Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:6777

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-10-2014
Datum publicatie
16-10-2014
Zaaknummer
EA VERZ 14-717
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

KLM wil nieuwe roosters invoeren voor een van de afdelingen (K1), waarin de bagage wordt afgehandeld. Daarvoor heeft zij de instemming van de Ondernemingsraad nodig. Omdat de OR instemming heeft onthouden, vraagt KLM vervangede toestemming aan de kantonrechter op de voet van artikel 27 lid 4 WOR.

De kantonrechter geeft de gevraagde toestemming, met de volgende hoofdoverweging:

“De OR heeft niet betwist welke voor de medewerkers van K1 de directe gevolgen zijn van het inroosteren van Extra Rust in losse uren, zoals KLM dit in de betwiste zomerroosters wil invoeren. Het leidt niet tot meer werkuren maar wel tot een extra opkomst van twee dagen (= 16 uur) op jaarbasis. Die 16 uur worden gecompenseerd door een aantal kortere diensten te draaien. Daarnaast gaat een medewerker van K1 er ongeveer € 1,50 bruto per maand op achteruit, omdat de (weekend)toeslag iets lager wordt. Dit komt neer op een bedrag van ongeveer € 18,- bruto per jaar. De kantonrechter is van oordeel dat dit wel een extra belasting voor de medewerkers oplevert, en eveneens leidt tot een lagere beloning, doch dat deze gevolgen beperkt van aard zijn en niet opwegen tegen de belangen die KLM heeft aangevoerd, waaronder een aanmerkelijke kostenbesparing”.

Ook de aanvullende argumenten die door de OR waren aangevoerd (de roosters leiden tot minder arbeidsplaatsen en leegloop, ze leiden tot meer ongelijkheid binnen de afdelingen voor de bagageafhandeling, er is onduidelijkheid over de inzet van uitzendkrachten en de mate van besparingen en de medewerkers willen de nieuwe roosters niet) wegen volgens de kantonrechter niet zwaar genoeg om de nieuwe roosters niet in te mogen voeren.

Wetsverwijzingen
Wet op de ondernemingsraden
Wet op de ondernemingsraden 15
Wet op de ondernemingsraden 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/783
RAR 2015/18
JAR 2014/266
AR-Updates.nl 2014-0876
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 3256892 EA VERZ 14-717

beschikking van: 2 oktober 2014

481

beschikking van de kantonrechter ex artikel 27 lid 4 WOR

I n z a k e

de naamloze vennootschap Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V.

gevestigd te Amstelveen

verzoekster

nader te noemen: KLM

gemachtigde: mr. M.B. Vestering en mr. J.S. Engelsman

t e g e n

de Ondernemingsraad van de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V.

gevestigd te Amstelveen

verweerder

nader te noemen: de OR

gemachtigde: mr. J.D.A. Domela Nieuwenhuis`

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

KLM heeft op 18 juli 2014 een verzoek ingediend dat strekt tot het verkrijgen van toestemming ex artikel 27 lid 4 van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR).

De OR heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is mondeling behandeld ter terechtzitting van 29 september 2014. KLM is verschenen bij [naam 1], [naam 2] en [naam 3], vergezeld door de gemachtigden. De OR is verschenen bij [naam 4], [naam 5] en [naam 6], vergezeld door de gemachtigde. Partijen hebben het woord gevoerd, mede aan de hand van pleitnotities. Na verder debat is een datum voor beschikking bepaald. Het dictum van deze beschikking is uitgesproken op 2 oktober 2014 en het uittreksel uit het audiëntieblad is aan de gemachtigden van partijen toegezonden; de uitgeschreven beschikking is later, te weten op 14 oktober 2014, aan de gemachtigden van partijen toegestuurd.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1. Uitgegaan wordt van het volgende:

1.1.

bij brief van 24 februari 2014 heeft KLM aan de Groepscommissie 64 (zijnde een commissie in de zin van artikel 15 WOR, verder te noemen GC64) verzocht in te stemmen met een twintigtal (zomer)roosters betreffende het bedrijfsonderdeel Bagage Turnaround Service, verder te noemen BTS.

1.2.

bij brief van 27 februari 2014 heeft GC64 zijn instemming onthouden aan twee zomerroosters (TLO en TLD) betreffende de afdeling K1.

1.3.

In dezelfde brief heeft de OR zijn instemming verleend aan de overige 18 zomerroosters, betreffende de afdelingen K2, K4, K5 en K6 en nog twee ondersteunende afdelingen.

1.4.

KLM heeft het Extern Overleg geraadpleegd (zie onder 1.18). De bevindingen en conclusies, neergelegd in de brief van de Roostercommissie/het Extern Overleg d.d. 31 mei 2014, hebben er niet toe geleid dat alsnog door de OR instemming is verleend.

1.5

bij BTS werken ongeveer 1.150 medewerkers, verdeeld over de onder 1.3 genoemde afdelingen. Het overgrote deel van de medewerkers (ruim 1.000) werkt op één van de afhandelingsafdelingen en is belast met het laden en lossen van vliegtuigen. De overige medewerkers (ongeveer 150) werken bij de ondersteunende afdelingen.

1.6

het laden en lossen van vliegtuigen gebeurt grotendeels (bij K1 geheel) handmatig en is fysiek zwaar werk. Het werk wordt gedaan onder alle weersomstandigheden gedurende 7 dagen per week. Binnen K1 worden geen nachtdiensten gedraaid.

1.7

afdeling K1 is verantwoordelijk voor het laden en lossen van de KLM City hopper, K2/K4 voor de overige vluchten op Europese bestemmingen en K5/K6 handelen de intercontinentale vluchten af.

1.8

op de afdeling K1 werken 220 mensen; daarvan zijn 200 uitvoerende medewerkers en 20 medewerkers werkzaam in het management (regisseurs en sectormanagers).

1.9

de onder 1.2 bedoelde zomerroosters betreffen de uitvoerende medewerkers van K1.

1.10

in alle afdelingen van BTS worden, behalve de medewerkers in dienst van KLM, ook uitzendkrachten ingezet.

1.11

op de medewerkers van BTS is van toepassing de CAO voor KLM-Grondpersoneel KLM, verder te noemen de CAO.

1.12

bijlage 3D van de CAO bevat de “Regeling voor het volgens een basisrooster werken in ploegendienst (Roosterregeling)”.

1.13

artikel III (Roosterkenmerken) en artikel IV onder (5) en (6) van bijlage 3D luiden als volgt:

III ROOSTERKENMERKEN

(1) Algemeen

Roosterkenmerken geven de randvoorwaarden aan die bij de vaststelling van een basisrooster, bij wijziging van het persoonlijk rooster en bij dienstruiling in acht moeten worden genomen.

(2) Algemene roosterkenmerken

a. Werktijd

De werktijd in een dienst bedraagt ten minste 7 en ten hoogste 10 uur. Voor werk-

nemers in deeltijd bedraagt de werktijd ten minste 3 uur.

De werktijd in een nachtdienst bedraagt ten hoogste 8 uur.

De werktijd in een supervroege dienst bedraagt ten hoogste 7 uur.

Een basisrooster moet - berekend over de roosterlengte - gebaseerd zijn op een

gemiddeld 5-daagse werkweek die uit gemiddeld 40 werkuren bestaat. Voor werk-

nemers in deeltijd wordt het gemiddelde aantal werkuren per week berekend naar

rato van hun deeltijdpercentage. De minimale werktijd van 3 uur is niet van toepassing op bij de KLM werkzame uitzendkrachten.

Meerdere opkomsten per dag zijn uitgesloten.

b. Inkorten/verlengen van diensten

Met inachtneming van de onder a genoemde maximum resp. minimum werktijden

kan de KLM - zowel bij als na de totstandkoming van het basisrooster - de werktijd

in een dienst als volgt verlengen resp. inkorten.

1. Afgezien van de supervroege dienst kan verlenging of inkorting alleen plaats

vinden, indien de bedrijfsdrukte daartoe aanleiding geeft.

2. In geval van een benodigde verlenging moet de werktijd in een of meer andere diensten dienovereenkomstig worden ingekort.

3. In geval van een benodigde inkorting (daaronder begrepen een supervroege dienst) moet

- hetzij de werktijd in een of meer andere diensten dienovereenkomstig worden verlengd voor zover de bedrijfsdrukte daartoe aanleiding geeft,

- hetzij de inkorting ten laste worden gebracht van het saldo extra rust (tot ten hoogste 32 uur per kalenderjaar), met dien verstande dat deze inkorting 1 uur of een veelvoud daarvan moet bedragen. Voor werknemers in deeltijd wordt genoemd maximum berekend naar rato van hun deeltijdpercentage.

Indien de bedrijfsdrukte geen aanleiding geeft tot verlenging van de werktijd in een andere dienst en het saldo extra rust niet toereikend is voor het verrekenen van de inkorting, kan de KLM niettemin de werktijd in een dienst inkorten. Deze inkorting wordt alsdan niet elders verrekend.

4. Ingekorte en verlengde werktijden in diensten worden eventueel in het basisrooster vermeld, doch in ieder geval in het persoonlijk rooster.

c. Reeks

Het aantal opeenvolgende diensten in een reeks bedraagt ten minste 2 en ten hoogste 7. Voor werknemers in deeltijd kan een reeks uit 1 dienst bestaan.

Het aantal wisselingen per reeks bedraagt ten hoogste 2.

d. Nachtdienst/supervroege dienst

Het totale aantal nachtdiensten en/of supervroege diensten bedraagt over een periode van 12 maanden ten hoogste 87, waarbij het totale aantal supervroege diensten ten hoogste 32 bedraagt.

Overeenkomstig punt IV. 5 kan van deze maxima worden afgeweken.

e. Reservedienst

Het aantal reservediensten in een basisrooster bedraagt - berekend over de roosterlengte - gemiddeld ten hoogste 0,75 per week.

Reservediensten worden bij de bekendmaking van het persoonlijk rooster omgezet

in benoemde diensten. Deze diensten moeten voorkomen in het basisrooster.

Reservediensten zijn bedoeld voor de opvang van te verwachten bedrijfsverstoringen en/of structurele afwijkingen in het geplande arbeidsverzuim. Reservediensten

mogen niet worden gebruikt als extra (dubbele) diensten om eventuele afwezigheid

door arbeidsverzuim, verlof enz. op te vangen. De volgende factoren zijn belangrijk voor het hanteren van reservediensten.

- Een reservedienst wordt altijd omgezet in een benoemde dienst.

- Indien een reservedienst wordt omgezet in een nachtdienst, worden de vergoedingen niet aangepast; indien de praktijk echter uitwijst dat regelmatig een reservedienst moet worden omgezet in een nachtdienst, moet een representatief aantal reserve-nachtdiensten in het basisrooster worden opgenomen.

t. Rusttijd/pauzetijd

1. De pauzetijd voor diensten met een aanwezigheidstijd van meer dan 41/2 uur

bedraagt ten minste ½ uur. De pauzes worden ingedeeld in de periode tussen

2 uur na aanvang en 2 uur voor het einde van de dienst.

2. De ononderbroken rusttijd tussen twee opeenvolgende diensten bedraagt ten

minste 12 uren. Na het verrichten van arbeid in een nachtdienst welke eindigt

na 01.00 uur, of in een supervroege dienst, bedraagt de ononderbroken rusttijd

ten minste 14 uren.

De KLM en de werknemersorganisaties kunnen na een desbetreffend verzoek

van de bedrijfsleiding en/of de groepscommissie in overleg een afwijking van

de rusttijd tussen twee diensten toestaan. Deze afwijking kan gelden voor de

basis- en persoonlijke roosters. De dagelijkse rusttijd dient in geval van een

dergelijke afwijking minimaal 11 uren te bedragen (in de persoonlijke roosters

lx per aaneengesloten periode van 7 maal 24 uren in te korten tot 8 uur).

3. De ononderbroken rusttijd per week bedraagt ten minste 36 uren. De rusttijd

wordt in de regel binnen deze week toegekend of - indien dit niet het geval is

- in ieder geval in de loop van de 3 etmalen direct voorafgaand aan de op

komsttijd van de eerste dienst in de betreffende week.

In het kader van de Arbeidstijdenwet zullen de KLM en de werknemersorganisaties nader overleg voeren over verruiming van bovenstaande regeling.

4. De rusttijd direct na een reeks van 2 nachtdiensten bedraagt ten minste 47

uren. De rusttijd na een reeks van 3 of meer elkaar opvolgende diensten, die

zijn gedefinieerd als een supervroege, een superavond- of een nachtdienst, bedraagt ten minste 48 uur.

g. Vrije weekenden

Een vrij weekend bestaat in de regel uit de combinatie zondag en zaterdag, doch in

dien de bedrijfsdrukte daartoe aantoonbaar aanleiding geeft, kan een vrij weekend

incidenteel ook bestaan uit de combinatie zondag en maandag.

Een Vrij weekend Vangt aan uiterlijk na de superavonddienst eindigend op de eerste weekenddag en loopt door tot 06.00 uur op de dag volgend op de tweede weekenddag.

Het aantal vrije weekenden bedraagt per periode van 12 maanden ten minste 17.

E.e.a. is niet van toepassing op werknemers in deeltijd die specifiek zijn aangesteld

om vooral gedurende weekenden werkzaamheden te verrichten.”

En

“IV (…..)

(5) Afwijking van de CAO

Aangezien bij de toepassing van punt III naar verwachting niet in alle gevallen bedrijfseconomisch en sociaal verantwoorde basisroosters kunnen worden gerealiseerd, zal het in dergelijke situaties noodzakelijk zijn van de CAO af te wijken.

Indien de bedrijfsleiding en de groepscommissie (of één van beide) afwijking van de CAO noodzakelijk achten, wordt hierover in overleg tussen de KLM en de werknemersorganisaties zo spoedig mogelijk een beslissing genomen. Een goedgekeurde afwijking geldt voor de looptijd van een basisrooster, tenzij anders wordt aangegeven.

(6) Procedure bij ontbreken van overeenstemming

De groepscommissie kan haar instemming met het uiteindelijk door de bedrijfsleiding voorgestane basisrooster slechts onthouden, indien naar haar oordeel de bedrijfsleiding een onnodig ruim gebruik wenst te maken van de in punt III vermelde roosterkenmerken.

Alsdan dient zij dit ten spoedigste en ten minste 2 weken voor de ingangsdatum van het nieuwe basisrooster schriftelijk en met redenen omkleed aan de bedrijfsleiding kenbaar te maken.

De KLM kan vervolgens de kwestie in het overleg met de werknemersorganisaties aan de orde stellen teneinde zo spoedig mogelijk te komen tot een voorstel aan de bedrijfsleiding en de groepscommissie omtrent de inrichting van het basisrooster.

Wordt in dit overleg geen overeenstemming bereikt over een voorstel of verkrijgt dit voorstel niet de instemming van de groepscommissie, dan kan de KLM handelen overeenkomstig artikel 27 van de Wet op de Ondernemingsraden.”

1.14

in 2012 heeft KLM het “Transform 2015/Securing our future” plan vastgesteld. Dit voorziet in een kostenbesparingsprogramma, noodzakelijk als gevolg van de slechte economische omstandigheden.

1.15

in het met de vakorganisaties overeengekomen “Protocol CAO’s 2011-2014 (Securing our future/Transform 2015)” is de volgende aanhef opgenomen:

“KLM en werknemersorganisaties hebben in oktober 2011 de CAO-onderhandelingen opgeschort in verband met het snel verslechterende economische klimaat en de zorgen van KLM over de impact van de structureel gewijzigde omstandigheden op het bedrijf en de bedrijfsvoering voor de lange termijn. Overlegpartijen hebben vastgesteld dat die situatie geen gezonde basis vormde voor uitgebreide CAO-onderhandelingen.

- KLM en werknemersorganisaties hebben vervolgens intensief overleg gevoerd over de situatie bij KLM. KLM heeft inzicht gegeven in haar opvatting dat er structurele maatregelen nodig zijn om de lange termijn toekomst van de onderneming veilig te stellen (verhogen van de inkomsten en verlagen van de schuldenpositie en kosten, w.o. de arbeidskosten). Een aantal werknemersorganisaties (FNV, VNC en VNV) heeft een eigen onderzoek geïnitieerd.

De onderhandelingsdelegaties van de KLM en CNV Vakmensen, De Unie, FNV Bondgenoten, de NVLT, de VHKP, de VNC en de VNV, hebben met het oog hierop overeenstemming bereikt over de inhoud van de onderscheiden CAO’s voor de periode vanaf 1 oktober 2011 tot 1 januari 2015.”

1.16

artikel 5 van het onder 1.15 genoemde Protocol luidt:

Werkgelegenheid

- KLM zal zich tot het uiterste inspannen om de werkgelegenheid van de huidige (op 1 december 2012) in dienst zijnde werknemers met een contract voor onbepaalde tijd veilig te stellen. KLM zal, gebaseerd op de huidige inzichten, in de komende CAO-periode geen KLM-ers met een contract voor onbepaalde tijd het bedrijf gedwongen doen verlaten op grond van bedrijfseconomische redenen.

- Uitgangspunt hierbij is een flexibele opstelling van werknemers en werkgever.

- Om dit te bewerkstelligen zet KLM de focus op het voorkomen van overcapaciteit (FTE-control) voort. Ook zal KLM haar inspanningen op het gebied van opleidingen, stages en mobiliteit voortzetten.

- Indien deze inspanningen onvoldoende blijken te zijn zal KLM in overleg treden met werknemersorganisaties over aanvullende instrumenten resp. het verruimen van instrumenten.

- Indien dit vervolgens ook onvoldoende blijkt te zijn en KLM agv verminderde vraag naar vervoer/inkomsten haar inzet rondom werkgelegenheid moet heroverwegen zal KLM met werknemersorganisaties afspraken maken om gedwongen ontslagen te voorkomen.

- Als de economische omstandigheden dusdanig zijn dat KLM het behoud van werkgelegenheid niet langer kan waarmaken, zal KLM in overleg treden met werknemersorganisaties waarbij de bepalingen uit de verschillende CAO’s het uitgangspunt vormen.

- KLM is bereid om het WIA-vangnet (werkgarantie) voor de looptijd van deze CAO te verlengen.

Met partijen zal in het reguliere externe overleg gesproken worden over de stand van zaken t.a.v. de werkgelegenheid.

- Bovenstaande is ook van toepassing op de 156 cabinemedewerkers en 7 jaarcontractanten met een jaarcontract (onder voorwaarde van goed functioneren) zoals bedoeld in het protocol ‘Bepaalde tijdscontracten 2012, (AMS/GG. 12.059).”

1.17

onderdeel van het onder 1.15 genoemde Protocol is het Roosterconvenant, met de vakorganisaties overeengekomen in december 2012.

1.18

onder Ad 6 van dit Roosterconvenant is het volgende opgenomen:

Ad 6 Roostercommissie/extern overleg

De Roostercommissie is de paritair samengestelde commissie van KLM en

werknemersorganisaties die verantwoordelijk is voor dispensatieverzoeken (afwijking van de CAO tot aan de grenzen van de ATW). Daarnaast fungeert het extern overleg als het escalatieplatform is als bedrijfsleiding en Groepscommissie er niet uitkomen in het roosterproces (Bijlage 3D, IV punt (6) procedure bij ontbreken van overeenstemming). Bij het ontbreken van overeenstemming tussen de bedrijfsleiding en GC, kan het externe overleg worden ingeschakeld teneinde zo spoedig mogelijk te komen tot een voorstel aan de bedrijfsleiding en de groepscommissie omtrent de inrichting van het basisrooster.

Wordt in dit overleg geen overeenstemming bereikt over een voorstel of verkrijgt dit voorstel niet de instemming van de groepscommissie, dan kan de KLM handelen overeenkomstig art. 27 WOR.”

Verzoek

2. KLM verzoekt om haar op grond van artikel 27 lid 4 WOR toestemming te geven voor de invoering van de zomerroosters per de eerst mogelijke datum.

3. KLM stelt hiertoe dat het onthouden van instemming door de OR onredelijk is. Allereerst is dat het geval omdat de ruimte die de betrokken Groepscommissie, GC64, heeft om instemming te onthouden beperkt is. Het overgrote deel van de kenmerken waaraan een basisrooster moet voldoen is geregeld in de standaard-CAO en, voor zover dat het geval is, heeft de OR geen instemmingsrecht. Dat recht heeft de OR althans de Groepscommissie alleen, voor zover KLM onnodig ruim gebruik maakt van de ruimte in de roosterkenmerken, zoals opgenomen in artikel III, bijlage 3D CAO; dat staat met zoveel woorden in artikel IV, 6 van bijlage 3D CAO (zie onder 1.13). KLM maakt geen onnodig ruim gebruik van de ruimte in de CAO, integendeel, zij gebruikt slechts de helft van de “ruimte”, die de CAO biedt, nu zij van de medewerkers vraagt twee dagen extra per jaar te komen werken (= 16 uur), terwijl de CAO ruimte biedt voor 32 uur (zie onder 1.13:artikel III, sub (2) onder b, 3 van Bijlage 3D van de CAO). Voorts kan de OR hier niet opeens een eigen positie gaan innemen, met nieuwe argumenten, maar is zij gebonden aan hetgeen GC64 bij haar weigering instemming te verlenen heeft aangevoerd.

4. Voorts zijn de redenen die GC64 heeft aangevoerd deels onbegrijpelijk, onvoldoende gespecificeerd, onjuist en/of oneigenlijk. In elk geval zijn de redenen die de GC64 heeft aangevoerd van onvoldoende gewicht , terwijl KLM zwaarwegende bedrijfsorganisatorische redenen heeft om het rooster te wijzigen zoals voorgesteld. Daarom meent KLM dat GC64/De OR niet redelijk heeft gehandeld door instemming te onthouden.

5. Met de vakorganisatie heeft KLM vergaande afspraken gemaakt in het kader van “Transform 2015/Securing our future” (zie onder 1.15 en 1.16). Die afspraken zijn erop gericht om, als het maar enigszins kan, gedwongen ontslagen te voorkomen. Juist gelet daarop dient KLM daar waar dat mogelijk is te besparen. Met het invoeren van de thans bestreden roosters wordt (direct en indirect) € 150.000,- op jaarbasis bespaard. De directe besparing wordt vooral gevonden doordat met de roosterwijzigingen minder uitzendkrachten hoeven te worden ingezet. De indirecte besparingen vloeien voort uit de hogere productiviteit bij de eigen medewerkers: die zullen tijdens hun dienst op minder momenten stilzitten, omdat er even niets te doen is. KLM heeft met de vakorganisaties afgesproken dat met het strikter naleven van de CAO en het Roosterconvenant, zonder aanpassing van de CAO, € 16.000.000,- zal worden gegenereerd. De opstelling van GC64 dreigt de uitvoering van deze afspraken te blokkeren.

6. KLM stelt dat het buiten kijf is dat de medewerkers van BTS Platform fysiek zwaar werk verrichten; dat geldt in het bijzonder voor de medewerkers van K1, die de (kleine) cityhoppers grotendeels handmatig beladen.

7. Van de betrokken werknemers wordt met de voorgenomen aanpassing van de roosters inderdaad iets gevraagd, maar dat blijft volgens KLM binnen de grenzen van het redelijke. Het inroosteren van Extra Rust in losse uren, zoals KLM dit wil invoeren, leidt niet tot meer werk voor de medewerker. Het leidt wel tot een extra opkomst van een bij K1 werkzame medewerker van twee dagen op jaarbasis. Die twee extra dagen (=16 uur) worden “gecompenseerd” doordat de betreffende medewerker door het jaar heen een aantal kortere diensten draait (in totaal 16 uur korter). Daarnaast gaat een medewerker van K1 er € 1,50 bruto per maand op achteruit, omdat de (weekend)toeslag iets lager wordt. Dat zijn beperkte gevolgen.

8. Daartegenover staat dat, met de voorgenomen wijziging, het rooster efficiënter wordt, omdat KLM beter kan inspelen op de bedrijfsdrukte, die rechtstreeks samenhangt met de dienstregeling. Dat betekent immers dat er minder afspraken (op basis van vrijwilligheid) met de medewerkers hoeven te worden gemaakt om “de gaten in het rooster te vullen”, terwijl er ook minder inzet van uitzendkrachten nodig zal zijn.

Verweer

9. De OR voert gemotiveerd verweer. Dit verweer zal, voor zover van belang, in het hierna volgende worden besproken en beoordeeld.

Beoordeling



positie OR ten opzichte van GC64

10. Geoordeeld wordt dat de OR in een procedure als de onderhavige een eigen positie heeft die kan afwijken van de positie die GC64 eerder in het medezeggenschapstraject tegenover KLM heeft ingenomen. Dat vloeit rechtstreeks voort uit artikel 15 lid 2 WOR, waarin is bepaald dat de OR de bevoegdheid tot het voeren van rechtsgedingen niet aan een vaste commissie kan overdragen.

positie OR ten opzichte van CAO-partijen en de afspraken in de CAO

11. In artikel IV sub 6 van Bijlage 3D van de CAO is bepaald dat de groepscommissie haar instemming met het uiteindelijk door de bedrijfsleiding voorgestane basisrooster slechts kan onthouden, indien naar haar oordeel de bedrijfsleiding een onnodig ruim gebruik wenst te maken van de in punt III vermelde roosterkenmerken. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de OR terecht aangevoerd dat de OR aan deze bepaling in de CAO niet is gebonden. CAO partijen hebben weliswaar het recht om zaken uitputtend te regelen in de CAO; als een onderwerp uitputtend geregeld is, bestaat er ter zake dat onderwerp geen instemmingsrecht van de CAO. CAO-partijen kunnen echter, gegeven het feit dat het hier gaat om een onderwerp dat niet uitputtend in de CAO is geregeld, de rechten die de OR op grond van de WOR heeft, niet beperken door te bepalen welke argumenten de OR wel en welke hij niet zou kunnen aanvoeren tegen een voorgenomen besluit in de zin van artikel 27 WOR.

11. Dat betekent dat de kantonrechter, aan de hand van alle door de OR (en KLM) aangevoerde argumenten, zal moeten beoordelen of de beslissing van de OR om geen instemming te geven onredelijk is, of het voorgenomen besluit van KLM gevergd wordt door zwaarwegende bedrijfsorganisatorische, bedrijfseconomische of bedrijfssociale redenen.

Inhoudelijke beoordeling

13. De OR heeft niet betwist welke voor de medewerkers van K1 de directe gevolgen zijn van het inroosteren van Extra Rust in losse uren, zoals KLM dit in de betwiste zomerroosters wil invoeren. Het leidt niet tot meer werkuren maar wel tot een extra opkomst van twee dagen (= 16 uur) op jaarbasis. Die 16 uur worden gecompenseerd door een aantal kortere diensten te draaien. Daarnaast gaat een medewerker van K1 er ongeveer € 1,50 bruto per maand op achteruit, omdat de (weekend)toeslag iets lager wordt. Dit komt neer op een bedrag van ongeveer € 18,- bruto per jaar. De kantonrechter is van oordeel dat dit wel een extra belasting voor de medewerkers oplevert, en eveneens leidt tot een lagere beloning, doch dat deze gevolgen beperkt van aard zijn en niet opwegen tegen de belangen die KLM heeft aangevoerd, waaronder een aanmerkelijke kostenbesparing.

13. De OR heeft nog een aantal andere argumenten naar voren gebracht, op grond waarvan hij meent dat de roosters niet behoren te worden ingevoerd. Deze zullen thans worden besproken, inclusief het verweer dat KLM tegen deze argumenten heeft gevoerd.

a. De OR heeft aangevoerd dat de roosters in strijd zijn met de afspraak dat roosters niet mogen leiden tot reducties van arbeidsplaatsen of introductie van leegloop (dat wil zeggen dat er tijdens een dienst teveel medewerkers zijn in verhouding tot de hoeveelheid werk). Als meest in het oog springende voorbeeld van extra leegloop heeft de OR genoemd het verzetten van het aanvangstijdstip van de late dienst van 14.00 naar 15.00 uur voor een deel van de medewerkers van K1. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft KLM met recht aangevoerd dat het invoeren van de roosters niet zal leiden tot een verminderde inzet van medewerkers van KLM, doch enkel tot een verminderde inzet van uitzendkrachten. Dat laatste is niet in strijd met de afspraken met de vakbonden, althans dit valt niet te lezen uit de bepalingen van de CAO die partijen in deze procedure hebben overgelegd (zie bijvoorbeeld het onder 1.16 aangehaalde artikel 5 van het Protocol). Voorts heeft KLM in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat enige leegloop in de overgangsuren onontkoombaar is, en dat het voor de mate van leegloop weinig uitmaakt of een dienst om 14.00 uur of om 15.00 uur start.

De OR heeft voorts aangevoerd dat het invoeren van de roosters zal leiden tot meer ongelijkheid tussen enerzijds de medewerkers van K1 en anderzijds de medewerkers van de andere bagageafhandelingsafdelingen, doordat het toch al bestaande verschil in toeslagen en extra rusturen verder wordt vergroot. De kantonrechter acht dit argument onvoldoende zwaarwegend, waarbij van belang is dat de thans reeds bestaande verschillen verklaarbaar zijn, bijvoorbeeld doordat bij K1 geen nachtdiensten worden gedraaid. Dat door het invoeren van de nieuwe roosters het min of meer onmogelijk zou worden om van afdeling te wisselen, zoals de OR heeft aangevoerd, acht de kantonrechter niet aannemelijk, mede gelet op hetgeen onder 13 is overwogen.

Volgens de OR heeft KLM geen duidelijkheid verschaft over de inzet van uitzendkrachten en over de mate van kostenbesparing. Aan de OR kan worden toegegeven dat KLM aanvankelijk summier is geweest ter zake haar uitleg over de werkdruk van het vaste personeel en waar en in welke mate uitzendkrachten worden ingezet. Tijdens de mondelinge behandeling echter is deze toelichting wel gegeven, aan de hand van het diagram op bladzijde 9 van de pleitnota van de gemachtigden van KLM.

De OR heeft terecht de vraag gesteld hoe de eerder door KLM genoemde besparing van € 20.000,- per jaar zich verhoudt met het thans genoemde bedrag van € 150.000,-. Op dit punt heeft KLM tijdens de mondelinge behandeling evenwel afdoende toegelicht dat het eerder genoemde bedrag alleen de directe kosten betrof en dat de besparing van € 150.000,- zowel de directe als de indirecte kosten betreft. Bij de directe kostenbesparing gaat het om de verminderde inhuur van uitzendkrachten en bij de indirecte kostenbesparing om de verhoogde productiviteit van de eigen medewerkers.

De OR heeft tot slot aangevoerd dat de roosters sociaal onwenselijk zijn en niet worden gedragen door de medewerkers. Op dit punt heeft KLM aangevoerd dat zij veel doet om haar werknemers tevreden te houden; wat daarvan ook zij, het enkele feit dat medewerkers (op onderdelen) bezwaar hebben tegen een wijziging in het rooster kan niet betekenen dat het reeds daarom niet mag worden doorgevoerd. De verdere argumenten van de OR op dit punt zijn te weinig concreet om gewicht in de schaal te leggen. Dat het ziekteverzuim, dat thans laag is, zal gaan stijgen als direct gevolg van de invoer van de bestreden roosters acht de kantonrechter vergezocht en niet aannemelijk.

15. Voor zover de onder 14 besproken argumenten niet afdoende door KLM zijn weerspreken, wordt geoordeeld dat deze onvoldoende zwaar zijn om op te wegen tegen het belang dat KLM heeft genoemd bij de invoer van de roosters, te weten de verhoging van de efficiency ervan, met de daarbij behorende kostenbesparing.

15. Gelet op al het bovenstaande dienen de argumenten van KLM voor het invoeren van het voorgenomen besluit zwaarder te wegen dan de argumenten van de OR daartegen. Daarom wordt geoordeeld dat de OR met het weigeren van zijn instemming, onder de geschetste omstandigheden, onredelijk heeft gehandeld. Het verzoek van KLM zal dan ook worden toegewezen.

15. Er zijn geen termen een proceskostenveroordeling uit te spreken.

BESLISSING

De kantonrechter:

verleent KLM toestemming tot het nemen van het besluit houdende invoering van de twee door de OR bestreden zomerroosters (voor de periode 31 maart 2014 tot 26 oktober 2014) bij de afdeling K1 van het onderdeel BTS Platform van KLM ;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gegeven door mr. T.M.A. van Löben Sels, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 oktober 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter