Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:6327

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-09-2014
Datum publicatie
23-10-2014
Zaaknummer
13-751592-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Executie EAB Roemenië, verlenging termijn voor onbepaalde tijd, artikel 3 en 6 EVRM,

Ondubbelzinnige verzetgarantie nodig ondanks het feit dat strikt genomen is voldaan aan artikel 12 van de OLW. Heropening onderzoek waarbij raadsvrouw in gelegenheid wordt gesteld haar beroep op de schending van artikel 3 EVRM nader te onderbouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751592-14

RK nummer: 14/4634

Datum uitspraak: 26 september 2014

TUSSEN-UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 10 juli 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 2 juni 2014 door de Judge Presiding Judge van het Tribunalul Bihor (Bihor County Court) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedatum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie], Huis van Bewaring [plaats 1];

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 12 september 2014. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N. van Ditzhuyzen.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door haar raadsvrouw mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Roemeense taal.

Verlenging onbepaalde tijd met gelijktijdige schorsing

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, van de OLW uitspraak zou moeten doen op grond van het bepaalde in artikel 22, vierde lid, van de OLW, voor onbepaalde tijd verlengd.

De rechtbank overweegt onder verwijzing naar haar uitspraak van 22 oktober 2010 (ECLI:NL:RBAMS:2010:BO1466), dat de officier van justitie haar vordering op 10 juli 2014 heeft ingediend terwijl het EAB op 2 juni 2014 was ontvangen. De opgeëiste persoon was op dat moment uit andere hoofde gedetineerd en derhalve in de macht van justitie. De officier van justitie had de vordering dan ook kunnen indienen uiterlijk drie vrije dagen na de dag van de ontvangst van het EAB, te weten 5 juni 2014, zodat toen de beslistermijn is aangevangen. De rechtbank slaagt er niet in binnen die termijn uitspraak te doen.

Ter zitting heeft de rechtbank dan ook de gevangenneming van de opgeëiste persoon bevolen met ingang van het tijdstip dat de detentie uit andere hoofde eindigt en deze vanaf dat moment geschorst.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat zij de Roemeense nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van 28 oktober 2011 van het Bihor District Court (referentie 231/2011), gewijzigd door het vonnis van het Oradea Court of Appeal (decision no. 114/A/2013) en onherroepelijk geworden door het vonnis in cassatie van het High Court of Cassation and Justice van 28 mei 2014 (referentie 1812/2014).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 8 maal 5 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB 5 jaar en 6 maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Schending van artikel 6 en artikel 3 van het EVRM

4.1

Standpunt raadsvrouw

De raadsvrouw heeft betoogd dat de overlevering een schending van de artikelen 3 en 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) tot gevolg zou hebben.

Zij heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij (een van) de terechtzittingen die uiteindelijk hebben geleid tot haar onherroepelijke veroordeling door het Oradea Court of Appeal dat de High Court of Cassation op 28 mei 2014 in stand heeft gelaten. De opgeëiste persoon was op dat moment gedetineerd in Nederland. Zij heeft dan ook geen gebruik gemaakt en kunnen maken van haar recht “to defend herself in person”. Zij heeft niet ondubbelzinnig afstand gedaan van haar aanwezigheidsrecht. Het feit dat de opgeëiste persoon door Nederlandse functionarissen met bijstand van een Nederlandse advocaat zonder tolk is gehoord ten behoeve van de Roemeense strafzaak, is niet voldoende om het aanwezigheidsrecht ter zitting te compenseren. Nu blijkens de door de Roemeense autoriteiten verstrekte informatie de veroordeling inmiddels onherroepelijk is, levert de overlevering derhalve een “flagrant denial of justice” en dus een schending van artikel 6 van het EVRM op.

Daarnaast heeft de raadsvrouw verwezen naar uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en een recente uitspraak van de High Court van het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot de gevangenissituatie in Roemenië, meer in het bijzonder de gevangenis van [plaats 3] waar de opgeëiste persoon na haar overlevering hoogstwaarschijnlijk geplaatst zal worden. De opgeëiste persoon heeft in de periode van 2005 tot 2008 in deze gevangenis verbleven en kan dus uit eerste hand verklaren hoe erbarmelijk de omstandigheden in die gevangenis zijn. De raadsvrouw concludeert dan ook dat Roemenië niet het interstatelijk vertrouwen kan genieten dat de bepalingen van het EVRM in de gevangenissen worden nageleefd. Het staat, gelet op de uitspraken van het EHRM, vast dat de overlevering een flagrante schending van de fundamentele rechten van de opgeëiste persoon zal opleveren. Indien de rechtbank de overlevering niet aanstonds op grond van artikel 11 van de OLW weigert, zullen er aan de Roemeense autoriteiten garanties moeten worden gevraagd hoe een flagrante schending in het geval van de opgeëiste persoon zal worden voorkomen.

4.2

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet concreet ten aanzien van de opgeëiste persoon is onderbouwd dat overlevering tot een flagrante schending van artikel 3 en 6 van het EVRM zal leiden. De weigeringsgrond van artikel 11 van de OLW is dan ook niet aan de orde. De overlevering dient te worden toegestaan.

4.3

Oordeel rechtbank

De rechtbank stelt vast dat uit de informatie uit het EAB onder d) blijkt dat het vonnis is gewezen zonder dat de opgeëiste persoon daarbij aanwezig was. Volgens het EAB hebben zich echter de in artikel 12 sub a tot en met c van de OLW genoemde omstandigheden voorgedaan. Er is vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon op 14 oktober 2013 op de hoogte is gesteld van de zitting en dat zij is vertegenwoordigd door een advocaat. Verder is onder 3.4 en 4 van het EAB het volgende vermeld:

3.4 [

x] the decision was not handed to the person but:

-the decision shall be handed without delay after arrest; and

-on the moment the decision is handed in, the person shall be informed about the right to a re-trial or a way of attack

-the person shall be informed concerning the time in which the person may request the re-trial of the case or promotion of a way of attack, which is 10 days.

4. 1f you have checked the box at the above point 3.1b 3.2 or 3.3, please provide information regarding the manner of fulfilling the relevant condition:

-the person [opgeëiste persoon] has been summoned in person for Oradea Court of Appeal in [plaats 2] Jail-Holland.

-in the public session of May 23, 2013, the court of appeal namely Oradea Court of Appeal ordered a rogatory commission in Holland for hearing the appealing defendant who is arrested for a recurrent conviction of 7 years of imprisonment, and the Dutch judicial authorities communicated that the video conference could not be performed with regard to a defendant, only to a witness.

- in the hearing report for the aforementioned person of the 141h October 2013 it was recorded by the Dutch judicial authorities that the followed person [opgeëiste persoon] admitted to the facts that she was accused of, that she wants to make use of the provisions of Art. 320/1 Criminal procedure Code that she maintains her statement made in the stage of the criminal prosecution and that she has no other evidence to produce in her defense.

- the person followed mandated a lawyer to defend her, being defended by a chosen lawyer before the court of first instance and of appeal, before the court of recourse the legal assistance was provided by a publicly appointed lawyer from Bucharest Bar Association of Lawyers.

Uit deze informatie leidt de rechtbank af dat de opgeëiste persoon op 14 oktober 2013 terwijl zij in Nederland strafrechtelijk zat gedetineerd, in persoon op de hoogte is gesteld van de zitting in hoger beroep op 23 mei 2014 en dat zij een advocaat heeft gemachtigd haar ter zitting te vertegenwoordigen.

Gelet op het voorgaande lijkt op het eerste gezicht te zijn voldaan aan de voorwaarden van artikel 12 van de OLW. De opgeëiste persoon is in persoon op de hoogte gesteld, zij heeft bijstand gehad van een gemachtigd advocaat en er is een garantie op een “retrial” vermeld.

De opgeëiste persoon heeft ter zitting echter aangegeven dat zij wel degelijk in persoon aanwezig wilde zijn bij de behandeling van haar strafzaak in Roemenië. Dit werd haar echter niet toegestaan omdat zij in Nederland strafrechtelijk zat gedetineerd.

De rechtbank overweegt voorts dat uit de door de raadsvrouw overgelegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon op de dag dat zij op de hoogte was gesteld van de behandeling van de zitting in hoger beroep door een Nederlandse rechter-commissaris ter uitvoering van een Roemeens rechtshulpverzoek als verdachte in die Roemeense zaak is gehoord.

Dit verhoor heeft zonder bijstand van een tolk voor de Roemeense taal plaatsgevonden, terwijl de opgeëiste persoon wel om bijstand van een tolk had verzocht. Voorts heeft de raadsvrouw van de opgeëiste persoon de rechter-commissaris verzocht om aanhouding van het verhoor voor overleg met de advocaat in Roemenië, omdat de raadsvrouw niet over het dossier beschikte en de opgeëiste persoon op basis van dat dossier dus niet kon adviseren over haar proceshouding. De rechter-commissaris heeft overwogen dat de strafzaak drie dagen later in Roemenië zou dienen. Hij heeft vervolgens de raadsvrouw in de gelegenheid gesteld om contact op te nemen met de Roemeense advocaat en het verhoor later die dag voortgezet.

Na de voortzetting heeft de rechter-commissaris meegedeeld dat de opgeëiste persoon volgens de Roemeense wet recht heeft op strafvermindering als zij een bekennende verklaring zou afleggen. Vervolgens heeft de opgeëiste persoon een bekennende verklaring afgelegd. Aan het einde van het verhoor heeft de rechter-commissaris de opgeëiste persoon gevraagd of zij het ermee eens was dat dit alles zonder tolk werd besproken. De opgeëiste persoon antwoordt dan “Ik zeg u ja, ik heb het begrepen.”

De rechtbank ziet aanleiding - ondanks het feit dat strikt genomen is voldaan aan artikel 12 van de OLW - toch een verzetgarantie nodig te achten voor een overlevering, zodat een eventuele schending van artikel 6 van het EVRM kan worden hersteld.

Redengevend hiervoor is de gang van zaken bij het verhoor van de rechter-commissaris op
14 oktober 2014 zoals hiervoor beschreven in samenhang met de verklaring van de opgeëiste persoon dat zij bij de behandeling van de strafzaak in Roemenië aanwezig had willen zijn, maar dat haar werd verteld dat dat niet mogelijk was omdat zij gedetineerd was in Nederland.

Uit de tekst van onderdeel d) onder 3.4 van het EAB zou afgeleid kunnen worden dat aan de opgeëiste persoon inderdaad een verzetgarantie wordt verstrekt, maar de rechtbank is van oordeel dat deze niet ondubbelzinnig is, in die zin dat:

(1) het vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend,

(2) zij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over haar recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij zij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en

(3) zij wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen zij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.

Om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een ondubbelzinnige verzetgarantie zoals hierboven beschreven bij de Roemeense autoriteiten op te vragen, zal de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd.

Voorts is na beraad in raadkamer gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest.

Uit het EAB blijkt dat de resterende straf vijf jaar en zes maanden bedraagt, terwijl er acht maal vijf jaar gevangenisstraf is opgelegd. Verder is ook een straf uit 2002 in het EAB vermeld, te weten drie jaar en 6 maanden.

De opgeëiste persoon heeft ter zitting aangegeven dat zij een deel van haar straf reeds in Roemenië heeft uitgezeten.

De rechtbank verzoekt de officier van justitie dan ook tevens om aan de Roemeense uitvaardigende autoriteiten te verzoeken om een heldere uiteenzetting van de samenstelling en duur van de opgelegde straf in de strafzaak waarvoor deze overlevering wordt gevraagd en tevens om aan te geven of de opgeëiste persoon reeds een deel van deze straf heeft uitgezeten.

Nu de rechtbank het onderzoek zal heropenen, wordt de raadsvrouw in de gelegenheid gesteld haar verweer met betrekking tot de schending van artikel 3 van het EVRM nader te onderbouwen, terwijl de officier van justitie in de gelegenheid wordt gesteld hierop nader te reageren. De rechtbank verzoekt de raadsvrouw in verband hiermee de stukken waarop zij zich nader wenst te beroepen, uiterlijk een week voor de nieuwe zitting aan de rechtbank en de officier van justitie te overleggen.

6 Beslissing

HEROPENT en schorst het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd om:

- De officier van justitie in de gelegenheid te stellen bij de uitvaardigende autoriteit een ondubbelzinnige verzetgarantie op te vragen, zoals hiervoor onder punt 4.3 is overwogen.

- De officier van justitie in de gelegenheid te stellen bij de uitvaardigende autoriteit nadere informatie te vragen ten aanzien van de samenstelling van de opgelegde straf en het resterende deel daarvan.

- De raadsvrouw in de gelegenheid te stellen haar verweer met betrekking tot de schending van artikel 3 van het EVRM nader te onderbouwen. De rechtbank verzoekt de raadsvrouw de stukken waarop zij zich nader wenst te beroepen, uiterlijk een week voor de nieuwe zitting aan de rechtbank en de officier van justitie te overleggen.

BEVEELT dat het onderzoek zal worden hervat op een nader te bepalen zitting.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan haar raadsvrouw.

BEVEELT de oproeping van een tolk voor de Roemeense taal tegen het nader te bepalen tijdstip.

BEVEELT dat voor de volgende behandeling ter zitting minimaal 90 minuten worden gereserveerd.

Aldus gedaan door

mr. S.A. Krenning, voorzitter,

mrs. S.J. Riem en P. Rodenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 26 september 2014.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

[A/B/C]