Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:7018

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-09-2014
Datum publicatie
18-11-2014
Zaaknummer
13-751356-14 RK 14-4603
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Verweer, artikel 2 OLW, feiten te weinig concreet omschreven.

De rechtbank is van oordeel dat plaats, tijdstip en mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon voldoende concreet in het EAB staan omschreven. Voor zover nodig heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de periode nog nader toegelicht, in haar e-mail van 29 augustus 2014. De stelling van de raadsvrouw dat het EAB uitgangspunt voor de beoordeling moet zijn en dat de in de e-mail gegeven informatie daarvoor niet relevant is, berust op een misvatting, gelet op de bevoegdheid die artikel 20, derde lid OLW de officier van justitie geeft.

De rechtbank overweegt verder dat het hier een vervolging betreft en dat op basis van de onderzoeksresultaten, waaronder begrepen het verhoor van de opgeëiste persoon als verdachte – welk verhoor nog in Duitsland moet plaatsvinden –, de definitieve tenlastelegging zal worden opgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de feitsomschrijving in het EAB aan de eisen die artikel 2, tweede lid onder e OLW stelt en waarborgt deze omschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel.

Onschuldverweer verworpen. Dat de opgeëiste persoon in detentie heeft gezeten hoeft zijn betrokkenheid bij de feiten niet uit te sluiten. Een redelijk vermoeden aan schuld behoeft niet nader te worden onderbouwd in de overleveringsprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751356-14

RK nummer: 14/4603

Datum uitspraak: 19 september 2014

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 2 juli 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 19 maart 2014 door de Hoofdofficier van Justitie bij het Openbaar Ministerie te Aken, Duitsland, en strekt tot de aanhouding en overlevering van de:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres, te plaats 1],
sinds de schorsing van de overleveringsdetentie op 17 juli 2014 verblijvend op het adres: [adres, te plaats 2],

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 5 september 2014. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R.A. Bosman.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw mr. M. Ubbels namens

mr. M.G. Spijker, advocaat te Gennep.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het EAB onder a (gegevens betreffende de identiteit) een misslag bevat, waardoor het EAB niet in alle opzichten voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Deze misslag is door de uitvaardigende justitiële autoriteit hersteld door middel van het insturen van een nieuw EAB, gedateerd 24 april 2014. De rechtbank beschouwt dit nieuwe EAB als een verbetering op het EAB van 21 maart 2014, tot welke verbetering de officier van justitie de uitvaardigende justitiële autoriteit ingevolge artikel 20, derde lid OLW de gelegenheid heeft geboden.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel, uitgevaardigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Geilenkirchen, Duitsland, en gedateerd 27 januari 2014.

Dossiernummer: 17 Gs-104 Js 22/14 – 9/14.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan vier naar het recht van Duitsland strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

De raadsvrouw heeft, kort samengevat, aangevoerd dat de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht te weinig concreet beschreven staan, hetgeen tot weigering van de verzochte overlevering moet leiden.

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die bepaling de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat plaats, tijdstip en mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon voldoende concreet in het EAB staan omschreven. Voor zover nodig heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de periode nog nader toegelicht, in haar e-mail van 29 augustus 2014. De stelling van de raadsvrouw dat het EAB uitgangspunt voor de beoordeling moet zijn en dat de in de e-mail gegeven informatie daarvoor niet relevant is, berust op een misvatting, gelet op de bevoegdheid die artikel 20, derde lid OLW de officier van justitie geeft.

De rechtbank overweegt verder dat het hier een vervolging betreft en dat op basis van de onderzoeksresultaten, waaronder begrepen het verhoor van de opgeëiste persoon als verdachte

– welk verhoor nog in Duitsland moet plaatsvinden –, de definitieve tenlastelegging zal worden opgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de feitsomschrijving in het EAB aan de eisen die artikel 2, tweede lid onder e OLW stelt en waarborgt deze omschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel.

Dat in de Nederlandse vertaling van het EAB de aard van de deelneming als ´medeplichtige´ wordt aangeduid berust op een kennelijke vertaalfout. In het oorspronkelijke Duitse EAB wordt de term ´Mittäter´ gebruikt. Gelet op de weergave van de veronderstelde betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de in het EAB beschreven feiten, moet ervan worden uitgegaan dat de aard van de deelneming ´medepleger´ is, als bedoeld in artikel 47 Wetboek van Strafrecht en niet slechts ´medeplichtige´. De rechtbank betrekt dit oordeel bij haar kwalificatie van de strafbare feiten, zoals die is weergegeven onder 6.

Dat in het EAB het jaartal 2022 staat genoemd is een evidente misslag op een toetsenbord bij de vertaling; vergelijking met de oorspronkelijke Duitse tekst leert dat hier 2011 had moeten staan.

4 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft betoogd dat hij gedetineerd heeft gezeten vanaf 12 augustus 2011 tot en met 9 december 2011 en om die reden de hem verweten handelingen niet gepleegd kan hebben.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er voor de periode augustus 2011 tot en met 2012 geen redelijk vermoeden van schuld aan de feiten 1 en 2 kan bestaan, vanwege de detentieperiode van de opgeëiste periode.

De rechtbank stelt vast dat een deel van de fysieke handelingen waaraan de opgeëiste persoon zich schuldig zou hebben gemaakt, valt buiten de periode dat hij in Nederland gedetineerd was. Reeds om die reden kan het verweer niet slagen. Daar komt bij dat de verdenking luidt dat hij als medepleger betrokken is bij de in het EAB omschreven feiten. In die omstandigheden is het niet noodzakelijk dat de opgeëiste persoon gedurende de gehele in het EAB genoemde periode voortdurend en fysiek aanwezig was bij het opzetten en verzorgen van de cannabisplantages en het oogsten van de verdovende middelen.

Een redelijk vermoeden aan schuld behoeft niet nader te worden onderbouwd in de overleveringsprocedure.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de opgeëiste persoon zijn onschuld tijdens het verhoor ter zitting niet heeft kunnen aantonen.

De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) zal kunnen worden omgezet.

De Hoofdofficier van Justitie, verbonden aan het Openbaar Ministerie te Aken, heeft bij brief van 27 maart 2014 de volgende garantie gegeven:

Es wird zugesichert, dass der Verfolgte im Falle einder rechtskräftigen Verurteilung zu einer Freiheitsstrafe in Deutschland, deren Vollstreckung nicht zur Bewährung ausgesetzt wird, in Anlehnung an das Űbereinkommen vom 21.03.1983 űber die Űberstellung verurteilter Personen zur weiteren Strafvollstreckung in die Niederlanden űberstellt werden wird. Und zwar bedingunsgfrei, so dass das Umwandlungsverfahren nach Artikel 11 des vorbezeichneten Űbereinkommens angewendet werden kann.

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het VOGP volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. Aan deze voorwaarde is voldaan.

De onder 4 bedoelde feiten zijn ook naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met in artikel 3, aanhef, onder A en onder B van de Opiumwet gegeven verboden, meermalen gepleegd

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a OLW

Het primaire standpunt van de officier van justitie is dat de in artikel 13 OLW bedoelde weigeringgrond zich niet voordoet.

De rechtbank stelt evenwel vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In de feitsomschrijving in het EAB valt immers te lezen dat de opgeëiste persoon er onder meer van wordt verdacht samen met anderen hennepplantages te hebben opgezet. Een medeverdachte wordt onder meer verweten een hoeveelheid cannabis heimelijk naar Nederland te hebben overgebracht.

Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten.

De officier van justitie heeft subsidiair overeenkomstig artikel 13, tweede lid, OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

Het strafrechtelijk onderzoek is in Duitsland aangevangen

Het bewijs is in Duitsland voorhanden

De verdovende middelen zijn in Duitsland in beslag genomen

De medeverdachten worden in Duitsland vervolgd

De rechtsorde is in Duitsland rechtstreeks aangetast nu de hennepplantages zich daar bevonden.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Duitsland autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot zijn vordering kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 47 Wetboek van Strafrecht, 3 en 11 Opiumwet en 2, 5, 6, 7 en 13 Overleveringswet.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Hoofdofficier van Justitie bij het Openbaar Ministerie te Aken, Duitsland, ten behoeve van het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. S.A. Krenning, voorzitter,

mrs. A.C. Enkelaar en P. Rodenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 19 september 2014.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.