Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:7011

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-10-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
AMS 12-4896
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wbp-zaak. Weigering van verzoek tot verwijdering van de top 600 lijst. Er is geen sprake van strijd met artikel 6 en/of 8 van het EVRM.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Privacy en persoonsgegevens 2016/1136
JBP 2014/107
JBP 2015/30
Module Privacy & AVG 2016/1136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 12/4896

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 oktober 2014 in de zaak tussen

[eiser], te[woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. N. Swart),

en

de burgemeester van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Gün).

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser hem van de top 600 lijst te verwijderen afgewezen.

Bij besluit van 21 augustus 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2014.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook de echtgenote en moeder van eiser waren aanwezig, en [derde belanghebbende], medewerker van [Stichting].

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook mr. H.H.L. Krans was namens verweerder aanwezig.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1.

Bij brief van 3 september 2011 is aan eiser meegedeeld dat hij in mei 2011 op de top 600-lijst is geplaatst.

1.2.

De top 600-aanpak betreft een gecoördineerde inzet op basis van bestaande taken en bevoegdheden van gemeente, politie, justitie en hulpdiensten, in de vorm van een op individuele problemen, behoeften en mogelijkheden toegesneden aanpak van de top 600 notoire plegers van overvallen, straatroven, geweldsmisdrijven en woninginbraken, waarbij wordt beoogd deze feiten significant terug te dringen en verdere schade aan de betrokkenen, hun gezinsstructuur en de samenleving te voorkomen. Waar nodig krijgen ook broers, zussen en kinderen van de personen op de lijst op maat toegesneden zorg. De samenwerkende instanties hebben hiertoe het convenant aanpak top 600 met elkaar gesloten.

1.3.

Het convenant aanpak top 600 is op 1 mei 2011 in werking getreden voor een periode van twee jaar. De looptijd is per 1 mei 2013 verlengd (convenant aanpak top 600 II). In het convenant staan de selectiecriteria van de groslist (op basis van politiegegevens) en de shortlist (op basis van justitiële en strafvorderlijke gegevens). De top 600-lijst wordt op grond van die criteria samengesteld. De top 600-lijst wordt tweemaal per jaar geactualiseerd, waarbij wordt beoordeeld of de betrokkenen nog aan de selectiecriteria voldoen. Indien dat niet meer het geval is, worden zij geschrapt van de lijst. Van plaatsing en verwijdering van de lijst wordt betrokkene en de samenwerkende instanties mededeling gedaan.

1.4.

Op 12 december 2011 heeft eiser verzocht hem te verwijderen van de top 600-lijst.

1.5.

Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eiser hem van de top 600 lijst te verwijderen afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Inhoudelijke beoordeling

2.1.

Ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser ten tijde van de sluiting van het onderzoek ter zitting een belang had bij het voeren van deze procedure. Ook de rechtbank neemt procesbelang aan.

2.2.

Op grond van artikel 36 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) kan degene aan wie overeenkomstig artikel 35 kennis is gegeven van hem betreffende persoonsgegevens, de verantwoordelijke verzoeken deze te verwijderen.

Eiser heeft op grond van dit artikel verzocht hem van de top 600 lijst te verwijderen, waarop door verweerder vervolgens afwijzend is beslist. De weigering eiser van de top 600 lijst te verwijderen is wat in deze procedure ter toetsing door de bestuursrechter voorligt.

2.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser aan de selectiecriteria voor plaatsing op de lijst voldeed.

2.4.

Eiser heeft aangevoerd dat zijn plaatsing op de lijst in strijd is met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens eiser is sprake van een criminal charge vanaf het moment dat iemand wordt aangehouden en geldt daarom vanaf dat moment de onschuldpresumptie. Daarom mochten de aanhoudingen niet als selectiecriterium worden gebruikt.

2.5.

De rechtbank overweegt als volgt. Voorafgaand aan de vraag of sprake is van strijd met de onschuldpresumptie, moet de vraag worden beantwoord of sprake is van een criminal charge. De verwerking van persoonsgegevens voor de top 600 lijst heeft niet als doel vervolging en leidt niet tot een punitieve sanctie. Daarom is geen sprake van een criminal charge en zijn ook de waarborgen die gelden als daarvan wel sprake is, niet van toepassing. Het beroep van eiser op artikel 6 van het EVRM slaagt daarom niet.

2.6.

Eiser heeft verder aangevoerd dat met plaatsing op de lijst een ongerechtvaardigde inbreuk wordt gemaakt op zijn privacy. Hij beroept zich daarbij op artikel 8 van het EVRM.

2.7.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 8 van het EVRM heeft een ieder recht op respect voor zijn privé leven. Slechts wanneer is voldaan aan de voorwaarden genoemd in het tweede lid is inbreuk op het recht op privacy gerechtvaardigd. De verwerking van persoonsgegevens brengt een inbreuk op de privacy van eiser teweeg. Naar het oordeel van de rechtbank wordt evenwel voldaan aan de voorwaarden van het tweede lid, waardoor deze inbreuk als gerechtvaardigd dient te worden aangemerkt.

2.8.

Deze inbreuk is bij wet voorzien. De grondslag voor verwerking van de persoonsgegevens bevindt zich immers in de Wbp. Het besluit eisers plaatsing op de top 600 lijst te handhaven is conform de geldende regelgeving van de Wbp genomen. Dat is overigens tussen partijen ook niet in geschil.

2.9.

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder de aanhoudingen niet als selectiecriterium mocht gebruiken.

2.10.

Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het aantal aanhoudingen wordt gebruikt als selectiecriterium voor de top 600 lijst, omdat beoogd wordt in beeld te brengen welke personen het vaakst betrokken zijn bij high impact-delicten. Het hanteren van het aantal veroordelingen voor high impact-delicten als criterium voor plaatsing op de lijst is te beperkt, en ook onvoldoende actueel.

2.11.

Verweerder heeft ervoor gekozen om (samen met andere instanties) personen die het vaakst zijn betrokken bij high-impact delicten in beeld te brengen in een streven de maatschappelijke overlast daarvan terug te dringen. Verweerder handelt daarbij in lijn met de wettelijke taken die hij in de gemeente[woonplaats] heeft, en binnen de in het tweede lid van artikel 8 van het EVRM getrokken kaders. In dat artikellid worden immers uitdrukkelijk zowel de openbare veiligheid, als het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, als de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, genoemd als gronden van inbreuk op het in het eerste lid neergelegde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Al die gronden kunnen worden geacht te zijn gediend met de vaststelling van de top 600 lijst.

2.12.

In het licht van die gronden van inbreuk en gelet op de daarop door verweerder gegeven toelichting heeft verweerder, ook de aanhoudingen als selectiecriterium kunnen hanteren. Gesteld noch gebleken is dat het –mede– betrekken van de aanhoudingen zou leiden tot strijd met het in het tweede lid van artikel 6 van het EVRM vervatte proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel. De rechtbank wijst er daarbij op dat –als al onder 2.5 is overwogen– het doel en het effect van de lijst een ander is dan een strafrechtelijke vervolging. Overigens stelt de rechtbank vast dat in het geval van eiser wel degelijk sprake is geweest van een strafrechtelijke veroordeling, zodat de plaatsing op de lijst niet alleen was ingegeven door aanhoudingen.

2.13.

Naar aanleiding van hetgeen eiser heeft aangevoerd, voegt de rechtbank aan het vorenstaande nog het volgende toe.

De uitvoering van de aanpak van de personen die op de top 600 lijst staan vermeld, gebeurt door verschillende (andere) organisaties op basis van hun bestaande taken en bevoegdheden.

Voor zover eiser heeft gesteld dat bij die uitvoering ongerechtvaardigd inbreuk wordt gemaakt op het recht op privacy, of het doel van de top 600 lijst juist wordt ondergraven, baat hem dat niet in dit geding, waar slechts de weigering om hem te schrappen van de top 600 lijst aan de orde is. Dit geding is bovendien aangespannen tegen de burgemeester van[woonplaats], en niet tegen die verschillende (andere) organisaties.

Dat betekent overigens niet dat eiser rechteloos is wanneer in de uitvoering fouten worden gemaakt. Hij kan dan juridische actie ondernemen tegen de verantwoordelijke instantie. Dan gaat het echter om andere procedures dan deze.

2.14.

Al hetgeen verder namens eiser is aangevoerd, kan evenmin leiden tot gegrondverklaring van het beroep. Het beroep is ongegrond.

2.15.

Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, voorzitter, en mr. T.P.J. de Graaf en mr. N.M. van Waterschoot, leden, in aanwezigheid van mr. C. Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2014.

Griffier

voorzitter

de voorzitter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Afschrift verzonden aan partijen op:

D: B