Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:6924

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-10-2014
Datum publicatie
22-10-2014
Zaaknummer
CV EXPL 13-24754
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering van passagiers van vertraagde vlucht tot betaling van compensatie. Beroep van vervoerder op buitengewone omstandigheden faalt. Kantonrechter acht het niet noodzakelijk zijn beslissing in de zaak aan te houden totdat het HvJ EU eerdere prejudiciële vragen betreffende buitengewone omstandigheden heeft beantwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Kanton

Rolnummer: CV EXPL 13-24754

Vonnis van: 13 oktober 2014

F.no: 94

Vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

1.[eiser 1], in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige kind [eiser 1]

beiden wonende te [plaats]

2. [eiser 2]

wonende te [plaats]

3. [eiser 3]

wonende te [plaats]

4. [eiser 4] pro se en in hoedanigheid van haar minderjarige kind ,

beiden wonende te[plaats]

5. [eiser 5]

wonende te [plaats]

6. [eiser 6]

wonende te [plaats]

7. [eiser 7]

wonende te [plaats]

8.[eiser 8]

wonende te[plaats]

9. [eiser 9]

wonende te [plaats]

10.[eiser 10]
wonende te [plaats]
11.[eiser 11]
wonende te [plaats]
12.[eiser 12]
wonende te [plaats]
eisers

nader te noemen: de passagiers

gemachtigden: mrs. F. Niemöller en I.G.B. Maertzdorff (EU Claim BV)

t e g e n

de naamloze vennootschap naar Surinaams recht SURINAAMSe LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ NV

statutair gevestigd te Paramaribo, Suriname en kantoorhoudende te Amsterdam

gedaagde

nader te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. drs. A.J.F. Gonesh

VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Op 18 maart 2014 is een vonnis in het incident gewezen.

Op 7 april 2014 is een rolmededeling gegeven.

Vervolgens zijn ingediend:


de conclusie van antwoord van de vervoerder, met producties;

- het tussenvonnis van 12 mei 2014;

- de conclusie van repliek, met producties van de passagiers;

- de conclusie van dupliek van de vervoerder.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten en omstandigheden

1. De feiten

Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat vast:

1.1.

De passagiers hebben bij de vervoerder een vlucht geboekt van Amsterdam naar Paramaribo (Suriname), uit te voeren op[datum] met vertrektijd om 16.00

uur, aankomsttijd om 20.30 uur en[vluchtnummer], hierna “de vlucht” genoemd. De vlucht heeft een vertraging van meer dan 24 uur opgelopen.

1.2.

EU claim heeft bij brieven vanaf 22 november 2012 tot en met 16 juli 2013 namens de passagiers bij de vervoerder geklaagd over de vertraging en op grond van Verordening 261/2004 aanspraak gemaakt op compensatie ten bedrage van € 600,00 per persoon.

1.3.

Bij beschikking van 25 juli 2013 heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) ten aanzien van klachten over de vertraging van passagiers die van de onderhavige vlucht gebruik hadden gemaakt, geoordeeld dat er sprake was van een onverwacht veiligheidsprobleem die gevolgen heeft voor de vluchtuitvoering en dat de luchtvaartmaatschappij terecht een beroep heeft gedaan op buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid drie en overweging 14 van Verordening 261/2004.

1.4.

De vervoerder heeft geweigerd compensatie aan de passagiers te betalen.

Vordering en verweer

2. De passagiers vorderen dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
a. € 7.800,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;
b. € 847,00 ter zake van buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2012;
c. de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het vonnis en de nakosten.

3. De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening). De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vluchten gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,00 per vlucht per passagier. Zij wijzen daarbij op de beantwoording van prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) in het arrest van 19 november 2009 in de gevoegde zaken van Sturgeon-Condor en Bock-Air France met nummers C-402/07 en C-432/07 (hierna: het Sturgeon-arrest).

4. De vervoerder voert aan dat er sprake is van een uitzonderingssituatie in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening, waardoor hij geen compensatie verschuldigd is. Hij is van mening dat de beslissing dient te worden aangehouden totdat het HvJ EU de prejudiciële vragen ten aanzien van buitengewone omstandigheden heeft beantwoord die door de kantonrechter te Amsterdam in het vonnis van 29 april 2014 (zaaknummer CV 11-19391) heeft gesteld.

Beoordeling

5. Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

6. De rechtbank stelt voorop dat zij de arresten van het HvJEU (Wallentin-Hermann C-549/07 en Air Baltic C-294/10) als geldend recht beschouwd. Er is geen noodzaak de zaak aan te houden tot het HvJEU op de bovengenoemde prejudiciële vragen heeft beslist.

7. Ten aanzien van het beroep van de vervoerder op buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening wordt het volgende overwogen. Artikel 5 lid 3 van de Verordening bepaalt dat een luchtvaartmaatschappij niet verplicht is compensatie te betalen indien hij kan aantonen dat de annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste jurisprudentie van het HvJEU (Wallentin-Hermann C-549/07 en Air Baltic C-294/10) moet de vervoerder aantonen dat de omstandigheden hoe dan ook niet voorkomen hadden kunnen worden door het treffen van aan de situatie aangepaste maatregelen. De vervoerder moet aantonen dat hij zelfs met inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen – behoudens indien hij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van zijn onderneming had gebracht – kennelijk niet had kunnen vermijden dat de buitengewone omstandigheden waarmee hij werd geconfronteerd tot annulering dan wel vertraging van de vlucht leidden. Bij de beoordeling van de vraag of er in deze zaak sprake is van buitengewone omstandigheden, dient derhalve voorop te worden gesteld dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van deze omstandigheden bij de vervoerder ligt.

8. De vervoerder heeft ter onderbouwing van zijn beroep op buitengewone omstandigheden aangevoerd dat er zich vlak na het opstijgen een onvoorzienbaar veiligheidsprobleem heeft voorgedaan dat ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen had kunnen worden. Tijdens de vlucht bleek door een storingsmelding dat het indicatiemechanisme van het landingsgestel in werking was gesprongen en dat de rechterdeur niet dicht kon. De gezagvoerder kon de melding aan boord niet zelfstandig uitschakelen en het landingsgestel ook niet meer zelf intrekken. Hoewel doorvliegen met een open landingsgestel mogelijk is, heeft hij uit veiligheidsoverwegingen besloten de vlucht af te breken en terug te keren naar Schiphol. Omdat het vliegtuig nog vol beladen was met kerosine moest er een zogenaamde “overweight landing” worden gemaakt. Hierdoor heeft de vlucht nog meer vertraging opgelopen.

9. De alarmmelding kan volgens de vervoerder achteraf als een verborgen fabricagefout worden beschouwd. Het toestel was immers in goede staat van onderhoud en het niet functioneren van het aandrijfmechanisme was op voorhand niet vast te stellen. Het activeren van de storingsmelding van de deuren van het landingsgestel pas wanneer het vliegtuig in de lucht is, is volgens de vervoerder kennelijk een gebrek van vliegtuigen van dit merk en type. Dit is een omstandigheid waarop zij geen daadwerkelijke invloed kon uitoefenen.

10. Achteraf is volgens de vervoerder gebleken dat de rechterdeur wel dicht kon en dat de storing zat in de werking van het indicatiemechanisme. De aard en oorsprong van de technische storing waren niet te achterhalen. Het kan volgens hem niet anders dan dat de storing is veroorzaakt door een relatief snel inwerkende en van buitenkomende oorzaak. Een dergelijke storing ontstaat veelal door een hoge gevoeligheid van het elektrische systeem en de hydrauliek van het landingsgestel, aldus de vervoerder.

11. De passagiers hebben betwist dat er sprake is van een buitengewone omstandigheid. Zij betwisten ook dat er sprake is van een verborgen fabricagefout. Er is volgens hen geen sprake van een abnormale, uitzonderlijke en ongewone situatie maar van een technisch mankement welke inherent is aan de normale bedrijfsvoering van een luchtvaartonderneming.

12. De kantonrechter is van oordeel dat het beroep van de vervoerder op buitengewone omstandigheden niet slaagt.

13. Van belang is daarbij dat blijkens het voornoemde arrest van het HvJEU (Wallentin-Hermann) de omstandigheden die een technisch probleem vergezellen alleen ‘uitzonderlijk’ zijn in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening wanneer zij verband houden met een gebeurtenis die niet inherent is aan de normale uitoefening van de activiteit van de betrokken luchtvaartmaatschappij, en laatstgenoemde hierop geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen wegens de aard of de oorsprong van die gebeurtenis.

14. Ook vormt volgens het HvJEU de frequentie van bij een luchtvaartmaatschappij vastgestelde technische problemen op zich geen element op grond waarvan vastgesteld kan worden of al dan niet sprake is van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening (zie r.o. 37 Wallentin-Hermann).

15. Vaststaat dat de oorzaak van de storing van het indicatiemechanisme niet is achterhaald. Volgens de vervoerder ontstaat een dergelijke storing veelal door een hoge gevoeligheid van het elektrische systeem en de hydrauliek van het landingsgestel en kan het volgens hem niet anders dan dat de storing door een buitenkomende oorzaak moet zijn veroorzaakt. De vervoerder heeft deze stelling echter verder niet (met bewijsstukken) onderbouwd. Dat er sprake is van een fabricagefout heeft de vervoerder ook niet onderbouwd. Hij heeft geen verklaring van de fabrikant of andere bevoegde autoriteit overgelegd waarin dit wordt bevestigd. Er wordt derhalve vanuit gegaan dat de storing werd veroorzaakt door een technisch gebrek. De vervoerder heeft verder onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat de omstandigheden die het technische gebrek vergezelden niet inherent zijn aan de normale uitoefening van de activiteit van zijn onderneming, en hij hierop geen daadwerkelijke invloed kon uitoefenen wegens de aard of de oorsprong van die gebeurtenis.
Het enkele feit dat de vervoerder aan zijn onderhoudsverplichting heeft voldaan en dat het technische mankement niet tijdens het verrichten van dit onderhoud is geconstateerd, is daartoe onvoldoende (zie in gelijke zin het voornoemde arrest van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 6 december 2011). Dat uit veiligheidsoverwegingen is teruggekeerd, maakt het voorgaande ook niet anders. Niet in lijn met het Wallentin-arrest en met de daarin genoemde voorbeelden is om (alle) onverwacht optredende technisch mankementen als een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening aan te merken.

15. Het verweer van de vervoerder dat het ILT in een uitspraak betreffende de onderhavige vlucht het onderhavig technisch mankement als een bijzondere omstandigheid heeft aangemerkt slaagt ook niet. De inhoud van de door de ILT, de ter zake deskundige toezichthouder, genomen beslissing is weliswaar een van de relevante gezichtspunten voor de door de kantonrechter te nemen beslissing, maar de kantonrechter dient tot een zelfstandig oordeel te komen.

15. De vervoerder heeft daarnaast aangevoerd dat de vlucht verdere vertraging heeft ondervonden, doordat zij wegens de grote voorraad kerosine een “overweight landing” moest maken. De kantonrechter is van oordeel dat dit ook geen buitengewone omstandigheid is, in de zin van art. 5 lid 3 van de Verordening.

15. In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, kan de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen – nadat het mankement was opgetreden – onbeantwoord blijven.

15. Gelet op het bovenstaande wordt het beroep van de vervoerder op artikel 5 lid 3 van de Verordening afgewezen en zal de vordering van de passagiers worden toegewezen.

20. De vervoerder is de wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment dat hij in verzuim is geraakt. Ingevolge art. 6:82 BW treedt verzuim in wanneer de vervoerder in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld. Blijkens de door de passagiers overgelegde producties is de vervoerder aangemaand tot betaling van compensatie binnen 14 dagen na dagtekening van de brieven van 22 november 2012 (passagier 1), 27 november 2012 (passagiers 2 en 3), 24 januari 2013 (passagier 4), 14 februari 2013 (passagiers 5 en 6), 26 maart 2013 (passagier 7), 28 mei 2013 (passagier 8), 16 mei 2013 (passagier 9) en 16 juli 2013 (passagiers 10, 11 en 12). Hieruit volgt dat de vervoerder binnen 14 dagen na dagtekening van bovengenoemde brieven in verzuim is geraakt.

21. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-) kosten zal worden afgewezen. Niet is gebleken dat er kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan de passagiers vergoeding vorderen, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

22. De vervoerder zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 7.800,00 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente over € 600,00 vanaf 7 december 2012 (passagier 1), over € 1.200,00 vanaf 12 december 2012 (passagiers 2 en 3), over € 600,00 vanaf 8 februari 2013 (passagier 4), over € 1.200,00 vanaf 1 maart 2013 (passagiers 5 en 6), over € 600,00 vanaf 10 april 2013 (passagier 7), over
€ 600,00 vanaf 12 juni 2013 (passagier 8), over € 600,00 vanaf 31 mei 2013 (passagier 9), over € 1.800,00 vanaf 31 juli 2013 (passagiers 10, 11 en 12) tot aan de voldoening;

veroordeelt de vervoerder in de proceskosten, aan de zijde van de passagiers tot op heden begroot op:

-griffierecht: € 213,00

-kosten dagvaarding: € 92,82

-salaris gemachtigde: € 500,00

--------------

Totaal: € 805,82

inclusief eventueel verschuldigde BTW;

veroordeelt de vervoerder tot betaling van een bedrag van € 131,00 aan nasalaris, te
verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het
vonnis heeft plaatsgevonden en de vervoerder niet binnen 14 dagen na aanschrijving
vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing,
inclusief btw;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.


Aldus gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter