Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:6971

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-10-2014
Datum publicatie
29-10-2014
Zaaknummer
C-13-568014 - HA ZA 14-657
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident zekerheidstelling voor proceskosten, artikel 224 Rv. Incidentele vordering afgewezen, nu tussen Nederland en de Verenigde Staten een vedrag geldt op grond waarvan geen verplichting tot zekerheidstelling bestaat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/568014 / HA ZA 14-657

Vonnis in incident van 22 oktober 2014

in de zaak van

[naam eiser],

wonende te [woonplaats] (Verenigde Staten van Amerika),

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. H.F.C. Hoogendoorn te Amsterdam,

tegen

1 [naam gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WANTED B.V.,

gevestigd te Beverwijk,

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. M.C.J. de Schepper te Eindhoven.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 juni 2014 met producties,

  • -

    de incidentele conclusie tot stellen van zekerheid ex artikel 224 Rv,

  • -

    de conclusie van antwoord in incident met één productie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

[gedaagden] vorderen samengevat dat [eiser] zal worden veroordeeld tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten, met bepaling van het bedrag aan kosten op € 17.000,00, althans op een door de rechtbank te begroten bedrag. Zij stellen daartoe kort gezegd dat [eiser] geen woonplaats heeft in Nederland, zodat hij verplicht is om op grond van artikel 224 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zekerheid te stellen voor de betaling van de mogelijk te betalen proceskosten, schade en daarover opkomende rente.

2.2.

[eiser] voert verweer. Hij doet primair een beroep op artikel 224 lid 2 sub a Rv, waarin als uitzondering op de verplichting tot zekerheidsstelling uit het eerste lid van dat artikel staat genoemd: indien dit voortvloeit uit een verdrag. [eiser] is woonachtig in de Verenigde Staten van Amerika en zijn land heeft op 27 maart 1956 met Nederland het Verdrag van Vriendschap, Handel en Scheepvaart (Trb. 1956, 40) gesloten (hierna: het Verdrag), waaruit voortvloeit dat de verplichting tot zekerheidsstelling niet voor hem geldt, aldus nog steeds [eiser].

2.3.

Het verweer van [eiser] slaagt. Uit artikel V lid 1 van het Verdrag,

in samenhang met artikel 5 van het daarbij behorend protocol, vloeit voort dat onderdanen en vennootschappen van de Verenigde Staten van Amerika in Nederland zullen zijn vrijgesteld van het storten van een waarborgsom voor de proceskosten. Tussen partijen staat vast dat [eiser] onderdaan is van de Verenigde Staten van Amerika. Aldus zijn de bedoelde bepalingen van het Verdrag op de betrekkingen tussen partijen van toepassing. De incidentele vordering van [gedaagden] zal dan ook worden afgewezen.

2.4.

[gedaagden] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het incident.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

wijst het gevorderde af;

3.2.

veroordeelt [gedaagden] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 452,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis in incident;

3.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak

3.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 3 december 2014 voor conclusie van antwoord;

3.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.M. James-Pater en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2014.1

1 *