niet worden toegerekend.

De officiële verklaringen van aangever afgelegd bij de politie en de rechter-commissaris kunnen niet van doorslaggevende betekenis zijn voor het bewijs, nu uit tapgesprekken van aangever blijkt dat hij helemaal niet weet wie hem heeft geslagen en/of geschopt. Deze officieuze onbevangen gesprekken van aangever op de taps zijn betrouwbaarder, authentieker en inzichtelijker dat de officieel afgelegde verklaringen. De officiële verklaringen van aangever leveren enkel bewijs op voor een zekere betrokkenheid van verdachte op het plaats delict, maar leveren geen redengevend bewijs op voor het individuele aandeel van verdachte in het op aangever toegepaste geweld.

Ook aan de verklaringen van [persoon 11] kleven gebreken. Haar zichtpositie is onduidelijk, haar verklaringen verschillen onderling van elkaar, haar eerste twee verklaringen bevatten nauwelijks voor verdachte belastende informatie en haar verklaringen worden, naarmate de tijd verstrijkt, steeds meer belastend voor verdachte, wat verdacht is voor de betrouwbaarheid ervan. Gelet hierop zijn de verklaringen van [persoon 11] niet voldoende betrouwbaar om te kunnen worden gebruikt als redengevend bewijs tegen verdachte.

Er zijn onvoldoende bewijzen voor de poging tot doodslag. De door het Openbaar Ministerie aangenomen voorbedachte raad bij de door haar bewezen geachte zware mishandeling in vereniging is te speculatief, te concluderend en interpretatief. De verklaringen van getuige [persoon 19] zijn interpretaties achteraf en leveren daarom geen redengevend bewijs op voor de voorbedachte raad.

Voorts is er geen enkel bewijs voorhanden dat er geweldsfeiten zijn gepleegd in een min of meer bestaand teamverband. Verdachte moet daarom ook worden vrijgesproken van het medeplegen van de verwijten zoals die ten laste zijn gelegd.

Ook van de ten laste gelegde openlijke geweldpleging dient verdachte te worden vrijgesproken nu verdachte geen bijdrage heeft willen leveren aan het op aangever toegepaste geweld. Verdachte heeft het geweld juist willen stoppen door [persoon 10] een tik op de neus te geven en heeft zich daarna gedistantieerd.

Verdachte kan alleen veroordeeld worden voor het slaan van aangever met de rug van zijn hand met pijn als gevolg. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte de veroorzaker is van het door aangever opgelopen hoofdletsel en verdachte mag niet aansprakelijk worden gesteld voor de strafbare feiten gepleegd door anderen, aldus de verdediging.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

Technisch bewijs

In rubriek 3.3. is door de rechtbank vastgesteld dat bij het veiligstellen van de plaats delict achteraf bezien onvoldoende zorgvuldigheid is betracht en dat als gevolg hiervan de aangetroffen sporen niet volgens de forensisch technische normen zijn veiliggesteld en in beslag zijn genomen. De rechtbank wijst hierbij met name op de wijze waarop de theedoek in beslag is genomen.

Bewijsuitsluiting als reactie op een vormverzuim kan uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen en als hierdoor een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.

Nu de uitkomsten uit het technisch onderzoek (de van verdachte aangetroffen bloedsporen op het plaats delict en de van verdachte en aangever aangetroffen contact- en bloedsporen op de theedoek), niet volgens de forensische technische normen in beslag zijn genomen, is een belangrijk strafvorderlijk voorschrift in aanzienlijke mate geschonden. Gezien het grote belang van forensisch technische normen ter voorkoming van besmetting van bewijs, terwijl niet handhaven van die normen het vertrouwen in dergelijke onderzoeksmethoden zou ondermijnen, past geen andere reactie dan uitsluiting van het uit het technisch onderzoek verkregen bewijs.

Betrouwbaarheid verklaringen aangever

De verdediging stelt dat aan de verklaringen van aangever dusdanig moet worden getwijfeld, dat deze niet kunnen bijdragen aan het bewijs. Hoewel de rechtbank constateert dat aangever zijn verklaring in de verschillende verhoren wijzigt in die zin dat hij steeds specifieker wordt over de rol van verdachte en [persoon 10], betekent dit niet op voorhand dat aan de verklaringen van aangever geen enkele bewijskracht kan toekomen. Voorgaande vaststelling en de mogelijkheid dat de verklaringen van aangever onderhevig zijn geweest aan “collaborative storytelling”1, waarbij hij door de gesprekken met anderen de gebeurtenissen is gaan reconstrueren, leiden ertoe dat de rechtbank behoedzaamheid zal dienen te betrachten bij de vraag of de verklaringen van aangever gebezigd kunnen worden voor het bewijs.

Vastgesteld kan worden dat drie beveiligers/medewerkers verklaren dat aangever kort na het incident en vlak voordat hij naar het ziekenhuis werd vervoerd, heeft gezegd dat verdachte hem heeft geslagen. Enkele uren na het incident, legt aangever in het ziekenhuis zijn eerste officiële verklaring af. Volgens [persoon 20], forensisch arts, vermelden de medische stukken eensluidend dat bij aangever sprake is van een optimaal, niet verlaagd bewustzijn. Aangever verklaart dan dat hij in de skybox [persoon 21] een hand heeft gegeven, dat hij naar het toilet is gegaan en dat, toen hij de toiletdeur wilde openen, de deur moeilijk open ging en kennelijk werd geblokkeerd. Toen hij de deur open deed zag hij in de deuropening vier personen voor zich staan. Hij zag en voelde dat hij door deze personen op zijn gezicht werd geslagen en hij weet zeker dat verdachte hier bij was. Hij voelde en zag dat hij door hen werd geschopt en geslagen. Hij zag verdachte ook schoppende en slaande bewegingen maken. Het ging zo snel dat hij niet weet wie van de vier mannen hem nog meer hebben geslagen. Ook voelde hij dat hij geduwd werd en dat een van de mannen zei “Je moet opkankeren”.

Vanaf 9 juli 2012, een dag na het incident, is de telefoon van aangever getapt. Uit de telefoongesprekken blijkt dat hij samen met anderen bespreekt wat er is gebeurd en dat anderen ook op hem inpraten en hem aanvullen. De rechtbank kan niet uitsluiten dat de latere verklaringen van aangever door het voeren van deze gesprekken zijn beïnvloed en dit kan van invloed zijn op de betrouwbaarheid van de latere verklaringen van aangever. De rechtbank stelt echter ook vast dat aangever - in lijn met zijn eerste verklaring – steeds consequent stelt dat, zodra hij het toilet uit kwam, hij door meerdere personen is belaagd en dat hij zeker weet dat verdachte er bij was, maar dat hij niet weet wie zijn enkel heeft gebroken. Bovendien vindt de eerste verklaring van aangever bevestiging in de verklaring van verdachte zelf, nu verdachte verklaart dat hij de eerste klap heeft uitgedeeld en dat ook andere personen geweldshandelingen pleegden. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het, gezien het voorgaande, verantwoord is om aangevers eerste verklaring, afgelegd enkele uren na het incident, voor het bewijs te gebruiken en de rechtbank zal aangevers overige verklaringen buiten beschouwing laten.

Betrouwbaarheid verklaringen [persoon 11]

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen afgelegd door [persoon 11] niet als redengevend bewijs kunnen worden gebruikt, nu [persoon 11] dermate wisselende en niet consistente verklaringen heeft afgelegd, dat haar verklaringen als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt.

De rechtbank leidt de onbetrouwbaarheid van haar verklaringen af uit de tegenstrijdigheden daarin. Zo is zij niet consistent over de plek waar zij zat op het moment dat aangever naar het toilet ging en heeft zij de ene keer verklaard dat zij tumult heeft gezien vanuit haar ooghoek en vervolgens een bloedend gezicht ziet, terwijl zij de andere keer heeft verklaard dat zij vier personen slaande en schoppende bewegingen heeft zien maken. En zij heeft eerst nog in het algemeen verklaard dat zij vier personen slaande en schoppende bewegingen heeft zien maken; bij haar laatste verklaring specificeert zij dit tot dat zij verdachte en [persoon 10] vuistslagen zag toebrengen op het gezicht van aangever. Dit, terwijl zij in een telefoongesprek met aangever heeft gezegd dat zij met haar rug er naar toe zat.

Meer dan een corrigerende tik?

De verdediging stelt dat verdachte slechts kan worden veroordeeld voor het geven van een enkele “corrigerende” tik met de rug van de hand, waarvan aangever alleen pijn heeft ondervonden. De rechtbank gaat niet mee in dit betoog en overweegt als volgt.

Aangever heeft op 8 juli 2012 om 5.30 uur verklaard dat op het moment dat hij het toilet uit wilde komen er vier mannen voor hem stonden. Hij werd door deze personen op zijn gezicht geslagen en aangever weet zeker dat verdachte daarbij was. Aangever werd geslagen en geschopt. Deze verklaring wordt voldoende ondersteund door andere bewijsmiddelen, waaronder met name de verklaring van verdachte zelf. Zo betwist verdachte niet dat hij zelf de eerste klap heeft uitgedeeld. Evenmin betwist verdachte dat er door meerdere personen geweld is toegepast. Verder is onbetwist dat het geweld heeft plaatsgehad binnen slechts 18 seconden.

Dat de eerste klap geen “corrigerende” tik maar een harde stomp in het gezicht moet zijn geweest, waardoor aangever ten val is gekomen, leidt de rechtbank af uit de verklaring van aangever, die nimmer heeft gesproken over een corrigerende tik zoals door verdachte bedoeld. Daar komt bij dat verdachte zelf bij de politie heeft verklaard, dat hij hevig ontdaan was en “kookte” door een opmerking van aangever, terwijl verschillende getuigen na het incident hebben gezien dat verdachte zijn rechterhand bij zijn mond hield, dat hij een theedoek om zijn hand gewikkeld hield en dat op camerabeelden te zien is dat verdachte onderweg naar buiten zijn hand voor zijn borst hield en meerdere keren bij zijn mond hield, kennelijk in verband met een verwonding van zijn hand, en verdachte heeft bevestigd dat hij een verwonding aan een van zijn knokkels heeft opgelopen. Niet aannemelijk is dat verdachte van een enkele “corrigerende tik” een verwonding aan zijn hand zou hebben opgelopen.

De stelling van verdachte, dat hij zich na het geven van de eerste klap zou hebben gedistantieerd, wordt door geen enkele verklaring in het dossier ondersteund. Het hele geweldsincident heeft plaatsgevonden binnen een zeer kort tijdsbestek van maximaal 18 seconden en ving aan op het moment dat verdachte naar eigen zeggen woedend was op aangever. De rechtbank acht niet aannemelijk dat er binnen dit korte tijdsbestek een moment van bezinning en zodanige bekoeling van zijn woede is geweest dat verdachte afstand heeft genomen van het gebeuren. In de verklaring van de anonieme getuige kunnen evenmin aanknopingspunten worden gevonden voor het scenario van verdachte, aangezien zij consistent heeft verklaard dat drie mannen dicht tegen elkaar stonden en dat op het moment dat aangever op de grond lag er diverse keren op hem werd getrapt. De verklaring van verdachte dat aangever vanaf dat moment vele malen werd geslagen door twee mannen maar dat hij daar verder niets mee te maken heeft gehad, wordt dus niet bevestigd door deze anonieme getuige, noch door aangever, noch door anderen en de rechtbank acht de stelling van verdachte daarom niet aannemelijk. Evenmin zijn er voldoende overtuigende aanknopingspunten voor het standpunt van verdachte dat hij het geweld heeft getracht te stoppen door “de Turkse man” (de rechtbank begrijpt: [persoon 10]) een klap te geven. Dit is in tegenspraak met de verklaring van [persoon 10], dat juist hij het geweld probeerde te stoppen. Als verdachte de wens zou hebben gehad het geweld te stoppen, dan had het bovendien meer voor de hand gelegen dit verbaal te uiten maar dat heeft hij niet gedaan, althans daar zijn geen aanwijzingen voor. Het door verdachte geschetste scenario wordt voorts tegengesproken door de verklaring van beveiliger [persoon 14], die direct na het incident verdachte in de skybox in het bijzijn van de twee andere mogelijke daders heeft aangetroffen. Er heerste op dat moment een opgefokte sfeer en er werd “[naam 1], [naam 1], [naam 1]” geroepen, aldus [persoon 14]. De beveiliger had de indruk dat [persoon 10] verdachte probeerde te kalmeren. Korte tijd later is verdachte weggegaan via het balkon van de skybox. Het door verdachte geschetste alternatieve scenario acht de rechtbank dan ook niet geloofwaardig.

Is hier sprake van medeplegen?

Van medeplegen is sprake wanneer twee of meer personen gezamenlijk een strafbaar feit plegen, waarbij niet alle delictsbestanden door allen vervuld behoeven te zijn. De relevante criteria in dit verband zijn de vragen of er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de twee anderen en of er sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering. Van belang zijnde elementen voor het aannemen van bewuste en nauwe samenwerking zijn bijvoorbeeld de intensiteit van de samenwerking, een taakverdeling, de rol in de voorbereiding, uitvoering of afhandeling, het zich al dan niet distantiëren en aanwezigheid op belangrijke momenten.

Verdachte is naar aangever toegelopen om het eerste geweld op hem toe te passen. Voorts kan uit de verklaringen van aangever en de anonieme getuige worden opgemaakt dat er sprake was van een groepje dat aangever als het ware insloot, zodanig dat aangever niet weg kon komen. Verdachte heeft aangever een harde stomp in het gezicht gegeven. Niet kan worden vastgesteld wie welke geweldshandelingen daarna heeft gepleegd. Wel kan aan de hand van de bevindingen van de forensisch arts worden vastgesteld dat er, gelet op het letsel, sprake moet zijn geweest van minimaal tweemaal inwerkend geweld - maar waarschijnlijk meer - in het gezicht van aangever (mogelijk ook afkomstig van één vuistslag en een val) en dat er minimaal één keer tegen de buitenzijde van de enkel moet zijn getrapt. Gelet op het letsel wordt het meest aannemelijk geacht dat dit trappen tegen de enkel, is gebeurd terwijl aangever zich in staande positie bevond, aldus de arts.

Alhoewel niet kan worden vastgesteld wie precies wat heeft gedaan kan naar aanleiding van het voorgaande echter wel worden vastgesteld dat verdachte het eerste geweld jegens aangever heeft gepleegd en dat aangever werd ingesloten door een groep van drie mannen en dat niemand uit die groep zich heeft gedistantieerd van het geweld.

De rechtbank is van oordeel dat hieruit volgt dat aan voornoemde criteria voor medeplegen is voldaan. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde medeplegen van zware mishandeling bewezen kan worden.

Voorbedachte raad?

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad vereist dat komt vast te staan dat de verdachte niet in een ogenblikkelijke gemoedsbeweging heeft gehandeld, maar tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen handelen, en zich daarvan rekenschap te geven. Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor de conclusie dat verdachte het vooropgezette plan had om aangever te mishandelen, wat zou kunnen wijzen op kalm beraad en rustig overleg, of dat verdachte anderszins tijd heeft gehad om zich te beraden op het door hem te nemen of genomen besluit. De rechtbank acht de voorbedachte raad die onder het tweede cumulatief/alternatief is ten laste gelegd daarom niet bewezen. Verdachte zal daarvan (partieel) worden vrijgesproken.

Voorts overweegt de rechtbank hierbij dat hetgeen door de officier van justitie is aangevoerd, dat verdachte het barmeisje [persoon 19] de skybox zou hebben uitgestuurd om zo min mogelijk getuigen te hebben van de mishandeling die aanstaande was, te suggestief is om als bewijs te kunnen dienen voor de voorbedachte raad. Naast het barmeisje waren immers nog meerdere personen in de skybox aanwezig die niet zijn ‘weggestuurd’, hetgeen deze invulling achteraf minder aannemelijk maakt.

Openlijke geweldpleging

Naast de kwalificatie ‘medeplegen van zware mishandeling’ levert hetgeen door de rechtbank bewezen is verklaard ook de kwalificatie ‘openlijke geweldpleging’ op. Aan de hand van het hiervoor overwogene kan worden vastgesteld dat verdachte een significante en wezenlijke bijdrage heeft gehad aan de openlijke geweldpleging.

Gelet op het hiervoor genoemde en gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, zoals vermeld in de aangehechte bijlage II, acht de rechtbank bewezen dat verdachte het onder feit 1 tweede cumulatief/alternatief in eendaadse samenloop heeft begaan met het onder feit 1 derde cumulatief/alternatief bewezen geachte. Daarvoor is in onderlinge samenhang doorslaggevend dat de bewezen verklaarde gedragingen eenheid in tijd en plaats laten zien. Om die reden vindt artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr) toepassing. De rechtbank houdt bij het bepalen van een eventuele strafmaat rekening met deze eendaadse samenloop en heeft deze daarin verdisconteerd.

5 Waardering van het bewijs ten aanzien van de [naam B]-zaak (feit 2)

5.1.

Inleiding

In de nacht van 12 mei 2012 vindt in de club [naam B] in [plaats] een vechtpartij plaats tussen [persoon 2] (hierna: [persoon 2]) en een groep ‘jongens’. Als de politie ter plaatse is horen verbalisanten een vriend van [persoon 2] zeggen: “het was [verdachte].”

Als gevolg van deze vechtpartij loopt [persoon 2], die zelf geen aangifte wenst te doen, een snee in zijn wang op door een stuk glas. De portier van [naam B], [persoon 22], heeft verklaard dat het verdachte is geweest die [persoon 2] een kopstoot heeft gegeven als gevolg waarvan deze achterover de trap af viel en dat het verdachte is geweest die, nadat [persoon 2] door andere mannen werd geschopt en geslagen, een glas in diens gezicht heeft stuk geslagen.

Naar aanleiding van deze vechtpartij worden verschillende getuigen gehoord en worden de camerabeelden uitgekeken.

Waar het in deze zaak in de kern om draait, is of kan worden bewezen dat verdachte de door portier [persoon 22] verklaarde geweldshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van het slachtoffer.

5.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie acht bewezen dat het verdachte was die de geweldshandelingen heeft gepleegd. Zij baseert zich hierbij op de consistente verklaringen van de portier [persoon 22], in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten die het slachtoffer met zichtbaar letsel en een stuk glas in de wang hebben gezien, en die een vriend van het slachtoffer de opmerking hebben horen maken dat het verdachte was. De verklaring van de portier wordt verder bevestigd door de camerabeelden, waarop is te zien dat verdachte het slachtoffer vasthoudt en waarop de verwondingen aan de hand van verdachte direct na de confrontatie van verdachte met het slachtoffer zijn waar te nemen. Aldus kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging zware mishandeling.

De door verdachte afgelegde verklaring, dat niet hij maar een ander het letsel zou hebben toegebracht, wordt niet ondersteund door de camerabeelden of overige verklaringen in het dossier. Wel wordt verzocht om verdachte partieel vrij te spreken van de ten laste gelegde kopstoot en de flying kick, nu niet bewezen kan worden dat verdachte zich in vereniging met anderen aan deze mishandelingen heeft schuldig gemaakt.

Door een persoon met een glas in de hand, met kracht, ter hoogte van het hoofd -vlakbij de neus, mond en ogen- te steken, wordt bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zal oplopen, aldus de officier van justitie.

5.3.

Het standpunt van de verdediging

De verklaringen van portier [persoon 22] zijn onderling zo tegenstrijdig -en ook strijdig met de camerabeelden- dat die verklaringen niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Bovendien wordt het belastende onderdeel van zijn verklaringen, dat verdachte met een glas in het gezicht van het slachtoffer zou hebben geslagen, niet ondersteund door de camerabeelden, omdat verdachte dan buiten beeld is. Op de getoonde camerabeelden is geen geweldshandeling door verdachte waar te nemen.

Ook de verklaring van de vriend van het slachtoffer, dat het verdachte was, kan niet voor het bewijs worden gebruikt omdat niet duidelijk is wat de precieze strekking van zijn opmerking is geweest en omdat uit het dossier blijkt dat andere personen de ruziemakers waren. Daarnaast is de verdediging niet in staat gesteld deze niet nader bekend geworden vriend te horen.

Derhalve kan niet worden bewezen dat verdachte een kopstoot of een flying-kick heeft gegeven, dan wel een glas in het gezicht van het slachtoffer kapot heeft geslagen. Deze handelingen kunnen evenmin op grond van medeplegen aan verdachte worden toegerekend, nu er geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Er blijkt ten aanzien van verdachte geen enkele wijze van gezamenlijk opzet.

Ten slotte dient verdachte ook van de ten laste gelegde openlijke geweldpleging te worden vrijgesproken omdat uit het dossier eerder blijkt dat verdachte een bemiddelende rol heeft gespeeld en er geen sprake is van een significante of wezenlijke bijdrage aan de ruzie, aldus de verdediging.

5.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is - anders dan de officier van justitie, en met de verdediging – van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem onder feit 2 ten laste gelegde en overweegt hiertoe als volgt.

In het dossier zijn geen andere bewijsmiddelen voorhanden die de enige voor verdachte belastende verklaring van [persoon 22] ondersteunen. Ook het proces-verbaal met betrekking tot het uitkijken van de camerabeelden kan niet voor het bewijs worden gebruikt, nu de rechtbank na het zien van de camerabeelden van oordeel is dat die beelden niet overeenkomen met de door de verbalisant gegeven omschrijving van die beelden, en niet overeenkomen met hetgeen door [persoon 22] is verklaard. Immers is op de beelden niet waar te nemen dat verdachte een kopstoot zou hebben gegeven en evenmin is op de beelden waar te nemen dat verdachte een glas in de richting van het slachtoffer stuk slaat. Hetgeen door de officier van justitie op de beelden is waargenomen, te weten dat verdachte het slachtoffer vasthoudt en dat er verwondingen op de binnenzijde van de hand van verdachte zijn te zien, is niet door de rechtbank waargenomen. Te zien lijkt dat verdachte naar zijn hand kijkt en de rechtbank acht dat onvoldoende bewijs voor het ten laste gelegde.

Ook de verklaring van de vriend van [persoon 2], dat het verdachte is geweest, kan niet voor het bewijs worden gebruikt, nu de rechtbank met de verdediging van oordeel is dat niet kan worden vastgesteld wat de strekking van deze uitlating is geweest en niet bekend is geworden wie deze vriend is, waardoor hij niet nader is gehoord.

Nu er verder geen andere bewijsmiddelen voorhanden zijn, dient verdachte van het aan hem onder feit 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

6 Waardering van het bewijs ten aanzien van de [naam C]-zaak (feiten 3 en 4)

6.1.

Inleiding

Op 19 juli 2012 heeft [persoon 3] (hierna: [persoon 3]) aangifte gedaan van zware mishandeling gepleegd door verdachte op 17 juli 2011 in [naam C]. [persoon 3], eigenaar van [naam C], heeft verklaard dat hij die avond samen met twee Italianen, [persoon 4] (hierna: [persoon 4]) en [persoon 23] (hierna: [persoon 23]), in zijn club aanwezig was en dat hij in discussie raakte met een lange man van Noord-Afrikaanse afkomst, omdat hij er niet langs kon. Voorts heeft hij verklaard dat hij, nadat hij tegen die man zei dat hij de eigenaar was, direct een vuistslag heeft gekregen en daarna werd getrapt tegen zijn mond, ten gevolge waarvan een aantal tanden afbraken. Vervolgens trof [persoon 3] diezelfde man bij de uitgang, waar hij van een collega te horen kreeg dat die man [verdachte] was.

[persoon 4] heeft verklaard dat hij achter [persoon 3] aanliep en zag dat [persoon 3] in gesprek raakte met een man en dat diezelfde man [persoon 3] een vuistslag en een trap gaf. Voorts heeft [persoon 4] verklaard dat hij wilde ingrijpen, maar dat hij als gevolg daarvan van diezelfde man ook een vuistslag kreeg. [persoon 4] heeft de man omschreven als een hele lange gespierde man met een Marokkaans uiterlijk.

Ook [persoon 23] heeft verklaard dat [persoon 3] en [persoon 4] van één en dezelfde man vuistslagen hebben gekregen.

Verdachte heeft in lijn met [persoon 3] verklaard dat hij inderdaad met [persoon 3] in gesprek raakte omdat [persoon 3] tegen hem aanliep, dat [persoon 3] zei dat hij de eigenaar was, maar dat hij verder niets heeft gedaan. Het was de vriend van zijn broer, [persoon 24] (hierna: [persoon 24]), die de eerste klap aan [persoon 3] heeft gegeven en zijn broer, [persoon 25] (hierna: [persoon 25]), zou vervolgens ook hebben geslagen. [persoon 3] werd vervolgens door meerdere personen geslagen en geschopt. Verdachte zou daarop [persoon 25] en [persoon 24] hebben weggetrokken.

De vraag die hier beantwoord dient te worden is of het verdachte is geweest die zowel [persoon 3] als [persoon 4] heeft mishandeld. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord, indien bewezen kan worden dat verdachte het geweld op [persoon 3] heeft toegepast, of dit gekwalificeerd kan worden als zware mishandeling, een poging daartoe of als een eenvoudige mishandeling.

6.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De aan verdachte ten laste gelegde zware mishandeling van [persoon 3] kan worden bewezen op grond van zijn aangifte, aangevuld met de verklaringen van [persoon 23] en [persoon 4]. Verdachte heeft als een geoefend vechtsporter een vuistslag uitgedeeld tegen het hoofd van [persoon 3], direct daarop gevolgd door één of meer harde trappen in het gezicht van [persoon 3], die inmiddels op de grond lag, ten gevolge waarvan hij twee voortanden heeft verloren. Het verliezen van twee voortanden kan als zwaar lichamelijk letsel worden aangemerkt, aldus de officier van justitie die hierbij verwijst naar uitspraken van de rechtbank Rotterdam (LJN: BG4371) en de rechtbank Utrecht (LJN: BY1967).

Ook de ten laste gelegde mishandeling van [persoon 4] kan worden bewezen op basis van zijn aangifte aangevuld met de verklaring van [persoon 23].

6.3.

Het standpunt van de verdediging

Uit de aangifte van [persoon 3] kan worden afgeleid dat hij de stoot niet heeft zien aankomen, dat hij direct knock-out ging en dat hij achteraf heeft geconcludeerd dat het niet anders kan dan dat verdachte het heeft gedaan. Daar tegenover heeft verdachte verklaard dat [persoon 25] [persoon 3] heeft geslagen, hetgeen door [persoon 25] onder ede is bevestigd. Door de officier van justitie wordt gezegd dat verdachte en [persoon 25] niet op elkaar lijken, maar dat is zodanig subjectief dat dat niet doorslaggevend mag zijn voor deze zaak. [persoon 3] kon niet zeggen wie hem heeft mishandeld omdat er meerdere omstanders waren die konden slaan.

Gelet hierop en gelet op het feit dat de verlichting zodanig was dat het onmogelijk was om optimaal te kunnen waarnemen, dat andere getuigen ook niet uitsluiten dat [persoon 25] het heeft gedaan, dat het gerucht dat verdachte de dader is al snel rond ging, gecombineerd met het feit dat de portiers bij de rechter-commissaris ook hebben verklaard dat [persoon 25] verantwoordelijk is voor de mishandeling, dient verdachte te worden vrijgesproken van het aan hem onder feit 3 ten laste gelegde.

Voorts wordt met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [persoon 4] en [persoon 23] gesteld dat pas een jaar na het voorval naar voren wordt gebracht dat zij daar waren en dat één van hen ook is mishandeld. Dit terwijl getuige [persoon 26], die goed zicht had, niets heeft verklaard over een tweede mishandeling. Dat is opmerkelijk te noemen. Daarnaast kan met betrekking tot [persoon 4] en [persoon 23] niet meer worden vastgesteld of zij herinneringen van verdachte hebben door de beelden van internet die aan hen zijn getoond of door hetgeen [persoon 3] tegen hen heeft gezegd. Daarnaast kan niemand anders bevestigen dat [persoon 4] letsel heeft opgelopen. Derhalve dienen de verklaringen van [persoon 4] en [persoon 23] als onbetrouwbaar te worden aangemerkt en wordt verzocht verdachte ook van de aan hem ten laste gelegde mishandeling van [persoon 4] vrij te spreken.

6.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat zij - anders dan door de verdediging wordt gesteld - niet twijfelt aan de betrouwbaarheid van de verklaringen afgelegd door [persoon 4] en [persoon 23]. Beiden leggen consequente verklaringen af en hun verklaringen worden onderling door elkaar ondersteund en ondersteund door de verklaring van [persoon 3].

Voor zover de verdediging heeft willen aanvoeren dat [persoon 4] en [persoon 23] niet ter plaatse aanwezig waren die bewuste avond en dat zij mogelijk zijn beïnvloed door [persoon 3], is de rechtbank van oordeel dat de verdediging dat op geen enkele manier aannemelijk heeft gemaakt en derhalve zal de rechtbank daar niet op ingaan.

Op basis van deze drie verklaringen en de verklaring van getuige [persoon 27] kan worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die de geweldshandelingen ten aanzien van zowel [persoon 3] als [persoon 4] heeft gepleegd. Door de verdediging is aangevoerd dat [persoon 3] niet heeft gezien wie hem heeft geslagen, maar uit de verklaringen van [persoon 4] en [persoon 23] kan worden vastgesteld dat de man die met [persoon 3] stond te praten het geweld heeft toegepast. Bovendien kan op basis van de verklaringen van [persoon 27] en [persoon 3], die buiten tot de conclusie kwam dat de man met wie hij daar stond te praten de dader was, worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die [persoon 3] de vuistslag heeft gegeven. Dat verdachte met [persoon 3] in discussie was en buiten met hem heeft staan praten, wordt immers door verdachte zelf bevestigd.

Dat [persoon 3] en de overige getuigen zich mogelijk vergist hebben omdat verdachte en [persoon 25] zoveel op elkaar lijken, wordt door de rechtbank verworpen, nu de rechtbank zelf ter terechtzitting van 11 oktober 2013 onder andere heeft waargenomen dat er een aanzienlijk verschil is in uiterlijke verschijning en postuur tussen verdachte en [persoon 25]. Daarbij acht de rechtbank de verklaring van [persoon 25], gelet op het feit dat die verklaring door geen enkele andere verklaring wordt ondersteund, zelfs niet door de verklaring van verdachte zelf, niet geloofwaardig in de zin dat het jegens [persoon 3] gepleegde geweld niet door verdachte, maar, met uitsluiting van verdachte, door hem is verricht.

Gelet op het hiervoor genoemde en gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, zoals vermeld in de aangehechte bijlage II, acht de rechtbank bewezen dat verdachte [persoon 3] in het gezicht heeft gestompt en tegen de mond heeft geschopt en dat [persoon 3] daardoor twee afgebroken tanden heeft opgelopen.

Ten aanzien van hoe het door verdachte toegepaste geweld op [persoon 3] gekwalificeerd moet worden overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht bevat een niet limitatief bedoelde opsomming van de gevallen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Die bepaling laat de rechter de vrijheid om ook buiten de genoemde gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen, wanneer dat letsel voldoende ernstig is, om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Daarbij dient de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel te worden betrokken.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat twee voortanden van [persoon 3] zijn afgebroken en zijn gebit in drie behandelingen binnen zes weken na de geweldstoepassing is hersteld. De aard van het letsel en het herstel maken dat naar het oordeel van de rechtbank niet gesproken kan worden van zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in voornoemd artikel. Verdachte zal aldus ook van het onder feit 3 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Wel acht de rechtbank bewezen dat verdachte gepoogd heeft zwaar lichamelijk letsel bij [persoon 3] toe te brengen en overweegt hiertoe als volgt. Verdachte heeft [persoon 3], terwijl die op de grond lag, meermalen met geschoeide voet tegen het gezicht geschopt. Door dit schoppen zijn twee tanden van [persoon 3] afgebroken, waardoor het schoppen met enige kracht gepaard moet zijn gegaan. Het schoppen tegen het gezicht brengt naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans met zich dat daardoor iemand zwaar lichamelijk letsel oploopt, immers kunnen kwetsbare delen zoals de ogen of de slapen geraakt worden, waardoor zeer ernstig letsel kan ontstaan. Door aldus te handelen heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij [persoon 3] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Deze geweldshandelingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.

Ook acht de rechtbank op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, zoals vermeld in de aangehechte bijlage II, en op grond van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de betrouwbaarheid van verklaringen van [persoon 4] en [persoon 23], bewezen dat verdachte [persoon 4] tegen de ribben en het bovenlichaam heeft gestompt.

7. Waardering van het bewijs ten aanzien van de [persoon 5]-zaak (feit 5 en feit 6)

7.1.

Inleiding

Op 9 maart 2011 is een onderzoek gestart, gericht op een samenwerkingsverband in de handel in verdovende middelen. Omdat [persoon 28] deel uitmaakte van dit onderzoek werd zijn telecommunicatie opgenomen en afgeluisterd. In dat onderzoek werd een zogenaamd ‘pinggesprek’ van 29 juli 2011 onderschept tussen die [persoon 28] en [persoon 5] (hierna: [persoon 5]), de ex-vriendin van verdachte.

In dat pinggesprek schrijft [persoon 5] dat verdachte heeft huisgehouden bij haar, dat hij is doorgeslagen en dat hij haar huis en haarzelf goed heeft aangepakt.

De politie doet onderzoek naar dit pinggesprek en zoekt contact met [persoon 5]. [persoon 5] wenst echter geen aangifte te doen. [persoon 5] is nog gehoord bij de rechter-commissaris, waar zij heeft verklaard dat verdachte die bewuste avond in juli 2011 alles had stuk gemaakt wat hij haar had gegeven en dat hij haar een aantal keren met de vlakke hand had geslagen.

Ook de grootmoeder van [persoon 5] is bij de rechter-commissaris gehoord. Zij heeft verklaard dat [persoon 5] in 2011 een keer bij haar thuis kwam en dat zij toen een blauw oog had. [persoon 5] had tegen haar gezegd dat er spullen bij haar thuis kapot waren gegaan.

De vraag die hier beantwoord dient te worden is of bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [persoon 5] en of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de vernieling van goederen van die [persoon 5].

7.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Op basis van de door [persoon 5] afgelegde verklaring bij de rechter-commissaris, het ping-gesprek tussen [persoon 5] en [persoon 28] en de verklaring van de grootmoeder van [persoon 5] bij de rechter-commissaris, kan worden bewezen verklaard dat verdachte [persoon 5] heeft mishandeld in juli 2011.

Ten aanzien van feit 6 wordt verzocht verdachte vrij te spreken, nu de aanwijzingen dat verdachte de vernieling bij [persoon 5] zou hebben gepleegd, allemaal te herleiden zijn tot één bron, te weten: [persoon 5]. Deze vernielingen zijn niet op een andere wijze aannemelijk geworden.

7.3.

Het standpunt van de verdediging

Van de ten laste gelegde mishandeling zijn geen getuigen, geen sporen, geen aangifte en ook geen letselverklaring. Het belastende materiaal komt allemaal uit één bron, [persoon 5]. Weliswaar heeft de grootmoeder van [persoon 5] een blauw oog bij [persoon 5] geconstateerd, maar zij heeft niet verklaard wanneer dit was en dat [persoon 5] heeft gezegd dat dit blauwe oog van mishandeling door verdachte afkomstig was. Derhalve is er onvoldoende bewijs en dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

Ook voor de ten laste gelegde vernieling geldt dat het belastend materiaal uitsluitend uit één bron komt, waardoor verdachte ook van dit feit dient te worden vrijgesproken.

7.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is -met de verdediging, maar anders dan de officier van justitie- van oordeel dat verdachte van zowel de aan hem ten laste gelegde mishandeling als de vernieling dient te worden vrijgesproken en overweegt hiertoe als volgt.

De verklaring van [persoon 5] wordt niet ondersteund door de overige bewijsmiddelen, aangezien er geen getuigen zijn die de mishandeling en de vernieling hebben waargenomen en er geen letselverklaring is opgemaakt. De verklaring van de grootmoeder van [persoon 5] met betrekking tot de vernieling, is gebaseerd op wat [persoon 5] haar heeft verteld en niet kan worden vastgesteld wanneer de grootmoeder van [persoon 5] een blauw oog bij haar heeft waargenomen, waardoor de rechtbank niet kan vaststellen dat het blauwe oog dat de getuige heeft waargenomen zou zijn toegebracht door verdachte. Het bewijs is derhalve slechts uit één bron afkomstig. Volgens de bewijsminimumregel van artikel 342 Sv kan in dergelijke gevallen niet tot een bewezenverklaring worden gekomen. Verdachte zal daarom van beide feiten worden vrijgesproken.

8 Waardering van het bewijs ten aanzien van de [naam D]-zaak (feit 7)

8.1.

Inleiding

In de nacht van 2 december 2011 heeft verdachte in de club [naam D] in [plaats] [persoon 6] (hierna: [persoon 6]) een kopstoot gegeven.

De vraag die beantwoord dient te worden, is of het geven van een kopstoot het de primair aan verdachte ten laste gelegde poging tot zware mishandeling oplevert of de subsidiair ten laste gelegde mishandeling.

8.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De subsidiair aan verdachte ten laste gelegde mishandeling kan worden bewezen op basis van de aangifte, de camerabeelden, de verklaring van de portier en de verklaring van verdachte. Nu in de jurisprudentie een kopstoot doorgaans als een gewone mishandeling wordt aangemerkt, wordt verzocht verdachte vrij te spreken van de aan hem onder het primair ten laste gelegde poging zware mishandeling.

8.3.

Het standpunt van de verdediging

Bewezen kan worden dat verdachte [persoon 6] heeft mishandeld door hem een kopstoot te geven. Het is echter niet zo dat uit het feit dat een kopstoot wordt uitgedeeld op zichzelf kan worden afgeleid dat de intentie was om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Gelet hierop dient verdachte van het primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

8.4.

Het oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte ten aanzien van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Voor een veroordeling wegens een poging tot zware mishandeling moet het opzet van verdachte gericht zijn geweest op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Aldus moet ten minste komen vast te staan dat er sprake is van een handeling van verdachte die naar zijn aard de aanmerkelijke kans oplevert dat als gevolg daarvan bij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel optreedt. De enkele omstandigheid dat als gevolg van een kopstoot zwaar lichamelijk letsel kàn ontstaan is daartoe onvoldoende. De rechtbank acht daarom in het onderhavige geval niet bewezen dat het opzet van verdachte gericht was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [persoon 6], zodat hij van het onder primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank acht wel, op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, zoals vermeld in de aangehechte bijlage II, bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [persoon 6] door het geven van een kopstoot.

9 Waardering van het bewijs met ten aanzien van de [naam E]-zaak (feit 8)

9.1.

Inleiding

In de nacht van 20 februari 2010 wordt de portier [persoon 7] (hierna: [persoon 7]) van club [naam E] aan het [locatie] mishandeld door meerdere personen ten gevolge waarvan hij een gebroken neus en oogkas heeft opgelopen. Diezelfde nacht heeft [persoon 7] tegenover meerdere verbalisanten, die het letsel bij [persoon 7] waarnemen, verklaringen afgelegd. Hij heeft onder andere verklaard dat hij een groep mannen aan de deur had geweigerd en dat verdachte één van deze mannen was. Vervolgens zou hij door een kleine pokdalige man met een boksbeugel zijn geslagen, ten gevolge waarvan hij niks meer zag, waarna hij nog meer klappen kreeg, maar niet kon zien van wie.

Ook in zijn verklaringen op 25 februari 2010 bij de politie afgelegd, heeft [persoon 7] verklaard dat hij een groepje van vier mannen de toegang weigerde en dat verdachte één van deze mannen was.

[persoon 7] wenst echter geen aangifte te doen en bij brief van 21 oktober 2010 wil hij zijn verklaring herzien en geeft hij aan dat hij verdachte die betreffende avond in zijn geheel niet heeft gezien. [persoon 7] blijft hierbij, ook in zijn verklaring bij de rechter-commissaris, waar hij heeft verklaard dat hij verdachte niet heeft gezien en dat de politie mogelijk zijn woorden heeft verdraaid.

Naar aanleiding van deze mishandeling is zowel het telefoonnummer van [persoon 7] als het telefoonnummer van verdachte getapt. Uit de afgeluisterde gesprekken komt naar voren dat via een zekere [persoon 29], [persoon 7] en verdachte een afspraak hadden gemaakt om een schadevergoeding te regelen ten behoeve van [persoon 7].

Verdachte zelf heeft verklaard dat hij die nacht inderdaad met drie mannen op stap was en dat de portier van de [naam E] hen de toegang had geweigerd. Het waren echter de andere drie mannen die de portier hadden mishandeld. Verdachte heeft zich er niet mee bemoeid en is weggelopen. Hij heeft vervolgens wel contact gezocht met [persoon 7] omdat zijn naam in het geruchtencircuit rond ging en dat was slecht voor zijn carrière. Verdachte zou [persoon 7] € 5.000,- hebben gegeven zodat zijn naam niet meer zou worden genoemd.

De vraag die in deze zaak dient te worden beantwoord is of verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling en/of openlijke geweldpleging.

9.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

In het dossier is onvoldoende bewijs aanwezig om te komen tot het medeplegen van zware mishandeling van [persoon 7] en derhalve dient verdachte daarvan te worden vrijgesproken.

Wel kan de openlijke geweldpleging jegens [persoon 7] worden bewezen. Uit verschillende verklaringen van [persoon 7] kan worden afgeleid dat ook verdachte [persoon 7] heeft geslagen en/of geschopt. Daarnaast zijn er meerdere getuigen die hebben verklaard dat drie of vier mannen betrokken waren bij de vechtpartij. Tevens blijkt uit de telefoongesprekken die vlak na het feit zijn gepleegd dat het één en ander moest worden afgeregeld zodat er geen aangifte tegen verdachte gedaan zou worden. De door verdachte gegeven verklaring over die telefoongesprekken zijn niet geloofwaardig, aldus de officier van justitie.

9.3.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte dient van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Uit de verklaringen van [persoon 7] en uit de verklaringen van omstanders kan worden afgeleid dat de kleine pokdalige man degene moet zijn geweest die [persoon 7] de harde klap op zijn oog heeft gegeven, waardoor zijn oogkas is gebroken. Daarna heeft [persoon 7] niets meer gezien. De omstanders verklaren dat [persoon 7] door drie personen werd belaagd en dat deze personen niet bijzonder groot waren. Van de vier geweigerde personen is er dus kennelijk tenminste één die niet deelneemt aan de mishandeling. Geen van de getuigen wijst verdachte aan. Verdachte heeft verklaard dat hij zich heeft gedistantieerd.

Dat verdachte aanwezig was bij het incident zegt niets over zijn aandeel in de vechtpartij en ook niets over het feit dat hij zich heeft gedistantieerd. Ook in deze zaak geldt dat verdachte een bekend persoon is en dat zijn naam daardoor snel wordt genoemd.

Tot slot kunnen de aan het dossier toegevoegde tapgesprekken geen wezenlijke bijdrage leveren aan een bewezenverklaring, nu vast staat dat de getapte personen niet bij het incident aanwezig waren.

9.4.

Het oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van zware mishandeling, nu niet uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat er tussen verdachte en de overige mannen een nauwe en bewuste samenwerking bestond.

Anders ligt dat voor wat betreft de aan verdachte ten laste gelegde openlijke geweldpleging. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [persoon 7], en de rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat vast staat dat het verdachte, samen met drie andere mannen, is geweest aan wie de toegang door [persoon 7] werd geweigerd, dat het verdachte is geweest die de discussie met [persoon 7] is begonnen, dat verdachte nog aan [persoon 7] heeft gevraagd of hij wel wist wie hij was en dat [persoon 7] vervolgens is mishandeld door drie mannen van die groep waar verdachte deel van uitmaakte.

Voorts stelt de rechtbank vast dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld of en zo ja, in welke mate verdachte geweldshandelingen jegens [persoon 7] heeft gepleegd. Weliswaar heeft een anoniem gebleven getuige verklaard dat het verdachte is geweest die geweldshandelingen heeft gepleegd jegens [persoon 7], maar de verdediging is niet in de gelegenheid geweest de verklaring van deze anonieme getuige te toetsen. Nu de verklaring van deze anonieme getuige bovendien geen steun vindt in andere bewijsmiddelen, -immers alleen deze getuige verklaart dat verdachte degene is geweest die heeft geslagen-, kan deze verklaring niet bijdragen tot het bewijs ten aanzien van de ten laste gelegde openlijke geweldpleging.

Voor een bewezenverklaring van openlijk geweld is niet vereist dat elk van de deelnemers zich schuldig heeft gemaakt aan alle onderdelen van de tenlastelegging. Blijkens de wetsgeschiedenis is van het ‘in vereniging’ plegen van geweld sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn.

De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is echter niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die ‘in vereniging’ geweld pleegt, aldus de Hoge Raad in zijn arrest van 1 november 2011, NJ 2011/519. Er moet sprake zijn geweest van gedragingen die het geweld bevorderen. Het enkel aanwezig zijn in de groep is dus niet voldoende, maar –zo bepaalde de Hoge Raad op 20 juni 2006, LJN: AV7266 (Anja Joos-arrest)– wanneer een verdachte deel blijft uit maken van een groep wanneer door die groep de confrontatie wordt opgezocht en het slachtoffer voor een ieder zichtbaar wordt getrapt door iemand uit de groep, zonder dat verdachte zich op enig moment heeft gedistantieerd van de groep, is sprake van een voldoende significante bijdrage aan openlijk geweld.

In casu is het verdachte geweest die de confrontatie met [persoon 7] is aangegaan door met hem in discussie te gaan over het feit dat hem en zijn vrienden de toegang tot club [naam E] werd geweigerd. Vervolgens blijkt uit de verklaring van [persoon 7] dat toen hij op de grond lag en nog steeds schoppen kreeg, verdachte nog bij hem stond en dat hij de andere mannen niet maande om op te houden te schoppen. Aldus kan weliswaar niet worden vastgesteld wat en of verdachte geweldshandelingen heeft gepleegd; wel kan worden vastgesteld dat op het moment dat de geweldshandelingen op [persoon 7] werden toegepast verdachte zich niet heeft gedistantieerd en verdachte ook niet heeft ingegrepen.

Voorts wordt de rechtbank in haar overtuiging dat verdachte een significante en wezenlijke bijdrage heeft gehad aan de openlijke geweldpleging, gesterkt door de tapgesprekken waaruit blijkt dat verdachte na het incident contact met [persoon 7] heeft gezocht en hem geld heeft gegeven, zodat zijn naam niet meer genoemd zou worden en door de zogenoemde ‘[X]’ tapgesprekken, waaruit blijkt dat het één en ander geregeld moest worden zodat er geen aangifte tegen verdachte gedaan zou worden.

De rechtbank acht op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, zoals vermeld in de aangehechte bijlage II, en hetgeen is hiervoor is overwogen bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde openlijke geweldpleging.

10 Waardering van het bewijs ten aanzien van feit 9

10.1.

Inleiding

Op 6 maart 2010 heeft verdachte op de Albert Cuypmarkt in Amsterdam een vrouw met zijn auto aangereden, ten gevolge waarvan zij breuken heeft opgelopen aan haar scheenbeen en onderbeen.

De vraag die hier thans voorligt is of verdachte zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op de weg is veroorzaakt of kon worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg werd gehinderd of kon worden gehinderd.

10.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Dit feit kan wettig en overtuigend worden bewezen, met uitzondering van het element “in strijd met een geslotenverklaring”. Verdachte heeft door met zijn auto de Albert Cuypmarkt op te rijden hinder veroorzaakt voor het slachtoffer.

10.3.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte mocht daar rijden om te laden en lossen. Een ongeluk kan gebeuren. Verdachte is hiervoor civielrechtelijk aansprakelijk, maar niet strafrechtelijk. Artikel 5 Wegenverkeerswet (hierna: WVW) levert geen risicoaansprakelijkheid op. De verdediging verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 september 2011, LJN: BR6795. Voor strafrechtelijke aansprakelijkheid moet iemand meer doen dan alleen aan het verkeer deelnemen. Verdachte heeft zich, door stapvoets te rijden gedragen zoals van hem mocht worden verwacht, op grond waarvan verdachte dient te worden vrijgesproken.

10.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen, zoals vermeld in de aangehechte bijlage II, bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gevaarzetting en overweegt hiertoe als volgt.

Artikel 5 WVW geeft aan dat het gedrag, in welke situatie dan ook, telkens wordt beheerst door de grondnorm dat men zich zodanig dient te gedragen dat geen gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt en dat het verkeer op de weg niet wordt gehinderd of kan worden gehinderd.

Bij de vraag of het rijgedrag van verdachte destijds op de Albert Cuypmarkt kan worden aangemerkt als gevaarzettend in de zin van artikel 5 WVW, heeft als uitgangspunt te dienen: de concrete handelingen van verdachte, en wel in het licht van alle omstandigheden van het geval.

In casu reed verdachte stapvoets op de Albert Cuypmarkt, een voetgangersgebied, waarvan algemeen bekend is dat dit een druk bezochte markt is. Op het moment dat verdachte met zijn auto de markt op reed, ook al was dit vanaf een bepaald tijdstip toegestaan, moest verdachte zich bewust zijn van het gevaar dat hij een voetganger kon aanrijden en daarom had hij zich er continu van moeten verzekeren dat de voetgangers die voor zijn auto liepen op tijd aan de kant konden gaan, dan wel dat hij zijn auto op tijd tot stilstand kon brengen. Nu verdachte dat niet heeft gedaan, heeft verdachte zich zodanig onvoorzichtig gedragen dat verdachte zich in de zin van artikel 5 WVW gevaarscheppend heeft gedragen.

11 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen en op grond van wat in de rubrieken 4.4, 6.4, 8.4, 9.4 en 10.4 is overwogen, bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde:

op 8 juli 2012 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen aan een persoon, te weten [persoon 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (enkelfractuur en aangezichtsfracturen), heeft toegebracht, door opzettelijk, met kracht tegen het gezicht/hoofd van voornoemde [persoon 1] te stompen en tegen de enkel/het onderbeen van die [persoon 1] te schoppen/trappen;

en

op 8 juli 2012 te Amsterdam met anderen, in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten [locatie], skybox 233, in aanwezigheid van meerdere bezoekers, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [persoon 1], welk geweld bestond uit met kracht tegen het gezicht/hoofd van voornoemde [persoon 1] stompen en tegen de enkel/het onderbeen van die [persoon 1] schoppen/trappen;

Ten aanzien van het onder feit 3 subsidiair ten laste gelegde:

op 17 juli 2011 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [persoon 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met kracht meermalen tegen het gezicht heeft gestompt en tegen de mond heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Ten aanzien van het onder feit 4 ten laste gelegde:

op 17 juli 2011 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [persoon 4] met kracht tegen het hoofd en tegen de ribben en tegen het bovenlichaam heeft gestompt, waardoor voornoemde [persoon 4] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Ten aanzien van het onder feit 7 subsidiair ten laste gelegde:

op 2 december 2011 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [persoon 6] met kracht een kopstoot heeft gegeven, waardoor voornoemde [persoon 6] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Ten aanzien van het onder feit 8 subsidiair ten laste gelegde:

op 20 februari 2010 te Amsterdam, met anderen, op de openbare weg, Kleine Gartmanplantsoen, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [persoon 7], welk geweld bestond uit het met kracht tegen het gezicht slaan en meermalen met kracht tegen het lichaam trappen terwijl voornoemde [persoon 7] al op de grond lag;

Ten aanzien van het onder feit 9 ten laste gelegde:

op 6 maart 2010 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Albert Cuypstraat, heeft gereden, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, immers is hij, verdachte, in botsing gekomen met een voetganger te weten [persoon 30], als gevolg waarvan deze pijn en letsel heeft bekomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

12 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

13 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

14 Motivering van de straf

14.1.

De eis van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte voor de door hen onder feit 1 tweede alternatief, feit 2 eerste alternatief, feit 3 primair, feit 4, feit 5, feit 7 subsidiair, feit 8 subsidiair en feit 9 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, te weten een meldingsgebod en een behandelverplichting.

Met betrekking tot de strafmaat heeft het Openbaar Ministerie rekening gehouden met de strafrechtelijke documentatie van verdachte en de gevorderde straf is gebaseerd op de richtlijnen die het Openbaar Ministerie hanteert in vergelijkbare zaken. Voorts is bij verdachte rekening gehouden met de strafverzwarende omstandigheden, waaronder zijn strafblad en het feit dat verdachte professioneel kickbokser is, maar in matigende zin ook met de overschrijding van de redelijke termijn met betrekking tot het onder feit 8 bewezen geachte. Met betrekking tot de persaandacht rondom de zaak van verdachte is overwogen dat dit niet moet leiden tot enige strafvermindering, nu de verdediging de media zelf ook heeft opgezocht en de media-aandacht niet door of namens het Openbaar Ministerie is gestuurd.

14.2.

Het standpunt van de verdediging

Bij de hoogte van een eventuele straf heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de extreme media-aandacht die deze strafzaak - en daarmee verdachte - van het begin tot het einde heeft gehad. Door de eenzijdige belichting van de persoon van verdachte in sommige media is hij voor het leven gebrandmerkt. Het kan niet anders dan dat de carrière van verdachte hierdoor onherstelbaar is beschadigd. Gezien het grote aantal publicaties op internet, zal er een onuitwisbare koppeling van de naam van verdachte met deze strafzaak zijn. Verdachte is –al voor een proces heeft kunnen plaatsvinden– door een deel van de media en de Nederlandse bevolking publiekelijk veroordeeld. Dit heeft verdachte allerminst onberoerd gelaten. Er is sprake van ‘trial by media’ en dit zal zijn weerslag moeten hebben op de strafmaat.

Voorts heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de carrière van verdachte. Een gevangenisstraf zal het einde van zijn carrière betekenen, nu de komende drie à vier jaar zeer cruciaal zijn. Daarnaast hebben de gevolgen waar verdachte tot nu toe mee heeft moeten leven al voor genoeg vergelding gezorgd. Indien er nog meer vergolden dient te worden, kan dit gezocht worden in de breedte, door bijvoorbeeld een geldboete aan verdachte op te leggen, dan wel door aan verdachte een groot voorwaardelijk deel met bijzondere voorwaarden op te leggen, zoals een horecaverbod en/of een maatschappelijke verplichting, zoals het geven van lezingen.

Tevens heeft de verdediging verzocht aan verdachte niet de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden van een meldingsgebod en een behandelverplichting op te leggen, nu hij een meldingsgebod niet kan combineren met zijn werk waarvoor hij veel in Marokko traint. Verdachte is bereid aan zichzelf te werken en in dat kader is hij zelf al in behandeling bij een gedragstherapeut, aldus de verdediging.

14.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Algemeen

Verdachte heeft zich in een periode van twee en een half jaar tijd schuldig gemaakt aan diverse geweldshandelingen binnen het uitgaansleven. Geweld dat wordt gepleegd in het uitgaansleven wordt gezien als een ernstig strafbaar feit. Bovendien brengt zulk geweld hevige gevoelens van onveiligheid bij de slachtoffers en het overige publiek mee.

Zo heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling en openlijke geweldpleging van en tegen [persoon 1] in een skybox van de [locatie] tijdens [naam A]. De rechtbank vindt het ernstig dat de verdachte samen met anderen [persoon 1] naar de grond heeft geslagen en getrapt en vervolgens hem, liggend op de grond, ook heeft mishandeld. Ten gevolge van dit toegepaste geweld heeft [persoon 1] ernstig en blijvend letsel opgelopen. Zo was sprake van een enkelfractuur met een open wond. Ook waren de enkelbanden gescheurd. Daarnaast was er sprake van licht schedelhersenletsel, meerdere bloeduitstortingen rondom beide ogen en aangezichtsfracturen, waaronder breuken in de binnenste wand en de bodem van de linker oogkas, met verplaatsing van botdelen en een breuk van de neus met verplaatsing van botdelen. Dit letsel is dusdanig ernstig dat [persoon 1] ook thans, anderhalf jaar na de gebeurtenis, nog altijd herstellende is. Daarnaast heeft [persoon 1] van het door verdachte en anderen toegepaste geweld ook langere tijd nadelige psychische gevolgen ondervonden, zoals daarvan blijkt uit zijn slachtofferverklaring.

Voorts heeft verdachte zich in [naam C] schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [persoon 12]. Verdachte heeft [persoon 12] in zijn gezicht getrapt terwijl deze op de grond lag, ten gevolge waarvan er twee tanden van [persoon 12] zijn afgebroken. Verdachte heeft degene die de op de grond liggende [persoon 12] trachtte te beschermen, tegen het hoofd en lichaam gestompt.

Ook heeft verdachte zich samen met tot nu toe onbekend gebleven andere verdachten schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen de portier van Club [naam E]. Bij de ingang heeft verdachte met anderen de portier gestompt, geslagen en geschopt omdat hen de toegang tot de club werd geweigerd. Het slachtoffer heeft door deze geweldshandelingen pijn en letsel ondervonden.

Tevens heeft verdachte zich in de club [naam D] schuldig gemaakt aan een mishandeling, door [persoon 6] een kopstoot te geven. Het slachtoffer heeft als gevolg van deze kopstoot zijn wenkbrauw moeten laten hechten.

Tot slot heeft verdachte een vrouw op de Albert Cuypmarkt aangereden. Die vrouw heeft diverse breuken aan haar been opgelopen, ten gevolge waarvan zij nu hinder ondervindt.

Strafhoogte

Richtlijnen

De rechtbank zal bij de strafoplegging acht te slaan op de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de Landelijke oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Gelet op de die richtlijnen en gelet op de ernst en de hoeveelheid van door verdachte gepleegde feiten, ligt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de rede.

De rechtbank neemt deze richtlijnen als vertrekpunt voor de strafmaat en zal hieronder bezien of daarvan -in het voordeel dan wel in het nadeel van verdachte- dient te worden afgeweken.

“Trial by Media”

De rechtbank buigt zich allereerst over de vraag of er sprake is van ‘trial by media’ en of de media-aandacht een rol dient te spelen bij de strafmaat.

De verdediging heeft betoogd dat sprake is van trial by media, met name door de rol van de media maar ook wegens de rol van het Openbaar Ministerie daarbij. De verdediging stelt dat het Openbaar Ministerie onvoldoende heeft ondernomen om lopende geruchten te ontkrachten en zij heeft, door het dossier aan het slachtoffer [persoon 1] te verstrekken, bevorderd dat onderzoeksinformatie bij de pers terecht kwam.

De rechtbank volgt deze redenering evenwel niet. Vooropgesteld moet worden dat niet gebleken is dat de politie of het Openbaar Ministerie het dossier aan de media hebben verstrekt. Wel is het zo dat het KRO televisieprogramma ‘[titel 1]’ op enig moment de beschikking over het dossier heeft gekregen door de verstrekking daarvan door [persoon 1]. Dit is niet een omstandigheid die -in het kader van artikel 359a Sv- aan het Openbaar Ministerie kan worden toegerekend. Een slachtoffer heeft ingevolge artikel 51b Sv immers recht op kennisneming van het dossier. Niet gezegd kan worden dat het Openbaar Ministerie, door een afschrift van het dossier aan het slachtoffer te verstrekken, onzorgvuldig heeft gehandeld. Voor zover het verwijt zich richt op de afgifte van het dossier door het slachtoffer aan de pers kan worden gezegd dat alhoewel verstrekking van een strafdossier aan de media in voorkomende gevallen een negatieve uitwerking zou kunnen hebben op een strafproces, niet gebleken is dat dit in de onderhavige strafzaak het geval is geweest. Het programma [titel 1] heeft zich met name negatief uitgelaten over het strafrechtelijk onderzoek in deze zaak en niet gebleken is dat de uitzending de negatieve media-aandacht voor verdachte heeft vergroot.

Ook de stelling dat het Openbaar Ministerie meer had kunnen doen om de media ervan te weerhouden onjuiste informatie te publiceren, volgt de rechtbank niet. Voorop staat dat de media een eigen verantwoordelijkheid hebben, die in beginstel niet ter toetsing van de (straf)rechter staat; dat wil zeggen zolang zij zich niet schuldig maken aan een strafbaar feit of zich naar burgerlijk recht onrechtmatig gedragen. Dat media bepaalde feiten (onjuist of gekleurd) publiceren, kan niet worden verweten aan het Openbaar Ministerie, tenzij kan worden aangetoond dat het Openbaar Ministerie daarin een actieve rol heeft gehad. In de onderhavige zaak is dit niet gebleken. Gelet op dit alles kan niet gezegd worden dat het Openbaar Ministerie een verwijtbare rol heeft gehad in de media-aandacht.

Ter beoordeling aan de rechtbank is vervolgens of de media zelf een dusdanige beïnvloedende rol hebben gespeeld, dat om die reden gesproken kan worden van trial by media.

Zoals gezegd, staat de verantwoordelijkheid van de media in beginsel niet ter toetsing van de strafrechter. Wel kan media-aandacht een factor zijn bij de beoordeling. De aan de media toekomende persvrijheid is immers niet onbeperkt. Het gebruik maken van die vrijheid brengt “duties and responsibilities” met zich (NJ 2004, 337 EHRM, R.O. 73). Zij hebben te handelen in “good faith in order to provide accurate and reliable information in accordance with the ethics of journalism” (idem). De media moeten, zo blijkt uit een beslissing van het EHRM (NJ 1999, 710, R.O. 50) bij berichtgeving over een strafzaak rekening houden met het recht op een eerlijk proces op grond van artikel 6 EVRM. Hun commentaar mag de kansen op een eerlijk proces niet schaden noch het vertrouwen ondermijnen van het publiek in de rol van de rechterlijke macht bij de strafrechtstoedeling.

Onbetwist is dat onderhavige strafzaak, en daarmee verdachte, onderhevig is geweest aan buitengewoon grote en voortdurende media-aandacht. Niet gezegd kan evenwel worden dat die media-aandacht uitsluitend negatief is geweest over verdachte of dat het publiek, door die aandacht voor het proces, zich een niet meer uitwisbare mening heeft gevormd over de schuldvraag, zonder dat een rechterlijke uitspraak die mening nog kan beïnvloeden.

Vast staat voor de rechtbank dat deze aanhoudende aandacht voor verdachte zeer belastend is geweest en hem ook in de toekomst zal achtervolgen en gevolgen kan hebben voor zijn verdere leven. In zijn algemeenheid zou dit consequenties kunnen hebben voor de strafoplegging. Ook in aanmerking dient echter te worden genomen de rol van de verdachte zelf.

Ofschoon verdachte ongetwijfeld niet bedacht is geweest op de extreme media-aandacht voor dit strafproces, heeft hij door het plegen van de bewezenverklaarde feiten deze aandacht indirect over zich uitgeroepen. Verdachte was al bekend vanwege zijn succes in de vechtsport. Door zijn relatie met [persoon 21] is deze aandacht aanzienlijk toegenomen. Verdachte was zich hiervan bewust en had er rekening mee kunnen houden dat het plegen van een ernstig strafbaar feit, zoals zich dat op 8 juli 2012 in de [locatie] heeft voorgedaan, de nodige media-aandacht teweeg zou brengen. Dat hij zich hiervan bewust had kunnen zijn blijkt wel uit het feit dat verdachte die avond, enkele uren voor het incident, een interview heeft gegeven aan televisieprogramma ‘[titel 2]’. Hij was zich dus bewust van de media-aandacht voor zijn persoon.

Daarnaast is gebleken dat verdachte ook zelf die media heeft benaderd en in eerste instantie juist via die media heeft betoogd dat hij onschuldig was. Verdachte heeft zelf ook bewust ingespeeld op die media, onder meer door het mede bedenken van “verschillende scenario’s” die via die media naar buiten gebracht zouden kunnen worden. Op het moment dat media, nadat verdachte moest toegeven dat hij een aandeel in de mishandeling had, zich tegen hem keren, is dat weliswaar een voor hem onaangenaam gevolg, maar kan dat in strafmatigende zin geen rol spelen.

Dit leidt uiteindelijk tot de slotsom dat geen sprake is van trial by media als hiervoor omschreven, noch dat de aandacht van de media een factor zou moeten zijn bij de straftoemeting in deze strafzaak.

Overschrijding redelijke termijn

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank met betrekking tot feit 8, de openlijke geweldpleging tegen de portier van [naam E], de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in aanmerking genomen. In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen vanaf het moment waarop verdachte in verzekering is gesteld, te weten 27 oktober 2010, en geldt als uitgangspunt dat binnen een termijn van twee jaar na aanvang van de redelijke termijn vonnis moet worden gewezen. Nu het vonnis in februari 2014 zal worden gewezen is daarmee de redelijke termijn ruimschoots overschreden. Deze overschrijding is grotendeels niet aan verdachte toe te rekenen en kan ook niet alleen worden gerechtvaardigd door de ingewikkeldheid van de zaak of andere bijzondere omstandigheden. In casu wordt een matiging van 15% voor dit feit redelijk geacht. Dit percentage zal in matigende zin worden meegenomen bij de straftoemeting.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank zal niet afzonderlijk rekening houden met het feit dat de carrière van verdachte, als professioneel kickbokser, door een gevangenisstraf mogelijk in gevaar komt. De rechtbank acht dit het voorzienbare risico van het plegen van dit soort strafbare feiten. Daarbij weegt de rechtbank mee dat zeker verdachte, als professioneel kickbokser, zich, meer dan een willekeurig ander, bewust moet zijn van de mogelijke gevolgen van toepassing van geweld. Verdachte weet met welke kracht het door hem toegepaste geweld kan aankomen en heeft zich desondanks, door geweld, meermaals ernstig misdragen.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten, maar dat die feiten al geruime tijd geleden hebben plaatsgevonden.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 17 oktober 2012 en het over verdachte opgemaakte pro justitia rapport van 29 oktober 2012. De rechtbank leidt uit deze rapporten af dat er bij verdachte geen sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Wel kan verdachte door een combinatie van de factoren -waaronder krenkingen van het zelfgevoel en zelfoverschatting, het kickboksmilieu en het uitgaansmilieu, al dan niet onder invloed van alcohol- komen tot grensoverschrijdend gedrag. Deze factoren kunnen bijdragen aan het risico op recidive.

Houding verdachte na toegepaste geweldshandelingen

Voorts neemt de rechtbank in strafverzwarende zin bij de straftoemeting mee, de manier waarop verdachte een paar mishandelingen heeft proberen af te handelen. Zo heeft verdachte het slachtoffer in de [naam E]-zaak proberen af te kopen en ook uit het dossier van de [naam D]-zaak blijkt dat verdachte heeft geprobeerd de portier te beïnvloeden.

Conclusie

Omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan het Openbaar Ministerie, bestaat er aanleiding om af te wijken van de door haar geformuleerde strafeis. Daarnaast is de rechtbank van oordeel, zoals hierboven overwogen, dat de door het Openbaar Ministerie geformuleerde strafeis de door de rechtbank gehanteerde oriëntatiepunten in ruime mate overtreft.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen ziet de rechtbank geen aanleiding om in matigende zin van de vastgestelde oriëntatiepunten af te wijken. Het moge duidelijk zijn dat de ernst van de feiten zich niet verhoudt met de door de verdediging bepleite geldboete. Wel zal een deel van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke zin aan verdachte worden opgelegd. Dit voorwaardelijk deel moet verdachte ervan weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan (soortgelijke) strafbare feiten.

De rechtbank zal niet overgaan tot het opleggen van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden van een meldingsgebod en een behandelverplichting. Alhoewel een behandeling voor de bij verdachte geconstateerde problematiek zeker op zijn plaats is, heeft hij daaraan reeds gedurende enige tijd -en wel gedurende de schorsing in deze zaak- vorm gegeven door zelfstandig in behandeling te gaan bij een hulpverlener.

Alles overwegende, zal aan verdachte voor het onder feit 1 tweede en derde cumulatief/alternatief, feit 3 subsidiair, feit 4, feit 7 subsidiair en feit 8 tweede cumulatief/alternatief bewezen geachte, een gevangenisstraf worden opgelegd van 18 maanden met aftrek van tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Voorts zal aan verdachte met betrekking tot de onder feit 9 bewezen geachte overtreding afzonderlijk een geldboete opleggen. Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde houdt de rechtbank in het bijzonder rekening met de lichamelijke gevolgen die het feit voor het slachtoffer heeft gehad. Het slachtoffer heeft diverse breuken aan haar been opgelopen, ten gevolge waarvan zij nu hinder ondervindt. Het slachtoffer heeft als gevolg van het ongeval circa twee weken in het ziekenhuis verbleven. De rechtbank acht daarom de door de officier van justitie gevorderde geldboete van € 750,- passend en geboden.

15 Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 1] (feit 1)

15.1.

Inleiding

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [persoon 1]. De benadeelde partij [persoon 1] heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van zijn vordering. Gevorderd wordt een bedrag van € 63.418,42 - aan schade, waarvan als voorschot € 20.000,- aan immateriële schade, als gevolg van hetgeen aan verdachte onder feit 1 ten laste is gelegd.

15.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen de benadeelde partij heeft gevorderd dient te worden toegewezen, met uitzondering van post 2, de betaalde deelname aan de ‘Quote Challenge 2012’. Op dat punt dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.

15.3.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen, met uitzondering van de schade die door de benadeelde partij is geleden als gevolg van de door verdachte gegeven klap. De verdediging refereert zich ten aanzien van de hoogte van de voor dat deel te vergoeden schade aan het oordeel van de rechtbank.

15.4.

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een gedeelte van de behandeling van de vordering van [persoon 1] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder feit 1 tweede en derde cumulatief/alternatief bewezen geachte rechtstreekse schade heeft geleden. Over de hoogte van de vergoeding overweegt de rechtbank het volgende.

De door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade onder punt 1, wordt door de rechtbank als voorschot vastgesteld op € 15.000,-. De rechtbank heeft ten aanzien van de hoogte van dit toe te wijzen bedrag aansluiting gezocht bij wat doorgaans wordt toegewezen in vergelijkbare gevallen. Voor het overige gedeelte wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.

Met betrekking tot post 2, de gevorderde schade van € 17.850,- voor de betaalde deelname aan de Quote Challenge 2012, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu deze schadepost een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat niet is vast komen te staan dat die kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.

Ook met betrekking tot de posten 3 (kosten verpleging/verzorging thuis), 5 (kosten radiologie [naam G]) en 6 (rekening Dr. [persoon 31], voetchirurg), dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu deze schadeposten een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.

De posten 4 (de tandheelkundige kosten van € 3.375,31), 7 (eigen bijdrage zorg CAK van

€ 282,05), 8 (eigen risico zorgverzekering van € 413,-), 9 (vernietigde kleding van € 150,-), 10 (chiropractor van € 54,-) en 13 (kosten ‘walker’ van € 161,94), dienen te worden toegewezen.

Dat post 11 (rekening TC-services 26 augustus 2012) dient te worden afgewezen, nu dit geen rechtstreekse schade is als gevolg van het bewezen geachte feit.

Ten aanzien van de door de benadeelde partij gevorderde kosten voor de rechtsbijstand van

€ 8.940, - (post 12) zal de rechtbank aansluiting zoeken bij het geldende liquidatietarief zoals dat in civiele zaken wordt gehanteerd. Nu de rechtbank van een lager toegewezen bedrag uitgaat dan is gevorderd (het totale toegewezen bedrag van € 19.436,30), zal de rechtbank aansluiting zoeken bij liquidatietarief II. Dit tarief geldt met betrekking tot zaken van een geldswaarde beneden € 20.000 in hoofdsom. De hoogte stelt de rechtbank op grond van dat liquidatietarief vast op € 1.356,- (tarief II: drie punten). De drie punten heeft de rechtbank gebaseerd op het aantal dagen dat de advocaat van de benadeelde partij wenselijkerwijs tijdens de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting aanwezig is geweest en voor het opstellen van het schriftelijk stuk. Voor iedere dag en voor het opstellen van de vordering wordt één punt toegekend. Voor de overige door de benadeelde partij opgegeven verrichte werkzaamheden van zijn advocaat is niet gebleken dat deze noodzakelijk waren in het kader van het bijstaan van het slachtoffer als benadeelde partij in deze procedure.

Gelet op het hiervoor genoemde zal de rechtbank een totaal bedrag toewijzen van € 20.792,30 (twintigduizend zevenhonderd tweeënnegentig euro en dertig cent). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Met uitzondering van post 11, levert het restant van de vordering wel een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dat bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [persoon 1] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd, met uitzondering van de kosten van rechtsbijstand.

16 Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 3] (feit 3)

16.1.

Inleiding

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [persoon 3]. De benadeelde partij [persoon 3] heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering. Gevorderd wordt een bedrag van € 11.401,17 aan schade, waarvan € 2.500,- aan immateriële schade, als gevolg van hetgeen aan verdachte onder feit 3 ten laste is gelegd.

16.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade voor toewijzing vatbaar is en dat de gevorderde immateriële schade kan worden vastgesteld op € 1.500,-. Hierdoor achten zij een bedrag van € 10.401,17 toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens wordt verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

16.3.

Het standpunt van de verdediging

Nu de verdediging vrijspraak heeft bepleit voor het aan verdachte onder feit 3 ten laste gelegde, gaat de rechtbank er vanuit dat de verdediging de door de benadeelde partij gevorderde schade bestrijdt.

16.4.

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een gedeelte van de behandeling van de vordering van [persoon 3] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder feit 3 subsidiair bewezen geachte rechtstreekse schade heeft geleden. Over de hoogte van de vergoeding overweegt de rechtbank het volgende.

De door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade, wordt door de rechtbank vastgesteld op € 750,-. De rechtbank heeft ten aanzien van de hoogte van dit toe te wijzen bedrag aansluiting gezocht bij wat doorgaans wordt toegewezen in vergelijkbare gevallen. Voor het overige gedeelte wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.

Met betrekking tot de gevorderde tandartskosten van € 6.138,96 -, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu deze schadepost een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat de benadeelde partij in zijn aangifte geen gewag heeft gemaakt van tien tanden, terwijl dit wel gefactureerd wordt.

De kosten voor de broek, van € 248,95, dienen te worden toegewezen. 

Ten aanzien van de door de benadeelde partij gevorderde kosten voor de rechtsbijstand van

€ 2.512,21, - zal de rechtbank aansluiting zoeken bij het geldende liquidatietarief zoals dat in civiele zaken wordt gehanteerd. Nu de rechtbank van een lager toegewezen bedrag uitgaat dan is gevorderd (het hierboven toegewezen bedrag van € 998,95), zal de rechtbank aansluiting zoeken bij liquidatietarief I. Dit tarief geldt met betrekking tot zaken van een geldswaarde beneden € 10.000 in hoofdsom. De hoogte stelt de rechtbank op grond van dat liquidatietarief vast op € 384,- (tarief I: één punt).

Gelet op het hiervoor genoemde zal de rechtbank een totaal bedrag toewijzen van € 1.382,95 (dertienhonderd tweeëntachtig euro en vijfennegentig cent). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

In het belang van [persoon 3] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd, met uitzondering van de kosten van rechtsbijstand.

17 Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 6] (feit 7)

17.1.

Inleiding

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [persoon 6]. De benadeelde partij [persoon 6] heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering. Gevorderd wordt een bedrag van € 8.235,- aan schade, waarvan € 4.000,- aan immateriële schade, als gevolg van hetgeen aan verdachte onder feit 7 ten laste is gelegd.

17.2.

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade kan worden vastgesteld op € 2.500,- en kan worden toegewezen. Daarnaast kunnen ook de gevorderde kosten voor rechtsbijstand worden toegewezen. Hierdoor achten zij een bedrag van € 6.735,- toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens wordt verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

17.3.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde kosten rechtsbijstand erg hoog en zijn en verzoekt dit bedrag te matigen. Voorts stelt de verdediging zich op het standpunt dat het niet mogelijk is de schadevergoedingsmaatregel op te leggen over kosten rechtsbijstand.

17.4.

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een gedeelte van de behandeling van de vordering van [persoon 6] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder feit 7 subsidiair bewezen geachte, rechtstreekse schade heeft geleden. Over de hoogte van de vergoeding overweegt de rechtbank het volgende.

De door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade, wordt door de rechtbank vastgesteld op € 375,-. De rechtbank heeft ten aanzien van de hoogte van dit toe te wijzen bedrag aansluiting gezocht bij wat doorgaans wordt toegewezen in vergelijkbare gevallen. Voor het overige gedeelte wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.

Ten aanzien van de door de benadeelde partij gevorderde kosten voor de rechtsbijstand van

€ 4.235,00, - zal de rechtbank aansluiting zoeken bij het geldende liquidatietarief zoals dat in civiele zaken wordt gehanteerd. Nu de rechtbank van een lager toegewezen bedrag uitgaat dan is gevorderd (het hierboven toegewezen bedrag van € 375,-), zal de rechtbank aansluiting zoeken bij liquidatietarief I. Dit tarief geldt met betrekking tot zaken van een geldswaarde beneden € 10.000 in hoofdsom. De hoogte stelt de rechtbank op grond van dat liquidatietarief vast op € 384,- (tarief I: één punt).

Gelet op het hiervoor genoemde zal de rechtbank een totaal bedrag toewijzen van € 759,- (zevenhonderdnegenenvijftig euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

In het belang van [persoon 6] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd, met uitzondering van de kosten van rechtsbijstand.

18 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 55, 62, 141, 300, 302 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

19 Beslissing

Verklaart het onder feit 1 eerste cumulatief/alternatief, feit 2, feit 3 primair, feit 5, feit 6, feit 7 primair, feit 8 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 tweede en derde cumulatief/alternatief, feit 3 subsidiair, feit 4, feit 7 subsidiair, feit 8 tweede cumulatief/alternatief en feit 9 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 11 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder feit 1 tweede en derde cumulatief/alternatief bewezen geachte:

Eendaadse samenloop van

- medeplegen van zware mishandeling

en

- openlijke geweldpleging

Ten aanzien van het onder feit 3 subsidiair bewezen geachte:

poging tot zware mishandeling

Ten aanzien van het onder feit 4 en feit 7 subsidiair bewezen geachte:

mishandeling, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het onder feit 8 bewezen geachte:

openlijke geweldpleging

Ten aanzien van het onder feit 9 bewezen geachte:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Ten aanzien van de het onder feit 1 tweede en derde cumulatief/alternatief, feit 3 subsidiair, feit 4, feit 7 subsidiair en feit 8 tweede cumulatief/alternatief bewezen geachte:

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Ten aanzien van het onder feit 9 bewezen geachte:

Veroordeelt verdachte ter zake van het onder feit 9 bewezen verklaarde feit tot een geldboete van € 750,- (zevenhondervijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 15 dagen.

Ten aanzien van het onder feit 1 tweede en derde cumulatief/alternatief bewezen geachte:

Wijst de vordering van [persoon 1], toe tot € 20.792,30 (twintigduizend zevenhonderd tweeënnegentig euro en dertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bestaande uit € 15.000,- immateriële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is, met uitzondering van post 11, dat door de rechtbank is afgewezen

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 1], € 19.436,30 (negentienduizend vierhonderdzesendertig euro en dertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bestaande uit € 15.000,- immateriële schade, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 132 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van het onder feit 3 subsidiair bewezen geachte:

Wijst de vordering van [persoon 3], toe tot € 1.382,95 (dertienhonderd tweeëntachtig euro en vijfennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bestaande uit € 750,- immateriële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 3] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 3], aan de Staat € 998,95 (negenhonderdachtennegentig euro en vijfennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bestaande uit € 750,- immateriële schade, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 19 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van het onder feit 7 subsidiair bewezen geachte:

Wijst de vordering van [persoon 6], toe tot een bedrag van € 759,- (zevenhonderdnegenenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bestaande uit € 375,- immateriële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 6] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 6], aan de Staat € 375,- (driehonderdnegenenvijftig euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 5 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.M. Wieland, voorzitter,

mrs. F.M.S. Requisizione en B.C. Langendoen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Zuithoff, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 februari 2014.

1 Rapport van Prof.dr. [persoon 32] van 16 juni 2013, doorgenummerde pag. 9 076 e.v.