Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:7037

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-10-2014
Datum publicatie
18-11-2014
Zaaknummer
13-751781-14
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Overlevering aan Verenigd Koninkrijk toegestaan. Het EAB bevat de door artikel 2 van de OLW vereiste gegevens en de betrokkenheid bij de feiten is in voldoende mate omschreven. Moord is in redelijkheid als lijstfeit aangekruist.

Verwerping van het beroep op artikel 3 van het EVRM omdat de raadsman niet wordt gevolgd in zijn stellige overtuiging dat de opgeëiste persoon na een veroordeling in Groot-Brittannië tot een levenslange gevangenisstraf zal worden veroordeeld zonder kans op vervroegde vrijlating.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751781-14

RK nummer: 14/5902

Datum uitspraak: 24 oktober 2014

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 5 september 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 15 augustus 2014 door de District Judge (Magistrates’ Court), gezeteld in Liverpool Magistrates’ Court (Verenigd Koninkrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië) op [geboortedatum 1],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring te [plaats],

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 oktober 2014. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R.A. Bosman.

De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht op te vordering te worden gehoord en heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. A.D. Kloosterman, advocaat te Amsterdam.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia kloppen en dat de opgeëiste persoon de Britse nationaliteit heeft.

3.1.

Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van 1 augustus 2014 uitgevaardigd door het Liverpool Magistrates’ Court.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van het Verenigd Koninkrijk strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.2.

Genoegzaamheid omschrijving feiten

De raadsman heeft betoogd dat de overlevering dient te worden geweigerd omdat de omschrijving van de feiten niet voldoet aan artikel 2 van de OLW.

De feiten zijn niet in redelijkheid als lijstfeiten aangekruist en het feit “conspiracy to possess firearms with intent to cause fear of violence” is naar Nederlands recht niet strafbaar.

Uit de feitsomschrijvingen blijkt niet op welke wijze de opgeëiste persoon een strafbare bijdrage zou hebben geleverd aan de feiten waarvoor in Engeland reeds personen zijn veroordeeld. Ook ontbreekt informatie over het Britse recht rond deelnemingsvormen.

De officier van justitie heeft betoogd dat het verweer dient te worden verworpen.

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die bepaling de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

In de onderhavige zaak is op pagina 5 en 6 van het EAB onder e) het volgende omtrent de feiten en de betrokkenheid van de opgeëiste persoon vermeld (onderstreping van de rechtbank):

Three offences

1. Murder contrary to Common Law - 1 offence

2. Conspiracy to possess firearms with intent to cause fear of violence Criminal Law Act 1977 - 1 offence

3. Attempt murder Criminal Attempts Act 1981 - 1 offence

(…)

Description of the circumstances in which the offence(s) was (were) committed, including the time, place and degree of participation in the offence(s) by the requested person:

In February 2014 a trial took place at Liverpool Crown Court resulting in [persoon 1], [persoon 2] and [persoon 3] being convicted of the murder of [persoon 4]. All three were sentenced to life imprisonment. In addition [persoon 1] was convicted of an offence of conspiracy to possess firearms with intent to cause fear of violence and of the attempted murder of [persoon 5].

There is a clear evidential link between the three offences which were all tried together as part of the same case.

It is believed that [opgeëiste persoon] was heavily involved in the planning and preparation of these offences. The case against [opgeëiste persoon] is based on circumstantial evidence. There is no direct evidence of his involvement in the shooting of [persoon 4] or [persoon 1] other crimes, but there is a body of evidence that supports a strong inference that he was the man responsible for recruiting and directing [persoon 1]. The summary below sets out the facts of each of the offences and the evidence which shows the involvement of [opgeëiste persoon].

Vervolgens volgt in het EAB voor de moord, de “conspiracy to possess firearms with intent to cause fear of violence” en de poging tot moord een uitgebreide uiteenzetting van de feiten en omstandigheden met daarbij de plaats en de tijdstippen waarop de strafbare feiten zich hebben voorgedaan. Tevens is beschreven waarop het bewijs is gestoeld.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het EAB gelet op het voorgaande de door artikel 2 van de OLW vereiste gegevens bevat en dat in voldoende mate de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de feiten is omschreven. Immers, de Britse autoriteiten hebben aangeven dat zij bewijs hebben voor het vermoeden dat de opgeëiste persoon verantwoordelijk was voor het aanwerven en het aansturen van [persoon 1], één van de medeplegers van de feiten.

