Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:6592

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
15-10-2014
Zaaknummer
2621646 - HA EXPL 13-1382
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

betaling facturen - artikel 7:23 lid 1 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Zaaknummer en rolnummer: 2621646 \ HA EXPL 13-1382

Uitspraak: 9 september 2014

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

de vennootschap onder firma

[eiseres],

gevestigd te [plaats],

eiseres,

nader te noemen [eiseres],

gemachtigde Van Arkel Gerechtsdeurwaarders,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te [plaats],

gedaagde,

nader te noemen [gedaagde].

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

  • -

    de dagvaarding van 4 december 2013 inhoudende de vordering van [eiseres], met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagde], met producties.

Ingevolge het tussenvonnis van 28 januari 2014 is de zaak naar de rol verwezen voor repliek van de zijde van [eiseres].

Vervolgens zijn nog ingediend:

  • -

    de conclusie van repliek van [eiseres], met producties,

  • -

    de conclusie van dupliek van [gedaagde], met producties,

  • -

    de akte van [eiseres], met producties,

  • -

    de akte waarin [gedaagde] heeft gereageerd op die laatste producties.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten en omstandigheden

1.

Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden vast:

1.1

[eiseres] vervaardigt onder meer vlaggen en banners. [gedaagde] organiseert evenementen. Partijen hebben voor april 2013 eerder zaken met elkaar gedaan.

1.2

Op 18 april 2013 heeft [gedaagde] bij [eiseres] ten behoeve van een evenement dat op 30 april 2013 zou worden gehouden een aantal vlaggen en banners voorzien van het [gedaagde]-logo besteld. Met instemming van [gedaagde] is de aanvankelijk afgesproken leverdatum verplaatst naar 27 april 2013. Twee resterende banners heeft [eiseres] op 29 april 2013 op de desbetreffende locatie afgeleverd.

1.3

Bij factuur van 29 april 2013 (hierna: de factuur) heeft [eiseres] een bedrag van € 6.108,92 inclusief btw voor de geleverde vlaggen en banners in rekening gebracht. Deze factuur heeft [gedaagde] onbetaald gelaten.

1.4

Eind mei 2013 heeft [gedaagde] opnieuw een bestelling bij [eiseres] geplaatst. Deze keer ging het om twee banners.

1.5

[eiseres] heeft [gedaagde] bij e-mail van 31 mei 2013 erop gewezen dat de betalingstermijn van de factuur is verstreken en [gedaagde] verzocht het openstaande bedrag te voldoen, gevolgd door een aanmaning op 14 juni 2013 en 5 juli 2013.

1.6

Bij e-mail van 30 juli 2013 heeft [eiseres] het volgende aan [gedaagde] bericht:

“Naar aanleiding van ons telefonisch contact stuur ik je deze mail. In de bijlage vind je de email-berichten die ik jou heb verstuurd met de herinneringen en een screendumpje van de aanmaningsbrief die we hebben verstuurd.

Ik vind het erg spijtig dat je geen zaken meer met ons wilt doen maar wij moeten dit uiteindelijk uitbesteden omdat wij anders in de problemen komen.

Ik hoop dat je ons kan begrijpen, als er verder nog vragen zijn kan je contact opnemen met [naam 1] van Das Incasso.”

1.7

DAS Incasso heeft namens [eiseres] op 26 juli 2013, 2, 27 en 30 augustus 2013 aanmaningen naar [gedaagde] gestuurd.

1.8

[gedaagde] heeft DAS Incasso bij e-mail van 27 augustus 2013 het volgende laten weten:

“Sorry voor de zeer late reactie,maar ik heb wat familie problemen gehad ivm de ziekte van mijn vader.Ik ben sinds vandaag weer actief.

Hierbij stuur ik de ingebrekestelling brief die gestuurd is per post naar [eiseres]. (…) Het is een kopie van de brief aangezien het origineel naar hun gestuurd is per post.

1.9

In deze bijgevoegde brief gedateerd 29 april 2013 wordt geklaagd over de geleverde banners en vlaggen.

Vordering en verweer

2.

[eiseres] vordert dat [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal worden veroordeeld tot betaling van:
a. € 6.108,92 aan hoofdsom;
b. € 916,34 aan buitengerechtelijke incassokosten;
c. € 235,70 aan wettelijke handelsrente, berekend vanaf 29 mei 2013 tot 30 oktober 2013 over € 6.108,92;
d. wettelijke handelsrente over € 6.108,92 vanaf 31 oktober 2013 tot aan de dag van algehele voldoening;
e. de proceskosten.

3.

[eiseres] stelt kort gezegd dat zij de overeenkomst met [gedaagde] deugdelijk is nagekomen en een opeisbare vordering op [gedaagde] heeft. Het schrijven gedateerd 29 april 2013 (hierna: de klacht) heeft [eiseres] niet ontvangen en ook anderszins zijn geen klachten van [gedaagde] vernomen. Pas toen de vordering ter incasso uit handen werd gegeven, werd [eiseres] geconfronteerd met klachten van [gedaagde]. Dat is evenwel te laat, aldus steeds [eiseres].

4.

[gedaagde] voert verweer tegen de vordering en voert daartoe aan dat het drukwerk van de geleverde banners slecht is en dat voor de vlaggen een andere stof is gebruikt dan was afgesproken. Daarover heeft [gedaagde] gelijk op 27 april 2013 telefonisch bij [eiseres] geklaagd en nog een keer toen de resterende banners op 29 april 2013 naar de locatie werden gebracht. [gedaagde] heeft [eiseres] toen ter plekke in gebreke gesteld en ontbinding geëist. De klacht is toen aan [eiseres] overhandigd en tevens per post verstuurd.

Beoordeling

5.

[eiseres] doet een beroep op artikel 7:23 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens die wettelijke bepaling kan een koper geen beroep meer doen op een gebrek in de afgeleverde zaak als hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, kennis heeft gegeven. Als de kantonrechter er veronderstellenderwijs van uitgaat dat - zoals [gedaagde] stelt en [eiseres] betwist - de banners en vlaggen inderdaad gebrekkig zijn, volgt uit de eigen stellingen van [gedaagde] dat zij met deze non-conformiteit op 27 april 2013 bekend was. Dit betekent dat de klachttermijn van artikel 7:23 lid 1 BW op 27 april 2013 is gaan lopen.

6.

Partijen zijn het er niet over eens wanneer [gedaagde] voor het eerst over de geleverde banners en vlaggen is gaan klagen. [gedaagde] heeft haar door [eiseres] betwiste stelling dat zij de klacht op 29 april 2013 aan [eiseres] heeft overhandigd en per post heeft verstuurd (dat deze per aangetekende post is verstuurd, is gesteld noch gebleken) niet aannemelijk gemaakt. [gedaagde] heeft immers geen stukken overgelegd die haar stelling kunnen ondersteunen, noch heeft zij ter zake een concreet bewijsaanbod gedaan. Evenmin heeft [gedaagde] haar stelling dat zij meteen na levering van de banners en de vlaggen telefonisch heeft geklaagd, voldoende onderbouwd en (concreet) bewijs van die stelling aangeboden. In de onder 1 vermelde tussen partijen gevoerde correspondentie wordt ook nimmer gerefereerd aan de klacht of ondeugdelijk geleverde banners en vlaggen. Het enkele feit dat [gedaagde] blijkens de in het geding gebrachte gespecificeerde telefoonkosten op

28 april 2013 twee keer de voicemail van [eiseres] heeft ingesproken en [gedaagde] op 29 april 2013 met [eiseres] heeft gebeld, zegt niets over de inhoud van de achtergelaten berichten en het gevoerde telefoongesprek. Niet in geschil is immers dat er op 29 april 2013 nog twee banners zijn afgeleverd en derhalve niet is uitgesloten - zoals [eiseres] betoogt - dat de ingesproken berichten en het telefoongesprek daarop betrekking hadden. Nu niet ter discussie staat dat [gedaagde] eind mei 2013 een nieuwe bestelling voor twee banners heeft geplaatst en dit blijkens de daarop betrekking hebbende factuur van 31 mei 2013 een spoedopdracht betrof, geldt ook voor de volgens [gedaagde] op 31 mei 2013 ingesproken berichten dat niet is uitgesloten dat deze daarover gingen.

7.

Uit het voorgaande volgt dat niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde] zich over het gestelde ondeugdelijk presteren van [eiseres] vóór de e-mail van 27 augustus 2013 heeft beklaagd. [gedaagde] heeft dus vier maanden na ontdekking van de gestelde gebrekkige prestatie gewacht met protesteren daartegen. Nu geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit volgt dat van [gedaagde] niet kon worden verwacht dat zij eerder een klacht bij [eiseres] indiende, heeft [gedaagde] langer gewacht met klagen dan zij had mogen doen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat als [gedaagde] gelijk bij ontvangst van de eerste levering op 27 april 2013 dan wel een dag later had geklaagd, [eiseres] ten aanzien van de twee resterende banners wellicht nog maatregelen had kunnen treffen.

8.

Gelet op het voorgaande heeft [gedaagde] niet binnen bekwame tijd na ontdekking van het gebrek geprotesteerd als bedoeld in artikel 7:23 lid 1 BW. Het gevolg daarvan is dat [gedaagde] alle rechten en bevoegdheden die zij op grond van de gestelde gebrekkigheid van de overeengekomen prestatie had, heeft verloren. [gedaagde] kan zich daarom niet meer op de vermeende gebrekkigheid van de banners en vlaggen beroepen. Dit leidt ertoe dat de gevorderde hoofdsom van

€ 6.108,92 toewijsbaar is. Nu de verschuldigdheid van de gevorderde wettelijke handelsrente op zichzelf niet door [gedaagde] is weersproken, zal deze worden toegewezen.

9.

[eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiseres] voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag is evenwel hoger dan in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 680,44.

10.

Bij deze uitkomst van de procedure wordt [gedaagde] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiseres].

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van:
- € 6.108,92 (zegge: zesduizend honderdacht euro en tweeënnegentig eurocent) aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf

31 oktober 2013 tot aan de voldoening;
- € 680,44 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- € 235,70 aan wettelijke handelsrente, berekend tot en met 30 oktober 2013,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op:
griffierecht € 448,00
explootkosten € 79,66
salaris gemachtigde € 625,00 (2,5 punten x tarief € 250,-)
_________
totaal € 1.152,66.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. C. Kraak, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 september 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter