Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:706

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-02-2014
Datum publicatie
14-08-2014
Zaaknummer
AWB-13_2489
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij de beoordeling van de vraag of volgens het toepasselijke Egyptische recht tussen de man en de minderjarigen familierechtelijke betrekkingen zijn ontstaan, rijst de voorvraag of het tussen de man en de vrouw gesloten polygame huwelijk als rechtsgeldig kan worden erkend. Deze voorvraag moet op grond van artikel 10:33 van het BW worden beantwoord op grond van het Nederlandse recht. Erkenning van dit polygame huwelijk is onverenigbaar met de openbare orde. De Nederlandse rechtsorde is in voldoende mate betrokken bij dit huwelijk, reeds omdat op grond van dat huwelijk wordt verzocht om afgifte van Nederlands paspoorten. Nu het huwelijk rechtsgevolg mist kan het geen basis bieden voor het bestaan van familierechtelijke betrekkingen tussen hun vader en eiseressen. Dit betekent dat eiseressen geen Nederlander zijn op grond van artikel 3, eerste lid, van de RWN. Het beroep op artikel 8 van het EVRM slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/2489

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2014 in de zaak tussen

1.

[naam] en

2.

[naam],

beiden wonende in Egypte, eiseressen

(gemachtigde mr. M.O. Wattilete),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde mr. I.S. IJserinkhuijsen).

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvragen om Nederlandse paspoorten te verstrekken aan eiseressen niet in behandeling genomen.

Bij besluit van 6 maart 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseressen tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseressen hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2014.

Eiseressen en hun gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1. De heer [naam] (hierna: [de vader]) staat sinds 23 september 1977 onafgebroken ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans: Basisregistratie Personen) van de gemeente Amsterdam. [de vader] is op 9 oktober 1985 in Amsterdam in het huwelijk getreden met mevrouw [naam]. Dit huwelijk is tot op heden niet ontbonden.

1.2. Bij Koninklijk Besluit is per 20 februari 1990 aan [de vader] het Nederlanderschap verleend.

1.3. Op 25 juni 2001 is [de vader] in Cairo, Egypte, volgens Egyptisch (islamitisch) recht gehuwd met mevrouw [naam]. Zij bezit de Egyptische nationaliteit.

1.4. Op [geboortedatum] 2002 is [naam] (eiseres 1) geboren en op [geboortedatum] 2007 is [naam] (eiseres 2) geboren.

1.5. Op 1 oktober 2012 hebben [de vader] en [naam] (hierna: de moeder) ten behoeve van de minderjarige eiseressen aanvragen ingediend voor Nederlandse paspoorten.

1.6. Bij het primaire besluit heeft verweerder deze aanvragen niet in behandeling genomen. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat niet kan worden geconcludeerd dat eiseressen het Nederlanderschap bezitten. Eiseressen hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

2.1. Op grond van artikel 9 van de Paspoortwet heeft iedere Nederlander binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een nationaal paspoort, geldig voor vijf jaren en voor alle landen.

2.2. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) is Nederlander het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is, alsmede het kind van een Nederlander die voordien is overleden.

2.3. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN wordt verstaan onder vader: de man tot wie het kind, anders dan door adoptie, in de eerste graad in opgaande lijn in familierechtelijke betrekking staat.

2.4. In artikel 10:92, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is het volgende bepaald: Of een kind door geboorte in familierechtelijke betrekkingen komt te staan tot de vrouw uit wie het is geboren en de met haar gehuwde of gehuwd geweest zijnde man, wordt bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de vrouw en de man of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar de vrouw en de man hun gewone verblijfplaats hebben, of indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind.

2.5. Op grond van artikel 10:31, eerste lid, van het BW wordt als zodanig erkend een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden.

2.6. Op grond van artikel 10:32 van het BW wordt, ongeacht artikel 10:31 van het BW, aan een buiten Nederland gesloten huwelijk erkenning onthouden, indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.

2.7. Op grond van artikel 10:33 van het BW zijn de artikelen 10:31 en 10:32 van het BW van toepassing, ongeacht of over de erkenning van de rechtsgeldigheid van een huwelijk als hoofdvraag, dan wel als voorvraag in verband met een andere vraag wordt beslist.

3.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseressen niet staande een rechtsgeldig huwelijk tussen hun vader, [naam], en hun moeder, [naam], zijn geboren, aangezien dit een ononderbroken polygaam huwelijk is. Mitsdien kunnen eiseressen het Nederlanderschap niet aan [de vader] ontlenen. Ook anderszins is niet gebleken dat eiseressen in het bezit zijn van het Nederlanderschap.

4.

Eiseressen hebben aangevoerd dat ten onrechte erkenning is onthouden aan het in het buitenland gesloten polygame huwelijk tussen hun vader [naam] en hun moeder. Volgens eiseressen is de Nederlandse rechtsorde niet in voldoende mate betrokken bij dit huwelijk. Verder hebben eiseressen aangevoerd dat indien wordt aangenomen dat het polygame huwelijk van hun vader niet als rechtsgeldig kan worden erkend, eiseressen buiten huwelijk zijn geboren. Op grond daarvan bestaat naar Nederlands recht de mogelijkheid dat hun vader met eiseressen in familierechtelijke betrekking komen te staan middels erkenning. Verder is er sprake van familie- en gezinsleven tussen eiseressen en hun vader als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Erkenning van de familierechtelijke betrekking dient derhalve in Nederland mogelijk gemaakt te worden en los te worden gekoppeld van het wel of niet erkennen van het polygame huwelijk. Verweerder had volgens eiseressen dan ook aan hen Nederlandse paspoorten moeten verstrekken.

5.1.

De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling van de vraag of ingevolge het naar Nederlands conflictenrecht (sinds 1 januari 2012 gecodificeerd in boek 10 van het BW) daarop toepasselijke Egyptische recht tussen de man en de minderjarigen familierechtelijke betrekkingen zijn ontstaan, de voorvraag rijst of het tussen de man en de vrouw gesloten huwelijk als rechtsgeldig kan worden erkend. Op grond van artikel 10:33 van het BW dient deze voorvraag zelfstandig te worden aangeknoopt, wat wil zeggen dat niet het conflictenrecht van het rechtsstelsel dat op de hoofdvraag (de afstammingsvraag) van toepassing is – in dit geval het Egyptische recht – de voorvraag beslist, maar het Nederlands conflictenrecht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat naar Nederlands conflictenrecht – artikel 10:32 van het BW – het tussen Newser en de moeder gesloten huwelijk niet als rechtsgeldig kan worden erkend, omdat erkenning van dit polygame huwelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Anders dan eiseressen is de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse rechtsorde in voldoende mate is betrokken bij het huwelijk tussen Newser en de moeder, reeds omdat eiseressen op grond van dat huwelijk hebben verzocht om afgifte van een Nederlands paspoort. De rechtbank verwijst hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9500 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7705.

5.2.

Het voorgaande betekent dat het huwelijk rechtsgevolg mist en geen basis kan bieden voor het bestaan van familierechtelijke betrekkingen tussen Newser en eiseressen. Dit betekent dat eiseressen geen Nederlander zijn op grond van artikel 3, eerste lid, van de RWN.

6.

De beroepsgrond van eiseressen dat zij buiten huwelijk zijn geboren en op grond daarvan naar Nederlands recht de mogelijkheid bestaat dat zij met hun vader in familierechtelijke betrekking komen te staan middels erkenning, slaagt evenmin. Niet gebleken is immers dat erkenning daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Evenmin is gebleken dat er op andere wijze als bedoeld in artikel 1:199 van het BW sprake is van juridisch vaderschap.

7.

Ten aanzien van hetgeen door eiseressen is aangevoerd met betrekking tot artikel 8 van het EVRM, overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 8 van het EVRM geeft geen onbeperkt recht, maar een recht dat mede met het oog op de goede zeden kan worden beperkt. Het onthouden van erkenning aan een polygaam huwelijk is een beperking van het recht voortvloeiend uit artikel 8 van het EVRM dat als zodanig mogelijk is. De rechtbank overweegt verder dat de Nederlandse wet de mogelijkheid biedt om onder bepaalde voorwaarden buiten huwelijk geboren kinderen te erkennen. Daarmee geeft het Nederlandse recht voldoende waarborgen voor respect voor het privé, familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond faalt derhalve.

8.

Gelet op hetgeen in de rechtsoverwegingen 5.1 tot en met 7 is overwogen, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de afgifte van Nederlandse paspoorten aan eiseressen terecht heeft geweigerd. Het beroep is ongegrond.

9.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het door eiseressen betaalde griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M. Beunk, rechter,

in aanwezigheid van J.G.J. Geerlings, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2014.

de griffier

de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB