Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:6325

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-09-2014
Datum publicatie
27-10-2014
Zaaknummer
13-751736-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

De grondslag van het EAB is het nog niet onherroepelijke verstekvonnis van 22 april 2014. Dat de opgeëiste persoon verzet heeft ingesteld maakt niet dat de grondslag om die reden is gewijzigd, slechts dat in verband met het ingestelde verzet het EAB gelezen dient te worden als strekkende tot vervolging van de opgeëiste persoon.

Dat de opgeëiste persoon te kennen heeft gegeven geen gebruik te willen maken van haar aanwezigheidsrecht en haar Belgische advocaat heeft gemachtigd, doet daaraan niet af. Tevens verwerping verweer met betrekking tot evenredigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751736-14 (EAB III)

RK nummer: 14/5447

Datum uitspraak: 26 september 2014

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 15 augustus 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 28 juli 2014 (ontvangen op 11 augustus 2014) door de Procureur des Konings te Antwerpen (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Frankrijk) op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en verblijvend op het adres [GBA-adres],

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 12 september 2014. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. A. Oswald.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door haar raadsman, mr. B.P.J. van Riel, advocaat te Arnhem.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat zij de Servische nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van de Correctionele Rechtbank te Antwerpen van 22 april 2014 (referentie 2093).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 30 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

De raadsman heeft betoogd dat de overlevering dient te worden geweigerd. De opgeëiste persoon heeft op 3 september 2014 middels haar Belgische advocaat verzet ingesteld tegen voornoemd vonnis. De opgeëiste persoon moet op 6 oktober 2014 voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen verschijnen. De veroordeling is derhalve niet onherroepelijk, waardoor de grondslag van het EAB is komen te vervallen.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank overweegt dat de grondslag van het EAB is het nog niet onherroepelijke verstekvonnis van 22 april 2014. Dat de opgeëiste persoon verzet heeft ingesteld maakt niet dat de grondslag om die reden is gewijzigd, slechts dat in verband met het ingestelde verzet het EAB gelezen dient te worden als strekkende tot vervolging van de opgeëiste persoon, in verband met het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van België strafbare feiten.

Dat de opgeëiste persoon te kennen heeft gegeven geen gebruik te willen maken van haar aanwezigheidsrecht en haar Belgische advocaat heeft gemachtigd, zoals de raadsman heeft betoogd, doet daaraan niet af.

4.1

Strafbaarheid, feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 11, te weten:

Informaticacriminaliteit

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

4.2

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de overige feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 2e van de OLW gestelde eisen.

De rechtbank stelt vast dat de feiten waarvoor overlevering wordt verzocht, zowel naar het recht van België als naar Nederlands recht strafbaar zijn en dat op die feiten in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon is geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie. Zij is een ‘derdelander’ en zij is in het bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

Op grond van artikel 6, eerste lid, van de OLW kan de overlevering van een Nederlander ter fine van strafvervolging worden toegestaan, voor zover “naar het oordeel van de uitvoerende justitiële autoriteit is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan”.

Artikel 6, vijfde lid, van de OLW stelt voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, OLW op een vreemdeling de volgende - cumulatieve - voorwaarden:

1. deze vreemdeling is in het bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;

2. deze vreemdeling kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten die aan het EAB ten grondslag liggen en

3. ten aanzien van deze vreemdeling bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.

In deze zaak is aan de eerste en tweede voorwaarde voldaan.

In de brieven van 9 april 2014 en 11 september 2014 heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst aangegeven dat indien de opgeëiste persoon in België wordt veroordeeld voor feiten waarvoor haar overlevering is verzocht in twee eerdere EAB’s, deze veroordeling kan leiden tot verblijfsbeëindiging en dat opgeëiste persoon en dat de veroordeling terzake waarvan onderhavig EAB is uitgevaardigd aan de mogelijkheid haar verblijfrecht in te trekken geen afbreuk doet.

De rechtbank stelt dan ook vast dat aan de derde voorwaarde niet is voldaan. Voor de overlevering is dan ook niet vereist dat de Belgische autoriteiten een terugkeergarantie verstrekken. De opgeëiste persoon kan evenmin aanspraak maken op de reeds eerder verleende garantie. De opgeëiste persoon kan immers niet gelijkgesteld worden met een Nederlander.

6 Evenredigheid

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering geweigerd dient te worden nu door een overlevering het hele leven van de opgeëiste persoon overhoop wordt gehaald. Zij woont sinds 1992 in Nederland en haar kinderen en kleinkinderen wonen hier. Als zij wordt overgeleverd zal zij in hechtenis worden genomen. Zij dreigt haar verblijfsvergunning te verliezen. Het middel van het uitvaardigen van een EAB is dan ook onevenredig zwaar is en de belangenafweging dient in het voordeel van de opgeëiste persoon uit te vallen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld, kort samengevat, dat de OLW noch het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit ruimte biedt voor de door de raadsman gewenste proportionaliteitstoets. Hierbij heeft zij opgemerkt dat het EAB gelet op de ernst van het strafbare feit niet kan worden aangemerkt als een te zwaar middel.

De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank vat het verweer op als een beroep op het ontbreken van evenredigheid, in die zin dat de raadsman stelt dat de uitvaardiging van het EAB onevenredig zware gevolgen heeft voor de opgeëiste persoon.

De rechtbank verwerpt het verweer onder verwijzing naar haar eerder bij uitspraak van

4 maart 2009 gegeven oordeel (LJN: BH6183), dat gelet op de stelselevenredigheid van het Kaderbesluit een beroep op de onevenredigheid van een Europees Aanhoudingsbevel slechts onder bijzondere omstandigheden kan slagen. De rechtbank is van oordeel dat de door de raadsman aangevoerde persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon, in het licht van de verdenking tegen haar, niet zodanig bijzonder zijn dat dit leidt tot een dergelijke situatie.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6 en 7 van de Overleveringswet.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen ten behoeve van het in België tegen haar gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor haar overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. S.A. Krenning, voorzitter,

mrs. S.J. Riem en P. Rodenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 24 september 2014.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

[A/B/C]