Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:7121

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-10-2014
Datum publicatie
29-10-2014
Zaaknummer
HA ZA 12-1419
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

“Bewijsbeslag. Incident 843a Rv. Vorderingen in het incident afgewezen. Geen rechtmatig belang.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/530999 / HA ZA 12-1419

Vonnis in incident van 22 oktober 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MOLENBEEK INVEST B.V.,

gevestigd te Rijssen-Holten,

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het incident in conventie,

verweerster in het incident in (voorwaardelijke) reconventie,

advocaat mr. J.P.P. Latour te Amsterdam,

tegen

1 [naam gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [.] [naam gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in de hoofdzaak,

verweerders in het incident in conventie,

eisers in het incident in (voorwaardelijke) reconventie,

advocaat mr. R.J.W. Analbers te Amsterdam.

Eiseres in de hoofdzaak zal hierna Molenbeek worden genoemd. Gedaagden in de hoofdzaak zullen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (gezamenlijk [gedaagden]) worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de gelijkluidende dagvaardingen van 19 november 2012,

  • -

    de akte overlegging producties van 28 november 2012, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie van 20 februari 2013, met producties,

  • -

    de incidentele conclusie ex artikel 843a Rv jo 209 Rv van 4 december 2013, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in incident ex artikel 843a Rv jo 209 Rv, tevens (voorwaardelijke) conclusie van eis in reconventie in incident ex artikel 705 Rv jo 223 Rv van 5 februari 2014, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie in het incident ex artikel 705 Rv jo 223 Rv van 5 maart 2014, met producties,

  • -

    het proces-verbaal van de pleidooien in incident van 8 september 2014 en de daarin vermelde processtukken, waaronder de conclusie van antwoord in reconventie met producties,

  • -

    de fax van 10 september 2014 van mr. Analbers en de brief van 12 september 2014 van mr. Latour, met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten

De rechtbank gaat in dit incident uit van de volgende, enerzijds gestelde en anderzijds niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwiste feiten:

2.1.

Molenbeek houdt zich bezig met beleggen in onroerend goed, effecten en andere vermogenswaarden. Molenbeek hield 67% van de aandelen in het kapitaal van Unify Group Holding B.V. (hierna: UGH). UGH hield zich bezig met het aanbieden van goedkope mogelijkheden om vanuit het buitenland te bellen.

2.2.

[gedaagde 1] was vanaf de oprichting tot 2 november 2011 statutair directeur van UGH. [naam 1] (eveneens statutair directeur van UGH) en [gedaagde 1] hielden, via hun gezamenlijke holding Simplify Holding B.V. (hierna: Simplify) 31,7% van de aandelen in het kapitaal van UGH.

2.3.

Molenbeek, Simplify en de twee andere aandeelhouders hebben op 12 juli 2007 een aandeelhoudersovereenkomst gesloten waarin een non-concurrentiebeding en een geheimhoudingsbeding zijn opgenomen.

2.4.

Molenbeek heeft vanaf 2007 (gaandeweg) steeds meer aandelen in het kapitaal van UGH verkregen (onder meer) door middel van converteerbare geldleningen. Verder heeft Molenbeek in 2009 en 2011 geldleningen aan UGH verstrekt ad in totaal € 3.049.425,-.

2.5.

UGH leed in de jaren 2009 tot en met 2011 grote verliezen. Begin januari 2011 verkeerde UGH in grote financiële problemen.

2.6.

Per 1 maart 2011 is [gedaagde 2] in dienst getreden bij UGH als sales manager.

2.7.

Molenbeek heeft in het eerste kwartaal van 2011 enkele bedrijfsadviseurs ingeschakeld (bijeengebracht in een zogenaamde ‘taskforce’). Aan deze taskforce is verzocht te adviseren over mogelijke verkoop van de aandelen in UGH dan wel mogelijke andere participaties en/of joint ventures. De taskforce bestond uit [naam 2], [naam 3], [naam 4], [naam 5], [naam 6] en [naam 7] en werd betaald door Molenbeek. De taskforce heeft met meerdere partijen gesproken, die echter alleen geïnteresseerd waren om als co-investor op te treden.

2.8.

Op 28 april 2011 heeft de leverancier van simkaarten aan UGH bericht dat haar openstaande facturen voldaan moesten worden voordat zij nieuwe simkaarten wilde leveren. Eind mei 2011 bleek de financiële situatie van UGH dermate slecht te zijn dat het vakantiegeld van werknemers niet meer uitbetaald kon worden. Ook een andere leverancier eiste eind mei 2011 betaling voordat zij haar werkzaamheden zou vervolgen.

2.9.

[gedaagde 2] heeft de taskforce in contact gebracht met Itel Media Incorporated Inc. althans Corporate Network Ltd (dan wel aan haar gelieerde vennootschappen), vertegenwoordigd door [naam 8] en [naam 9], hierna: Itel.

2.10.

Op 25 juli 2011 heeft Koritz namens Itel een concept-letter of intent aan [naam 2] gezonden waarin is vermeld dat Itel de aandelen van Molenbeek in UGH voor € 1,- zal overnemen, onder de voorwaarde dat Itel overeenstemming bereikt met Simplify en de andere aandeelhouder(s) voor de overname van hun aandelen in UGH. Itel heeft toegang gekregen tot een digitale data room voor een due diligence onderzoek.

2.11.

Op 24 juli 2011 heeft Itel een getekende letter of intent gezonden. Op 26 juli 2011 heeft [naam 2] aan [naam 9] bericht:

“(…) We are sorry to inform you that [directeur Molenbeek] [directeur Molenbeek, rechtbank] has no further interest to continue negotiations.

The discussions over the last week did not provide him with enough comfort that he will find a return on his investment. He rather spends his time, money and energy on exploring more promising opportunities.

On his behalf, we like to thank you for the shown interest. We kindly ask you to return and/or destroy all confidential information that we have provided to you. (…)”

2.12.

Molenbeek heeft vervolgens met Meco onderhandeld over een participatie door Meco in de Zwitserse dochtervennootschap van UGH, In&Phone SA (hierna: In&Phone). Deze onderhandelingen zijn op niets uitgelopen.

2.13.

In augustus 2011 dreigden enkele klanten van UGH hun contract te beëindigen omdat zij geen simkaarten meer geleverd kregen.

2.14.

Op 9 en 10 september 2011 waren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in Malaga voor een bespreking met Itel. Bij e-mail van 9 september 2011 heeft [naam 3] namens Molenbeek haar aandelen in UGH aan Itel aangeboden voor € 1,- onder de voorwaarde dat Itel de lening van Molenbeek aan UGH ad € 3.051.000,- overneemt. In deze e-mail is vermeld dat het aanbod geldig is tot 12 september 2011 en dat UGH, indien Itel dit aanbod niet binnen die termijn aanvaardt, haar faillissement zal aanvragen.

2.15.

Op 29 september 2011 is een Sale and Purchase Agreement (hierna: SPA) gesloten tussen (onder meer) Molenbeek en Simplify als verkopers en Itel als koper van de aandelen in UGH. Met het opstellen van de SPA heeft [gedaagden] geen bemoeienis gehad. Als bijlage bij de SPA was een overzicht gevoegd van de structuur van de groep waarin was vermeld dat UGH een belang van 51% hield in Unify USA.

2.16.

Naar aanleiding van een discussie over de eigendom van de aandelen in Unify USA is een addendum bij de SPA opgesteld waarin is vermeld dat Itel de lening van Molenbeek zou overnemen voor een bedrag van € 2.745.900,- (in plaats van € 3.051.000,-). Itel heeft dit addendum op 20 oktober 2011 ondertekend.

2.17.

Op 27 oktober 2011 heeft [naam 2] de SPA met Itel namens Molenbeek beëindigd. Één dag later heeft de advocaat van Molenbeek namens Molenbeek de overeenkomst formeel beëindigd.

2.18.

Bij e-mail van 19 november 2011 heeft [directeur Molenbeek] aan [naam 9] van Itel geschreven:

“(…) I understand that you are working on the transfer, but that it hasn’t been succesfull up till now. To provide both you and Unify enough time to conclude the deal and organize the wire transfer properly, I suggest that, in the mean time, you could transfer enough working capital (Euro 400 K, as has been your intention anyway) towards Unify directly from another, different, account that is under your full control.

This working capital then could be considered as a loan or as a prepayment for the coming transfer as laid down in the SPA and be settled that way - whatever you deem to be the best solution. (...)”

2.19.

Op 1 december 2011 is aan UGH surséance van betaling verleend, welke surséance op 13 december 2011 is omgezet in een faillissement.

2.20.

De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 1 november 2012 voorlopig verlof verleend aan Molenbeek tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag ten laste van [gedaagden] op de bescheiden en gegevensdragers zoals vermeld in paragraaf 82 van het verzoekschrift tot beslaglegging. Voorts heeft de voorzieningenrechter prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld. Uit hoofde van dit voorlopig verlof heeft Molenbeek op 6 november 2012 conservatoir bewijsbeslag gelegd onder [gedaagden]

2.21.

Na beantwoording van de prejudiciële vragen (HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9958) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij beschikking van 12 november 2013 definitief verlof verleend om ten laste van [gedaagden] conservatoir bewijsbeslag te leggen zoals dit op 6 november 2012 voorlopig is gelegd, met dien verstande dat de bepaalde bescheiden waarop beslag mag worden gelegd als volgt zijn omschreven:

“(…) alle bescheiden/gegevens/(email)correspondentie die zich zowel bevinden in de (papieren) boekhouding/administratie van [gedaagde 1] en [gedaagde 2], als digitaal zijn opgeslagen op de computer en/of andere digitale gegevensdragers op het thuisadres van [gedaagde 1] (..) en het thuisadres van [gedaagde 2] (..) die zien op de in par. 25-39 omschreven gedragingen/nalaten (zijnde kort gezegd: het stuklopen van de transactie met Itel, het tegenhouden van deals, althans het onvoldoende inzetten om de deals binnen te halen en te houden voor UGH, het frustreren van opdrachten voor klanten en het zaaien van tweespalt in de organisatie), te weten correspondentie tussen [gedaagde 2] en [gedaagde 1] onderling, tussen [gedaagde 2] en/of [gedaagde 1] en (1) personeel van UGH, (5) [naam 10], (6) [naam 9], (7) [naam 8], (8) [naam 11], (9) [naam 12], (10) Unitel Invest UK en (11) Itel in de periode januari 2011 tot en met maart 2012, met de navolgende trefwoorden: Itel, verkoop, transactie, patenten, de namen van de onder 5 tot en met 9 genoemde contactpersonen en Molenbeek, alsook dezelfde trefwoorden vertaald in de Engelse taal. (…)”

3. Het geschil

in de hoofdzaak

3.1.

Molenbeek vordert in de hoofdzaak:

I. een verklaring voor recht dat (i) [gedaagde 1] is tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de aandeelhoudersovereenkomst en dat [gedaagde 1] daarom ingevolge artikel 10.2 en 10.5 van de aandeelhoudersovereenkomst boete(s) en dwangsommen heeft verbeurd aan Molenbeek, en (ii) dat [gedaagde 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Molenbeek en gehouden is de door Molenbeek daarom geleden schade te vergoeden, II. een verklaring voor recht dat [gedaagde 2] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Molenbeek en gehouden is de door Molenbeek geleden schade te vergoeden, III. veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van (tenminste) een boete ad € 250.000,- althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen boete en (of) dwangsom. IV. hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van schadevergoeding ad € 17.799.425,- vermeerderd met wettelijke rente, V. hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten, waaronder de beslagkosten.

3.2.

Molenbeek legt aan haar vordering kort gezegd ten grondslag dat [gedaagden] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door (i) te bewerkstelligen dat de SPA met Itel geen doorgang heeft gevonden, dit teneinde zelf een voordeliger overeenkomst te kunnen sluiten, (ii) de uitvoering van opdrachten door UGH voor klanten uit te stellen en te vertragen met als doel de omzet te drukken zodat een derde UGH voor een gering bedrag kon kopen, (iii) bepaalde opdrachten voor klanten van UGH opzettelijk te frustreren en (iv) tweespalt te zaaien binnen UGH. Zij stelt dat Molenbeek ten gevolge van dit handelen failliet is gegaan, waardoor zij haar investeringen in UGH heeft zien verdampen. Voorts voert Molenbeek aan dat [gedaagde 1] wanprestatie zou hebben gepleegd onder de aandeelhoudersovereenkomst.

3.3.

[gedaagden] betwist de feitelijke stellingen van Molenbeek. [gedaagde 1] voert verder aan dat hem als bestuurder van UGH geen ernstig verwijt kan worden gemaakt. [gedaagde 2] voert aan dat hij als werknemer van UGH niet opzettelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld. Verder voeren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan dat zij geen specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens Molenbeek als aandeelhouder hebben geschonden.

in de incidenten

in conventie

3.4.

Molenbeek vordert in het incident ex artikel 843a Rv:

I. een verklaring voor recht dat zij recht heeft op afschrift van de hiervoor in 2.21 vermelde bescheiden/gegevens/emailcorrespondentie (hierna: de Bescheiden),

II. een bevel dat de gerechtelijk bewaarder binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis aan Molenbeek afschrift geeft van de Bescheiden,

III. hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de kosten van dit incident.

3.5.

Molenbeek legt aan haar incidentele vordering ten grondslag dat inzage in de Bescheiden nodig is om bewijs te leveren van haar hiervoor in 3.2 vermelde stellingen.

3.6.

[gedaagden] voert verweer. Hij betwist dat Molenbeek een rechtmatig belang heeft bij inzage in de Bescheiden en voert aan dat sprake is van een ‘fishing expedition’.

in voorwaardelijke reconventie

3.7.

[gedaagden] vordert in voorwaardelijke reconventie (namelijk voor het geval de rechtbank de incidentele vordering ex artikel 843a Rv afwijst) opheffing van het conservatoire bewijsbeslag op grond van artikel 705 lid 2 Rv, alsmede een bevel aan de gerechtelijk bewaarder om alle bescheiden en gegevensdragers die informatie van [gedaagden] bevatten binnen 7 dagen na dit vonnis aan hen ter hand te stellen, met veroordeling van Molenbeek in de proceskosten van het incident, inclusief de nakosten.

4 De beoordeling in de incidenten

in het incident ex artikel 843a Rv

4.1.

Bij de beoordeling van de incidentele vordering van Molenbeek geldt als uitgangspunt dat artikel 843a Rv niet voorziet in een onbeperkt recht op inzage/afschrift van bescheiden jegens degene die deze te zijner beschikking heeft, maar dat deze bepaling het recht op inzage/afschrift afhankelijk stelt van een aantal cumulatieve vereisten: (i) de eiser dient een rechtmatig belang te hebben, (ii) het moet gaan om bepaalde bescheiden (iii) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser (of zijn rechtsvoorganger) partij is.

Uit het voorgaande volgt dat artikel 843a Rv niet de mogelijkheid biedt voor het opvragen van documenten waarvan een partij indicaties heeft dat de wederpartij daarover beschikt en waarvan hij vermoedt dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan zijn stellingen (‘fishing expedition’).

Terecht stelt Molenbeek dat een rechtsbetrekking in de zin van artikel 843a Rv ook een verbintenis uit onrechtmatige daad of wanprestatie kan zijn. Het moet echter wel gaan om bescheiden die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het geschil met het oog waarop verstrekking wordt gevraagd. Molenbeek moet bij die bescheiden een bewijsbelang hebben.

4.2.

Molenbeek voert aan dat in dit incident geen ruimte is voor (beoordeling van) de nieuwe feiten en omstandigheden die [gedaagden] in zijn incidentele conclusie van antwoord (en bij pleidooi) heeft aangevoerd en die materieel zijn verweer in de hoofdzaak betreffen. Molenbeek stelt dat alle verweren in het antwoord in de hoofdzaak hadden moeten worden aangevoerd (concentratie van verweren).

De rechtbank overweegt dat het [gedaagden] vrij staat deze feiten en omstandigheden aan te voeren, en dat deze bij de beoordeling in het incident kunnen worden betrokken omdat - zoals hiervoor is overwogen - moet worden getoetst of de gevorderde bescheiden relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het geschil in de hoofdzaak. Daarbij komt dat [gedaagden] in de loop van het geding zijn verweer mag aanvullen en toespitsen op de stellingen van Molenbeek. Molenbeek heeft niets gesteld waaruit kan volgen dat sprake is van strijd met de goede procesorde. De rechtbank zal Molenbeek ook geen gelegenheid geven bij akte nader te reageren op deze feiten en omstandigheden, nu zij dit reeds bij pleidooi heeft kunnen doen. Hetzelfde geldt voor de door [gedaagden] overgelegde producties. Het komt de rechtbank overigens voor dat (een deel van) deze producties nu juist bescheiden zijn waarvan Molenbeek in dit incident afschrift vordert.

4.3.

Anders dan Molenbeek lijkt te stellen, kan een rechtmatig belang bij inzage/afschrift van de Bescheiden niet reeds volgen uit het feit dat de voorzieningenrechter (uit de aard der zaak, zonder het horen van [gedaagden]) verlof heeft verleend tot het leggen van bewijsbeslag. De vraag of Molenbeek recht heeft op inzage van de in beslag genomen Bescheiden ligt nu juist in dit incident ter beoordeling voor. De voorzieningenrechter heeft bovendien geen feiten vastgesteld (nog daargelaten dat aan een vonnis van de voorzieningenrechter, waarin een voorlopige beoordeling besloten ligt, geen gezag van gewijsde toekomt).

4.4.

De rechtbank overweegt dat het gevorderde in het incident, in het licht van de verwijten die Molenbeek aan haar vordering in de hoofdzaak ten grondslag heeft gelegd (rov. 3.2) en de hiervoor onder 2 vermelde (in dit incident vaststaande) feiten, moet worden afgewezen. Ter toelichting dient het volgende.

4.4.1.

Wat betreft het verwijt onder (i) (het frustreren van de deal met Itel) geldt dat als onweersproken vaststaat dat Molenbeek (althans haar advocaat) zelf de SPA heeft beëindigd omdat Itel had verzuimd te betalen. De stelling van Molenbeek, dat [gedaagden] de deal met Itel heeft gefrustreerd, is dan ook niet ter zake dienend. Ook indien deze stelling juist zou zijn, moet het gevorderde voorshands worden afgewezen nu de gestelde schade is veroorzaakt door de keuze van Molenbeek om de SPA te beëindigen.

Molenbeek heeft ook gesteld dat Itel is afgehaakt (en heeft nagelaten te betalen) door de roekeloosheid en inhaligheid van [gedaagden], die te hoog spel heeft gespeeld met als inzet een betere positie voor zichzelf. Deze stelling is tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagden] - die onweersproken stellen dat Itel na de overname met hen wilde blijven samenwerken - onvoldoende toegelicht. Hierbij merkt de rechtbank op dat Molenbeek zelf stelt dat [gedaagden] zich heeft ingespannen om Itel te bewegen de koopsom snel te voldoen. Verder erkennen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat zij een persoonlijk belang (prijs voor aandelen [gedaagde 1] zonder 15% korting / terugbetaling lening familie, aandelenbelang, salaris, nieuwe baan voor [gedaagde 2] als chief sales officer) hadden bij de transactie met Itel, dat zij zich in september en oktober 2011 hebben gepresenteerd als verbonden aan Itel en dat zij de beoogde deal hebben besproken met Itel zonder Molenbeek, [naam 1] of UGH erbij te betrekken (Molenbeek noemt dit het "voorkoken" van de deal). Deze punten zijn niet in geschil en onderzoek is dan ook in zoverre niet nodig. Voor zover Molenbeek onderzoek naar de Bescheiden wil doen om de details van het voorkoken boven water te halen (wat wanneer is gezegd over de transactie), geldt dat zij voorshands niet voldoende concreet heeft toegelicht dat dergelijke details ter zake dienend zijn, nu de uitkomst van het voorkoken blijkens het voorgaande vast staat.

4.4.2.

Wat betreft het verwijt onder (ii) (met betrekking tot inzet voor nieuwe deals) stelt Molenbeek in wezen, naar de rechtbank begrijpt, dat [gedaagden] geen of weinig deals voor UGH heeft uitgevoerd in 2011. [gedaagden] erkent dit. De handelwijze van [gedaagden] op dit punt staat dan ook vast, zodat het in het incident verlangde onderzoek naar die handelwijze achterwege kan blijven.

Daar komt het volgende bij. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren aan dat zij steeds zijn doorgegaan met het werven van nieuwe opdrachten en nieuwe klanten, doch dat zij geen aanbetalingen meer van klanten hebben gevraagd (en geen deals hebben uitgevoerd) omdat UGH geen simkaarten kon leveren. Molenbeek heeft niet toegelicht hoe UGH deze klanten had kunnen bedienen, hetgeen mede in het licht van de in 2.8 en 2.13 vermelde feiten wel op haar weg had gelegen. Hierop stuit het verwijt voorshands af, waardoor de stelling, dat geen of weinig deals voor UGH zijn uitgevoerd in 2011, niet ter zake dienend is: ook uitgaande van de juistheid van deze stelling, moet de rechtbank voorshands de vordering in de hoofdzaak in zoverre afwijzen.

Molenbeek gaat er verder van uit dat aan Itel voor een goede prijs is verkocht, maar Molenbeek heeft zoals overwogen zelf de SPA beëindigd, waardoor niet valt in te zien hoe Molenbeek schade heeft geleden door het handelen van [gedaagden] De stelling, dat [gedaagden] geen of weinig deals hebben uitgevoerd, is ook om deze reden niet ter zake dienend.

Molenbeek stelt dat het door toedoen van [gedaagden] niet is gelukt de onderneming aan een andere koper voor een betere prijs (dan de met Itel overeengekomen prijs) te verkopen, maar deze stelling is tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagden] in het geheel niet toegelicht. Een nadere toelichting lag te meer op de weg van Molenbeek, nu Molenbeek stelt dat de taskforce andere opties voor een verkoop van de onderneming heeft onderzocht en dat dit niet tot een transactie met een andere koper heeft geleid.

4.4.3.

Wat betreft het verwijt onder (iii) (met betrekking tot opdrachten) erkent [gedaagden] dat zij bepaalde gegevens (opgenomen in wat zij een "provisionele winst- en verliesrekening" noemt, door Molenbeek "pijplijn" genoemd) pas eind november 2011 aan Molenbeek of [naam 1] hebben laten zien. Dit staat daarom vast. Onderzoek kan dan ook op dit punt achterwege blijven.

Het argument van [gedaagden], dat de "provisionele winst- en verliesrekening" niet relevant is, omdat UGH geen middelen had om klanten te bedienen (en die middelen ook niet van Molenbeek had kunnen krijgen), is, evenals hiervoor is overwogen met betrekking tot de simkaarten die UGH niet kon leveren, niet voldoende weersproken door Molenbeek. Daarom is voorshands niet relevant of deze gegevens (zoals Molenbeek stelt en [gedaagden] betwist) als orderboek met waardevolle omzet moeten worden beschouwd.

Voor het overige heeft Molenbeek niet geconcretiseerd welke opdrachten zouden zijn gefrustreerd, met uitzondering van Sitetalk. Molenbeek heeft ook niet gesteld dat zij niet in staat is concreet toe te lichten welke andere opdrachten in haar visie zouden zijn gefrustreerd.

Ten aanzien van Sitetalk heeft Molenbeek gesteld dat [gedaagde 1] omwille van controle op de kosten is afgeweken van het verzoek van de klant voor ‘MO roaming’, waardoor Sitetalk is afgehaakt. [gedaagden] betwist dat niet. De juistheid van deze stelling van Molenbeek staat daarom als onweersproken gesteld vast, waardoor het door Molenbeek verlangde onderzoek achterwege kan blijven. De stelling van [gedaagden], dat [gedaagde 1] op dit punt een verantwoorde beslissing heeft genomen, is voor de beslissing in het incident niet van belang en kan in de hoofdzaak aan de orde komen.

4.4.4.

Het verwijt onder (iv) is dermate vaag - het zaaien van tweespalt in de onderneming van UGH, waardoor Itel zou zijn afgehaakt - dat het tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagden], die het scenario van een zakelijk geschil tussen [gedaagde 1] en [naam 1] schetst, op de weg van Molenbeek lag haar stellingen nader toe te lichten. Molenbeek heeft ook op dit punt niet gesteld dat zij niet in staat zou zijn haar stellingen concreet toe te lichten. De stelling van Molenbeek, dat Itel niet met [naam 1] heeft gesproken over de beoogde overname, is onvoldoende concreet en bovendien niet ter zake dienend.

4.4.5.

Molenbeek voegt aan het vorenstaande toe dat [gedaagden] vertrouwelijke informatie over de onderneming van UGH met Itel hebben gedeeld. Molenbeek sluit niet uit dat Itel hierdoor is afgehaakt. [gedaagden] voert in dit verband onweersproken aan dat Itel met het oog op de SPA toegang heeft gehad tot een dataroom, waarin alle actuele relevante informatie over UGH is opgenomen, dat Itel al vanaf 13 juli 2011 gegevens heeft ontvangen op grond van een geheimhoudingsovereenkomst, dat de slechte financiële positie van UGH geen geheim was voor Itel (ook omdat de taskforce hierover heeft verklaard en omdat op 9 september 2011 van de zijde van Molenbeek aan Itel is medegedeeld dat UGH zonder de beoogde transactie failliet zou gaan) en dat een vertegenwoordiger van Itel als nieuwe bestuurder aan het personeel van UGH is voorgesteld, vlak nadat [naam 1] eind september 2011 als bestuurder van UGH afscheid had genomen van het personeel. Bij deze stand van zaken is de stelling van Molenbeek, dat [gedaagden] op ongeoorloofde wijze vertrouwelijke informatie heeft gedeeld met Itel (waardoor Itel is afgehaakt), onvoldoende toegelicht en bovendien niet ter zake dienend: ook indien deze stelling juist zou zijn, kan dit bij gebreke van enig causaal verband met de gestelde schade (alle relevante gegevens zijn medegedeeld, Molenbeek gaat ervan uit dat de koopprijs met Itel redelijk was en Molenbeek heeft zelf de SPA ontbonden) niet leiden tot een beslissing in de hoofdzaak.

4.4.6.

De stelling van Molenbeek, dat [gedaagde 2] heeft gegoocheld met cijfers waardoor Itel is afgehaakt, is op niets gebaseerd (anders dan een e-mail van 15 juni 2011 waarin [gedaagde 2] een andere medewerker van UGH vraagt - op aandringen van [naam 1], naar [gedaagden] onweersproken stelt - om van de aangeleverde cijfers iets moois te maken met het oog op een door [naam 1] te verzenden e-mail) en is tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagden] onvoldoende toegelicht.

4.4.7.

Molenbeek stelt dat hetgeen reeds bekend is (zoals hiervoor aan de orde is gekomen) het puntje van de ijsberg is en dat naar haar stellige overtuiging veel meer is gebeurd (in de zin van ongeoorloofde gedragingen van [gedaagden] waardoor Molenbeek is benadeeld). [gedaagden] hebben welbewust de ondergang van UGH veroorzaakt, aldus Molenbeek, die hieraan toevoegt dat laptops van UGH zijn gewist. De (niet onderbouwde) verwachtingen van Molenbeek over de inhoud van de Bescheiden zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om een ander oordeel te dragen, dan hiervoor is gegeven. De beoordeling van de vaststaande feiten kan in de hoofdzaak aan de orde komen.

4.5.

Molenbeek heeft dan ook (in dit stadium van het geding) geen rechtmatig belang bij inzage/afgifte van de gevorderde Bescheiden. De enkele omstandigheid dat (enkele) van de gevorderde bescheiden mogelijk informatie zouden kunnen bevatten ter ondersteuning van de stellingen van Molenbeek in de hoofdzaak, is in dit verband onvoldoende. Toewijzing van het gevorderde zou dan immers neerkomen op het faciliteren van een zoektocht waarvoor artikel 843a Rv niet bedoeld is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat Molenbeek zelf stelt de inhoud van de Bescheiden niet te kennen, doch niettemin meent dat daaruit het door haar geschetste scenario zal volgen, terwijl zij niet voldoende concreet ingaat op door [gedaagden] onderbouwde aanwijzingen voor alternatieve scenario’s (de keuze van Molenbeek om de SPA te beëindigen; de omstandigheid dat UGH geen simkaarten kon leveren en geen middelen had; een zakelijk geschil in de onderneming; en de dataroom en de informatieverstrekking door UGH / de taskforce).

4.6.

De incidentele vordering ex artikel 843a Rv zal derhalve worden afgewezen. Molenbeek zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 904,00 (2 punten van tarief II).

in voorwaardelijke reconventie

4.7.

Nu de incidentele vordering ex artikel 843a Rv zal worden afgewezen, is de voorwaarde waaronder de reconventionele incidentele vordering is ingesteld, vervuld. De rechtbank is van oordeel dat gelet op hetgeen hiervoor in conventie is overwogen tevens summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger (Molenbeek) ingeroepen recht (namelijk het recht op afschrift) althans van het onnodige van het beslag. De rechtbank zal het door Molenbeek op 6 november 2012 onder [gedaagden] gelegde conservatoir bewijsbeslag dan ook opheffen. De rechtbank zal het vonnis op dit punt evenwel niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zodat de rechtstoestand waarin het beslag als opgeheven heeft te gelden eerst intreedt wanneer dit vonnis in kracht van gewijsde gaat. Het gevorderde bevel aan de gerechtelijk bewaarder zal reeds om die reden worden afgewezen, noch afgezien van het feit dat deze geen partij is in dit geding.

4.8.

Molenbeek zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in het incident in reconventie. Vanwege de samenhang met het incident in conventie zullen deze kosten op halve punten-voet worden begroot, te weten ½ keer 2 punten van tarief II is € 452,00.

in conventie en reconventie

4.9.

De gevorderde nakosten in conventie en reconventie zullen als niet betwist worden toegewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident in conventie (ex artikel 843a Rv)

5.1.

wijst het gevorderde af,

in het incident in reconventie (ex artikel 705 lid 2 Rv)

5.2.

heft het door Molenbeek op 6 november 2012 onder [gedaagden] gelegde conservatoir bewijsbeslag op,

in beide incidenten

5.3.

veroordeelt Molenbeek in de kosten van beide incidenten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 1.356,00,

5.4.

veroordeelt Molenbeek, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [gedaagden] aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 205,00 aan salaris advocaat,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.5.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in de hoofdzaak

5.7.

bepaalt dat de zaak op de parkeerrol zal komen van 1 april 2015 voor uitlating doorprocederen.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes, mr. B. van Berge Henegouwen en
mr. M.E.M. James-Pater en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2014.