De rechtbank deelt evenmin het standpunt van de raadsman dat het feit moord niet in redelijkheid als lijstfeit is aangekruist. Zij is, met de officier van justitie, van oordeel dat de uitvaardigende justitiële autoriteit, uitgaande van de in rubriek e) van het EAB vermelde gegevens, in redelijkheid tot voornoemde kwalificatie heeft kunnen komen. Zoals de raadsman ook heeft betoogd, is het recht van de uitvaardigende lidstaat immers bepalend voor de kwalificatie van de feiten en heeft de Amsterdamse rechtbank hierin alleen een marginale toets. Onder de aangekruiste lijstfeiten kunnen meerdere strafbare feiten worden geschaard. Het overleggen van de wetsbepalingen omtrent de Britse strafbare deelnemingsvormen is dan ook niet vereist.

Onder E.II heeft de uitvaardigende autoriteit de feiten “conspiracy”,possession of firearm with intent tot cause fear of violence” en “attempting to commit an offence” vermeld. Deze feiten zullen naar Nederlands recht dubbel gekwalificeerd moeten worden en hiertoe verwijst de rechtbank naar paragraaf 4.2. van deze uitspraak.

De opmerkingen van de raadsman met betrekking tot de verdenking en/of de bewijsmiddelen voor het medeplegen, staan in de onderhavige procedure niet ter beoordeling. De waardering van het bewijs dient immers bij uitsluiting te geschieden door de Britse rechter in de strafrechtelijke procedure met betrekking tot de feiten waarvoor de overlevering wordt toegestaan. De uitgebreide weergave van de (veelal indirecte) bewijsmiddelen en de uiteenzetting van de verdenking op de opgeëiste persoon, is voor een beoordeling van de toelaatbaarheid van de overlevering dan ook niet noodzakelijk.

De verweren van de raadsman worden dan ook verworpen.

4.1.

Strafbaarheid, feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit moord waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit dit feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 14, te weten:

14. moord en doodslag, zware mishandeling

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van het Verenigd Koninkrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

Het is in beginsel aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om te beoordelen of een feit waarvoor overlevering wordt verzocht al dan niet onder voornoemde lijst valt en welk feit dient te worden aangekruist. Enkel in gevallen waarin sprake is van een evidente tegenstrijdigheid tussen de feitsomschrijving en de aangekruiste categorie zou dit tot de conclusie moeten leiden dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit niet in redelijkheid heeft aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Zoals reeds is overwogen in paragraaf 3.2. van deze uitspraak is de rechtbank van oordeel dat van zo een evidente tegenstrijdigheid geen sprake is.

4.2

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten “conspiracy to possess firearms with intent to cause fear of violence” en “attempting to commit an offence” (waarbij is vermeld dat het om een poging tot moord gaat) niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 2e van de OLW gestelde eisen.

Met de officier van justitie stelt de rechtbank vast dat deze feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, zowel naar het recht van het Verenigd Koninkrijk als naar Nederlands recht strafbaar zijn en dat op deze feiten in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

Medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

en

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en/of vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

en

Medeplegen van poging tot moord.

5 Artikel 11 van de OLW: levenslange gevangenisstraf en 3 van het EVRM

De raadsman heeft betoogd dat de overige verdachten in deze zaak reeds zijn veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Bij de gevangenisstraffen die aan de medeverdachten zijn opgelegd, heeft de rechter een periode bepaald die de veroordeelden in ieder geval moeten uitzitten alvorens zij in aanmerking kunnen komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling, te weten 26, 30 en 32 jaar. In het Verenigd Koninkrijk bestaat echter ook de mogelijkheid tot opleggen van een “whole life sentence”, een levenslange gevangenisstraf zonder mogelijkheid van voorwaardelijke invrijheidstelling. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft het opleggen van een dergelijke straf als een inhumane behandeling in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gekwalificeerd. Uit de correspondentie met de Senior Crown Prosecutor blijkt dat die straf in het geval van de opgeëiste persoon mogelijk en ook reëel is in vergelijking met de eerder voor deze feiten opgelegde straffen aan de medeverdachten. De opgeëiste persoon wordt immers, in tegenstelling tot twee van de drie medeverdachte, van alle drie de feiten verdacht en er zal geen rekening worden gehouden met zijn leeftijd in strafmatigende zin. De opgeëiste persoon loopt aldus een reëel risico op een levenslange gevangenisstraf zonder kans op vervroegde vrijlating. Gelet hierop dient de overlevering geweigerd te worden dan wel zullen nadere garanties aan de Britse autoriteiten gevraagd moeten worden.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de reële schending op artikel 3 van het EVRM onvoldoende is onderbouwd.

De rechtbank volgt de raadsman evenmin in zijn stellige overtuiging dat de opgeëiste persoon na een veroordeling in Groot-Brittannië tot een levenslange gevangenisstraf zal worden veroordeeld zonder kans op vervroegde vrijlating. Hiertoe is het volgende redengevend.

In haar mail van 1 oktober 2014 aan het IRC in Amsterdam heeft de Senior Crown Prosecutor op de vraag van het IRC welk soort levenslange gevangenisstraf de opgeëiste persoon kan verwachten als hij wordt veroordeeld voor de feiten, het volgende geantwoord (onderstreping rechtbank):

I set out below the sentences imposed on [persoon 1], a male tried for the same offences currently the subject of the European Arrest Warrant on which [opgeëiste persoon] was arrested. The following sentences were imposed on him and two co-accused who faced only the murder charge:

[persoon 1]

Murder - Life imprisonment with a tariff of 30 years

Conspiracy to possess firearms with intent 8 years imprisonment concurrent

Attempted murder 16 years imprisonment concurrent

[persoon 2]

Murder Life imprisonment with a tariff of 32 years imprisonment

[persoon 3] (date of birth [geboortedatum 2])

Murder - Life imprisonment with a tariff of 25 years and 362 days (consistent with his being considered for parole at the age of 80 years).

A life sentence is mandatory in the United Kingdom upon a conviction for murder. This does not necessarily mean that the prisoner will be in prison for the rest of their life, indeed in the United Kingdom “whole life” sentences are very uncommon and reserved for the most serious offences or the most culpable offenders.

In the vast majority of cases the sentencing Judge will decide upon an appropriate tariff, which is the length of the term of imprisonment the prisoner will serve before being considered for parole.

The tariff is within the discretion of the Judge and I cannot give a categorical assurance about the length of any life sentence that might be imposed.

I would however draw your attention to the sentence imposed on [persoon 1] which, I would suggest, gives some guidance as to the kind of length of sentence that might be considered to be appropriate were [opgeëiste persoon] to be convicted. Although I stress I cannot give any guarantees in this regard.

The sentences of 8 years and 16 years imposed on [persoon 1] for conspiracy and attempted murder are served at the same time as the life sentence and not added on at the end of the 30 years.

De rechtbank overweegt dat de Senior Crown Prosecutor, kort samengevat, heeft aangegeven dat zij geen garantie kan geven ten aanzien van de eventueel op te leggen straf, omdat het bepalen van de tariff een discretionaire bevoegdheid van de rechter betreft. Zij heeft daarbij ook aangegeven dat het opleggen van een algehele levenslange gevangenisstraf zelden voorkomt in het Verenigd Koninkrijk. Op grond van de informatie over de opgelegde straffen aan de reeds veroordeelde (mede)daders heeft de Senior Crown Prosecutor een indicatie gegeven van de te verwachten straf voor de opgeëiste persoon, waarbij de straf van de veroordeelde [persoon 1] het meest leidend is omdat hij voor dezelfde feiten is veroordeeld waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht. Aan [persoon 1] is geen “whole life sentence” opgelegd.

De rechtbank kan nu evenmin vooruitlopen op de straf die de Britse rechter eventueel aan de opgeëiste persoon zal opleggen.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 1 augustus 2012 (ECLI:NL:RBAMS:2012:BX3381) overweegt de rechtbank verder dat Groot Brittannië partij is bij het EVRM. De rechtbank vertrouwt er dan ook op dat Groot Brittannië zijn verdragsverplichtingen zal nakomen.

De rechtbank verwerpt dan ook het beroep van de raadsman op artikel 3 van het EVRM en ziet, mede gelet op het antwoord van de Senior Crown Prosecutor, geen aanleiding om nadere garanties aan de Britse autoriteiten te vragen.

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 285, 289 van het Wetboek van Strafrecht, 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie en 2, 5, 7 en 11 van de OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de District Judge (Magistrates’ Court), gezeteld in Liverpool Magistrates’ Court (Verenigd Koninkrijk) ten behoeve van het in het Verenigd Koninkrijk tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. S.A. Krenning, voorzitter,

mrs. S.J. Riem en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 24 oktober 2014.

De jongste rechter is buiten staat te tekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

[A/B/C]