Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:6862

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-08-2014
Datum publicatie
21-10-2014
Zaaknummer
awb 14/1902
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij het primaire besluit heeft verweerder eisers aanvragen om bijzondere bijstand van november 2013 niet in behandeling genomen. Op 18 december 2013 heeft

eiser dezelfde aanvragen opnieuw bij verweerder ingediend. Verweerder heeft het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van

procesbelang, omdat eiser -ondanks zijn aanvragen van 18 december 2013- alsnog bezwaar had gemaakt tegen het primaire besluit. Rechtbank voorziet zelf in

de zaak door te bepalen dat het bezwaar niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van procesbelang, omdat verweerder de gevraagde bijzondere bijstand bij

besluit van 24 januari 2014 alsnog aan eiser heeft toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 14/1902

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. J.S. Vlieger),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: A.A. Brouwer).

Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat er geen bijstandsaanvraag tot stand is gekomen.

Bij besluit van 17 februari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2014.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1.

Op 8 november 2013 heeft de gemachtigde van eiser aan verweerder een tweetal faxen gestuurd waarin wordt gevraagd bijzondere bijstand te verlenen voor de eigen bijdrage voor rechtsbijstand in een bezwaarprocedure tegen de afwijzing van een aanvraag om bijstand en voor griffierecht ten behoeve van een voorlopige voorzieningenprocedure in verband met de afwijzing van de bijstandsaanvraag.

1.2.

Op 15 november 2013 heeft verweerder aan eiser een aanvraagformulier voor bijzondere bijstand toegestuurd. Verweerder heeft eiser verzocht om het formulier en de in de bijlage gevraagde documenten uiterlijk 28 november 2013 aan hem toe te sturen.

1.3.

Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat er geen bijstandsaanvraag tot stand is gekomen, omdat eiser het aanvraagformulier niet heeft ingeleverd.

1.4.

Bij brief van 2 december 2013 heeft de gemachtigde van eiser verweerder verzocht om hem een nadere termijn te geven voor het indienen van de gevraagde gegevens. Bij brief van 10 december 2013 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat de aanvraag om bijzondere bijstand op 29 november 2013 niet in behandeling is genomen. In verband hiermee is het primaire besluit -het niet tot stand komen van een uitkeringsaanvraag- naar eiser gestuurd. Verweerder heeft in deze brief aangegeven dat eiser opnieuw een aanvraag om bijzondere bijstand kan indienen.

1.5.

Op 18 december 2013 heeft eiser opnieuw de aanvragen om bijzondere bijstand voor rechtsbijstand ten behoeve van zijn bezwaar tegen de afwijzing van zijn bijstandsaanvraag en voor griffierecht met betrekking tot zijn verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. Bij besluit van 24 januari 2014 heeft verweerder deze aanvragen om bijzondere bijstand – die later nogmaals zijn ingediend – toegewezen.

1.6.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat zijn brief van 29 november 2013 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De brief bevat slechts een mededeling van informatieve aard en is niet gericht op enig rechtsgevolg. Eiser kan tegen die brief dan ook geen bezwaar maken. In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eisers bezwaar tegen het primaire besluit weliswaar niet-ontvankelijk is, maar dan vanwege het ontbreken van procesbelang. Op het moment van het maken van bezwaar tegen het primaire besluit, had eiser al twee nieuwe aanvragen om bijzondere bijstand over hetzelfde onderwerp gedaan. Nu hij deze nieuwe aanvragen had lopen, had eiser geen belang meer bij het in behandeling nemen van zijn eerste aanvragen van 8 november 2013 en daarmee bij het maken van bezwaar tegen het primaire besluit. Door het opnieuw indienen van dezelfde aanvragen heeft eiser volgens verweerder in feite afstand gedaan van zijn aanvragen van 8 november 2013. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder daaraan toegevoegd dat eiser in de bezwaarprocedure naar aanleiding van zijn later opnieuw ingediende aanvragen een proceskostenvergoeding heeft ontvangen. Eiser kan dan niet ook in deze zaak aanspraak maken op vergoeding van de proceskosten.

2.

2.1.

De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep, nu bij besluit van 24 januari 2014 alsnog de gevraagde bijzondere bijstand aan eiser is toegekend.

2.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) (bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7208) is eerst sprake van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.

2.3.

Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat zijn belang bij een beoordeling van zijn beroep is gelegen in het vergoed krijgen van de door hem gemaakte proceskosten in bezwaar. De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Raad volgt dat een procesbelang aanwezig is indien een beroep is gericht tegen het niet vergoeden aan de belanghebbende van de in de bezwaarfase gemaakte kosten (zie de uitspraak van de Raad van 27 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH9365). Eiser is dan ook ontvankelijk in zijn beroep.

3.

3.1.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat verweerder in het verweerschrift de motivering van het bestreden besluit heeft gewijzigd. Het beroep is reeds hierom gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank zal vervolgens onderzoeken of de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen blijven.

3.2.

De rechtbank is van oordeel dat eiser, anders dan verweerder heeft gesteld, wel belang had bij het maken van bezwaar tegen het primaire besluit. De brief van 29 november 2013 is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Hiertegen stond dan ook bezwaar open. Dat eiser daarna – op aangeven van verweerder – opnieuw twee aanvragen om bijzondere bijstand ten behoeve van hetzelfde onderwerp heeft gedaan, doet daar niet aan af. Eiser had bovendien belang bij het in behandeling nemen van zijn aanvragen van 8 november 2013, en daarmee bij zijn bezwaar tegen het primaire besluit, omdat bij de beoordeling van een aanvraag om bijzondere bijstand van belang is wanneer de kosten waarvoor bijstand wordt gevraagd zijn opgekomen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich -in het verweerschrift- ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers bezwaar tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van procesbelang, omdat eiser -ondanks zijn aanvragen van 18 december 2013- alsnog bezwaar had gemaakt tegen het primaire besluit. Dat betekent dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit niet in stand kunnen blijven.

3.3.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. In het kader van een finale geschillenbeslechting zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien als bedoeld in artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb. Dat betekent dat de rechtbank ex nunc het bezwaar tegen het primaire besluit dient te beoordelen. Nu verweerder bij besluit van 24 januari 2014 alsnog de gevraagde bijzondere bijstand aan eiser heeft toegekend, zal de rechtbank het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaren wegens het ontbreken van procesbelang. Het resultaat dat eiser met zijn bezwaar beoogde te bereiken, te weten het verkrijgen van bijzondere bijstand, heeft hij immers reeds bereikt.

3.4.

Eiser heeft verzocht om een vergoeding van de door hem gemaakte kosten in bezwaar als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Nu de rechtbank het bezwaar tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk heeft verklaard, kan evenwel geen inhoudelijke beoordeling van het primaire besluit plaatsvinden. Het primaire besluit kan dan ook niet worden herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Dat betekent dat niet is voldaan aan de in artikel 7:15 van de Awb gestelde criteria voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in bezwaar.

3.5.

De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

3.6.

Gelet op het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden. Voorts bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep, die met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden begroot op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk is;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Singeling, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Niersman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2014.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB