Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:6299

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
HA ZA 13-863
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen bijdrage funderingsherstel mandelige muur, geen spoedeisendheid dat toestemming Kantonrechter niet afgewacht had kunnen worden, samenloop 5:65 en 3:170 BW, lekkage vanuit woning buren, onrechtmatige daad als gevolg van nalatigheid, voorzienbaarheid van schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/547885 / HA ZA 13-863

Vonnis van 3 september 2014

in de zaak van

[naam eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. E. van der Hoeden te Amsterdam,

tegen

[naam gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

in de zaak met nummer 1416834 HA EXPL 13-260

- het vonnis in het onbevoegdheidsincident van 19 juni 2013 en de daarin genoemde processtukken en proceshandelingen;

in de zaak met nummer 544860/HA ZA 13-719

- de rolbeslissing van 31 juli 2013 waarbij de zaak ambtshalve is doorgehaald;

in de zaak met nummer 547885/HA ZA 13-863

- het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 18 september 2013 waarbij een comparitie is gelast;

- het proces-verbaal van de op 13 december 2013 gehouden comparitie en de daarin genoemde processtukken en proceshandelingen;

- de akte na comparitie met producties van de zijde van [eiser];

- de antwoordakte na comparitie met producties van de zijde van [gedaagde];

- de akte uitlating producties met producties van de zijde van [eiser];

- de antwoordakte van de zijde van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is sinds 2000 eigenaar van het pand Tweede Helmersstraat 91 te Amsterdam. [gedaagde] is eigenaar van het naastgelegen pand aan [adres 1].

2.2.

Het pand van [eiser] en het pand van [gedaagde] hebben een gemeenschappelijke fundering.

2.3.

[eiser] is tevens eigenaar van het pand aan [adres 2].

2.4.

In 2010 heeft [eiser] vergunning gevraagd om de fundering onder zijn pand te herstellen.

2.5.

Per brief van 1 oktober 2010 bericht [eiser] aan [gedaagde] onder meer het navolgende:

“Afgelopen juni heb ik u geschreven omtrent vocht dat vanuit uw keuken/kelder door de gezamenlijk muur in mijn kelder loopt.

De muur is ter plekke inmiddels verzadigd met water, dus loopt mijn kelder steeds sneller weer vol, waardoor ik nu ieder weekend de kelder moet leeghozen. Er ontstaat hinderlijke overlast met ook schade aan wat er in de kelder staat.

(..)

Daarnaast wil ik u graag mededelen dat ik de vergunning van de gemeente heb om de fundering van het pand [adres 3] te herstellen. Een deel dat de fundering moet de gemeenschappelijke muur van de panden [adres 1] en [adres 3] opvangen. Dat betekent dat een deel van de kosten van de fundering die nodig is om die muur op te vangen voor rekening komen van de eigenaar van het buurpand. (..)

Ik zou het op prijs stellen als u contact met mij wilt opnemen om te laten weten hoe er verdere schade aan mijn kelder wordt voorkomen en als u vragen heeft over het funderingsherstel van de gemeenschappelijke muur.”

2.6.

Op 7 maart 2011 bericht [eiser] per brief aan [gedaagde] onder meer het navolgende:

“Afgelopen oktober heb ik u geïnformeerd over het funderingsherstel dat noodzakelijk is voor het pand [adres 3] en kosten die daardoor moeten worden gemaakt voor de gemeenschappelijke muur met uw pand op [adres 1]. Inmiddels is de aannemer [naam aannemer] begonnen en is de fundering zichtbaar. De komende week wordt door [bedrijf] een funderingsinspectie uitgevoerd om een objectief rapport op te stellen omtrent de staat van de fundering. Uiteraard bent u van harte welkom om te komen kijken naar de fundering onder de gemeenschappelijke muur.”

2.7.

In opdracht van [eiser] heeft [bedrijf] (hierna: [bedrijf]) op

10 maart 2011 de fundering van de gemeenschappelijke bouwmuur geïnspecteerd en vervolgens onder meer het navolgende gerapporteerd:

“De fundering onder de gemeenschappelijke bouwmuur tussen de panden [adres 1] en [adres 3] in een slechte staat verkeert. De redenen voor deze conclusie zijn de gebroken en vervormde kespen, het vervormde langshout, de slechte plaatsing van de palen onder het funderingsmetselwerk en de te lage draagkracht van de kespen. De overdracht van de belastingen vanuit het gebouw naar de palen is niet gewaarborgd. Geadviseerd wordt om op korte termijn funderingsherstel uit te voeren. In gemeentelijke termen is naar onze mening sprake van kwaliteitsklasse 4.”

2.8.

[eiser] heeft vervolgens in 2011 funderingsherstel laten uitvoeren aan zijn pand en een kelder aangebracht. Het werk was in maart 2012 gereed.

2.9.

In mei 2012 constateert [eiser] dat in de kelder van zijn woning lekkage is opgetreden, als gevolg van een kapotte riolering in het pand van [gedaagde].

2.10.

Bij brief 11 juni 2012 schrijft [eiser] aan [gedaagde] onder meer het navolgende:

“Zoals ik u in oktober 2010 en in maart 2011 heb geinformeerd over het noodzakelijke funderingsherstel van het pand Tweede Helmersstraat 91. Ondanks dat ik u deze persoon heb overhandigd, heb ik helaas tot op heden nooit een reactie mogen ontvangen. Uit het funderingsonderzoek door de firma [bedrijf] is vast komen te staan dat de fundering inderdaad in slechte staat verkeerde en de muur ernstig verzakt is.

(..)

Om effectief te zijn moet de fundering berekend worden om het gewicht van de gemeenschappelijke muur op te vangen. Om een bijdrage vast te stellen in de kosten die zijn gemaakt om uw deel van de muur op te vangen is door constructeur B&V berekend. De bijgevoegde berekening (productie 2) toon aan dat 9% van de fundering ten behoeve van uw deel van de gemeenschappelijke muur [adres 1]/[adres 3] noodzakelijk is.

(..)

Op basis van de berekening is 9% van EUR 141.395: EUR 12.725. Gaarne zie ik uw betaling tegemoet (..)

Onlangs heb ik met uw bewoners geconstateerd dat de aansluiting van de staande rioolleiding op de liggende rioolleiding is vergaan. Daardoor loopt bij doortrekken van alle WCs een deel van het afvalwater onder het pand. De riolering zit aan de gemeenschappelijke muur en afvalwater sijpelt door de muur mijn kelder in. Bij de electra kast ontstaat nu lekkage schade en ook het stukwerk op de begane grond is aangetast. Ik hoop dat de riolering spoedig kan worden nagekeken/vervangen, zodat de verbouwingswerkzaamheden verder kunnen.”

2.11.

Op 26 juni 2012 heeft [naam 1], beheerder van het pand van [gedaagde] en namens [gedaagde] de situatie in de kelder van [eiser] opgenomen.

2.12.

Bij brief 10 juli 2012 heeft [eiser] aan [gedaagde] een brief gestuurd wederom met het verzoek om tot reparatie van de riolering over te gaan.

2.13.

Op 14 augustus 2012 schrijft de raadsman van [gedaagde] aan [eiser] onder meer het navolgende:

“U verzoekt cliënte om een bijdrage te leveren in de door u gemaakte kosten voor het funderingsherstel van de gemeenschappelijke bouwmuur van de panden aan [adres 1]/[adres 3].

Hoewel in het op uw verzoek uitgebrachte rapport staat vermeld dat de fundering onder de genoemde muur in een slechte staat verkeerde en naar de mening van de opsteller van het rapport een kwaliteitsklasse IV kon worden toegedeeld, is cliënte de mening toegedaan dat het herstel niet op korte termijn behoefde plaats te vinden. Zij stelt zich op het standpunt dat de handhavingstermijn nog redelijk was en dat uw wens om de kelder onder het pand met [adres 3] te verdiepen tot stahoogte de directe grond is geweest om tot herstel van de fundering over te gaan. Daarnaast heeft u geen overleg met cliënte gevoerd over het uitgevoerde herstel van de gemeenschappelijke fundering en heeft cliënte hiervoor ook haar toestemming niet gegeven. Cliënte is dan ook niet bereid om een bijdrage in de kosten te voldoen.”

2.14.

In opdracht van [eiser] heeft aannemer [naam 2] op 11 december 2012 een onderzoek gedaan naar de lekkage in het pand van [eiser]. De aannemer heeft zijn bevindingen in een brief van gelijke datum aan [eiser] onder meer het navolgende gerapporteerd:

“In de kelder van [adres 3] is duidelijk zichtbaar dat de belendende muur naar [adres 1] tpv de standleiding kledder nat is op de overgang van metselwerk naar de betonnen kelderrand over een breedte van ca 2meter

(..)

In de kruipruimte van [adres 1] is de gietijzeren standleiding goed te zien vanaf het kruipluik de omgeving van de standleiding is ook hier kleddernat. Wat tevens opviel is dat door het vochtige klimaat de balklaag zeer zwaar is aangetast door houtrot. Herstel van de balklaag absoluut noodzakelijk.”

2.15.

Bij brief van 3 januari 2013 bericht [eiser] aan [gedaagde] onder meer het navolgende:

“Nu de muur lange tijd nat is, tast dit de balken op de begane grond aan, mede door eerder lekkages. Gezien de klacht van de bewoner van [adres 3] in april 2011 over vochtplekken op de begane grond van zijn trappenhuis moet de lekkage al jaren aanwezig zijn.

Door de plaats van de lekkage kan ik de elektrische hoofdaansluiting niet gebruiken en geen werkzaamheden verrichten met betrekking tot het afbouwen van de woning, zoals het aanleggen van de verwarming en de trap naar de kelder. Hierdoor kan ik niet wonen op de [adres 3] en ontstaat naast materiele schade in de kelder, ontstaat er ook schade wegens het huren van vervangen woonruimte.”

2.16.

Bij brief van 12 februari 2013 bericht het loodgietersbedrijf Lantsink & Koning B.V. aan [eiser] onder meer het navolgende:

“Op vrijdag 8 februari heb ik geconstateerd dat de riolering aan [adres 1] lekt in de kruipruimte onder de trap. De aansluiting van de standleiding op de grondleiding is vergaan en afvalwater stort in de kruipruimte. Deze riolering zit langs de muur met het buurpand [adres 3].

Als gevolg van deze lekkage van de riolering van [adres 1] loopt water door de muur in de kelder van [adres 3] ter hoogte van het trappenhuis. Daardoor staat er water op de wand van de kelderbak en op de vloer van de kelder. Het water op de wand van de kelderbak tast de hoofdaansluiting van electra en de zekeringenkast aan. De wand/ophanging van de electravoorziening is volgezogen met water, waardoor de electrische installatie onbruikbaar is (..).

Op de vloer van de kelder loopt water waardoor de pompput volloopt met water. Daarmee kan de pomp voor afvalwater in de kelder niet worden gebruikt en moet opnieuw worden geinstalleerd (..).

De CV ketel en vloerverwarmingsunit kunnen niet worden opgehangen of aangesloten(..)

Ook kan de vloerverwarming niet op de vloer van de kelder worden aangelegd omdat er water op de vloer staat (..)

Daarnaast constateer ik dat de trap naar de kelder niet kan worden geinstalleerd (..)

Ook heb ik geconstateerd dat de vloer en balken nat en zacht zijn daardoor gaan deze rotten (..)

Schade:

Pompput opnieuw beplaten en pomp installeren: EUR 530,00 (inclusief arbeidsloon en materialen)

Electra aansluiting herstellen: EUR 879 (inclusief kosten Liander)”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat en na vermindering van eis- veroordeling van [gedaagde] tot betaling van

A. € 14.800,00 wegens inkomstenderving en vervangende woonruimte;

B. € 1.409,00 wegens schade aan put en electrapomp;

C. € 217,80 wegens vergoeding aan firma De Jong;

D. € 12.725,00 wegens kosten funderingsherstel;

E. € 18.900,00 aan dwangsommen over de periode vanaf 6 februari 2013 tot 12 juni 2013.

3.2.

Op zowel de stellingen van [eiser] als het verweer [gedaagde] wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] heeft kort gezegd aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij in mei 2012 heeft geconstateerd dat sprake was van lekkage door de muur heen in de kelder van zijn woning, en dat deze het gevolg is van gebreken aan de standleiding en het riool in de woning van [gedaagde]. Met [gedaagde] is meermaals gecorrespondeerd met het verzoek om de lekkage te verhelpen. Hoewel [gedaagde] heeft gepoogd de lekkage te verhelpen is zulks niet gelukt. Ten gevolge van de lekkage in de kelder van het pand was het niet mogelijk de hoofdelektra aansluiting te monteren, kon de centrale verwarmingseenheid niet aangesloten worden, was het evenmin mogelijk de dekvloer in de kelder aan te brengen en en was de woning onbruikbaar voor bewoning, aldus nog steeds [eiser].

4.2.

onrechtmatige daad

Tussen partijen is niet in geschil dat sinds de aankoop van het pand door [eiser] in 1999/2000, zich meerdere lekkages in zijn pand hebben voorgedaan die alle hun oorzaak vonden in gebreken aan het pand van [gedaagde]. In deze procedure is evenwel alleen de door [eiser] in mei 2012 geconstateerde lekkage (hierna: de lekkage) aan de orde, waarvan tussen partijen niet in geschil is dat deze het gevolg was van een kapotte riolering in het pand van [gedaagde]. Van deze lekkage heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde] in aanloop naar de gevoerde procedure bij de Voorzieningenrechter en de daarbij gelaste descente heeft getracht de lekkage te verhelpen, maar dat inmiddels is gebleken dat de lekkage nog immer voortduurt, dat [gedaagde] niet voortvarend genoeg heeft gehandeld en dat [eiser] daarvan materiële (pomp) en financiële (vervangende woonruimte) schade heeft ondervonden.

4.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Nu [eiser] op dit punt geen vordering heeft ingesteld, kan in het midden blijven of de door [eiser] in mei 2012 geconstateerde lekkage nog steeds aanwezig is. In de verdere beoordeling zal de rechtbank veronderstellenderwijs aannemen dat de lekkage eind februari 2013 is verholpen, zodat slechts ter beantwoording voorligt de vraag of [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld waar het gaat om het verhelpen van de lekkage.

4.4.

Uit de door [eiser] in het geding gebrachte correspondentie, die inhoudelijk door [gedaagde] niet is weersproken, volgt dat [gedaagde] in de periode mei 2012 en februari 2013 meerdere malen is verzocht de lekkage te verhelpen. Tevens staat vast dat [eiser] reeds in zijn eerste melding van de lekkage bij brief van 11 juni 2012 (2.10) en later bij brief van 3 januari 2013 (2.15) heeft gewezen op de gevolgen van de lekkage voor de woning van [eiser], de voortgang in de verbouwing en de onmogelijkheid om de woning te kunnen bewonen zolang de lekkage niet verholpen is.

4.5.

Gelet daarop en op de omstandigheid dat de lekkage plaatsvond naast de belendende muur tussen beide panden, was voor [gedaagde] te voorzien dat voortduring van de lekkage niet alleen tot materiële schade aan de zijde van [eiser] zou leiden, maar ook tot financiële schade. Behoudens dan dat de beheerder van het pand van [gedaagde] op 26 juni 2012 de situatie in het pand van [eiser] heeft opgenomen, is gesteld noch gebleken dat [gedaagde] in de periode gelegen tussen mei 2012 en februari 2013 herstelwerkzaamheden heeft uitgevoerd. De beheerder van het pand heeft daarvoor ter zitting geen verklaring kunnen geven.

4.6.

In het licht van het vorenstaande had minst genomen van [gedaagde] mogen worden verwacht dat zij naar aanleiding van zijn correspondentie contact had opgenomen met [eiser] voor overleg over de ontstane situatie en dat zij -vervolgens- adequate herstelmaatregelen had getroffen. Bij gebreke daarvan kan niet anders geconcludeerd worden dat [gedaagde] verwijtbaar nalatig is geweest en de haar kenbare belangen van [eiser] zodanig heeft veronachtzaamd dat sprake is van een onrechtmatige daad.

4.7.

inkomstenderving

De rechtbank overweegt als volgt. Voor zover de vordering van [eiser] gericht is op inkomstenderving zal deze worden afgewezen, nu [eiser] niet concreet en met stukken onderbouwd heeft gesteld waaruit de inkomstenderving bestaat. In zoverre heeft [eiser] niet voldaan aan zijn stelplicht en komt de rechtbank aan bewijslevering niet toe.

4.8.

vervangende woonruimte

De rechtbank constateert dat de door [eiser] gevorderde vergoeding voor vervangende woonruimte betrekking heeft op de periode vanaf 6 juni 2012 tot 6 februari 2013, derhalve in de periode waarvan vaststaat dat de lekkage vanuit het pand van [gedaagde] aanwezig was. Ter onderbouwing van het door hem gevorderde bedrag ad € 14.800,= heeft [eiser] onder verwijzing naar de door hem in het geding gebrachte producties gesteld dat hij gedurende voornoemde periode de huur van het appartement van zijn broer heeft aan [adres 4] (hierna: het appartement) heeft moeten voortzetten voor

€ 1.850,= per maand omdat de verbouwing van zijn woning ten gevolge van de lekkage niet afgerond kon worden en de woning daardoor niet voor bewoning geschikt was.

4.9.

[gedaagde] heeft zich verweerd hetgeen hierna aan de orde zal komen.

4.10.

De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van [gedaagde] voor zover het ertoe strekt dat [eiser] onvoldoende heeft gemotiveerd dat de lekkage tot gevolg had dat de verbouwing van zijn woning niet afgerond kon worden en dat de woning daardoor niet voor bewoning gereed gemaakt kon worden. Gelet op de inhoud van de hiervoor onder 2.10, 2.15 en 2.16 weergegeven correspondentie heeft [eiser] zijn stellingen voldoende gemotiveerd, en is een enkel niet nader gemotiveerde betwisting van de zijde van [gedaagde] op dit punt onvoldoende.

4.11.

Voor zover [gedaagde] de door [eiser] gestelde huurovereenkomst van het appartement heeft betwist overweegt de rechtbank het navolgende. Anders dan [gedaagde] betoogt rechtvaardigt de enkele omstandigheid dat [eiser] gedurende de periode van de lekkage in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven stond op het naastgelegen adres [adres 2] nog niet de vergaande conclusie dat van een huurovereenkomst als door [eiser] gesteld geen sprake is. [eiser] heeft de huurovereenkomst immers niet alleen nader onderbouwd door deze in het geding te brengen, maar ook door overlegging van een drietal verklaringen van zijn broer dat het appartement daadwerkelijk van hem is gehuurd en dat hij de huurpenningen heeft ontvangen. Tegen deze achtergrond is het verweer van [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd en zal de rechtbank dit passeren.

4.12.

Het vorenstaande brengt evenwel niet met zich dat alle door [eiser] gevorderde huurpenningen over de periode 6 juni 2012 tot 6 februari 2013 zonder meer door [gedaagde] vergoed dienen te worden. De rechtbank neemt bij de beoordeling van deze schadepost op grond van artikel 6:98 BW tot uitgangspunt dat vergoeding slechts aan de orde is, indien de betaalde huurpenningen voor vervangende woonruimte in zodanig verband staan tot de hiervoor vastgestelde onrechtmatige gedraging van [gedaagde], dat deze kunnen worden beschouwd als een toerekenbaar gevolg daarvan. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een toerekenbaar gevolg dient tevens de mate van voorzienbaarheid en waarschijnlijkheid van de schadepost te worden betrokken.

4.13.

De huurpenningen over de maanden januari en februari 2013 komen voor vergoeding in aanmerking, nu gelet op de inhoud van de brief van [eiser] van 3 januari 2013 voor [gedaagde] voorzienbaar was dat haar nalatige handelwijze voor [eiser] tot dit gevolg zou kunnen leiden.

Waar de vordering van [eiser] betrekking heeft op de daaraan voorafgaande periode (juni 2012 tot en met december 2012), zal deze worden afgewezen nu deze kosten niet kunnen worden beschouwd als een toerekenbaar gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde]. De rechtbank neemt bij dit oordeel in aanmerking dat tussen partijen vaststaat dat de lekkage zich alleen openbaarde in de kelderbak van [eiser] en de scheidingswand op kelderniveau tussen beide woningen. Gelet op de aard en de beperkte omvang van deze lekkage ziet de rechtbank niet in dat het voor [gedaagde] ook gedurende deze periode voorzienbaar was dat de lekkage [eiser] zou nopen tot het zoeken van vervangende woonruimte. Daarvoor heeft [eiser] te weinig gesteld, te meer nu de door hem in geding gebrachte correspondentie over dit tijdvak daarvoor geen enkel aanknopingspunt biedt.

4.14.

Het vorenstaande leidt tot de tussentijdse slotsom dat de door [eiser] in de maanden januari en februari 2013 betaalde huurpenningen ad in totaal € 3.700,= (2x 1.850) door [gedaagde] vergoed dienen te worden.

4.15.

schade aan put en electrapomp ad € 1.409,=

[eiser] heeft -samengevat- onder verwijzing naar de onder 2.16 genoemde brief van zijn loodgieter gesteld dat de pomp ten gevolge van het uit de lekkage afkomstige water in zijn kelderbak kapot is gegaan en vervangen dient te worden.

4.16.

[gedaagde] heeft -kort gezegd- betwist dat in de kelderbak van [eiser] water heeft gestaan en de pomp ten gevolge daarvan stuk is gegaan.

4.17.

De rechtbank wijst de vordering af. Bij dit oordeel neemt de rechtbank in aanmerking dat de stellingen van [eiser] waar het gaat om de oorzaak van de schade aan de pomp niet eenduidig zijn. Bij dagvaarding heeft [eiser] aan zijn vordering immers de in mei 2012 geconstateerde lekkage van de riolering en een ondergelopen kelder aan dit deel van zijn vordering ten grondslag gelegd terwijl [eiser] ter zitting, althans zijn loodgieter, in afwijking van dit standpunt heeft gesteld dat een drie dagen duren lekkage van een waterleiding van een later moment als oorzaak dient te worden aangewezen. Bij dit alles komt nog dat [gedaagde] heeft betwist dat sprake is geweest van een ondergelopen kelder en zulks evenmin zichtbaar is op de door [eiser] bij voornoemde brief in het geding gebrachte foto’s.

4.18.

vergoeding firma [naam 2]

Nu [eiser] niet nader heeft gemotiveerd en gespecificeerd waarom [gedaagde] gehouden is het gevorderde bedrag ad € 217,80 aan kosten te voldoen, zal de vordering worden afgewezen.

4.19.

kosten fundering

[eiser] heeft aan zijn vordering -samengevat- ten grondslag gelegd dat ter instandhouding van het pand van [eiser] de gezamenlijke scheidingsmuur opnieuw gefundeerd diende te worden, zo volgt uit het rapport van [bedrijf]. Hoewel [eiser] meermaals contact heeft gezocht met [gedaagde] om te overleggen en haar heeft uitgenodigd om bij de inspectie van [bedrijf] aanwezig te zijn, heeft [gedaagde] daaraan geen gehoor gegeven. Zoals volgt uit productie 1, heeft de constructeur berekend dat van de totale door [eiser] gemaakte funderingskosten, een bedrag van € 12.725,= voor rekening van [gedaagde] dient te komen nu dit bedrag betrekking heeft op de gezamenlijke muur van partijen.

4.20.

[gedaagde] heeft zich verweerd en heeft in essentie nut en noodzaak van het funderingsherstel betwist. Voorts heeft [gedaagde] aangevoerd dat zij slechts dan gehouden kan zijn in de funderingskosten te dragen indien zij vooraf toestemming had gegeven, nu de gevorderde kosten betrekking hebben op een gezamenlijke muur waarvan het beheer en het onderhoud door partijen tezamen dient te geschieden. Niet is gebleken dat zich een situatie voordeed waarbij toestemming van [gedaagde] dan wel vervangende toestemming door de kantonrechter door [eiser] niet afgewacht kon worden. Aldus kan [gedaagde] niet gehouden worden op de voet van het bepaalde in artikel 5:65 BW bij te dragen in de kosten, aldus [gedaagde].

4.21.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 5:65 BW geldt dat mandelige zaken op kosten van alle mede-eigenaars worden onderhouden, gereinigd, en, indien nodig, vernieuwd. In de onderhavige zaak staat niet ter discussie dat de fundering van de gemeenschappelijke bouwmuur waar het hier om gaat, een mandelige zaak is, die in mede-eigendom is bij [eiser] en [gedaagde]. Derhalve dienen in beginsel zowel [eiser] als [gedaagde] bij te dragen in de kosten van onderhoud, reiniging en, indien nodig, vernieuwing.

4.22.

Artikel 5:65 BW laat onverlet dat ook artikel 3:170 BW van toepassing is op de situatie waarin sprake is van mede-eigendom van een mandelige funderingsmuur. Daarin is als uitgangspunt neergelegd dat het beheer van de gemeenschap geschiedt door de deelgenoten tezamen (lid 2). Alleen handelingen tot gewoon onderhoud of tot behoud van een gemeenschappelijk goed, en in het algemeen handelingen die geen uitstel kunnen lijden, kunnen door ieder der deelgenoten zo nodig zelfstandig worden verricht (lid 1). Naast de regelingen van artikel 3:170 lid 1 en lid 2 BW geldt dat de deelgenoten bij onderlinge overeenkomst andere afspraken kunnen maken dan in de wet voorzien of dat een mede-eigenaar de kantonrechter kan verzoeken een regeling inzake onder meer het beheer van de gemeenschappelijke zaak te treffen, die voor alle mede-eigenaars (en hun rechtverkrijgenden) bindend is (artikelen 3:168, lid 2, en 5:69 BW).

4.23.

Artikel 3:170 lid 1 BW moet zo worden uitgelegd dat voor het zelfstandig mogen treffen van maatregelen door een deelgenoot ten aanzien van de fundering van een gemeenschappelijke bouwmuur, vereist is dat een reëel en acuut gevaar moet bestaan dat zonder die maatregelen de met de mandelige muur en fundering verbonden huizen, óf één ervan, ernstige schade zullen ondervinden of verloren zullen gaan, en zulks op zo korte termijn dat niet kan worden gewacht op de uitkomst van behoorlijk overleg tussen de mede-eigenaars en, bij gebreke van overeenstemming, op de beslissing op een verzoek aan de kantonrechter (op de voet van artikel 3:168 lid 2 BW). De rechtbank verwijst in dit kader naar een uitspraak van deze rechtbank van 25 juli 2012 (ECLI:NL:RBAMS:2012:BX4206) In zoverre volgt de rechtbank ook het verweer van [gedaagde].

4.24.

In de onderhavige zaak is niet gebleken dat zich een reëel en acuut gevaar voordeed dat het pand [adres 3] of belendende pand van [gedaagde]

zonder onmiddellijk funderingsherstel ernstige schade zouden gaan ondervinden of verloren zouden gaan en waarbij voor overleg met [gedaagde] of het inroepen van een beslissing door de kantonrechter geen tijd meer zou zijn geweest. De conclusies in het rapport van [bedrijf], waarnaar [eiser] heeft verwezen, zijn voor een dergelijk oordeel onvoldoende. Evenmin is gebleken dat de gemeente [eiser] officieel heeft aangeschreven dat hij op zeer korte termijn voor funderingsherstel moest gaan verrichten. [eiser] was daarom niet bevoegd om zelfstandig funderingswerkzaamheden aan de mandelige muur in opdracht te geven. Nu tussen partijen niet in geschil is dat [gedaagde] ondanks meerdere verzoeken daartoe van [eiser], niet met [eiser] in overleg heeft willen treden, restte [eiser] niets anders dan de kantonrechter verzoeken een regeling te treffen in voornoemde zin. Nu [eiser] dat heeft nagelaten was [eiser] niet gerechtigd om zelfstandig en zonder toestemming van [gedaagde] funderingswerkzaamheden aan de mandelige muur in opdracht te geven. Dit brengt met zich dat [eiser] ook niet op basis van artikel 5:65 BW aanspraak kan maken op vergoeding van kosten door [gedaagde]. De vordering zal worden afgewezen.

4.25.

dwangsommen

Het door [eiser] gevorderde bedrag aan dwangsommen ad in totaal € 18.900,= zal worden afgewezen, bij gebreke van enige toelichting waarom [gedaagde] deze volgens [eiser] verschuldigd zou zijn.

4.26.

proceskosten

Gelet erop dat beide partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, zal de rechtbank de proceskosten in die zin compenseren dat ieder de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een bedrag ad € 3.700,= te voldoen binnen 14 dagen na betekening van het onderhavige vonnis;

5.2.

compenseert de proceskosten aldus dat ieder de eigen kosten draagt;

5.3.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. van der Veen en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2014.1

1 type: AvAcoll: